_Lief, hoe komt het in uw' zin?_

_Ik leggen in die Kist! pas half kan ik 'er in;_

_Een derde is zy te kort, ook zoude ik moeten smooren,_

_Hier is geene opning, waar door lucht zou kunnen booren._

Dus laat de meergemelde Dichter, DUIM, hem, in dit tydsgewricht,

spreeken: indien alles was, gelyk het moest weezen, was het antwoord der

schrandere vrouwe, dan zou men te eerder achterdocht opvatten: om kort

te gaan, men besloot te beproeven, of het koffer groot genoeg was; en,

bevonden hebbende dat de Gevangene

"'er ter naauwer nood, niet uitgestrekt of in de lengte, maar

gekromd en in bochten, in liggen konde, bezocht men daarna, of hy,

in die benaauwdheid liggende, zyn adem kon scheppen, en hoe lange hy

't, in gevalle van stilte of tegenwind, daarin zou kunnen uithouden.

Vervolgens beval hy zyne huisvrouw, eenigen tyd op de kist te gaan

zitten, om te zien of hy, als 'er onderwegen by geval iemand op ging

zitten, zulks zoude konnen verdraagen:"

een uurs zandlooper, schryft men elders, liet zy tweemaal uitloopen,

hangende haare klederen voor 't sleutelgat;

"zy, merkende onder het zitten op de kist, dat haar man zig nu en

dan verroerde, en zyne beenen optrok of uitstrekte, waarschouwde

hem, dat zy zulks kon voelen. Na dat men dit alles verscheidene

maalen in 't heimelyk, zonder weeten van Knecht of Dienstmaagd,

beproefd, en naar wensch bevonden had, besloot men de zaak, in Gods

naam, te waagen:"

WILLEM en ELSJE werd nu den aanslag ontdekt, die beiden hunne hulp van

harten toezeiden: by DAATSELAAR was de noodige voorzorg gebruikt, en de

huisvrouw van PROUNINK, was, door haar, geduurende eenigen tyd, eene en

andere kleinigheden te schenken, ingenomen; want men nam de gelegenheid

waar, dat PROUNINK zelf, naar _Heusden_ vertrokken was, om de Compagnie,

waarover hy tot Capitein aangesteld was geworden, te ontvangen, dus men

alleenlyk de toestemming van deszelfs vrouw noodig had, om het koffer,

naar gewoonte, te doen scheep brengen.

Alles dus voorbereid zynde, verscheen den bepaalden dag, (22, BRAND zegt

13 Maart 1621); de groote HUGO vleide zig neder in het koffer, en begaf

zig dus uit de eene gevangenis, in eene nog veel engere, om door dat

middel, de vryheid, die natuurlyke schat van den mensch, hem te

jammerlyk ontnomen, weder te krygen: een nieuw Testament verstrekte hem

ten hoofdkussen, en dus kan men zeggen, dat HUGO zyn hoofd gerust op

GOD's woord nederleide; ook had hy niet te vergeefsch op zyn' Schepper

vertrouwd: met het aanbreeken van den dag, waarop de geoorloofde list in

't werk gesteld zou worden, viel hy op zyne kniën, en bad, dat de

Almagtige zynen toeleg wilde zegenen: de verhooring van zyne bede was by

GOD bepaald; het koffer werd, na ontvangen verlof, met behulp van eenige

der wachten, aan boord gebragt, echter niet zonder groot gevaar voor den

benaauwden HUGO, van ontdekt te zullen worden; ELSJE had de zorg op zig

genomen, om met de kleine gevangenis over te steeken, en stapte

derhalven kloekmoedig mede op 't schip: zie daar onze Held ten deele

verlost: men begrype wat 'er in 't hart van de edele REIGERSBERGEN moet

omgegaan weezen: treffend was haar gedrag, na zy de nieuwe gevangenis

van haaren beminden HUGO geslooten had: hoor de bovengeroemde

onvergelykelyke Dichteres dat gedrag verhaalen:

