_Zie hier de tombe van den grooten _HUIG DE GROOT_,_

_Eerst Advocaat Fiskaal, om Hollands heilge wetten_

_En zyn gerechtigheên, (wie tegenstand hen boodt,)_

_Te schraagen, en voor 't recht zig in de bres te zetten._

_Toen Raatsman van den Raadt der koopstad Rotterdam:_

_Hy zette zyne borst, voor onze aloude rechten,_

_Als eenen koopren muur, toen die verwoede vlam,_

_Van kerk- en staat-twist, uit kwam barsten, om te slechten_

_Den band der eendracht. Hy, met onvermoeide vlyt,_

_'t Roer wendde van de kerk en staat, naar alle boegen;_

_Op dat die band niet wierd verbroken, in dien tyd,_

_Zocht hy, ter wederzyds, elk een te vergenoegen:_

_Om zulks te doen, was 't wit van hem, verdraagzaamheid,_

_Hierop hy doeldde, doch party wou 't niet gedogen;_

_Hy wierd, om deeze drift, naar Loevestein geleid,_

_En levendig, als dood, ontrukt der menschen oogen,_

_Tot hy na der d'half jaar verlost wierd, door een kist;_

_Hy leefde in ballingschap, na 't vluchten, all' zyn dagen,_

_Maar Zweden, die 't geweld, hom aangedaan, wel wist,_

_Heeft 't ampt, als Afgezant, hem gunstig opgedraagen._

_Dit heeft hy loffelyk bediend; maar, door den dood,_

_Nu eindelyk ontlast van alle de aardsche zorgen,_

_Rust hier het lichaam van den wakkeren _DE GROOT_,_

_Voor wien (wat wetenschap betreft,) niets was verborgen._

_Des rust hy met zyn hoofd op boeken; in de hand_

_Voert hy een veder, die de vrucht des geestes baarde;_

_Kenmerken van zyn groot en doorgeleerd verstand._

_In d'achtergrond ziet gy den schat, dien hy vergaarde,_

_Een gantsche boekzaal, waarin hy begraaven lag;_

_Dit gaf men naderhand voor twaalef duizend kroonen,_

_In handen van Katryn[12], op dat ik, schreef zy, mag._

_Myn' grooten Afgezant, my, in zyn schrift vertoonen_

_In 't midden van dien schat, ziet gy een helder zon,_

_Wier glans alom verlicht het aardryk, met haar straalen_

_Van zynen geest, die in zyn schrift met luister praalen;_

_Die schriften vliegen al de wereld door en door,_

_In Englen handen; en met kransen van Lauwrieren,_

_Ontwonden Rollen, elk een draaft op 't letterspoor;_

_Gy zietze, wederzyds om deeze zonne zwieren._

_Wat hooger blaast de faam, met twee trompetten, uit,_

_'s Mans lof, zyn wysheid, in religie, en staatkunde._

_Zyn wapen ziet men op de lyst. Een boek ontsluit,_

_Ter wederzyde, zig, wyl 't yder toegang gunde,_

_Om, nevens Huig de Groot, de bladren in te zien_: enz.

Wat betreft de gedenkpenningen, tot 's mans eere geslagen, en waarvan wy

boven reeds gewag gemaakt hebben; beiden vertoonden zyn borstbeeld, doch

in verschillende standen; op de tegenzyde van den eenen, zag men een

koffer, indedaad in alles zeer gelykende naar dat welk onder den Heer

Mr. KLINKHAMER berustende is, en dat wy den Leezer in plaat medegedeeld

hebben; op het koffer stonden twee kroonen, verbeeldende die van

_Frankryk_ en _Zweeden_, te kennen geevende zyn vlucht in 't eerstgemelde

ryk, en zyn gezantschap ten dienste van het tweede; aan de eene zyde van

het koffer vertoonde zig een opgaande zon, en aan de andere zyde, in een

flaauw verschiet, het Slot van _Loevestein_; de opgaande zon verstrekte

"ten zinnebeeld van de vernieuwing zyner tydlyke gelukzaligheid en

glorie, als die lang verborgen geweest zynde onder de duisternis van

veele rampen, eindelyk te helder weder doorbrak":

De Dichter DUIM, laat de flaauwe vertooning van het _Loevesteinsche

slot_, te kennen geeven, dat deszelfs vermogen door de groote HUGO

overwonnen is: dus zingt hy, in de bovengenoemde Uitlegging:

_Men ziet, aan de eene zyde, een halve opgaande zon,_

_Het slot van Loevestein verflaauwd aan de andre zyde,_

_Ten teken dat zyn glans verryst, en hy verwon_

_Het Loevesteinsche slot, dat hem zyne eer benydde._

Boven aan den rand van deezen penning las men de woorden:

MELIOR POST ASPERA FATA RESURGO.

