DE GROOT als Afgezant van _Zweeden_ te ontvangen, eene soort van
verontschuldiging voor dien edelen balling was; dien dit vreemd mogt
voorkomen, uit aanmerking van het vonnis dat in zyn vaderland over hem
was uitgesproken geworden, zal zig nog meer verwonderen over de volgende
_Verklaaring_, welke in 1637, van wege de Heeren van _Delft_, in 't
licht verscheen; dus luidende:
"Wy Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der Stad _Delft_,
certificeeren mits deezen voor de waarheid, dat voor ons
gecompareerd zyn, de Heeren JOOST VAN ADRICHEM, Burgemeester der
voorschrevene Stad; EWOUT VAN DER DUSSEN, en, Mr. CORNELIS VAN
BEERESTEIN, Oud Burgemeester, mitsgaders Mr. JOHAN CAMERLING,
Raad-pensionaris derzelver Stad, de welken gezamentlyk, en elk in 't
byzonder, ten verzoeke van den Heere WILLEM DE GROOT, Advocaat voor
den Hove van _Holland_, van wege zynen broeder HUGO DE GROOT, thans
Ambassadeur van haar Majesteit, en de kroon _Zweeden_, by zyne
Majesteit van _Frankryk_, hebben verklaard en getuigd, by den eed by
hem respectivelyk in hunne amten gedaan, dat zy comparanten, als
gedeputeerden deezer stad, present zyn geweest, in de vergadering
van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van _Holland_ en _Westfriesland_,
gehouden vóór Paasschen van den jaare 1632, en dat zylieden
comparanten ten zelven tyde de Gedeputeerden der Stad _Rotterdam_,
dewelken ter voorschreevene Vergaderinge, de voornoemde Stede
_Rotterdam_ waren representeerende, hebben hooren mondeling uit
verklaaren, dat de voornoemde HUGO DE GROOT, ten tyde dat hy het
Pensionarisschap, en 't Gecommitteerde Raadschap, der voorschrevene
Stede was waarneemende, en naamlyk, in den jaare 1618, niet anders
heeft geproponeerd, voorgedraagen, en gedaan had, dan 't geen was
conform de resolutiën van zyne Meesters, de Heeren Regeerders van
_Rotterdam_, en hem dien volgende belast was, daar het behoorde,
voor te draagen, en de genomene resolutie te effectueeren, zonder
dat hy buiten of tegen den last van voorschrevene zyne Meesters, zig
zelven eenigzins heeft verloopen: daar by voegende, indien de
voornoemde HUGO DE GROOT daarin misdaan heeft, zo hebben wy-luiden
misdaan."
--De aanmerkingen die na het leezen van deeze _Verklaaring_, over de
zamenhang der zaake van onzen HUGO, te maaken zyn, laaten wy aan den
kundigen Leezer over.
Eene en andere omstandigheden begonnen hem nu een groot ongenoegen te
geeven, en daartoe behoort het nalaatig weezen in 't betaalen van zyne
jaarwedden, welke hy reeds van twee volle jaaren, dus ter somma van
40.000 guldens te vorderen had, behalven zyne groote verschotten: "Ik
heb", schreef hy,
"al myn geld, dat ik met verkorting van myn jaarlyks inkomen, uit
_Holland_ heb doen overkomen, reeds uitgegeeven, en daarom penningen
noodig: ik verzoek dat men my van de ongemakken en bekommeringen
daar ik mede gedrukt worde verlosse; _om groote zaaken te doen moet
het hart van zorgen vry zyn_; en 't is onmogelyk, als de byzondere
zaaken niet wèl zyn gesteld, dat alles naar zyne behoorelyke
waardigheid kan geschieden: _'t is een hard lot voor een blinkende
eernaam zo nadeelig een schatting te betaalen_".
Zyne onvoorbeeldige Gemaalinne deed weder een reis haar _Holland_, om
zyne achterstallen aldaar intevorderen, waarin zy ook gelukkiglyk
slaagde, schoon haar aan den anderen kant het verdriet trof, dat,
staande haar verblyf aldaar, de vader en zuster van haaren dierbaaren
HUGO, den laatsten tol aan natuur betaalden, in welke omstandigheden
haare tegenwoordigheid zeer wel te passe kwam.