_ô Weêrgaêlooze vrouw! 'k denk nooit aan uw bestaan,_

_Dan met een kloppend hart: hoe menig stille traan_

_Heb ik om u geweend, geroerd door mededogen......_

_Gy knielt ter neêr, gy kust het slot,_

_Beveelt, al schreiende, uwen God,_

_Uw lieven Grotius,--wiens ziel blyft onbewogen?_[6]

De groote _Agrippyner_ heeft mede niet vergeeten, dat edele voorwerp te

vereeuwigen; dus zingt hy in een Dichtstukje, ten tytel voerende, HUGO

DE GROOTS _verlossing, aan Mevrouw_ MARIA VAN REIGERSBERGH:

_Een vrouw is duizent mannen t' erg._

_O eeuwige eer van Reigersbergh,_

_De volgende eeuwen zullen spreeken_

_Hoe gy den haet hebt uitgestreken:_

_Na datge op 't droef gevangenhuis._

_Gelyk Marye neffens 't kruis,_

_Uw Bruigom, onder moordenaaren_

_Gerekent, trooste heele jaaren:_

_Zoo liet de trouwe Michol eer,_

_Haer' liefsten schat met koorden neer,_

_Toen Sauls zweerden hem bezetten,_

_Gelyk de Jagers 't hart met netten._

_Aldus werd Lynceus ook gered_

_In zyn belegert bruiloftsbed,_

_Toen zo veel ledekanten smoorden,_

_In 't gruwlyk bloet der mannemoorden._

Dezelfde Prins der _Nederlandsche Dichteren_, maakte op de vlucht van

onzen Held, het volgende geestig dichtje:

_Twee kisten bergden Huig de Groot,_

_d'Een levendig, maer d'andre doot_.

Had Mevrouw VAN REIGERSBERGEN zig kloekmoedig gedraagen, niets minder

kan van het trouwhartige ELSJE gezegd worden: verscheidene zwaarigheden,

die allen den aanslag zouden hebben kunnen doen mislukken, zo wel by 't

inscheepen, staande den overtogt, als by het overbrengen van den

dierbaaren vracht, uit het schip naar het huis van DAATSELAAR, had zy te

boven te komen; in alles gedroeg zy zig zo schrander als onverschrokken,

en ten loon daar voor smaakte zy het genoegen, van haaren Heer weder in

genoegzaame vyligheid te mogen zien.

[Afbeelding: _Afbeelding (in twee Plaaten) van een KOFFER, waar mede

HUGO de GROOT van Loevestein naar Gorinchem, volgends alöude

Overleveringen zou zijn Getransporteerd, in den toestand zo als dezelve

thans binnen Amsteldam, berustende is, onder den Heer Mr JACOB

KLINKHAMER, die de Aftekening daar van, op gedaan versoek, heeft

toegestaan, in de maand December des Jaars 1783_.

_J.C. Schultsz, del. 1783._ _J.B. Elwe, Excudit._ _C. Philips, Jz. fecit._]

[Afbeelding: _J.C. Schultz, del. 1784._ _C. Philips, Jz. fecit._]

Wat betreft het koffer, waarin onze Held zyne gevangenis ontkomen was,

en welke de Lezer op de nevensstaande plaaten, zeer uitvoerig vertoont

wordt; de Heer, Mr. JACOB KLINKHAMER, vleit zig dezelve te bezitten, en

het is met Zyn Ed. gunstige toestemming, dat de Kunstschilder J.C.

SCHULTZ, daarvan twee juiste aftekeningen vervaardigd heeft: de Heer

J.C. PHILIPS, door wiens bekwaame hand de gezegde tekeningen in 't koper

gebragt zyn, heeft ons de volgende beschryving daarvan medegedeeld.

"Het koffer is gemaakt van boekenhout; heeft een boogswys dekzel,

zynde van buiten geheel overtrokken met dun zwart leder, en

beslagen met eene menigte van dunne, smalle, eizerene banden: de

sluiting bestaat in twee binnensloten, en één buiten- of hang-slot.

"Van binnen is het koffer met wit linnen bekleed, zynde het zelve,

naar gewoonte, aan het dekzel, met elkander kruissende linten

belegd.

