dat in dit Boek hunne konstenaeryen, en het geweldt, Hollandt
aangedaan, ontdekt wierden, hebben, dewylse niets anders hadden, om
de waerheit daar in uitgedrukt teeghen te spreeken of te
wederlegghen, gebruykende hunne voorlangh gewoone geweldenary, den
selven vervolght met bannissementen: welke krachteloose blixem, als
hy, door de bescherminghe des Alderchristelyxten Koninghs, die hem
in syne beschuttinge hadt genoomen, was verdweenen, is daer door
niets anders te weeghe gebraght, als dat de Groot geruster en
veyligher heeft konnen leeven; dat de winst der Boekverkooperen, die
deese Boeken verkoghten, is verdubbelt, en de nieuwsgierigheit der
leezeren soo geweldigh aangewassen, dat, de ooghen van veele
Regenten verlicht zynde, derselver gesagh niet alleen in 't publyk,
maer ook ter Vergaderingh der Staeten selve, en dat meer is, teeghen
d'Algemeene Staeten selfs is doorgedronghen":
By een zeer scherp plakaat, werd dit boek niet slechts strenglyk
verboden, maar ook verklaard voor _fameux, séditieux_ en _schandeleux
libel_, en boven dien werd de schryver verklaard strafbaar aan lyf en
goed, toe alle plaatsen en tyden daar hy zou mogen gevonden worden,
zonder dat eenig verloop van jaaren hem daarvan zou kunnen bevryden: de
tyding van deeze gebeurtenis kwam hem te _Parys_ wel haast ter oore, en
was vermogend genoeg om 's mans hart te ontstellen: ondertusschen dacht
men in _Frankryk_ niet gunstig over dat gedrag der _Nederlanderen_; de
President JEANNIN, was van gevoelen dat hy zig over de onbillykheid
daarvan, by geschrifte moest verklaren; een ander zeide: _als men de
vernuften straft, zo groeit hunne achtbaarheid_; de Gezant MAURIER
schreef hem uit _'s Gravenhage_, onder anderen, het volgende:
"Wat het Plakaat betreft, gy weet wat men zegt van de Excommunicatie
van Rome, die men _krachtlooze blixem_ noemt; ook weet gy dat de
geenen waar mense tegen uitwerpt, daarom niet minder welvaarende
zyn;"
deeze hartlyke troost was ten hoogsten aangenaam, maar gaf echter geene
geruststelling; die moest van eenen anderen, van een vermogender kant
komen; zyne Majesteit alleen kon dezelve den doorluchtigen balling
bezorgen, en deeze werd ook, in een breedvoerig smeekschrift, daarom
verzocht, niet zonder de hoogste voldoening daarop te ontvangen, want
LODEWYK verklaarde in 't openbaar, dat hy DE GROOT wèl en gunstig
begeerde te behandelen, "gelyk wy voorheen gedaan hebben," zeide zyne
Majesteit, "om de achting, die wy voor hem hebben, ter oorzaake zyner
vroomheid, en uitneemende weetenschap, waarvan wy wel onderricht zyn
geweest, door veele groote Persoonaadjen van onzen Raad."
"Zo is 't", dus luidde het slot deezer openbaare verklaaring;
"Zo is 't, dat wy ten overvloede verklaard hebben, en verklaaren by
deezen tegenwoordigen brief, getekend met onze hand, dat wy genomen
en gesteld hebben, gelyk wy neemen en stellen in onze speciaale
Sauvegarde en bescherming, den Persoon van den voornoemden _de
Groot_, zyn huisgezin, goederen, en alle dingen hem toebehoorende in
dit ons Koningryk; doende verbod aan alle perzoonen van wat natie,
qualiteit en conditie dezelven zouden mogen weezen, van hem te
misdoen of te miszeggen, of ook iet te bestaan en te attendeeren
tegen zyn persoon, het zy directelyk of indirectelyk, op hoedanige
wyze of maniere, en onder wat protext of dekmantel zulks zoude mogen
zyn, _op lyfstrafe_.
"Belastende aan alle onze Rechters, Amtlieden, Landdrosten, Archers
of Lyfwachten, en anderen, hem de sterke hand en hulpe te bieden, en
niet toe te laaten, dat hem eenig ongelyk of injurie aangedaan
worde, procedeerende tegen de genen, die hier tegen zouden durven
handelen, als tegen verbreekers van onze Sauvegarde, op poene als
vooren; en doende in zulker voege, dat de voornoemde _de Groot_ moge
leeven in alle zekerheid onder onze authoriteit en bescherming."
