gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had,
raakende de boeken van wylen Mynheer DE GROOT, uwen man, en dat gy,
onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne
handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne
begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed
hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van
goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer DE GROOT
verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my
vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne
boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van
de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de
goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet
volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is,
en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad
indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een
leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik
niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat
gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere
handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen
en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van
haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my
ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen
arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen
hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de
belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter
kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb,
God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn
Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid
ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".
In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde
HUGO zig dan aan boord om naar _Lubek_ te stevenen, terwyl zyne gezondheid
reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat
het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin
weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't
voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt
had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden
wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast,
en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te
zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een
hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den
avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het
schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd
door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat
het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van
_Cassubien_, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde
volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde
togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp _Liba_, veertien _Duitsche
mylen_ van _Dantzig_ voet aan land te zetten: DE GROOT, zegt zeker
schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy
van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs
niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde
verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood
gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis
vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige
schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde
maand, te _Rostok_ is aangekomen: de Hertogin van _Pommeren_, had hem te
_Stolke_ doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig
verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de
Hertogin haare koets hem na, die hem te _Coslin_ bragt, alwaar zy hem
ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot
aan _Stettyn_, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van
dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten
brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te
bezitten.
Terstond na zyne aankomst te _Rostok_, begaf hy zig te bedde, waarvan hy
ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd,
oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans
ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen
hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen
held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem
ontbood, verkiezende daartoe den Heer, JOHANNES QUISTORPIUS, Doctor en
Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords
by de _Luthersche Gemeente_ te _Rostok_, een man, zegt men, door zyne
schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn
gedrag dat hy by den stervenden HUGO hield, en bekennen dat wy daarin den
geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by
alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven
dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't
zyne; 't behaagt my als ik QUISTORPIUS voor het sterfbed van onzen HUGO
hoor zeggen, _dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met
zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen_: maar 't komt my van
zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de
Godgeleerdheid,) van DE GROOT, in aanmerking neemende, wanneer ik die man,
zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, _dat hy zig tot een gelukkige
verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche
zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met
betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen_; (de
Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen HUGO, met dat, _mogt_,
ondertusschen vry twyfelachtig,) _dat hy de oneindige goedertierenheid Gods
in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden_; wanneer ik hem het
voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor
zeggen, _dat _DE GROOT_ zyn toevlucht tot _CHRISTUS_ moest neemen, als
buiten wien geen zaligheid is_; benevens meer andere dingen, die men GEWOON
is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men GEWOON is; zo
is 't ambachtlyk! de Dichter DUIM, behaagt my, ter plaatse alwaar hy
QUISTORPIUS, tegen onzen held doet zeggen:
_----Ik reken,_
_U zyn de paden wel bekend, om op den weg_
_Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg,_
_Te wandlen._
Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in
zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had
moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou QUISTORPIUS zig gedraagen hebben,
wanneer hy den grooten HUGO, nu stervende, als by de hand, het koningryk
der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn
zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des
tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen,
had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die
hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die
voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!--wat waren toch
de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste
daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige MARIA, zyne
hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel
zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns
levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van
staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet
geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die
dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader
geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en
beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest HUGO zig ontslagen
hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden
nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem
schandelyk geweest! neen, maar QUISTORPIUS had hem moeten vertoonen den
zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar
als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het
levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve MARIA, en na nog weinige
oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;--zou zulks ook
ambachtlyk geweest zyn?--neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van
den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een
toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar _met luider
stemme_, het gewoone _Hoogduitsche Gebed_, beginnende; _Her Jesu wahrer
mensch und Godt_, uitbazuinde, (men zegt dat DE GROOT zyn slaapmuts
afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van
dat gebed, vroeg, _of hy hem wel verstaan had_?--hy ontving ook niet
anders tot antwoord als: _ik heb het wel verstaan_.... dan laat ons
hiervan verder zwygen,--DE GROOT gaf den geest op den tweeden dag na
zynen aankomst _Rostok_, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent
middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne
ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer
eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke
kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot _Delft_, zyne
geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't
graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter
zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van _Oranje_:
"Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de
omliggende plaatsen derwaards, en van _Rotterdam_ alleen, zag men
zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne
lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad
bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad
volgde:"
ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets
bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden,
aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te _Rotterdam_ aangekomen zynde, door
den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen
gearresteerd, tot dat de Heer HENDRIK ZWAARDENKROON, vader van den
Geneesheer, PETRUS ZWAARDENKROON, schoonvader van den Heere, CASPAR
BRANDT, op verzoek van JAN VAN REIGERSBERGEN, de geëischte penningen
betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.
De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne
gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne
oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk,
dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van
zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken
was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam,
en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met
wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn
vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften
zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.
Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd,
tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu,
eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen
opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den
uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des
vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige
onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de
Dichter G. BRANDT, dus kunstig uit:
_o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer,_
__DE GROOT_ is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer_
_Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof;_
_Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof;_
_Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven,_
_'t Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven._
De groote VONDEL, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy
schreef: _Uitvaart van zyn Excellentie den Heere _HUGO DE GROOT_, aan de
wethouders van Delft_:
_Helaes! wie komt myn hoop vermoorden?_
_Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden?_
_Verzekert fluks ons beste pant:_
_Verzekert, bergt het Hollantsch wonder,_
_Hoe haelt de zon haer aanschyn onder!_
_O Baltisch meir! o storm! o strant!_
_Helaes! waar is _DE GROOT_ gebleeven,_
_Die voor de schipbreuk van zyn leven,_
_Zelf onder opgeheven zwaert,_
_'t Gezicht des doods braveerde, en sterker_
_Dan stael, voor eeuwigheid van kerker_
_Noch bittren laster was vervaert?_
_Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,_
_Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste,_
_En zocht den schoonsten diamant,_
_U tot cieraat en roem beschoren;_
_Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren:_
_Een voorspook van uw Rycksgezant!_
_Hoe luysterden noch stracks uw ooren,_
_Die onverzaet 't orakel hooren,_
_Dat in uw koningklyck paleis_
_U zyn geheimenissen melde;_
_U in den dagh der wysheit stelde,_
_En toonde d'eere van den Pais:_
_Dan zagh men Pais uw hart bewegen;_
_Zoo dat ghy den geschaerden degen_
_Scheent op te steecken, op zyn woort,_
_En met uw heiren aftetrecken;_
_Die nu de Kristenweerelt decken,_
_En openen den Krygh de poort._
_Flus hoopte Munster hem t' ontfangen;_
_Nu delft heel Delft met lyckgezangen-
_Zyn' ingeboren in het graf;_
_Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen,_
_Zyn doot gebeente rust moet gonnen,_
_Die zy den levende nooit gaf._
_Och krancke troost in zulk een jammer_
_Men stell', gelyk den Rotterdammer,_
_Een beelt den wyzen Delvenaar:_
_Men paer' die groote nageburen,_
_Wier faem alle eeuwen zal verduuren,_
_Zo sta de Wysheit op 't altaer._
G. BRAND, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen,
in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat
hooren:
_Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten _DE GROOT_._
_Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten_
_Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten?_
_Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want_
_Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant;_
_'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten;_
_Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten_
_Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees:_
_Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees,_
_Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden,_
_In zynen ondergang, en maakten hem die landen_
_Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe_
_De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe_
_Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen,_
_Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen_
_Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet_
_Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet_
_Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten_
_Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten_
_Is in geen ballingschap; enz._
In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer BRAND; daar hy
HUGO in den hemel ziet:
_----van te voren_
_Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren:_
_Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om_
_Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom;_
_Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken;_
_Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken;_
_Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin_
_Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in_
_Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen;_
_Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen,_
_Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert_
_Verrast: enz._
Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal
zyns overlydens (1645) kan tellen.
_hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder;_
_sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder._
De Heer SARRAVIUS, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren
man: _Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en
een heldere flonkerster onzer eeuwe, _HUGO DE GROOT_; ô bitter ongeval
voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de
bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en
weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van _DE GROOT_ waarlyk
groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk
altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben_.
Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door
WYBO FYNJE:
_Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen;_
_Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft;_
_Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen,_
_'t Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft;_
_Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde,_
_Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald;_
_Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde,_
_Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald;_
_Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden_
_Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant;_
__DE GROOT_ ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden,_
_Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt._
Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van
onzen Held wederkeeren.
Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van
HUGO eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet
alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter
oorzaake van zyne toegeevendheid voor de _Remonstranten_, of mogelyk
geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove,
gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in
ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy,
geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat DE GROOT met
_papistery_ besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan
te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot
geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze
weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:--hoe
haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk
bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!
Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met
toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van
_Rostoks Hooge Schoole_, over een bedryf dat de menschlykheid schande
aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,
"kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon,
toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man,
en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze
studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken,
dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende
niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed
oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar
men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou
laaten rusten".
Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering
der stad _Delft_ beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's
mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld
opterichten, in navolging van die van _Rotterdam_, welken den grooten
_Erasmus_ op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen
tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude
_Delft_ wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte
doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de
Overheid van _Delft_, het volgende besluit nam:
"De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad _Delft_, hebben,
op verzoek van den Heere, Mr. PIETER DE GROOT, Pensionaris der stad
_Amsteldam_, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe
CORNELIA DE GROOT, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen
advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de
voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne
Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer
DE GROOT zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk
alhier, op de graven daar de Heer HUGO DE GROOT, hunlieder vader
Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe
behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader;
mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen,
communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver
approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de
Heeren, 21 July 1663".
Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt,
dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde
geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, ROMBOUT
VERHULST, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk
vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, DE RUITER, met
welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te _Amsteldam_ is versierd
geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten
HUGO, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel
boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was
een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in
't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met
haare straalen, alzo ook DE GROOT, de geleerde wereld met zyne schriften
verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met
boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet,
zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de
Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op
de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een
opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is
den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer CORNELIS VAN ALKEMADE,
in zyn werk, ten tytel voerende: _Inleiding tot het Ceremoniëel en de
plechtigheden der begravenissen_: op den voet der tombe leest men het
volgende vierregelig versje:
__De Phenix van zyn vaderland,_
_Het Delfs-orakel, 't groot verstand,_
_De zon die 't aardryk heeft verpligt,_
_Was waard dit graf van eer gesticht._
Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk
zyn zy van den Heere G. BRAND, en gedicht om geplaatst te worden, op de
tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar
zy dus luiden:
_De Fenix van het vaderlandt,_
_Het Delfs-orakel, 't groot verstandt,_
_Het licht dat d'aarde alom bescheen,_
__DE GROOT_, vertoont zich hier in 't kleen._
De meergemelde Dichter DUIM, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van
de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar DE GROOT, een pen in de hand
gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk
zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde
van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van BRAND heeft
hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering;
by zyn Ed. luidt het als volgt:
_De Fenix van het vaderlant,_
_Het Delfs Orakel, 't groot verstand._
_Het licht dat d'aarde alom bescheen,_
_De groote _HUIG_ rust hier beneên._
Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat,
vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als
bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen
onvergelykelyken HUGO; dus luidt dezelve: