In klemmende, aanzwellende volte van groote stad stond hij armelijk,
een kleine jongen, pover in zijn voddige sjofelheid, schurkend zijn
schrale schouders tegen het kil-massieve huis van Vijgendam, krampend
van nijd, omdat hij nog niet bij elkaar had wat er vandaag weer moest
wezen, vandaag zoo goed als alle andere dagen.
Als een zwart en grillig gordijn schoof hem raaklings voorbij de
menschenrij, gehaast en onophoudelijk in schuivende, hobbelende vaart,
de menschen die van alle kanten tegelijk aankwamen, hem kruisten
gejacht en woelig, langs hem heenschoten zonder zelfs op hem te
letten. Geen blik hadden ze voor hem over, zelfs geen snauw.
In elkaar gezakt, de oogen half toe onder de fletse brauwen, suf en
moe van het langdurig staren naar die wirwar, zocht hij een enkele
die zachter liep en die hij aanklampen kon, in gedurige angst van door
'n smeris te worden ingepikt als bedelaar. Dat uitkijken vorderde al
zijn aandacht en maakte hem dof.
In zijn dertien jaren voelde hij zich oud en wijs, in staat een heele
wereld te bedriegen, en nou ontging het hem finaal; hij kon er geeneen
te pakken krijgen.
Gisteren haalde hij al niet genoeg òp en vandaag zou het nog minder
worden. De goede verwachting van geluk waarmee hij vanmorgen uittrok
dorde en schrompelde in hem en werd stage kwijning.
Z'n ongewasschen handen bekrabbelden netelig de hangzak, los bengelend
in zijn broek, die zoo afzakte en aan de einden rafelend. Zijn vingers
telden binnen in de zak.
Nog lang niet genoeg! Waarom telde hij eigenlijk, hij wist toch wel uit
z'n kop hoe weinig hij had; in 't laatste uur kwam er geen snars bij,
wat wou ie dan?.. En hoe stond 't met kleine Bet? Voor hem draaide het
nog wel los; voor haar niet. Ze bracht haast nooit wat in, dan liep
ze zware rammel op, en dàt kon-ie niet goed zien. Voor haar zat-ie ook
nou in de rats, niet voor zichzelf, al kreeg-ie er ook vaak van langs.
Zijn vale pet, lodderig-scheef op z'n vlasharen, zakte nog scheever
weg en zijn mond trok tot een grijns. Dat weer was ook zoo griezelig
en grimmig, geen mensch bleef 'n oogenblik staan, hoe kon-ie ze dan
om wat vragen?
't Was koud. Zijn magere schochten bescheukten de muur; 't deed
hem goed.
Met zijn kromme vingers befriemelde hij de vettige kraag, zette die
op tegen de plakharen en dàt gaf wat warmte.
Rondom hem lawaaide het in de dringende voortschuivende strubbeling,
niemand had tijd voor hem. Wie hij dacht te kunnen aanspreken schoot al
voorbij, en als hij het toch probeerde keken ze hem niet aan, hoorden
ze zelfs niet naar zijn jankende stem. Hij zag er anders schunnig
genoeg uit. Z'n broek vol franje, de eene pijp 'n eind te kort, de
ander gescheurd, z'n hes verkleurd en veel te lang, geen knoop eran,
de schoenen zoo groot als schuiten, en de das, een afgesneden lap,
die zat als een touwtje om de hals, nou daaraan lag het niet. En lam
voelde-ie zich ook. God, wat was-ie lamlendig en beroerd!
Hij voelde en wist dat hij er goor en verlept uitzag, geel van armoe
en ellende, maar dat hielp alles niet. Je mot niet lammig en ellendig
wezen, je mot er alléén maar zoo uitzien; daar had-je 't...
Als vâer hem sloeg, en die zat nou in de doos, gilde-ie het uit als
'n magere big, al raakte die hem met g'n hand 'an. Dan stoof moeder
ertusschen, schreeuwend dat-ie 't laten most. Hou je klauwen thuis,
je hoeft hem niet zoo af te rammelen, snauwde ze. En dan gingen die
twee aan de gang en hij kneep d'eruit, òf als hem dat niet lukte
zette hij krampig 'n gezicht van half te zijn vermoord, griende dat
hij 'n volgende keer beter zou oppassen en centjes thuis brengen. 'n
Arme smoel trekken hielp altijd, maar vandaag gaf het niet. Geen lor
bracht het in. Doe er 'es wat 'an, haal ze 't uit de zak, als ze niet
willen geven en pesterig zijn?
Troosteloos liet hij zijne blikken gaan, keek even suffig rond en
mopperde dan weer voor zich zelf weg.
Mooi praten hadden ze thuis; als 't niet wou kon je d'er niks aan
doen. D'er zijn dagen voor de pech, b'voorbeeld vrijdags, dan loopt
't altijd mis, donderdag eigenlijk oôk al. Zaterdag is 'n goeie dag
en maandag ook. Zondag dat hangt af van 't weer, kun je te voren niks
van zeggen, je mot boffen.
Nou had-ie pech! echt pech! 't Ging belabberd, vanochtend, merkte-ie
't dadelijk al, goed. Nou dan trok-ie d'er tusschen uit...
Even deed-ie z'n oogen toe, keek door de oogharen heen als in bezinning
of-ie 't wel zou doen. Ja, hij piepte 'em maar, 't gaf toch geen
bal! Liever 'n pak rammel thuis dan 'n veeg van een smeris. Als
je pech hebt komt het zoo ver; ze sturen je op naar de tuchterij,
èn daar bedankte-ie voor, dat was voor hem geen kaas, dàt liet-ie
'an de stommerikken over!
Hij knipperde nog even met z'n oogen. Jessis, daar hadje al 'n kopere
bout! Hij smeerde 'em, zou naar kleine Bet 'es gaan kijken wat ze
gevangen had. Als-ie op z'n falie kreeg kwam d'er minder op an, hij
kon er tegen met z'n karkas, maar zij niet. Gek als-ie 'n dag niet
voor haar zorgde kon-ie 's nachts niet slapen. Hij moest haar dus
wel helpen. O, zoo!