BRAND zegt, dat de gemelde verantwoording wel schielyk verbooden, maar
nooit wederlegd is geworden.--De groote HUGO schreef, staande zyn
verblyf te _Parys_, onder anderen, ook nog zyn _Onderzoek van de
Pelagiaansche Leerstukken_, waarin by ruiterlyk voor de zaak der
_Remonstranten_ uitkwam; want hy toonde in dat geschrift aan, dat de
Leer der gezegde Kerkgemeente, niet _Pelagiaansch_ was, maar met het
gevoelen der oudste en zuiverste Leeraars overeenkwam.
De diensten welken hy, staande zyn verblyf aan het _Fransche Hof_, zyne
landgenooten bewees, zyn indedaad niet gering geweest; trouwens een man
als onze DE GROOT was ook in alle opzichten te groot, dan dat zyn leven
niet eene aanëenschakeling van roemwaardige bedryven zoude geweest zyn;
Prins FREDRIK HENDRIK was zelfs één van de geenen welken hem
desaangaande dankbaarheid verschuldigd waren: een missive van dien
doorluchtigen Persoonaadje, in de _Fransche taale_ aan HUGO geschreeven,
onder dagtekening van den 4 Augustus 1621, begint met deeze woorden:
"Ik dank u voor de goede diensten die gy my, by eenige Raaden des
Konings gedaan hebt[9], en bid u daarin te volharden, zo wel by
gemelde Raaden, als by anderen, waaromtrent gy zulks noodig zult
oordeelen; zyt verzekerd dat ik u desaangaande myne erkentenis zal
toonen, in alle gelegenheden, waarin ik u van eenigen dienst zal
kunnen weezen:"
--"Ik wenschte", dus luidt een verder gedeelte van dien brief;
"Ik wenschte in staat te zyn van u alhier nuttig te kunnen zyn in
uwe zaak, ik zou my daarin met al myn hart van myne verpligting
kwyten; maar gy weet, dat de gelegenheid der zaake zodaanig is, dat
noch ik, noch uwe andere vrienden u daarin niet kunnen dienen, zo
als wy wel zouden wenschen; ik hoop dat de tyd daarin eenige
verandering zal ten wege brengen, en dat ik u, ten eenigen tyde, in
deezen Lande, zal mogen wederzien, zo hoog geacht, zo algemeen
geëerd, als uwe zeldzaame talenten verdienen; het welk my niet
minder genoegen zou doen smaaken, _dan ik gesmaakt heb, by het
verneemen van uwe ontkoming_; ondertusschen," enz.
Deed FREDRIK HENDRIK recht aan 's mans ongemeene bekwaamheden, LODEWYK
DE DERTIENDE was daarin evenmin nalaatig; niet alleenlyk zeide hy hem
mondling: DE GROOT, _gy zyt een treffelyk man, en ik wil u wel doen_,
maar had zulks ook reeds werkelyk getoond door hem, na hem eene
aanzienlyke vereering gedaan te hebben, een jaarlyks tractement van 3600
guldens toeteleggen: in het koninglyk besluit desaangaande genomen, en
dat zyne Majesteit eigenhandig ondertekende, vindt men, dat de koning
hem dat pensioen toestond, om hem by zig te houden, _hebbende in achting
genomen de verdiensten, bequaamheit en zonderlinge geleertheit van den
Heer de Groot_.
Na, gelyk wy boven, (bladz. 82) gezien hebben, de onvoorbeeldige
REIGERSBERGEN, weder op vrye voeten was gesteld worden, en na eenige
vergeefsche pogingen ter verdere verlossinge van haaren halsvriend
aangewend te hebben, toefde zy niet om zig ook weder in het bezit van
dien onwaardeerelyken schat te stellen; zy stak naar _Frankryk_ over:
het trouwhartig ELSJE was door te sterke banden aan haare Meesteresse
verbonden, dan dat zy dezelve niet op de reis vergezeld zou hebben;
_Parys_ ontving ook die lofwaardige Dienstmaagd binnen haare muuren, en
werd door veelen bewonderd; onder anderen toonde de President JEANNIN,
inzonderheid, groote begeerte om haar te zien, en zeide, toen hem zulks
mogt gebeuren: _Ma fille! _DIEU_ vous benira_; dat is: _Myn Dochter!
_GOD_ zal U zegenen_.
Den geruimen tyd van elf jaaren, bragt onze Held in het _Lelieryk_ door,
in welken tyd hy meer dan ééns aangezocht was geworden, zo door
CHRISTIAAN DEN VIERDEN, Koning van _Deenemarken_, als door GUSTAVUS DEN
GROOTEN, Koning van _Zweeden_, en anderen, om in derzelver Ryken
aanzienlyke amten te bekleeden, maar hy hield nog altoos het oog op zyn
Vaderland gevestigd, en hoopte zekerlyk nog eens in deszelfs boezem zyne
verloorene rust te zullen wedervinden; gedeeltelyk tot dat einde had
zyne Gemaalinne reeds een reis derwaards gedaan, doch geheel zonder
vrucht: de gezegde hoop verkreeg echter van tyd tot tyd voedzel, schoon
dezelve ook wel eens weder geheel uitgebluscht werd; er vielen in
_Nederland_ zeer veele gewigtige veranderingen voor, waarvan als eene
der voornaamste genoemd mag worden, dat FREDRIK HENDRIK, dien wy gezien
hebben, dat niet tegen HUGO maar veelëer zyn vriend was, zynen broeder
MAURITS in de Stadhouderlyke waardigheid was opgevolgd, waarover zyne
Hoogheid door onzen Held geluk gewenscht werd: alle 's mans vrienden
yverden nu zeer hartlyk tot zyne herstelling, maar in _Frankryk_, liet
men in tegendeel niet na alles aan te wenden wat mogelyk was, om hem tot
de _Roomsche Kerk_ overtehaalen, tot welk einde zyne Gemaalin zelfs de
dringendste aanvallen moest doorstaan: "Myne huisvrouw", schreef hy in
zekeren brief, "wordt door de geleerdsten van _Parys_ aangevochten, maar
verdedigt zig treffelyk; ons hart", voegde hy 'er by,
"zou beter strekken tot vereeniging met de Gereformeerden van ons
land, na eenige verzachting van de wat te onvoorzichtig (zo wy
oordeelen) gedaane decisie"
--"En hier," schreef hy aan UITENBOGAARD,
"wat zal ik zeggen? men ziet, dat ik door goed noch kwaad ter misse
wil gaan; men ziet dat ik geen voorneemen heb, ten aanzien van ons
land, dan tot behoudenis van wettige vryheid; men ziet dat myne
wederpartydigen sterk zyn, en in den Staat groot gezach hebben: wat
hier uit volgen zal by eene Natie, die zo wispeltuurig is als de
Fransche, zal UEd. best kunnen oordeelen;"
--"Men wil hier niet ten halve gediend zyn", schreef hy op een anderen
tyd;
"op de betaaling wordt my ook reeds groote zwaarigheid voorgewend:
men wil my wysmaaken dat het comptoir, waarop ik geordonneerd ben,
geledigd is, het welk geene verstandigen kunnen gelooven:"
uit dit een en ander, waarby wy nog veele zaaken zouden kunnen voegen,
indien dezelven niet door anderen reeds breedvoerig waren geboekt
geworden, is gemaklyk optemaaken, in welk eene gesteltenis onzen HUGO
zig bevondt; evenwel verliet hy zyne letteroefeningen niet, maar
vervaardigde, van tyd tot tyd, veele schriften die zynen naam
onstervelyk gemaakt hebben.
_Frankryk_ werd vervolgends door verdervelyke onlusten verdeelt en
geschud; de duurte der levensmiddelen nam dagelyks toe, en op de
betaaling der pensioenen kon geen staat meer gemaakt worden; de groote
HUGO was te groot van ziel om te smeeken, en derhalven nam hy het
besluit, zig naar elders te begeeven; evenwel wilde hy niet in vreemden
dienst overgaan, voor hy verzekerd ware van de gesteldheid der
gemoederen in 't Vaderland, omtrent hem: de kloekmoedige REIGERSBERGEN,
stak andermaal over, om met vrienden en bloedverwanten raad te
neemen;--ieder verlangde hem te zien; de zaaken hier ten lande werden
van de beste zyde beschouwd; DE GROOT wenschte ook zeer vuuriglyk zynen
ouden vader nog eens te mogen omhelzen--was dit niet genoeg om hem de
reis te doen aanneemen? hy nam in 't openbaar afscheid van den Koning,
die hem niet alleenlyk met alle beleefdheid ontving; maar zelfs
omhelsde, en hem aanbood, ten zynen voordeele, eigenhandig aan de Heeren
Staaten te schryven: in 't laatst van de maand October des jaars 1631,
kwam hy behouden te _Rotterdam_ aan.