"Men ziet dat de tyd, en het gebruik, of herhaalde overvoeringen,

het een en ander merkelyk beschadigd hebben; veelen der eizerene

banden zyn geheel of gedeeltelyk weg; doch men kan derzelver

plaatsen, door een roestige vlek, meer of min gewaar worden: van

het bekleedzel, zo wel binnen als buiten, zyn hier en daar geheele

lappen uitgevallen.

"De rand van het dekzel is aan den voorkant, byna in 't midden,

(mogelyk door toeval,) sterk voorwaards gebogen, en steekt daar ter

plaatse wel een duim breed over; zo dat men 'er 't hangslot niet

heeft kunnen aandoen.

"In den bodem is een vry groote kwast uitgevallen; dus kon door

deze zo wel als door den afgebogen rand, luchts genoeg inkomen; te

meer daar de bodem des koffers niet vlak op den grond staat, als

hebbende onder een soort van slede, van byna twee duimen hoogte:"

----dit spreekt ons voorgaande verhaal wel niet volstrektlyk tegen, maar

evenwel kan het aanleiding tot bedenkingen geeven; wy laaten daaromtrent

ieder zyne vryheid, en den eigenaar van het _Vaderlandsche rariteit_ in

het onbetwiste bezit daar van.

"De lengte van het koffer is buitenswerks vyf voet en byna vier

duim:"

(by een ander vinden wy deze lengte bepaald op twee duim korter dan vier

voet:)

"de breedte is twee voet en ruim één duim; de hoogte tot op 't

midden van het dekzel, twee voet en ruim twee duim; alles

_Rhynlandsche maat_."

't Zal hier niet oneigen zyn den Lezer te doen hooren, hoe de groote

HUGO zelf, deze zyne gelukkige tweede gevangenis beschouwd heeft: hy

schreef in vervolg van tyd een aanspraak aan dezelve, in _Latynsche

verzen_, welken in de volgende _Nederduitsche_ vertolkt zyn:

_Zoete Schuilplaats, o voor korten tyd naauw huiske,_

_Dat myn bedrukte ziel, beslooten in uw kluiske,_

_Hebt vry gemaakt, en zo in open lucht gesteld_

_Uw lieve last, die, naauw gepakt, door sterk geweld_

_Van 't strenge Krygsvolk, werd allengskens uitgedraagen,_

_En eindlyk, als een pand, doch dat ze niet en zaagen,_

_Bevolen, op een schip, de Waals afloopend ty._

_o Kist, wat danks, wat lofs verdiend gy wel van my?_

_Gy hebt myn slaverny verjaagd en overstreden,_

_Die 'k zeeven maanden meer dan twee jaar heb geleden_

_Dat ik des hemels licht aanschouw met vry gelaat,_

_Dat my geen Slot meer plaagt, myn ooren niet meer slaat_

_Der grendelen geknars, en 't wreed gegraauw der wachten;_

_Maar mag gerust en vry, het bly gegroet verwachten,_

_Van vrienden, die gedoopt zyn in geleerdheids nat,_

_(Als Puteäan, Thuaan, wiens trouw geen weêrga had,_

_En dat geleerd verstand, Thilenus,) welker reden,_

_Den onverdrooten tyd my vrolyk doen besteeden._

_Dit al, en zo 'k nog meer geluks 't erdenken wist,_

_Dit moet ik u alleen, dank weeten, lieve Kist,_

_Doch wilde ik naar verdienste uw lof ten vollen roeren,_

_Ik hoefde zo veel schrifts als gy ooit plag te voeren._

Men zegt, (wy begeeren alles onpartydig aan te tekenen,) dat het koffer

nog lang by een' Heer van aanzien bewaard, en fraai beschilderd is

geweest, met het opschrift: _Dees kist heeft Loevestein den Huig

geligt_: daarmede komt overëen 't geen de Heer BRAND het koffer doet

zeggen:

_Wie heeft de vryheid meer verplicht?_

_'k Heb Loevestein den Huig geligt._

Hoe die Heer aan het koffer gekomen is, zegt zeker schryver, weet men

niet, maar wel dat het langen tyd door DE GROOT'S ouders, te _Delft_

bewaard, en naderhand ten huize van zyn' broeder WILLEM vermist is,

waarover onze HUGO groote spyt toonde te hebben.