Dat de _Zweedsche Ambassade_ hem begon tegentestaan, blykt duidelyk uit
zyn schryven, by gelegenheid van een verspreid gerucht, dat men in
_Zweeden_ genegen was hem te herroepen, en een ander in zyne plaats te,
zenden: "De Ambassade", schreef hy,
"brengt my geen profyt in; ik heb eers genoeg ingelegd; en ben 'er
zat van. Zo men my de minste occasie geeft, zal ik ligt een stille
plaats vinden om myn leven in goede gedachten te eindigen, en de
wereld, die ik meer en meer moede worde, te laaten woelen. Wat het
Hof alhier aangaat, ik meen, dat ik hier in achting ben; maar datze
liever een slechthoofd hier hadden, doch, gy kunt verzekerd zyn, dat
ik 'er my in 't minst niet over bekommere".
Zyne gedachten op een stil afgezonderd leven, en op zyn' dood, moeten,
van tyd tot tyd, gemeenzaamer by hem geworden zyn; want hy zond zynen
broeder een tweeregelig versje, in de _Latynsche taale_ geschreeven, met
verzoek van hetzelve, als het GODE behaagde hem uit het leven
opteontbieden, als zyn grafschrift, by zyne overige verzen, in die taale
opgesteld, te voegen; dus vinden wy het vertolkt:
_Dit is het graf van _HUIG DE GROOT_,_
_Dien Holland in zyn kerker sloot;_
_En daaruit vrygeraakt, in ballingschap deed leeven,_
_o Magtig Zweeden! tot uw Ryksgezant verheven._
Het voorgemelde gerucht van zyn ontslag, werd eindelyk met 'er daad
bevestigd; na den onvermoeiden Letterheld, nog eenige onaangenaamheden,
over het uitgeeven van sommige zyner herssenvruchten getroffen hadden;
na omtrent elf jaaren, aan het _Fransche Hof_, in den dienst van
_Zweeden_ doorgebragt te hebben, ontving hy eene eigenhandige missive
van de Koninginne CHRISTINA, zyne Meesteresse, die nu den ouderdom van
agttien jaaren bereikt had, dus meerderjaarig geworden was, en het
bestuur over haar Ryk en Staaten aanvaard had: in deeze missive,
gedateerd, 30 December, 1644, sprak de Vorstin onzen held aan, met den
loflyken eernaam van, _Edele en voortreffelyke persoon, overgegeeven aan
onzen dienst!_ betuigende in het slot des briefs, dat hy zig ten vollen
verzekerd konde houden, dat haare Majesteit ten hoogsten voldaan was
over zyne diensten, welken hy de Kroon van _Zweeden_ beweezen had; hem
tevens verzekerende, dat, gelyk haare Majesteit dezelven niet uit haar
geheugen zou laaten gaan, zy ook hem en zyne famille blyken zou geeven
van 't gevoel haarer erkentenisse: in den brief aan zyne Majesteit den
Koning van _Frankryk_, ter kennisgeevinge van dat opontbod, noemde zy
onzen Held, _de edele_, _voortreffelyke_, _onze geliefde_ HUGO GROTIUS.