Dat is:

_Ik kom na myne rampen weder ten voorschyn_:

Onder aan stond:

N. 1583. O. 1645.

Dat is:

_Geboren in 't jaar 1583, en overleden 1645._

Op den tweeden penning, zag men, gelyk gezegd is, mede 's mans sierlyk

borstbeeld, en daar rondsom de volgende woorden:

HUGO GROTIUS NATUS MDLXXXIII, 10 APR.

OBIIT, MDCXLV. 28 AUGUS.

Dat is:

_Hugo de Groot, geboren den 10 April 1583,_

_En gestorven den 28 Augustus 1645_.

Op de tegenzyde las men, onder drie bloemtrossen, en boven twee

lauwertakken, het versje van den Heere BRAND, gelyk wy het Bladz. 153

opgegeeven hebben.

Laat ons by dit alles nog eenige weinige regels ten slotte voegen:--de

gewoone spreuk van den onstervelyke HUGO was; _Ruit Hora_, dat is, _Het

uur snelt voord_, welke woorden hem altoos de kostlykheid van den tyd te

binnen bragt: hy was gewoon des morgens ten zes uure optestaan: wanneer

hy vermoeid was door de studie, las hy iets vrolyks, of onderhield zig

met zyne kinderen: _Ik heb de genade van God_, zeide hy, _als ik de

sleutel uit myn Comptoir trek, dat ik my van alle ingespannene gedachten

ontledig_: hy was hartig in 't eeten; hoorde gaarne dat men hem

tegensprak: zynen Geheimschryver, den Heer PELS, raadde hy, den bybel te

leezen, zonder enige aantekeningen te raadplegen, zeggende: _Komt U iets

voor, dat gy niet verstaat, leg daar een vouwtje by, en lees voord; het

een zal 't ander verklaaren, en God zal u helpen_.

Zyne weduwe, de onvoorbeeldige MARIA, volgde haaren zaligen Echtgenoot,

op de reis naar de eeuwigheid, den 19 April des jaars 1653: haare

dochter CORNELIA was gehuwd aan den Heere JOAN BARTON, Graaf van

_Mombas_: behalven deeze dochter, liet onze held na, drie zoonen,

CORNELIS, PIETER, en DIEDERIK, waarvan de oudste en jongste ongehuwd

gestorven zyn; de middenste, door wien het beroemde geslacht van den

grooten HUGO voordgeplant is, werd, na in vreemden dienst geweest te

zyn, aangesteld tot Pensionaris van _Amsteldam_; vervolgends bekleedde

hy de hooge waardigheid van Afgezant van Hun Hoog Mogende, by de

_Noordsche Kroonen_, en werd daarna Pensionaris en Lid in de Vroedschap

van _Rotterdam_; doch hy heeft ook eindelyk het lot van zyn' vader

ondergaan, en buiten zyn vaderland moeten zwerven, tot dat hy, na dat de

tyd de benevelde oogen een weinig verklaard had, wederkeerde, en zyn

verblyf nam op een buitenplaats naby _Haarlem_, alwaar hy zyne dagen

sleet, in het opvoeden van zyne kinderen en het leezen van goede

schryvers: hy overleed in den ouderdom van 70 jaaren.

A A N H A N G Z E L.

Indien wy ons, onder het zamenstellen van de voorgaande bladen, hadden

willen bedienen, van eenige papieren, in den tegenwoordigen tyd van

beklaagenswaardige verdeeldheid ten voorschyn gebragt, zouden wy

menigvuldige trekken hebben kunnen bybrengen, zo wel die den braaven

HUGO DE GROOT ongunstig zyn, als anderen die van zynen lof gewaagen;

dan, daar wy het grootste gedeelte van die geschriften houden voor

schandzuilen, den lande opgericht, om dat ze hunne geboorte verschuldigd

zyn aan eene verfoeijelyke partyzucht, en verdervenden geest van

nieuwigheden, hebben wy dezelven allen ter zyde gelegd, als onwaardige

werktuigen in de hand van een onpartydigen; 't kan de nagedachtenis van

DE GROOT niet verheerelyken, dat men zyner uitmuntendheid gedenkt, ten

koste van de openbaare rust; maar, daar de onlusten binnen de stad

_Rotterdam_ voorgevallen, en de gevolgen van dien, de achtbaare

Regeering van _Amsteldam_, onlangs, aanleiding gegeeven hebben, om in

den lof van onzen Held uitteweiden, en eenige uitdrukkingen te doen,

welken over het geval van dien grooten man, een zeer helder licht

verspreiden, hebben wy geoordeeld die lofspraak, en verdere

uitdrukkingen, by onze voorgaande beknopte beschryving van 's mans leven

te moeten voegen; aangezien dergelyke straatsstukken, schoon niet altoos

bevattende onwrikbaare grondslagen, waarop men mag bouwen, of

onwederlegbaare regelen, waarnaar men mag oordeelen, echter te stellen

zyn, verre boven de verachtelyke papieren waarvan wy boven spraken:--de

bedoelde lofspraak is vervat in de volgende woorden, te vinden in de

_Nadere Aantekening van _Amsteldam_, ter Staatsvergaderinge van Holland

en West-Frieslaand gedaan, op eene Resolutie van den 24 December 1784,

concerneerende het onderzoek van het voorgevallene te _Rotterdam_:_

"En dit wel uit denzelven __VOORTREFLYKEN_ en _BY DE NATIE

HOOGGESCHATTEN_ Rechtsgeleerden, _HUGO DE GROOT_, op wiens Leer en

Gezag de Supplianten van zeker Request, op den 2 December

laatstleden aan Hun Ed. Gr. Mog. gepresenteerd_, ter adstructie van

het Sentiment en Advys van bovengemelde Heeren Gedeputeerdens,

_zich met zoo veel fiducie beroepen hebben_."

"Dat men ten dien einde vooraf moet remarqueren, dat de Memorie, by

voorschreve Requeste geallegueert, speciaal was ingerigt, zo als uit

de Introductie klaar te zien is, tegen de Hoven van Justitie,

dewelke IN DIE ONGELUKKIGE TYDEN VAN SCHEURINGEN EN VERDEELDHEDEN IN

KERKE EN BURGERSTAAT, _zich aanmatigden kennis te nemen van

dispositien en politique orders, die de Steden goedvonden in den

hare te stellen tot conservatie van de Rust en Vrede onder hare

Ingezetenen_; doch welken de Hoven, door Mandamenten en andere

Provisien van Justitie illusoir tragtten te maken."

"Dat men dus in het oog houdende de gelegenheid by welke, en het

oogmerk, waar mede voornoemde Heer DE GROOT dit Advys, in den Jare

1617 heeft gesteld, en het zelve in zyn geheel met oordeel en

attentie nalezende, ligt bemerken zal, dat hy daar by niets anders

heeft willen betogen, als dat de Hoven van Justitie zich de klagten

en quæstien tusschen de Magistraten der Steden en derzelver

Ingezetenen over gezegde politique Ordonnantien of Correctien van

die Magistraten tot maintien van de publyke rust, niet vermogen aan

te trekken, en wel _voornaamlyk_, dat zulks egter by de Hoven

ondernomen wezende, de Staten volkomen bevoegd waren zoodanige

quæstien den Hove te onttrekken en aan zich te evoceren, zonder dat

_daar door_ enige Privilegien verkort wierden."

* * * * *

En Pag. 150 sprekende van de DEFECTEN in de Personen, die gecommitteerd

waren geweest tot zyne Rechters, zegt hy:

"dat eerst hier op staat te letten, dat _die niet en waren

ordinarisse Rechters_; indien de Staten Generaal het regt van de

Commissie te geven toekwam, (vervolgt hy) waarom en hebben zy

daartoe niet gecommitteert den Hoogen of Provincialen Raad van

Holland? waarom niet de Raden van Staten, die _ordinaris Recht doen_

uit den naam van de Generaliteit? In alle vrye Regering is hatelyk

over het bloed, eer en goed van de Ingezetenen, _andere als

ordinarisse Rechters_ te stellen, veel meer, als die Personen, gelyk

het meerendeel van deze, niet en zyn in dienst van de Justitie,

maar _politicque persoonen_."

* * * * *

Doch zoo men nog al zoude willen beweren, dat hy, in 1619 gesmaakt

hebbende, wat het te zeggen is van zynen dagelykschen Rechter vis factie

te werden geëvoceert, van een ander begrip geweest zy, dan in 1617, zal

men teffens moeten erkennen, DAT HY HET SLAGTOFFER VAN ZYN EIGEN SYSTEMA

IS GEWORDEN; en dat DE VIOLENTE EN ONWETTIGE HANDELWYZE OMTRENT HEM EN

ANDERE BEROEMDE VOORSTANDERS DER VRYHEID GEHOUDEN, de hooge waarde van

de Privilegien _de non evocando_, zoo wel hebben leeren kennen, dat

sints alle tyd elk Liefhebber van het Vaderland een afgryzen van den

naam zelfs van gedelegeerde Rechters als aangeboren is; zoo als men ook

sedert altoos tegens dergelyke inbreuken en violentien, met de uiterste

zorg heeft gevigileert, uitwyzens Hun Ed. Groot Mog. bekende verklaring

van den 15 September 1677:

"dat het binnen den Lande van _Holland_ en _West Friesland_ een

indisputabel recht is, dat geene Ingezetenen anders dan voor hunnen

ordinaris en daaglykschen Rechter mogen te recht gesteld worden."

* * * * *

BERICHT VOOR DEN BINDER.

_De Plaaten te voegen, tegenover Bladz. 70._

NOTEN.

Noot 1: _Eén op de verovering van _Nymegen_, door Prins _MAURITS_,

en een ander tot vertroosting van zynen vader, over 't verlies van

deszelfs vroeg gestorven zoon, _JAN DE GROOT_, welk versje van dezen

inhoud is:_

Eerwaarde Vader, 'k bid dat ge uw gezucht bepaalt;

Wyl die Johannes, wien de dood heeft weggehaald,

Heeft met zyn dood, schoon noô, de groote schuld betaald.

Noot 2: _Hierop ziet een Latynsch tweeregelig versje, onder een

zeer vroeg afbeeldsel van onzen Held, gegraveerd door _JACOB DE GEIN_:

dus luidt het in onze taale_:

Ik, van myn vyftien jaar ter pleitrol opgeschreeven,

HUIG JANSZ. DE GROOT, word dus in plaat verbeeld naar 't leven.

Noot 3: _Toen welëer veel gouds in _Holland_ omging, was men gewoon

de dukaten en andere speciën te weegen, om te weeten of ze wigtig waren

of niet; Wanneer nu de evenaar wat doorsloeg, of niet in 't midden bleef

stil staan, werd dat leste aas _een kyfäas_ genoemd, om dat men twistte

of het 'er by moest gerekend worden of niet--nu wil _VONDEL_ zeggen, dat

het ook zo wankel stond met de Rechtbank in _Holland_, dat het maar een

_Kyfäas_ scheelde, zus of zo stond, of de Heer _HUGO DE GROOT_ zou ook

voor 't zwaard hebben moeten bukken; voor 't zwaard dat nu _gestroopt en

reê was om den tweeden slach te geeven_._

_De _AANTEKENAAR_ op _VONDEL'S_ Hekeldichten_.

Noot 4: _Zie Bladz. 225 van de _Nieuwe Uitgaave_, onlangs by de

Heeren _ELWE en LANGEVELD_ van de pers gekomen._

Noot 5: _Ibid._

Noot 6: Walcheren, _tweede uitgaaf_, Bladz. 226.

Noot 7: Anderen willen dat die Vorst zou gezegd hebben: _Ik dacht

wel datze hem niet opgeslooten zouden houden; want hy was wyzer dan alle

zyne rechters_.

Noot 8: _Dit geschiedde in 't begin van April, na dat zyn huisvrouw

even te vooren ontslagen was; want den vyfden dier maand werd, by

geschrifte, van haaren wege aan de Staaten Generaal geklaagd, dat men

haar op _Loevestein_ gevangen hield, en dat zy haare natuurlyke vryheid

verzocht: dit verzoek overwogen, en aangemerkt zynde, dat de Soldaaten

zelven _DE GROOT_ uitgedraagen hadden; dat gevolglyk by de kloekmoedige

Echtgenoote niets zonderlings misdreeven was, werd zy twee dagen daar na

ontslagen._

Noot 9: _Dit betrof Hoogstdeszelfs erffenis van zyne Moeder,

_LOUISA DE COLIGNY_, wier goederen meestall' in _Frankryk_ lagen._

Noot 10: Deeze was een Neef van den Rykskancelier OXENSTIERN, die

DE GROOT aan den Koning gepresenteerd had, en nevens hem in 't gevaar

was, vermits de kogels, op naauwlyks twee duimen afstands voorbij hunne

hoofden vloogen.

Noot 11: _Deeze Vorstin, was, zegt zeker historieschryver,

"ervaaren in alle saeken, haerer kennisse weerdigh; uitsteekende beminde

sy geleertheid en geleerden, en ook _DE GROOT_ selven; met een

doordringhendt oordeel wist sy syne uitgegeevene schriften te

schatten"--op eene andere plaats beschryft hy deeze Vorstinne, als,

"nogh onweetende in de verscheyde Landtschappen des aerdtboodems, nogh

in de verschillende seeden der menschen"._

Noot 12: _Mevrouw _DE GROOT_, heeft, op verzoek van de _Zweedsche

Vorstinne_, (_Zie Bladz. 133_), de nagelaatene schriften van haaren

overledenen man, voor 24000 Guldens, aan haare Majesteit overgedaan_.

Het leven van Hugo de Groot · 第 7 / 7 段