II.

De handen diep weggegraven in de bungelende zakken, sjokte hij

grootmannetjesachtig naar de Achterburgwal, waar hij wist zijn zusje

aan de wallekant te kunnen vinden, net over de kruisstraten waar ze

op post stond, om toe te zien of er ergens wat viel te snaaien.

Van verre zag hij haar al. Ze stond er weer te stumperen, liep er

voor tjomme rond.

Met z'n gauwe oogen wenkte hij haar hem te volgen naar een nauw goor

steegje. Daar kon-ie de aangelegenheden goed beredderen!

--Hoeveel heb je al, vroeg hij heesch. La'w'es zien?

--Hoeveel? Niks!

Ze opende haar leege handen en streek er dan mee over haar jurk;

ze keek hem aan met angstige oogen.

--Bè-je gek! Niks! zèg, kan je nog minder? Zie jij maar hoe je 't

thuis eraf brengt. Ik doe niet mee, hoor!

--Ze loope me allemaal voorbij, kermde ze kleintjes.

--Natuurlik, as je ze niet 'anspreekt... heb je dan geen mond... denk

je dat ze 't mij ma'r zoo in m'n handje leggen?

--Je bent ook veel grooter.

--Grooter, grooter, wat is dat? In de kleine hebbe ze meer fedusie;

die geloove ze eerder!

--Ze hoore niet eens na' me! teemde ze terug.

--Och, jij speelt ma'r.

--Nietes hoor!

Haar groezel-bleek gezichtje vertrok krampig alsof ze grienen

wilde. Dat maakte hem van streek.

--Wel ja, nou dat ook nog, huilebalken zeker, hooresies, ik laat je

staan! waarschuwde hij en wilde zich omkeeren.

--Ik huil toch nie.

--O, da's je geraje ook.

Hij schokte heen en weer op zijn schuiten van schoenen, liep zwaar door

't gore nauwe steegje met bijna geen huizen en hooge blinde zijmuren,

groenig druipend van vocht.

--Ta-ta-ta, tetterde hij al weer, groot van kwaadheid.

Angstig oogde ze zijn smakkerig loopen na, bang dat-ie kwaad zou

weggaan en haar alleen laten.

Maar hij ging niet, sjokte maar heen en weer, bleef dan weer staan,

keek de hoogte in en floot een straatdeuntje.

Zijn handen, zoo groezel-viezig, groeven zich nog dieper weg in zijn

kluiterig hangende broekzakken,--en hij vertrok minachtend zijn lippen,

bestaarde dan opnieuw de lucht, scheukte met zijn schouders alsof

hij nog op de Vijgendam stond te ruggewrijven tegen dat stevig huis.

Wat moest-ie met haar beginnen? Vandaag vrijdag een slechte dag,

een olie-dag, nou ja, ook hem woûen ze niet geven,--maar niks, dat

was dan ook heelemaal niks!

Bet volgde zenuwachtig al zijn bewegingen, en nu hij niets zei,

voelde ze zich nog banger; haar groezel-bleek gezichtje werd vaal,

wit-pips er van.

Een uitgeholde raap, die uitstaakte boven het verschoten kleedje,

zoo zag haar hoofdje. Haar handen wriemelden door het gelige haar,

dat verslonsd en verwaaid om de wijduitstaande ooren hing, krabten

aan haar kleine neus, en ze wilde opnieuw gaan grienen.

Hij keek nog aldoor tartend omhoog, alsof hij het in de lucht moest

zoeken, kwakkelde oud mannetjes-wijs weer heen en neer, de knieën

doorgeknikt, de kleine schouders trekkend waarbij de handen in de

bengelende zakken meegingen. Nog eens snauwde hij:

--Niks... nee, die is goed

Dan floot hij weer zijn straatwijsje.

De angst dat-ie haar alleen zou laten maakte haar scherpzinnig;

ze zon op een list, begon:

--Enne, hoeveel heb jij dan wel? Ze vroeg het op 'n toon alsof ze

wel heelveel verwachtte.

--Nà, ook niet zoo bar, ontweek hij eerst.

--Hoeveel dan? hijgde ze.

De schouders haalde hij op, gaf geen antwoord.

Zij stampte met haar uitgetreden schoenen en zei opnieuw:

--Nou zeg 't dan...

Hij keek haar aan met z'n oogen van een groot mensch, zei moeilijk,

lip-optrekkend, onverschillig.

--Dertien cent. Da's alles, maar jij heet niks!

--Dertien sjent? en gisteren had je wel zevene dertig...!

--Gisteren, ja, maar gisteren dat is nou niet!