Na eene en andere bedenkingen op het bevel zyner Meesteresse gemaakt te
hebben, besloot hy eindelyk zig naar _Zweeden_ te begeeven, en maakte
ten dien einde de noodige schikkingen in zyne byzondere zaaken: ook was
hy, staande die bezigheid, weder bedacht op zyn opontbod uit deeze
wereld, naar het vaderland der ziele, want nog eer hy op reis ging,
schreef hy zynen uitersten wille, welke dus luidde:
"Ik, HUGO DE GROOT, weetende dat wy zyn geboren om overtegaan tot
een beter leven, wenscht dit tegenwoordige te eindigen in den
Christelyken Godsdienst, gelyk ik denzelven heb uitgelegd in myne
boeken, overeenkomende met de H. Schriftuur, en de Leeraars by de
kerk goedgekeurd; God biddende, dat hy de Christenen wil verëenigen
tot één kerk, onder eene heilige reformatie: en om te disponeeren
van myne goederen, erkennende de groote trouw, en liefde voor onze
kinderen, van Vrouwe Maria Reigersbergen, myne zeer geliefde
Echtgenoote, zo bidde ik God, dat hy haar vergelde het goede, dat zy
my beweezen heeft, en stelle dezelve tot myne universeele erfgenaame
van alle myne goederen, tegenwoordige en toekomende, van hoedanige
natuur en plaatse die zouden mogen zyn; en begeere, dat zy aan onze
kinderen, by hun huwelyk, of anderzins, uitkeere, 't geen zy zal
redelyk oordeelen: en indien één van myne kinderen niet mogte
vergenoegd zyn met deeze myne dispositie, zo stel ik dien tot
erfgenaam alleen, van zyne legitime portie, hem toerekenende al het
geene hem naar de Wetten en Costumen kan toegerekend worden.
"Gedaan te Parys den 27 Maart, in 't jaar van onzen Zaligmaaker,
1645: getekend met myn hand, en gezegeld met het Signet van myn
wapen; enz."
Te zonderling is het volgende geval, dat wy aangetekend vinden in 't
verslag van het geen onze HUGO in _Frankryk_ bejegend is, dan dat wy het
onzen Leezers niet zouden mededeelen: liefst volgen wy hier den
voorgemelden Dichter, DUIM, die 't één van DE GROOT's volgjonkers, in
deeze verzen doet verhaalen:
_Mynheer, reed op een' tyd wat driftig van den Koning_
_Door zeker dorp, verzelt met Kroeze[10], naar zyn woning;_
_In 't Dorp men bezig was misdadigers, ten schrik_
_Van anderen, ter dood te brengen, door een' strik;_
_De mening was, men kwam de schellemen ontzetten,_
_En door 't gedruis van 't volk, zy op 't geroep niet letten,_
_Om op te ruimen voor den Zweedschen Afgezant,_
_Maar verr' van zulks te doen; men schoot van allen kant_
_Van achtren door de koets, digt langs zyn hoofd, naar vooren._
_En trefte den koetzier; twee kogels kwamen boren_
_In 't lichaam, dus gegrieft, stierf korts hy van die wond._
Na dan alle noodige bestellingen verricht te hebben; ging hy t'scheep,
achterlaatende zyne vrouw en dochter, vermits de eerstgemelde zig niet
in staat bevond, om hem op zyne reis naar _Zweeden_ te vergezellen, en
de Geneesheeren haar geraaden hadden, ter herstellinge van haare
Gezondheid, de wateren van _Spa_ te gaan gebruiken.
Hy nam zyne reis door _Holland_, en te _Rotterdam_, zyne oude woonplaats,
gekomen zynde, werd hy aldaar met groote toejuichingen en gunst der
burgeren ontvangen; maar zyne vyanden, niet vergenoegd met de lasteringen
en ongelyken, waarmede zy hem zo langen tyd geplaagd hadden, liepen by
hunnen aanhang rond, en arbeidden, om wien ze konden aan hun snoer te
krygen: "Heemel en aarde", zegt één zyner Levensbeschryveren, dien wy,
met anderen, hier volgen.