Wat betreft het schilderen, waarvan wy boven spraken, 't zelve wordt

door ons koffer, volgends opgaaf van den Graveerder, geheel

onaanneemelyk, zo niet logenachtig gemaakt:--dezen dank heeft men ten

minsten aan den Heere Mr. KLINKHAMER, dat wy thans weeten dat men het

koffer, waarin de beroemde HUGO, uit het bange _Loevestein_ ontkomen is,

waarschynelyk nimmer geschilderd heeft:--laat ons thans tot het

hoofdvoorwerp onzer bemoeijingen wederkeeren.

Het ontbrak hem ten huize van DAATSELAAR, aan geene goede trouw en

hartlyken bystand; langen tyd aldaar te vertoeven was geheel ongeraaden,

en onvermomd zig voor het oog van ieder te vertoonen, was niet minder

gevaarlyk; men vond dan onderling goed, dat de edele vluchteling zig in

een metzelaars gewaad zou vermommen: zekeren metzelaar, JAN LAMBERTSZ,

werd de onderneeming toevertrouwd, en tot reisgezel van DE GROOT

verkoozen, van welken last de goede man zig ook zo kloekmoedig als

voorzichtig kweet; hy bezorgde den vluchteling het noodige gewaad, gaf

hem een metzelaars maatstok of rei in de handen, die, ter oorzaake van

derzelver blankheid, hier en daar met wat kalk besmeerd werden, en trok

met hem, des morgens, omtrent 11 uure, op weg; DE GROOT betuigde, in 't

uitgaan, _dat hy zeer ontsteld, was, en naauwlyks op zyn beenen staan

konde_; "want hy vreesde", voegt zeker schryver 'er by;

"dat hy, moetende voorby een' boekverkooper gaan, alwaar toen eenige

Predikanten en andere lieden, in 't voorhuis stonden, van den een of

den ander, gekend en verraaden mogt worden;"

doch men gaf hem moed, en zeide dat hy maar onbeschroomd voord moest

stappen.

Na veel sukkelens kwam hy te _Waalwyk_, alwaar hy slechts twee uuren

vertoefde; vervolgends op _Antwerpen_ reed, terwyl LAMBERTSZ te rug

keerde, en een bode van goede tyding werd: onze Held reed den gantschen

nacht door, en kwam, na eene en andere wederwaardigheid, behouden te

_Antwerpen_ aan; begeevende zig aldaar terstond naar het huis van den

geweezenen _Rotterdamschen Predikant_ GREVINKHOVEN, met wien hy welëer

als met eenen broeder verkeerd had.

Men kan ligtlyk begrypen hoe PROUNINK gesteld was, by de ondekking van

al het gebeurde: op zyn vraag aan Mevrouw DE GROOT, waar haar man was,

laat men die moedige Gemaalin antwoorden; _Myn vriend, dat vogeltje is u

ontvlogen, maar 't kooitje is 'er nog_; terstond valt hy met eenige

soldaaten in een; schuit vaart over naar _Gorkum_ en bewerkt dat het

huis van DAATZELAAR, schoon het reeds nacht geworden was, bezet werd;

doch deeze en ook alle andere poogingen om den vluchteling te ontdekken,

waren vruchtloos: op _Loevestein_ wedergekeerd zynde, deed hy ook aldaar

alle mogelyke navorschingen, dan men kon hem niet meer zeggen, als men

zelven wist. Het eerste gevolg van het manmoedig bedryf van Mevrouw DE

GROOT, was, dat zy, benevens haare dochter CORNELIA, omtrent veertien

dagen lang opgeslooten bleef, zelfs zonder dat de meid afkomen mogt om

spyzen gereed te maaken; "doch na drie dagen," dit vinden wy

aangetekend,

"ontving ze een tarwen koek op de tafel, en in dezelve zat een brief

verborgen, die haar kennis gaf van haar mans gelukkige aankomst te

_Antwerpen_; want onze DE GROOT, was geenzins in gebreken gebleeven,

van ten eersten zyn verblyf aan zyn ouden Vader, en aan zyne

gemeenzaamste vrienden in _Holland_ te berichten":