Men kan ligtlyk denken wat al beweegingen daardoor ontstonden, en welke
beweegingen niet weinig vermeerderden, toen de zaak ter ooren van zyne
vyanden gekomen was; tot by den Stadhouder toe, onderzocht men, op wiens
toestemming hy het gewaagd had, weder in 't Vaderland te verschynen;
ieder kende zig vry, hem daartoe verlof gegeeven te hebben; FREDRIK
HENDRIK zeide: _Ik heb hem niet doen komen_; men was geheel verdeeld
over de wyze waarop men den stap, door DE GROOT gedaan, zoude
behandelen; deezen waren voor de zachtheid, ten welke einde de Heeren
van _Delft_, zig zeer gelegen laatende leggen aan hunnen roemwaardigen
Inboreling, eene bezending naar den Prins Stadhouder afvaardigden;
_Amsteldam_ en _Rotterdam_ ondersteunden de lofwaardige poogingen van
_Delft_, maar anderen, zeer waarschynelyk door de Geestlykheid opgezet,
riepen, _dat hy _DE GROOT_ was, die Land en Kerk beroerde, dat hy de
tegenwoordige Regeering in zyne verantwoording voor onwettig gescholden
had, en dat hy op zyn eigen ban en boete, zonder voorafgaande
bewilliging der Staaten, in 't Land gekomen was_; en deeze party behield
de overhand; te vergeefsch had men hoop gevoed op den bystand van
FREDRIK HENDRIK; te vergeefsch hadden niet weinigen geloofd, dat hy
glory zou zoeken te behaalen door het herstellen van zo groot een man,
als deeze bewonderenswaardige vluchteling, in deszelfs voorige
waardigheden; men had dien Prins van zyne menschlievende en loflyke
oogmerken weeten te doen afzien: "maar gelyk meerendeels", zegt één van
HUGO'S levensbeschryveren;
"op de gemoederen der genen, die by Vorsten doen en laaten zyn, meer
het nutte dan het eerlyke plaats grypt, en er geene ontbraken, die
hem voor oogen stelden, hoe gevaarlyk 't voor syne saeken zyn soude,
eenen man, die met soo groot een stantvastigheit de Vryheit en syn
Vaederland beminde, wederom in de Regeeringe in te neemen, heeft hy
beslooten veel eer te volghen 't gheen hem syne moogenheit dan 't
gheen hem syne weerdigheit raedde, en, als de Staeten
beraedtslaeghden oover 't verblyf van _de Groot_, sich gevoeght by
't oordeel der genen, die gevoelden dat men hem 't verblyven in syn
Vaederlandt behoorde te verbieden":
--wat zou de doorluchtige balling, na het verlies van zulk een veel
vermogenden voorstander, anders hebben moeten besluiten, dan zyne
zelfberging niet uit het oog te verliezen?--hy nam de wyk naar
_Amsteldam_, alwaar hy zig een geruimeren tyd, onder eenen verbloemden
naam onthield, ten huize van den Heere, JOOST BRASSER, terwyl er
volgends de aantekeningen van den onpartydigen BRAND, by de Heeren
Staaten van _Holland_ geresolveerd werd, dat alle 's Lands Officieren
zouden worden gelast, HUGO DE GROOT, in verzekering te brengen, op
privatie van hun amt, en dat 2000 Guldens zou gegeeven worden, aan die
geenen die hem in handen van de Justitie zoude leveren: _Amsteldam_ had
zig daartegen zeer sterk verzet, van gedachten zynde, dat de Provincie
van _Holland_ niet bevoegd was de poenen tegen DE GROOT, by voorgaande
plakaat der Heeren Staaten Generaal gesteld, te bezwaaren; andere
steden voegden zig weder by _Amsteldam_; maar te vergeefsch, men
begeerde de zaak door te zetten, zo als zy van den beginnen af aan
opgenomen was geworden; het moest er nu meê door; men scheen te ver
gegaan te weezen om wedertekeeren; FREDRIK HENDRIK, "vond niet geraaden
tegen deezen stroom van sterke driften opteroeijen"; dus werd het
besluit, by meerderheid van stemmen, tot zyn nadeel genomen, gelyk wy
boven gezien hebben.