Voor Bet ging ineens open al wat haar te wachten stond, een pak slaag,

trekken aan de ooren, geen eten krijgen. De schrik-gedachte van niet

thuis te durven komen kwelde haar gruwelijk. Dertien cent met hun

beiden, dat was veel te weinig. Verward tuurde ze naar de morsige

steegjesgrond, voelde zich geheel beteuterd. Toen ineens kinder-gauw

over die verschrikking heen, zei ze ernstigjes en verwijtend:

--Had dan ook gisteren wat weg gehoûe!

--Dat gaat ma'r zóó, ze zoekt zeker niet alles na!

--O, nou, onder 't bed, ik zou 't wel weten.

--Jij? Jij weet niks... ik mot er maar voor opdraaie!

Hij nam een aartsvaderlijke poze aan, zette de beenen wijd uit en

stak weer de handen in de broekszakken, frommelde ze nog dieper,

alsof-ie zeggen wilde: zie zoo, daar sta ik, wat moet je nou beginnen.

Nu floot hij het straatdeuntje:

We gane nog niet naar huis,

Nog lange niet, nog lange niet!

Treiterend keek hij naar de lucht, die boven het enge steegje maar met

een spleet te zien viel, en zij voelde nu wel het onoverkomelijke van

al die dingen. In machtelooze kwaadheid trappelde ze op de uitgesleten

schoenen, trappelde zóó fel dat alles aan haar lichaampje meehotste.

Hij floot nog harder, keek nog strakker naar de lucht en nu begon ze

te huilen, uitbarstend-geweldig. Ze trappelde en huilde om 't hardst,

haar gore boezelaar bijna stukbijtend van nijd en niet te bedwingen

kribbige bangheid.

Langzaam haalde hij nu zijn handen uit de zakken keerde zich welbewust

om, en zei smalend:

--Salussies, ik groet je, balk jij maar door!

Hij ging, maar zij liep hem grienend achterna, eer bang dan kwaad; ze

greep hem vast bij zijn hes, tandklapperend onder het huilen en kermde:

--Help me nou, Heintje-lief... help me nou... laat me niet alleen!

Tranen biggelden over haar wangen en vielen in groote droppen op de

boezel neer.

--Welja, ik mot maar altoos hellepe, weerde hij onwillig af.

--Nou, doe het dan deze keer nog maar?

--Rep toch zelf niet, niet meer dan dertien cent?

Opnieuw begon ze te huilen--en hij begreep wel, dat-ie er zoo niet

kwam.

--Toe nou, Heintje, help me nou, smeekte ze weer.

--Nou vooruit dan... schei uit met griene!

Hij veegde met de schort haar oogen uit, mokte nog wat na; en zij

hikte:

--Ja-ja, Heintje!

Ze stonden nu beiden even bedremmeld in niet weten wat aan te

vangen. Waar zullen we naartoe gaan? peinsde hij, en zij dacht, wat

zal hij me nou laten doen, ik heb niks tegen te zeggen. En plots,

door haar tranen heen, kreeg ze 'n goede inval; ze riep:

--Laat 't, la me los, ik weet al wat!

Ze trok hem de boezel uit de handen, liep de steeg al uit en schreeuwde

tegen Hein:

--Wacht ma'r hier, ik klamp die 'an!

--Wie?

--De matroos, daar!

--Hem, nee-maar! die is vet, zie je dat niet?

--Kan me niet schele!

Ze sidder-schokte, liep huilend de matroos achterna.

Hein stond haar na te kijken, ongeloovig met toch 'n vage verwachting

in zijn bedeloogen. Wie vraagt nou aan 'n dronke matroos?

Ze had de zeeman ingehaald, liep nu vlak achter hem en wilde hem aan

zijn kleeren vast pakken. Maar dat ging niet best, de rechtafgesneden

jas gaf geen vat.

Het Jantje voelde toch iets ervan, bleef staan en keek om, verwonderd.

--Meneer... meneer?

--Bè-je besuikerd, ik ben geen meneer, wat mijnheer!

--Meneer de matroos, och toe...

Het Jantje met zijn zatte oogen moest toch lachen om dat meneer de

matroos en rammelde afsnauwend-medelijdend:

--Waarom huil je schaap?

--Mijn moeder slaat me dood, als ik niks thuis breng, kermde ze,

terwijl ze haar handen wrong.

--O, ho, dood? zeg, dat is maar zoo weinig niet.

--Nee, huilde ze, maar zij doet 'et!

Zij hikte, huilde opnieuw, van dat huilen niets meenend, in klaar

besef te moeten doorgrienen, hoe harder hoe beter.

De matroos in zijn goedmoedige zatheid maakte gijntjes.

