"Ik heb uit uwen brief van den 16 van hooimaand verstaan, hoe mynen

gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had,

raakende de boeken van wylen Mynheer DE GROOT, uwen man, en dat gy,

onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne

handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne

begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed

hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van

goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer DE GROOT

verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my

vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne

boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van

de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de

goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet

volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is,

en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad

indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een

leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik

niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat

gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere

handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen

en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van

haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my

ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen

arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen

hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de

belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter

kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb,

God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn

Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid

ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".

In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde

HUGO zig dan aan boord om naar _Lubek_ te stevenen, terwyl zyne gezondheid

reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat

het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin

weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't

voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt

had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden

wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast,

en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te

zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een

hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den

avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het

schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd

door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat

het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van

_Cassubien_, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde

volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde

togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp _Liba_, veertien _Duitsche

mylen_ van _Dantzig_ voet aan land te zetten: DE GROOT, zegt zeker

schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy

van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs

niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde

verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood

gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis

vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige

schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde

maand, te _Rostok_ is aangekomen: de Hertogin van _Pommeren_, had hem te

_Stolke_ doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig

verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de

Hertogin haare koets hem na, die hem te _Coslin_ bragt, alwaar zy hem

ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot

aan _Stettyn_, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van

dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten

brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te

bezitten.

Terstond na zyne aankomst te _Rostok_, begaf hy zig te bedde, waarvan hy

ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd,

oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans

ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen

hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen

held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem

ontbood, verkiezende daartoe den Heer, JOHANNES QUISTORPIUS, Doctor en

Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords

by de _Luthersche Gemeente_ te _Rostok_, een man, zegt men, door zyne

schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn

gedrag dat hy by den stervenden HUGO hield, en bekennen dat wy daarin den

geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by

alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven

dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't

zyne; 't behaagt my als ik QUISTORPIUS voor het sterfbed van onzen HUGO

hoor zeggen, _dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met

zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen_: maar 't komt my van

zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de

Godgeleerdheid,) van DE GROOT, in aanmerking neemende, wanneer ik die man,

zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, _dat hy zig tot een gelukkige

verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche

zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met

betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen_; (de

Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen HUGO, met dat, _mogt_,

ondertusschen vry twyfelachtig,) _dat hy de oneindige goedertierenheid Gods

in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden_; wanneer ik hem het

voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor

zeggen, _dat _DE GROOT_ zyn toevlucht tot _CHRISTUS_ moest neemen, als

buiten wien geen zaligheid is_; benevens meer andere dingen, die men GEWOON

is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men GEWOON is; zo

is 't ambachtlyk! de Dichter DUIM, behaagt my, ter plaatse alwaar hy

QUISTORPIUS, tegen onzen held doet zeggen:

_----Ik reken,_

_U zyn de paden wel bekend, om op den weg_

_Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg,_

_Te wandlen._

Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in

zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had

moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou QUISTORPIUS zig gedraagen hebben,

wanneer hy den grooten HUGO, nu stervende, als by de hand, het koningryk

der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn

zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des

tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen,

had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die

hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die

voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!--wat waren toch

de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste

daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige MARIA, zyne

hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel

zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns

levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van

staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet

geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die

dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader

geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en

beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest HUGO zig ontslagen

hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden

nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem

schandelyk geweest! neen, maar QUISTORPIUS had hem moeten vertoonen den

zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar

als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het

levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve MARIA, en na nog weinige

oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;--zou zulks ook

ambachtlyk geweest zyn?--neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van

den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een

toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar _met luider

stemme_, het gewoone _Hoogduitsche Gebed_, beginnende; _Her Jesu wahrer

mensch und Godt_, uitbazuinde, (men zegt dat DE GROOT zyn slaapmuts

afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van

dat gebed, vroeg, _of hy hem wel verstaan had_?--hy ontving ook niet

anders tot antwoord als: _ik heb het wel verstaan_.... dan laat ons

hiervan verder zwygen,--DE GROOT gaf den geest op den tweeden dag na

zynen aankomst _Rostok_, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent

middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne

ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer

eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke

kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot _Delft_, zyne

geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't

graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter

zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van _Oranje_:

"Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de

omliggende plaatsen derwaards, en van _Rotterdam_ alleen, zag men

zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne

lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad

bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad

volgde:"

ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets

bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden,

aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te _Rotterdam_ aangekomen zynde, door

den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen

gearresteerd, tot dat de Heer HENDRIK ZWAARDENKROON, vader van den

Geneesheer, PETRUS ZWAARDENKROON, schoonvader van den Heere, CASPAR

BRANDT, op verzoek van JAN VAN REIGERSBERGEN, de geëischte penningen

betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.

De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne

gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne

oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk,

dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van

zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken

was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam,

en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met

wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn

vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften

zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.

Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd,

tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu,

eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen

opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den

uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des

vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige

onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de

Dichter G. BRANDT, dus kunstig uit:

_o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer,_

__DE GROOT_ is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer_

_Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof;_

_Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof;_

_Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven,_

_'t Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven._

De groote VONDEL, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy

schreef: _Uitvaart van zyn Excellentie den Heere _HUGO DE GROOT_, aan de

wethouders van Delft_:

_Helaes! wie komt myn hoop vermoorden?_

_Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden?_

_Verzekert fluks ons beste pant:_

_Verzekert, bergt het Hollantsch wonder,_

_Hoe haelt de zon haer aanschyn onder!_

_O Baltisch meir! o storm! o strant!_

_Helaes! waar is _DE GROOT_ gebleeven,_

_Die voor de schipbreuk van zyn leven,_

_Zelf onder opgeheven zwaert,_

_'t Gezicht des doods braveerde, en sterker_

_Dan stael, voor eeuwigheid van kerker_

_Noch bittren laster was vervaert?_

_Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,_

_Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste,_

_En zocht den schoonsten diamant,_

_U tot cieraat en roem beschoren;_

_Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren:_

_Een voorspook van uw Rycksgezant!_

_Hoe luysterden noch stracks uw ooren,_

_Die onverzaet 't orakel hooren,_

_Dat in uw koningklyck paleis_

_U zyn geheimenissen melde;_

_U in den dagh der wysheit stelde,_

_En toonde d'eere van den Pais:_

_Dan zagh men Pais uw hart bewegen;_

_Zoo dat ghy den geschaerden degen_

_Scheent op te steecken, op zyn woort,_

_En met uw heiren aftetrecken;_

_Die nu de Kristenweerelt decken,_

_En openen den Krygh de poort._

_Flus hoopte Munster hem t' ontfangen;_

_Nu delft heel Delft met lyckgezangen-

_Zyn' ingeboren in het graf;_

_Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen,_

_Zyn doot gebeente rust moet gonnen,_

_Die zy den levende nooit gaf._

_Och krancke troost in zulk een jammer_

_Men stell', gelyk den Rotterdammer,_

_Een beelt den wyzen Delvenaar:_

_Men paer' die groote nageburen,_

_Wier faem alle eeuwen zal verduuren,_

_Zo sta de Wysheit op 't altaer._

G. BRAND, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen,

in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat

hooren:

_Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten _DE GROOT_._

_Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten_

_Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten?_

_Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want_

_Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant;_

_'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten;_

_Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten_

_Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees:_

_Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees,_

_Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden,_

_In zynen ondergang, en maakten hem die landen_

_Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe_

_De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe_

_Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen,_

_Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen_

_Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet_

_Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet_

_Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten_

_Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten_

_Is in geen ballingschap; enz._

In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer BRAND; daar hy

HUGO in den hemel ziet:

_----van te voren_

_Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren:_

_Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om_

_Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom;_

_Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken;_

_Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken;_

_Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin_

_Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in_

_Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen;_

_Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen,_

_Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert_

_Verrast: enz._

Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal

zyns overlydens (1645) kan tellen.

_hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder;_

_sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder._

De Heer SARRAVIUS, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren

man: _Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en

een heldere flonkerster onzer eeuwe, _HUGO DE GROOT_; ô bitter ongeval

voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de

bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en

weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van _DE GROOT_ waarlyk

groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk

altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben_.

Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door

WYBO FYNJE:

_Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen;_

_Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft;_

_Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen,_

_'t Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft;_

_Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde,_

_Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald;_

_Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde,_

_Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald;_

_Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden_

_Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant;_

__DE GROOT_ ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden,_

_Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt._

Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van

onzen Held wederkeeren.

Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van

HUGO eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet

alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter

oorzaake van zyne toegeevendheid voor de _Remonstranten_, of mogelyk

geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove,

gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in

ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy,

geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat DE GROOT met

_papistery_ besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan

te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot

geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze

weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:--hoe

haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk

bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!

Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met

toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van

_Rostoks Hooge Schoole_, over een bedryf dat de menschlykheid schande

aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,

"kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon,

toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man,

en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze

studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken,

dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende

niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed

oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar

men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou

laaten rusten".

Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering

der stad _Delft_ beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's

mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld

opterichten, in navolging van die van _Rotterdam_, welken den grooten

_Erasmus_ op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen

tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude

_Delft_ wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte

doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de

Overheid van _Delft_, het volgende besluit nam:

"De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad _Delft_, hebben,

op verzoek van den Heere, Mr. PIETER DE GROOT, Pensionaris der stad

_Amsteldam_, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe

CORNELIA DE GROOT, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen

advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de

voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne

Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer

DE GROOT zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk

alhier, op de graven daar de Heer HUGO DE GROOT, hunlieder vader

Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe

behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader;

mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen,

communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver

approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de

Heeren, 21 July 1663".

Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt,

dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde

geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, ROMBOUT

VERHULST, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk

vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, DE RUITER, met

welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te _Amsteldam_ is versierd

geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten

HUGO, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel

boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was

een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in

't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met

haare straalen, alzo ook DE GROOT, de geleerde wereld met zyne schriften

verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met

boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet,

zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de

Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op

de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een

opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is

den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer CORNELIS VAN ALKEMADE,

in zyn werk, ten tytel voerende: _Inleiding tot het Ceremoniëel en de

plechtigheden der begravenissen_: op den voet der tombe leest men het

volgende vierregelig versje:

__De Phenix van zyn vaderland,_

_Het Delfs-orakel, 't groot verstand,_

_De zon die 't aardryk heeft verpligt,_

_Was waard dit graf van eer gesticht._

Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk

zyn zy van den Heere G. BRAND, en gedicht om geplaatst te worden, op de

tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar

zy dus luiden:

_De Fenix van het vaderlandt,_

_Het Delfs-orakel, 't groot verstandt,_

_Het licht dat d'aarde alom bescheen,_

__DE GROOT_, vertoont zich hier in 't kleen._

De meergemelde Dichter DUIM, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van

de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar DE GROOT, een pen in de hand

gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk

zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde

van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van BRAND heeft

hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering;

by zyn Ed. luidt het als volgt:

_De Fenix van het vaderlant,_

_Het Delfs Orakel, 't groot verstand._

_Het licht dat d'aarde alom bescheen,_

_De groote _HUIG_ rust hier beneên._

Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat,

vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als

bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen

onvergelykelyken HUGO; dus luidt dezelve:

Het leven van Hugo de Groot · 第 6 / 7 段