hy schreef ook aan zyne Excell. Prins MAURITS, die, toen hy hoorde op

welk eene wyze DE GROOT gevlucht was, van de moedige REIGERSBERGEN

zeide: _Ik dacht wel dat dat zwarte varken ons nog eens zou

bedriegen_[7]: "'t Is my leet", zeide hy in zynen brief aan dien grooten

oorlogsman,

"dat eenige persoonen my soo wangunstig syn, dat zy uwe Excelentie

hebben konnen beletten, soo goeden voornemen te effectueren; 't

welck my ten langen laetsten heeft doen denken op middelen om my

selven te helpen; 't welck ik vertrouwe dat uwe Excellentie my niet

anders als wel sal afnemen; considererende hoe natuurlyck alle

menschen, jaa selfs den beesten is, de lust tot vryheit."

Voords verzocht hy, zyne getrouwe diensten te gedenken, als mede wie de

vader was geweest van zyne huisvrouw, by welke hy vyf kinderen had,

ontbloot van 's vaders goederen, staat en winsten; en hoopende, dat zyn

Excell. niet zou gedoogen, dat zyn voorsz. huisvrouw en kinderen eenige

verdere bezwaarenissen werden aangedaan: niet minder hartlyk schreef hy

aan Prins HENDRIK, en aan hunne Hoog. Mogende, de Heeren Staaten

Generaal; aan welken hy onder anderen zeide:

"Het valt my wel hardt, myne Heeren, dat ik soo veel tegens myne

vryheit en in myne goederen heb moeten lyden, en nog lyden moet, wel

verzekert zynde in myn conscientie, dat ik, na de kennis die ik van

de zaken gehadt heb, goede advysen en raedt gegeven heb tot slissing

van de zwaarigheden, ontstaan voor en al eer ik tot den dienst ben

beroepen geweest, altyt vertoonende alle getrouwigheid tegen myne

Meesters de Magistraat van _Rotterdam_, en de gehoorsaamheit aan

myne Heeren de Staten van Hollandt en Westvrieslandt. Maer al het

quaet dat my aangedaan is, en nog zou mogen aengedaen worden, zal my

nimmermeer afkeeren van de liefde, die ik altyt hebbe gedragen, en

naer myn klein vermogen betuigt tot myn Vaderlandt, voor welkers

vryheit, rust en voorspoedt, ik den Almogenden altyts bidden zal, en

dat tot dien einde 't Hem gelieve," enz.

--deeze betuiging omtrent de liefde voor zyn vaderland, heeft hy ook met

'er daad bevestigd; want aangaande zyn verblyf te _Parys_, leezen wy,

dat hy altoos eene byzondere drift toonde,

"om synen Vaderlande en syne Landsluyden, wanneerse yets aen dat

Hof te doen hadden, met raedt en daedt, en door de gunst die hy hadt

by eenighe van 's Koningks Bewintsluyden te dienen en hunne

belanghen, te bevorderen; hoewel hem niet onbekendt was, dat sy, die

in dat Ryk de saeken der Algemeene Staeten waernaemen, geen dingh

onbesogt lieten, om 't hart des Konings teeghen hem te verbitteren:

maar",

voegt deeze schryver 'er by,

"vergeefs was al hunnen arbeydt by eenen Prins, ten vollen

onderricht van alles wat 'er in de Jaeren 1618 en 1619, in Hollandt

was omgegaen: Jae ook zelfs verhaelt men, dat hy sich verwonderde

over de deught van dien man, die, soo quaelyk in syn Vaederlandt

gehandelt zynde, echter niet afliet van het te begunstighen en de

onderdaenen syne genegenheit te bewysen, en ook zelfs op allerhande

wysen, hem mooghelyk, wel te doen:"

--LODEWYK moge zig daerover verwonderd hebben, 't komt ons echter

voor dat het niet zeer te bewonderen is, dat een man als onze HUGO, zo

edel van ziel, en zo doorgeoefend van verstand, schootvry geweest is

voor de aanvallen der wraak.