--Ik geloof er geen bliksem van, ratelde hij door. Maar al wat topzwaar

voelde hij zich toch bewogen worden; hij tastte in zijn zak, gaf een

geldstukje om van het gejank af te wezen, zei dan ruw:

--Daar dan!... Je bent een gauwdief en je belatafelt de kluit,

maar affijn.

In haar hand zag Bet een kwartje glinsteren.

--Nee, nee, meneer de matroos, huilde ze nog en ze kneep haar hand

meteen toe.

--Loop naar de weergâ met je meneer de matroos. Maak nou maar dat

je weg-komt.

--Ja meneer de matroos! huil-dirkte ze.

Ze deed alsof ze haar tranen droogde, keerde zich voet-schuifelend om,

het kwartje geknepen in haar hand, slifferde dan langzaam terug heel

effen en gewoon.

De matroos zette zich weer in beweging, het ronde, roode hoofd

schuddend om de ellende, die misschien wel echt en waar kon wezen,

ook om zichzelf, dat hij zoo stom was om geld te geven. Ze bedelen

er maar op los!

--Nou? riep Hein al van verre, nou hè-je 'n beit... niks hè... een

krats?

Ze hield zich nog stiekum, wenkte geheimzinnig met haar magere hals,

zei dan fluisterend:

--Een maffie!

--Een kwartje? je liegt, je zegt maar wat, hikte zijn stem ongeloovig.

--Ga mee! zei ze.

En hij met haar meesjokkend raffelde nu:

--Là-w'es zien!

--Nee, eerst doorloope, strakkies!

Nog altijd de handen diep in z'n zakken, voelde hij al wat mee van haar

blijdschap, liep nu naast haar, scheukend zijn schouders, en beiden

gingen ze kordaat, klakstappend, om spoedig uit het gezicht te wezen.

--Kijk maar! zei ze triomfantelijk en ze toonde hem 't gekregene.

--Ja... waarachies!

Zijn oogen staarden begeerig naar 't zilverstukje, dat in haar

nu-open-hand lag,--en op zijn beurt maande hij aan, wantrouwig:

--Doorloope, Bet!

--Natuurlik, wat dach-je-dan?

Ze sjokten door, nu erg vertrouwelijk naast elkaar en van de stad met

al het gekledder, gestamp, gerij en geraas, merkten ze weinig. Ze

dachten enkel aan 't kwartje en 't geluk van uit de knel te wezen,

het besef van nu eens geen ongeluk te hebben. Ze liepen door uit

instinkt bang dat het een "stille" kon hebben gezien en dat ze dan

opgepakt konden worden als bedelaars. De angst, ingeboren angst voor

policie woog zwaar, zwaar door onbestemde, vage begrippen van te

worden opgestuurd naar een verbeterhuis, met schampeering vrijgelaten

of rauwe herrie thuis, geschimp, gescheld en slaag toe. Daarom bleef

het: vóór alles uit je oogen zien, oppassen... je weet nooit hoe je d'

erin loopt. Bof is goed... maar policie deugt niet!

Nu wat uit 't oog van de buurt, in een andere straat aangeland,

een stille straat, waar de enkele menschen wel te overzien waren,

week weg de verdachtheids-aanvoeling, welde op 'n allesberekenende,

overleggende kinder-sluwheid.

--Wat sulle we doen, vroeg Heintje, die zijn handen uit zijn diepe

zakken optrok.

--Wissele, natuurlik!

--Ja, da's goed... anders geloove ze 't nie.

--Allemaal centen, een duppie er bij--en dat beware we voor morrege!

Met 'n glans van leepheid in haar kleine oogjes gluurde ze naar hem,

maar hij voelde 't voorstel als een knauw van zijn meerderheid,

gnuifde daarom gewoontjes:

--Dat geeft nou net niks!

--Jawel, jawel, snauwde ze terug. En bang dat hij niet zou toegeven,

begon ze weer van ongeduld te trappelen.

--Wat wi-je dan?

--Verberge een dubbeltien.

Hij trok z'n wenkbrauwen eens op, en zei toen:

--Nou, mij best! Vooruit dan maar... eerst wissele.

Ze stapten een snoepwinkel in, kochten twee suikerhempjes, voor ieder

een, vroegen van 't kwartje een dubbeltje terug en de rest aan centen.

De dikke juffrouw, die uit gemak liever twee dubbeltjes, dan al die

koperen centen uit-telde keek ze eens aan, dacht: O, o! nou dat is

me er weer een stel. Geen zuivere koffie!

De ontredderden. Eerste bundel. I en II. · 第 7 / 37 题