"Heemel en aarde beweeghenden, om te beletten, dat de Staeten van
_Hollandt_, juyst toen ter tydt vergaedert, toelieten, dat DE GROOT
ongestraft door hunne Landen en Steeden synen wegh nam: maer 't
weesen der saeken was verandert;"
voegt dees schryver er by:
"Seer veelen der genen, die in den jaere 1618 den staat der
Republyke ontrust hadden, waeren nu overleden; eenighe der genen die
in 't selfde jaar waeren geschopt uit hunne weerdigheeden, hadt de
saghte gemaetightheid des Prinsen FREDERYK HENRIK; weeder tot hunne
voorighe bedieninghe geroepen, en die nieuw in de Regeeringhe
waeren gekoomen, gelykse in de partyschappen niet waeren gemenght
geweest, soo ook des te meer bequaemheits hadden ze, om de waerheit
t'onderscheyden. Dus is 't gebeurt, dat als de Heer JACOB KATS, toen
ter tydt Raedtpensionaris der Staeten van _Hollandt_, ter
vergaderinghe der gemelte staeten voordroegh, 't geen hem
dienaangaande was voorgekoomen, haere Eed. Grootmooghende hem tot
antwoordt gaeven, _dat hy de menschen, welker vreese wat te verre
gingh, van die ongegronde vreese ontslaen soude, dat sy souden
sorghe draeghen dat de Republyk geen schaede quaeme te lyden_."
Te _Rotterdam_ vertoefde hy geen langen tyd, maar vertrok van daar naar
_Amsteldam_, alwaar toen de Burgemeesterlyke waardigheid, bekleed werd,
door de Heeren, PIETER HASSELAAR, ANDRIES BIKKER, GERBRAND PANCRAS, en
WILLEM BACKER; het gedrag van deeze Heeren, daarin bestaande, dat zy,
terstond na het verneemen van 's man aankomst in hunne stad, by hem
gegaan zyn; hem alle goede diensten aangeboden; van stads wege ten
maaltyde onthaald, en hem een schip tot zyne overtogt bezorgd hebben;
dit gedrag, zeggen wy, doet den onpartydigen aanmerkingen maaken over
het lot dat de beroemde HUGO, welëer, had moeten ondergaan; een lot, het
welk hem in den rang der boosdoenders stelde: tog heeft zyne vlucht, of
lange afweezigheid zyne vooronderstelde schuld niet kunnen uitwisschen;
hy was niet veroordeeld tot eene ballingschap van zo veele jaaren; dan
zou men hebben kunnen zeggen, dat het recht voldaan, en 's mans schuld
uitgewischt was geworden; neen, hy had niet als balling maar als
vluchteling gezworven; nu werd hy gehouden voor een voorwerp wel waardig
de achting en bezorgdheid van mannen, die wy beschreeven vinden geweest
te zyn, _wyze_ en _bescheidene mannen_--maar, door welke mannen is DE
GROOT dan gevonnisd geworden?--alles zy zo, jammer is het maar, dat de
verleiding ten dien tyde zo groot geweest is, dat men zig tegen den
grooten stroom niet heeft durven verzetten; want daardoor moet het
nakomelingschap nog verwyting hooren, en vind daarin een medebron van
het bittere leven dat hetzelve smaakt--de verwyters en pynigers zyn
ondertusschen niet ervaaren in de kennis van het menschlyke hart; in de
kennis der byzondere charakters van de voorvaderen des kroosts dat zy
doen lyden, ook niet in de historie van den tyd van onzen HUGO.... maar
het staat thans niet aan ons, daarover breedvoeriger te spreeken.