Zo dra zyne vrienden vernamen, dat hy zig te _Antwerpen_ bevond, gingen

eenigen derzelven hem wel rasch bezoeken; ook werd hy van de voornaamste

mannen in geleerdheid dagelyks in geschrifte begroet, over zyne ontkoming:

onder die allen muntte uit, de beruchte _Leuvensche Hoog-Leeraar_, ERYCIUS

PUTEANUS: "Laet ze zich alle vry verwonderen," dus schreef deeze aan den

edelen vluchteling, volgends de vertaaling van K. BRAND:

"DE GROOT was niet geheel in de kist: in de kist was 't lichaam, in

't schip de kist, in den stroom 't schip; en in dit alles en buiten

dit alles scheent gy my te zyn; gy hadt de geheele werelt vervult.

Uw lichaam kon dan in den kerker bewaart worden, uw verstandt

niet."--"Laet zich derhalven anderen beklaegen,"

dus luidt een verder gedeelte van dien brief,

"dat ze nae geleden schipbreuk naekt en bloot bleven zitten, en

hunne goederen verlooren hadden, gy hebt by u zelven alle goederen,

geen roof of geweldt onderworpen. Gy zyt GROTIUS, gy zyt groot, en

dat 's genoeg, om u te doen verstaan dat u niets ontbreekt":

--Krachtig drukte de geleerde man zig uit over den aart eener Republiek,

en vooral over den toenmaaligen toestand van de onze, wy zwygen van den

tegenwoordigen toestand derzelve: "Al de outheit", zeide hy,

"roept, _laat 'er een Heer, laet 'er een Koning zyn_: immers uw

ongeluk roept ons toe, dat 'er geen staet van menschen buiten gevaer

is, daer 't volk gaende wordt; geen haven zonder schipbreuk; daer

alle goddelyke en menschelyke zaeken over hoop storten; wat is daer

toorn? wat is daer haet? waer is daer rust of heil? Zoo veel waters

als 'er is, zoo veel viers en brants is 'er overal. Ik zou wel

zeggen, dat die zee door de helsche Geesten aen brandt is geraekt".

DE GROOT, liet niet na deezen brief te beantwoorden[8], en in dat zyn

antwoord te toonen dat de Hoogleeraar niet ten onrechte van hem gezegd

had, _gy zyt groot!_ "Wie," zeide hy,

"kon vryheit hoopen uit een engen kerker; of 't scheppen der open

lucht, uit eene benautheit, die naulyks een luchje voor d'ademende

ziele wou doorlaeten?"

--Van zyne Gemaalinne spreekende, zeide hy:

"Zy alleenlyk kennis hebbende dat ik was uitgedraegen, en den

uitslag, die nog onzeker was, met beangsten gemoede overleggende,

deedt een wensch, die niemant verwacht zou hebben van een Egaa, die

haren man op 't hertelykst bemint, dat haer man op 't verste van

haer mogt zyn. My, toen eerst verstaende van hoedanig een vrouw ik

was gescheiden, viel haer afzyn zoo lastig, dat ik my liever wederom

in de gevankenis had begeven, dan haer lang te missen."

--Moedig bepleitte hy de eer van zyn vaderland, tegen het boven

bygebragte zeggen van den Hoogleeraar, daar op betrekkelyk: "Ook mag

het," zeide hy,

"den Vaderlande niet geweten worden, 't geen in 't Vaderlandt

geschiedt. De dertig Tyrannen waren Athenen niet,--Cicero achtte de

geenen, die zyn huis onder de voet geworpen, en hem des levens

onwaerdig verklaert hadden, niet het volk van Rome, maar 't schuim

des volks te zyn."

--Het zeggen van AUGUSTUS: _Die den tegenwoordigen staat der regeeringe

niet wil veranderen, is een eerlyk man en goed burger tevens_, oordeelde

hy eenen CATO waardig te weezen:--om reden wederhouden wy ons, anders

zoude het hier de plaats zyn iets op onze tegenwoordige

staatsgesteldheid aantemerken.