Ondertusschen werd zyn komst te _Amsteldam_ door de voornaamste Dichters
bezongen: de Heer HOOFT, vervaardigde een Dichtstukje, waarin hy van
onzen geleerden Held dus spreekt:
_O Blaakende vernuft, zo puur_
_Als 't rookelooze starrevuur,_
_Wanneer hem wolk noch schaduw let!_
_Gy stelt aan krygh en vreê de wet;_
_'t Wargaaren van 't gerecht gy schift;_
_Verlicht de duisternis der schrift;_
_De naamen die uw' lof verbreidt,_
_Vergoodt gy met onsterflykheit,_
_Oft eeuwelyk onzaaligh maakt,_
_De geene die uw' oordeel wraakt;_
_Baardt wonderwerk by wonderdaadt;_
_En altyds even zwanger gaat._
_Maar alle wond'ren streeft verby,_
_o Lief der deughde, dat, daar gy_
_Die groote wonderen bedryft,_
_Zoo kleen noch by u zelven blyft,_
_Dan, mits dat gy u dus verneêrt,_
_Houdt zich der Eng'len schaar vereert_
_Met zich te draagen onderdaan,_
_Aan u, en staâghs ten dienst te staan._
De groote VONDEL, die nooit zweeg, zweeg ook by deeze gelegenheid niet;
hy verwelkomende DE GROOT te _Amsteldam_, met deeze verzen:
_Wat zaelge wint is 't, die van 't Lelistrant,_
_Den stroom op, in 't ondankbre Vaderlant,_
_Hervoert het Delfsche wetorakel, dat_
_Gekoffert, als een kostelyken schat,_
_Wel eer de bange Maes afdryven quam,_
_Tot dat de sein het in haar armen nam,_
_En zette dat gebergde Gods kleinoot,_
_Met blydschap, op den koninglyken schoot_
_Des allerkristelyksten Luidewyks,_
_Die 't herberg schonk, tot glorie zynes Ryks;_
_Op dat het, na 't verstuiven van die wolk_
_Des druks, verscheen tot heil van 't vrye volk,_
_En 't misverstant, aenziende 's helts gedult_
_Hem weder eerde, en riep; het is myn schult, enz._
Ten blyke van de genegenheid die de wethouderschap der Stad _Amsteldam_
onzen DE GROOT toedroeg, verstrekt het geen wy aangetekend vinden,
naamlyk, dat hy, na zig omtrent drie maanden schuil gehouden te hebben,
de vryheid nam van openlyk langs de straaten te gaan; de kerklyke
vergadering der _Remonstranten_ by te woonen, en in de _Fransche Kerk_
te verschynen, niettegenstaande hy de straaten niet betreeden konde,
zonder een grooten toeloop van menschen, die hem eer beweezen en
beklaagden, waar uit te besluiten is dat het neemen van die vryheid, ter
ooren van de Regeering moet gekomen weezen; men verzekert evenwel dat
hem geen vrygelei gegeeven was geworden, hoe zeer anderen zulks ook
voorgaven; 't kan zyn dat het niet uitdrukkelyk geschied zy, echter is
het wel waarschynelyk dat onze Held de gemelde vryheid niet genomen zal
hebben zonder te weeten, dat de Wethouderschap den Hoofdofficier, en
door hem den Onderschouten, heimelyk gelast had, niets tot zyn nadeel te
onderneemen, want die last was door de Heeren Burgemeesteren gegeeven
geworden.
Zy die hem genegen waren, zaten ondertusschen niet stil, met hunne
pogingen aantewenden, om hem een gerust en vreedzaam verblyf in den
Lande te bezorgen; men vorderde van hem dat hy daartoe een
verzoekschrift zou opstellen, 't welk hy echter onwillens deed; maar men
oordeelde dat hy zig daarin veel te fier uitdrukte, 't geen een gevolg
was van zyn gevoelen wegens zig zelven; hy wilde met zyne partyen gaarne
bevredigen, maar alles wat slechts eenigzins naar belydenis van schuld
zweemde, hoe ingewikkeld ook, of de minste gunstvorderende uitdrukking,
was voor zyne waarlyk verhevene ziel onverdraagelyk; zyn verzoekschrift,
bovengemeld, werd dan afgekeurd en een ander opgesteld, doch dit
weigerde hy te tekenen, ronduit verklaarende, _dat hy geen pardon,
hoegenaamd, begeerde, maar wel vergeeven wilde den geenen, die hem
misdaan hadden_: na men langen tyd over zyn te houden gedrag geraadpleegd,
en elkanders gedachten onderling medegedeeld had, nam onze HUGO een
onverzettelyk besluit om het vaderland te verlaaten: begeerende dat het
ook niet zyn koud gebeente toevertrouwd zou worden; men poogde hem van
dat voorneemen aftebrengen, maar te vergeefsch, hy ging te scheep naar
_Hamburg_, waardoor hy zyne vyanden verheugde, doch zyne vrienden nog
veel meer bedroefde, vooral die geenen van hun, welken de hoop op eene
volkomene bevrediging nog niet geheel opgegeeven hadden; en waarin zy
versterkt werden door de betuiging van Prins FREDRIK HENDRIK, dat hy,
ingeval DE GROOT, door een request te presenteeren, zyne zaak eene
andere gedaante geeven, en zyne vrye inwooning verzoeken wilde, hy in
zulk een geval de hand aan zyne zaak houden, en alles ten zynen besten
zoude helpen bestuuren.
Te _Hamburg_ werd onze Held, met alle minzaamheid en hoogachting
ontvangen, ja veelëer, volgends zyn eigen schryven, als een staatelyken
Afgezant, dan als een verdreeven balling; hier voegde zyne Echtgenoote,
die zig eenigen tyd elders opgehouden had, zig weder by hem, en HUGO,
leide in het byzyn van haar, en zyn verder gezin, als mede onder het
onvermoeid navorschen en beoefenen der weetenschappen, een leven, zo
gelukkig als een man in zyn omstandigheid zou hebben kunnen leiden.
Eenigen tyd daarna werd hy, ('t geen reeds meermaalen geschied was, doch
nu ernstiger dan voorheen) aangezocht, van GUSTAAF ADOLF, Koning van
_Zweeden_, om in deszelfs dienst over te gaan; deeze Vorst was wegens
zyne geleerdheid, en doordringend oordeel, bekwaam om de zonderlinge
gaaven van den grooten HUGO, op haare rechte waarde te schatten; het
boek van onzen Held, over 't recht des oorlogs en des vredes, had zyne
Majesteit zig zeer ten nutten weeten te maaken, waarom zyne achting voor
het zelve ook zo groot was, dat hy het, ten dienste zyner onderdaanen,
in de _Zweedsche taale_ liet overzetten: DE GROOT werd, tot vreugd van
zyne vrienden, door den dood zyner Majesteit, die op het bed van eer
stierf, verhinderd, in het handelen over deezen overgang in _zweedschen
dienst_, maar zyne hoop op eene aanzienlyke verbindenis werd by het
leven behouden, door andere Mogendheden die hem, by aanhoudendheid,
aanzoeken van dien aart bleeven doen; de Koning van _Deenemarken_
verzocht hem te _Glukstad_ te willen komen, om hem in persoon te
spreeken, aan welk verzoek onze Held voldeed, en, ter gezegde plaatze,
door zyne _Deensche Majesteit_, met zonderlinge blyken van gunst en
genegenheid, ontvangen werd;--intusschen wees DE GROOT alle aanzoeken
van dien aart vriendlyk van de hand, het welk 't _Zweedsche Hof_ weder
gelegenheid gaf om het meer dan eens hervatte verzoek te vernieuwen, 't
geen AXEL OXENSTIERN, groot Cancelier van dat Ryk, dien benevens nog
drie andere Raaden, 't Staatsroer was toebetrouwd, ter oorzaake van de
minderjarigheid van Koninginne CHRISTINA, op zig nam, en daarover, in
het begin des jaars 1633 aan den geleerden HUGO schreef: "Kan UE," dus
drukte OXENSTIERN zig in dien brief uit,
"zyne studien zo veel tyds onttrekken, dat gy my in dit gewest komt
bezoeken, zyt verzekert, dat UE. my den aangenaamsten dienst zult
doen, dien ik, zo ik niet anders vermag, ten minsten zo hoog zal
achten en erkennen, dat ge over de moeijelykheid uwer reize niets te
klaagen zult hebben, en in der daad bevinden, dat ik de ongemakken
uwer ballingschap heb getracht te verlichten. Meer mag ik voor
deezen tyd niet schryven", enz:
--zeide de beroemde VONDEL niet te recht van onzen HUGO:
_Hoe zou de duisternis dit Hollandsch licht gedoogen,_
_Dat al te hemels scheen in aller blinden oogen!_
_Het ging een wyle schuil, om klaarder op te gaan:_
_Wy haaten 't groote licht, een ander bidt het aan._
Onze Held dit dringende aanzoek, dat waarschynelyk verscheidene keeren
hervat zal weezen, overweegende, en begrypende dat de hoop om voor eerst
in zyn vaderland een gerust verblyf te zullen vinden, op een zeer
zwakken grond steunde, besloot het oor te leenen aan de begeerte van
_Oxenstiern_; vertrok in de Maand Mei des jaars 1634 van _Hamburg_ naar
_Zweeden_ alwaar hy met de uitsteekendste blyken van eere en gunst
ontvangen werd.
Men begrypt ligtlyk dat men zo veel moeite om DE GROOT derwaards te doen
trekken niet gedaan had, alleenlyk om in hem een voorwerp van verwondering
te kunnen hebben; geenzins, het welzyn van 't Ryk was de voornaamste
dryfveer dier aanzoeken, dit toonde men ook wel rasch, want onze HUGO
werd vereerd met de waardigheid van _Zweedsche Afgezant_ aan 't Hof van
_Frankryk_, benevens die van Staadsraad des _Zweedschen Ryks_; de eerste
op een jaarwedde van 15000 en de andere op eene van 5000 guldens: in 't
begin des volgenden jaars, (1635) vertrok hy van _Mentz_ naar _Parys_,
en verscheen nu andermaal aan het Hof van LODEWYK DEN DERTIENDEN,
trouwens in zeer verschillende omstandigheden, thans ten hoogsten
aanzienlyk, niet zo zeer door den luister zyns Gezantschaps, als wel
door den roem zyner geleerdheid, en zyner deugden: ondertusschen lieten
zyne vyanden nog niet af hem te vervolgen, aan 't _Fransche Hof_, alle
pogingen aantewenden, om te beletten, dat door DE GROOT toetelaaten, in
de gezegde waardigheid, zyn voorgaand gedrag, waarom hy zo veel geleeden
had, niet gerechtveerdigd werd; men begreep zeer wel dat als HUGO
braafheids genoeg bezat, om als _Zweedsch Afgezant_ aan 't Hof van
_Frankryk_ geduld te worden, dat hy dan onmogelyk een man kon weezen,
schuldig genoeg om als balling buiten zyn Vaderland te moeten zwerven;
evenwel was alles te vergeefsch, en DE GROOT had reden te zeggen:
Al scherpt de magre Twist haar tand,
God slaat haar voor my neêr met schand.
Ons voorneemen en bestek laaten niet toe ons breedvoerig over zyne
verrichtingen als Afgezant uittelaaten, alleenlyk kunnen wy desaangaande
zeggen, dat hy veele wederwaardigheden te boven te komen had, echter in
't _Fransche Ryk_ leefde, zo aangenaam by den geenen aan welken, als by
hun van welken hy gezonden was; zynen tyd bestedede hy grootendeels in
de bezigheden zyns Gezantschaps, gedeeltelyk ook in zyne studien, maar
ook gedeeltelyk met de bezoeken en aanspraaken der geenen, die van alle
kanten als zamenvloeiden om hem te zien, en met hem te raade te gaan:
voor allen, zegt zeker schryver, stond zyn deur, voor alle zyn tafel,
voor allen zyn dienst open, zelfs zonderde hy daarvan niet uit, die
geenen, wier ouders, na hem tallooze ongelyken aangedaan te hebben,
oorzaak van zyne gevangenis en ballingschap geweest waren.