Zyn vertrek van _Amsteldam_ naar _Hamburg_, werd, door tegenwind,
vertraagd, 't welk de groote VONDEL aangenaam genoeg was om _Boreas_
daarvoor een dankdicht op te draagen, beginnende met deeze
zoetvloeijende verzen, dien onvergelykelyken Prins der _Nederlandsche
Dichteren_ dubbeld waardig:
_Noorden wint, die langs ons stroomen_
_Knaegt de bloessem op de boomen;_
_d'Opgeloken telgen schent;_
_Wiltzang steurt, en lieve lent,_
_En den Mai, die met zyn zonnen_
_Quam aanminnig aangeronnen;_
_Wintervogel, guur en schrael,_
_Steur den zoeten nachtegael;_
_Schen de bloemen in de hoven,_
_Met de lucht van geur bestoven;_
_Knaeg, en eet vry ongetoomt_
_Zoo veel bloesems op 't geboomt,_
_Dat vast jammert om genade:_
_'t Is geen noot; want al die schade_
_Moet nu uit voor d'overbaet,_
_Die de wyze Magistraat_
_Rekent by uw schorre buien,_
_Die den adem van het zuien,_
_En den blaesbalg van het west,_
_Stuiten, keeren al hun best;_
_Zonder dat, gewis, wy zouden_
_Groote Huigen hier niet houden,_
_Noch festeeren in ons stad,_
_Nu verrykt door zulk een' schat,_
_Dien de verreziendste Heeren_
_En Gekroonden recht waardeeren._
Toen de beroemde Letterheld eindelyk vertrokken was, bragt dezelfde
Dichter de volgende zinryke regels op het papier:
_'s Avonts daelt het Hemels wonder_
_Met zyn straelende aengezicht:_
_Maar _DE GROOT_, ons Hollands licht,_
_Gaet, helaes! hier 's morgens onder:_
_Hoe gelukkig, is de nacht_
_Die den dag uit hem verwacht!_
Te _Hamburg_, alwaar hy, door tegenwind, eerst op den agtsten dag na zyn
vertrek van _Amsteldam_ aankwam, werd hy door de Regeering, mede met
alle blyken van eerbied, ontvangen; hy reisde verder, over land, naar
_Lubek_, alwaar hy even groote eere genoot; vandaar is hy gekomen te
_Wismar_, alwaar de Graaf WRANGEL, Opper-Admiraal van _Zweeden_, hem
zeer prachtig ter maaltyd onthaalde; anderen zeggen dat de Admiraal,
verwittigd van de aankomst van DE GROOT, met inzicht om naar _Zweeden_
te vaaren, hem, in allerhaast, een oorlogschip, om zyne reize
voordtezetten, heeft toegezonden.
Dit _in allerhaast toezenden van een oorlogschip_, door den Heer WRANGEL,
komt niet wel overëen met het geen wy leezen in een' brief van onzen DE
GROOT, aan zynen broeder, hierin bestaande:
"Te _Wismar_, hebben wy elf dagen zeer ledig doorgebragt, om dat de
Gezachhebber van dat gewest, de Heer WRANGEL, de vloot niet durfde
verdeelen, dewyl hy tyding had, dat de _Deenen_ voorhadden de vloot
in brand te steeken: hy meende dat ze toestel maakten om zulks
gewapenderhand te doen; maar het was heel anders met de zaak
gelegen, want hun toeleg was zulks door list te verrichten; doch men
nam een' man in hechtenis, die, zo men zeide, van sommige
_Lubekkers_ omgekocht was, en eenige kisten met brandstoffen
toebereid had, omze aan boord te zenden, welken, door eenige
vuurwerken, op zekeren tyd, zouden aangaan".
--Door deeze "ontdekking", zegt een van 's mans levensbeschryveren,
"behaagde het de Voorzienigheid, hem, die eenmaal door een koffer
of kist, zyne eeuwige gevangenis ontkomen was, wederom te redden
uit het dreigende gevaar, waardoor het geschapen stond, dat hy, met
vele anderen, door deeze springkoffers, jammerlyk zou zyn
omgekomen:"
--wat van het een en ander zy, onze Held vertrok van _Wismar_ naar
_Colmar_, om naar _Stokholm_ voordtereizen: de tyding van zyne nabyheid,
deed de geleerde CHRISTINA[11], haar vertrek, van _Upsal_, alwaar zy zig
bevond, naar _Stokholm_ verhaasten, vermits zy reeds sedert een geruimen
tyd eene vuurige begeerte gehad had om DE GROOT te zien: als met opene
armen werd hy van de Vorstinne ontvangen: weinig tyds daarna, gaf hy
haare Majesteit verslag en rekenschap van zyne verrichtingen, in