Lieten de Geleerden onzen held niet onbegroet, de Dichters waren niet

minder yverig, om zyne zonderlinge ontkoming, in hunne verzen te

vereeuwigen: een Dichtstukje, dat op 's mans afbeelding vervaardigd

werd, sluit dus aartig:

_De morrende Soldaat was vol van achterdocht,_

_Of 't niet wat anders was dat hy ter schepen brocht;_

_En of hy zelfs den Heer, om veylig heen te varen,_

_Niet uit het Fort en droeg, daar hy hem moest bewaren,_

_Hy brengt hem evenwel ter ysre deuren uit,_

_Daar men den kerker toe, en hem daar buiten sluit:_

_De stroom-goon haasten haar, om hem de lucht te geeven,_

_De Maas en Waal, tezaam ten Merwen afgedreven,_

_Geleyden haare vracht tot binnen Arkels stad;_

_Daar ging den Hemel op voor die in 't koffer zat._

Onder anderen kwam ook in 't licht de volgende regelen, by wyze van een

antwoord van de kloekmoedige MARIA, aan den misnoegden Commandeur van

_Loevestein_:

_Vrouw _REYGERSBERG_ spreek tot den Kastelyn,_

_De Slotvoogt van het sterke _Loevestein_,_

_Wat hebt gy (zeg toch) over my te klaagen_

_Dat ik myn man' heb uit het fort doen dragen?_

_Bemint my eer, als dat gy my beticht,_

_Gy had de _HUICH_, en die heb ik geligt._

Het slot van dit dichtstukje, komt zeer wel overëen met het tweeregelig

versje van BRAND, door ons Bladz. 74 opgegeeven.--Den vyfden dag na zyne

aankomst te _Antwerpen_, verzocht de Heer D. KEMPENAAR, hem, dat hy iets

in zyn stamboek geliefde te schryven, gelyk hy deed, in vier _Latynsche

regels_, welken aldus vertaald zyn:

_Die uit hun moeders buik, als uit een _kerker_ komen,_

_Wier ziel in 't leven van 's lyfs _kerker_ wordt bewaard,_

_En wachten na hun dood tot _kerkerplaatze_ de Aard,_

_Die moeten niet te zeer voor boei, of _kerker_ schroomen._

Na den raad zyner goede vrienden ingenomen te hebben, verkoos hy _Parys_

tot zyn verblyf, alwaar hy door de voornaamste Raaden des Konings, en

vervolgends ook door zyne Majesteit zelve, met de uiterste vriendschap

en blyken van toegenegenheid ontvangen werd: dit gaf aanleiding tot

verscheidene valsche geruchten, onder anderen ook dat hy den _Roomschen

Godsdienst_ stond aan te neemen, waartegen hy verzekerde, dat hy zig

hield aan die kerk, waarvan hy vóór zyne gevangenis een lid geweest was;

betuigende ondertusschen, dat hy de _Roomsche leer_ omhelzende, in

_Frankryk_; grootere amten en waardigheden zou kunnen deelachtig worden,

dan in zyn vaderland.

De rust welke onze Held nu genoot, maakte hy zig ten nutte, en begaf

zig, met vernieuwden lust, aan de studie: reeds op den derden dag na

zyne aankomst aldaar, bezat hy bedaardheid van geest genoeg, om zyne

onvoorbeeldige Gemaalinne, zyne overkomst, in versmaat, bekend te

maaken; in dit zoetvloeijend dichtstuk, waarin het hart alleen spreekt,

drukte de groote Letterheld zig dus uit:

Maar ghy Regeerders 's Lands, wat roem meent ghy te dragen,

Dat ghy bestaat een vrouw, en sulken vrouw te plagen?

Daer sullen rechters syn, die tusschen u en haer

Recht sullen spreecken nu, en noch nae hondert jaer;

Niet vier-en-twintig, niet eenzydelyk verkooren,

Maer honderd duysenden en hoogh en laegh gebooren;

Die sullen, u ter schandt, en haer ter eer verstaen,

Dat ghy seer qualyk hebt, en sy seer wel gedaen.

Het eerste zyner werken, dat hy, na 't verkrygen van zyne vryheid in 't

licht gaf, was zyne verantwoording van de wettige regeering van

_Holland_: zie hier, hoe zeker schryver, van dit werk spreekende, zig

uitdrukt:

Het leven van Hugo de Groot · 第 3 / 7 段