hoedanigheid van haaren afgezant, over al het welke zy betuigde zeer
voldaan te zyn; maar toen hy om zyn ontslag verzocht, kreeg hy geen
voldoend antwoord, 't geen hem duidelyk deed begrypen, dat het de mening
van haare Majesteit niet was, hem uit haar Ryk weder te laaten
vertrekken: zy liet hem vervolgends weeten, dat zo hy zyn verblyf in
_Zweeden_ wilde neemen, en zyn huisgezin derwaards doen overkomen, zy
hem met veel genegenheid in haaren dienst zoude houden, op eene
jaarwedde overëenkomstig met zyne verdiensten; maar onze held verkoos
niets minder dan dat; behalven dat hy begreep dat deeze genegenheid
alleen genoeg was om de afgunst, welke hy, reeds terstond by zyne komst,
in verscheidene ryksgrooten bespeurd had, nog meer gaande te maaken,
behalven dat, zeggen wy, was het in 't geheel zyne verkiezing niet, zig
nedertezetten, in een gewest des werelds, alwaar hy dagelyks niet minder
met den aart der menschen, als met de strengheid der luchtsgesteltenis
te kampen zou hebben; derhalven nam hy alle mogelyke gelegenheden waar
om op zyn ontslag aantehouden, dat hem door CHRISTINA, eindelyk, ook
toegestaan werd: de schrandere Vorstinne begreep duidelyk hoe
bezwaarelyk het was, een gemoed dat noch door gierigheid, noch door
staatzucht beheerscht werd, maar zig alleenlyk vergenoegde met zyne
studiën en in den ommegang met geleerde lieden, te beweegen, een land te
verlaaten waarin hy zo langen tyd geleefd had, en hetzelve te
verwisselen voor een gewest der wereld, dat zelfs naauwlyks haar, die
aldaar geboren en opgevoed was, ja die er het gebied voerde, kon
behaagen: met dat alles toonde de groote Vorstinne dat zy over het
besluit van haaren roemwaardigen Ambassadeur niet voldaan was, en liet
hem zeggen, dat, indien zy gedacht had, dit genoegen niet van hem te
zullen verkrygen, 't genoegen, naamlyk, van hem in haar Ryk te mogen
houden, zy hem niet uit _Frankryk_ herroepen zou hebben; evenwel bleef
DE GROOT by zyn besluit maar kon geen vrygeleibrief van de _Zweedsche
Vorstinne_ erlangen, welke nalaatigheid, gelyk naderhand bleek, nergens
aan toegeschreven moest worden, dan daaraan, dat eenige schoone
geschenke, nog niet gereed waren: by verscheidene Schryvers vinden wy
deeze stukken niet afzonderlyk genoemd; doch volgends den meergemelden
Dichter DUIM, hebben dezelven bestaan in keurelyk zilverwerk; want deeze
doet de Vorstin dus tegen den grooten HUGO spreeken:
_Ontfang, tot dankbaarheit, dees beurs met goude kroonen,_
_En uit genegenheid, dit beeltryk zilverwerk,_
_Op dat gy t' allen tydt, wen gy 't aanschouwt, bemerk',_
_'t Genoegen, 't geen ik heb van uwen dienst ontfangen;_
_'k Wil, tot bekrachtinge, om uwen halze hangen,_
_Dees keten, waaraan is myn Beeltenis gestrikt._
_Dit alles hebbe ik voor uw' dienst, u toegeschikt,_
_En uit genegenheit, gulhartig willen schenken,_
_Hier aan zult gy aan my, ten allen tyd gedenken._
De beurs waarvan in deeze verzen gesproken wordt, was gevuld ter waarde
van 12000 Ryksdaalders, voorwaar geen gering geschenk, en dus zeer
beantwoordende aan de grootheid van haar die gaf, en van hem dien
gegeeven werd: de goudene keten waaraan het afbeeldzel van haare
Majesteit hong, was drie dik; en by het schenken daarvan gebruikte de
Vorstin eene omstandigheid, welke onzen HUGO zo zeer verëerde als ze
aandoenlyk voor hem moet geweest zyn; zy deed naamlyk, dezelve eerst om
haar eigen hals, en hong haar daarna om dien van DE GROOT, die dat alles
beantwoordde, met de hartlykste betuigingen van dankbaarheid, en de
ernstigste verzekering dat hy, werwaards zyn lot hem ook mogt voeren,
nooit vergeeten zou, de hoogachting die hy verschuldigd was aan de
uitmuntende verdiensten van haare Majesteit.
Na eindelyk hartlyk afscheid genomen te hebben vertrok hy, voorzien van
eenen vrygeleibrief, die van den volgenden inhoud was:
"_Wy Christina, door Gods genade, Koninginne enz. enz._ aan allen
die dezen tegenwoordigen zullen zien en leezen, doen te weeten, dat
de edele, voortreffelyke, en onze zeer beminde Heer, HUGO GROTIUS,
na in onzen naame de bediening bekleed te hebben van onzen gewoonen
Ambassadeur by den Allerchristelyksten Koning, geduurende den tyd
van meer dan tien jaaren, van ons alhier verkreegen heeft een
gunstig afscheid: en ingevolge van dien, voorneemens zynde zig
elders te begeeven, zo hebben wij, uit achting voor de treffelyke
hoedanigheden, waarmede hy begaafd is, en zyne verdiensten jegens
ons en ons Koningryk, uit zonderlinge gunst die wy hem toedraagen,
en om het groot genoegen dat wy ontvangen hebben van zyne diensten
aan ons beweezen, in zyne gemelde bediening, hem willen begunstigen,
en zyn vertrek verzekeren, door deezen tegenwoordigen brieve van
vrygelei."
"En derhalven verzoeken wy van de vriendschap, goedwilligheid, en
genade van alle Mogendheden ter zee en te lande, van wat staat en
aanzien die mogen zyn, en voornaamlyk de Koningen, Prinsen, vrye
Republieken, en Steden, waardoor de reize zal mogen genomen worden,
door gemelden Heer GROTIUS, voorheen onzen Ambassadeur in
_Frankryk_, en tegenwoordig van ons ontslaagen, de zonderlinge
gunst, om te gaan, keeren en komen, in _Duitschland_, _Frankryk_, de
_Nederlanden_, of eenige andere plaatzen, daar 't hem behaagen zal
naar toe te vertrekken, om hem, en zyn gevolg, met zyne dienaars en
goederen, te laaten doortrekken, in alle vryheid, veiligheid, en
zonder ophouden of beletzels, hoe dat zou mogen weezen: gelyk ook
aan hem te bewyzen alle tekenen van goedwilligheid en vriendschap.
"Voords beveelen wy aan allen, die ons getrouwheid en onderdanigheid
schuldig zyn, in hoedanigheid van Afgezanten, Krygsbevelhebbers,
Admiraalen, Generaalen, Gouverneurs van de Provinciën, Vlooten,
Steden, Vaartuigen en Havens, waardoor hy zal komen te reizen, met
al het geene hem toebehoort, te gehoorzaamen aan dit ons bevel en
ernstige wille, zig wel wachtende eenige verhindering te doen ofte
laten doen aan gemelden Heere GROTIUS, op den weg dien hy zal
neemen, het zy om wedertekeeren in _Frankryk_, 't zy om te
vertrekken naar _Duitschland_, _Nederland_ of andere plaatsen; maar
veel meer, dat zy hem de behulpzaame hand zullen bieden, en helpen
bevorderen in zyn oogmerk naar hun vermogen.
"Die bevonden zullen worden zig anders te gedraagen, zullen van
onzent wege worden gestraft. Ter bevestiginge hiervan hebben wy dit
doen verzegelen met ons Koninglyk zegel, en den tegenwoordigen
getekend met onzen eigen hand: enz."
Schoon alles wat wy van die voortreffelyke Vorstinne, met betrekking tot
onzen Held, gezegd hebben, genoegzaame blyken opgeeft van de hoogachting
welke zy voor 's mans gaêdelooze talenten had, kunnen wy echter niet
nalaaten nog daarby te voegen den volgenden brief, door haare Majesteit,
na den dood van haaren geliefden HUGO, aan deszelfs Weduwe geschreeven:
dus luidt dezelve: