„Ongeveer vijftig!” antwoordde Pescadospunt. „Eerder meer, dan minder,

heer dokter.”

„Duivels!” herhaalde Luigi, en monsterde met de oogen zijne

manschappen.

„Wat geeft dat?” vroeg Piet minachtend.

Dat laatste was zeer luchtig uitgesproken; maar men kon het zich niet

ontveinzen, de toestand van den dokter met zijn kleinen hoop, die

slechts uit elf zeelieden bestond, waarbij hij gerekend moest worden en

Luigi Ferrato, en Piet Bathory, en Kaap Matifou, en Pescadospunt.

Zestien man in het geheel tegen vijftig! Voorwaar, dat was netelig. In

ieder geval moest er een besluit genomen worden en spoedig ook; want de

aanval, die verwacht werd, kon ieder oogenblik geschieden. Talmen was

hier niet geoorloofd. Een ieder moest stipt weten, wat hem te doen

stond. Evenwel alvorens te beslissen, wenschte dokter Antekirrt van

Pescadospunt alles te vernemen, wat voorgevallen was, en ziehier, wat

hij te weten kreeg:

Zirone was dienzelfden ochtend van Catania weergekeerd. Hij had daar

den nacht doorgebracht en hij was het, dien de dokter in de tuinen van

de villa Bellini had zien rondslenteren en bespieden. Toen hij in het

moordhol van Santa Grotta weergekeerd was, vond hij daar een

bergbewoner, die hem het bericht bracht, dat een twaalftal manschappen,

die uit verschillende richtingen aangekomen waren, de Casa Inglese

bezet hadden.

Voor Zirone was waarlijk niet meer noodig om den toestand te begrijpen.

Hij was het niet, die dokter Antekirrt in een valstrik lokte; maar het

was die man, waarvoor men hem gewaarschuwd had, voor wien hij zich te

wachten had, welke er hem een spande. Dat was volgens hem duidelijk

genoeg en aan geen twijfel meer onderhevig. Pescadospunt drong er

evenwel op aan, dat Zirone de Casa Inglese zou aantasten. Hij

verzekerde hem dat, al was het bericht, hetwelk hij ontvangen had, ook

al juist, zijne Maltezers spoedig met het troepje van den dokter klaar

zouden komen. Maar Zirone bleef besluiteloos, omtrent hetgeen hem te

doen stond. Zelfs begon hem de aandrang, die Pescadospunt thans

trachtte uit te oefenen, zonderling voor te komen, en zelfs zoo, dat

hij bevelen gaf om dezen laatste in het geheim, maar toch nauwlettend

gade te slaan. Onze grappenmaker bespeurde dat evenwel al heel spoedig.

Hij was waarlijk te schrander, om niet te bemerken, dat hij te ver

gegaan was, dat de toestand zich gewijzigd had.

Om kort te gaan, Zirone zou waarschijnlijk bij zulke onzekere kansen er

van af gezien hebben, om te trachten dokter Antekirrt in handen te

krijgen, wanneer zijne bende zich niet zoo omstreeks drie uren in den

namiddag bij hem vervoegd had. Toen met eene macht van ruim vijftig

manschappen onder zijne bevelen, aarzelde hij niet meer. Hij verliet de

herberg La Santa Grotta met zijn geheele troep en richtte zijne

schreden naar de Casa Inglese; maar hield zich daarbij ver van de

gebaande wegen en trok de wildernis door.

Hij wachtte dus totdat de bende van Zirone in het gezicht van de Casa

Inglese, welker juiste ligging hij niet kende, gekomen was. Het licht

dat door de vensterluiken scheen, veroorloofde hem eindelijk om haar te

ontwaren, zoo omstreeks half tien in den avond, op minder dan twee

mijlen afstands op de helling van den kegelberg. Pescadospunt sprong

toen in de richting vooruit. Zirone zond hem een geweerschot achterna,

hetzelfde dat in de Casa Inglese waargenomen werd, maar wat hem niet

trof. Met zijne clownsvlugheid was hij weldra buiten bereik, en

ziedaar, hoe hij in de Casa Inglese aangekomen was, terwijl hij den

aanvallenden troep van Zirone slechts twintig minuten vooruit was.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, bedankte de dokter met een innigen

handdruk den koenen en schranderen kerel, over hetgeen hij ten uitvoer

gelegd had. En dat hij dien dank ten volle verdiend had, begrepen alle

aanwezigen.

Daarna besprak men hetgeen gedaan moest worden. De toestand was thans

ernstig genoeg.

De Casa Inglese verlaten en te midden van den nacht den terugtocht

ondernemen langs de hellingen van dat woeste bergstelsel, waarvan

Zirone en zijne lieden al de paden, al de schuilhoeken, al de

moeielijke doorgangen kenden, daaraan viel niet te denken. Dat zou zich

aan eene totale vernietiging blootstellen zijn. Het zou honderd malen

beter zijn, in dat huis den dag af te wachten, zich daarin te

verschansen, en er zich als in een blokhuis te verdedigen, wanneer men

mocht aangevallen worden.

Als de dag aangebroken zoude zijn en de gelegenheid zich zoude voordoen

om af te kunnen trekken, dan zou men het ten minste in het volle licht

doen en men zou zich niet blindelings te midden der afgronden, der

solfatara’s en der fumarola’s op die scherpe hellingen begeven, die bij

het nachtelijke duister slechts de gevaren vermeerderden en de kansen

tot verdwalen verdriedubbelden.

Men zou dus blijven en weerstand bieden, dat was het genomen besluit.

En daaraan hield men zich.

De verdedigingsvoorbereidingen werden dadelijk getroffen en

onmiddellijk ten uitvoer gelegd.

Eerst werden de beide vensterluiken van de Casa Inglese gesloten en de

blinden daarvan binnen behoorlijk bevestigd. Als schietgaten werden de

openingen benuttigd, welke tusschen de dakregels, bij hunne steunpunten

op den voorgevel van het gebouw, gevormd werden. Daartoe eigenden zich

die voortreffelijk en hadden het voordeel niet in het oog te vallen.

Ieder man was voorzien van een achterlaadgeweer en had een twintigtal

patronen in een daarvoor bestemden zak in voorraad. Dokter Antekirrt,

Piet Bathory en Luigi Ferrato waren daarenboven in het bezit van

revolverpistolen en konden hulp verleenen, waar die noodig zoude zijn.

Daartoe zouden zij zich echter evenwel in de onmiddellijke nabijheid

der strijdenden ophouden.

Kaap Matifou had slechts zijne armen ter zijner beschikking en

Pescadospunt slechts zijne handen. Wellicht waren zij niet het

slechtste gewapend! Want met die armen en handen wisten die kerels

voorbeeldeloos om te gaan.

Ongeveer veertig minuten gingen in spanning voorbij, zonder dat er eene

poging van aanval vernomen was.

Zou Zirone, die begreep, dat dokter Antekirrt, door Pescadospunt

verwittigd, zich niet zou laten overvallen, van zijne aanvalsplannen

afgezien hebben?

Evenwel met vijftig manschappen onder zijne bevelen, met zijne kennis

van het omliggend terrein, kon van aarzelen geen sprake zijn. Te veel

voordeelen waren aan zijn kant, om de onderneming op te geven. Daarbij

de gedachte aan de millioenen van den dokter belette hem een geregeld

nadenken.

Tegen elf uren ongeveer stoof de zeeman, die buiten op schildwacht

stond, plotseling naar binnen.

Een troep mannen naderde, terwijl zij zich in drie gedeelten

verspreidden, met het doel om de Casa Inglese langs de drie genaakbare

zijden te omsingelen. De vierde was geheel ongenaakbaar, daar zij tegen

de zeer steile hellingen van den krater steunde en derhalve langs dien

kant eene ontsnapping onmogelijk was.

Toen de beweging van den vijandelijken troep verkend was door de

verdedigers, ging men weer naar binnen, en barricadeerde men behoorlijk

de deur. Daarna begaf een ieder zich op zijn post achter de

schietgaten, en bekwam de noodzakelijke aanbeveling: niet te vuren, dan

bij voldoende zekerheid te zullen treffen. Er mocht geene munitie

verspild worden!

Zirone en zijne bende naderden inmiddels voortdurend, maar langzaam en

niet zonder eene zekere mate van voorzichtigheid te betrachten; want

zij dekten zich achter de vele rotsblokken, die over het terrein

verspreid lagen. Zoo trachtten zij den nok van de Plano del Lago te

bereiken. Bij den rand van dien nok lagen verbazend groote trachiet- en

bazaltblokken opgestapeld, waarschijnlijk met het doel om de Casa

Inglese tegen eene afschuiving van sneeuw gedurende de winterstormen te

beveiligen. Die blokken boden den naderenden een uitmuntende dekking

aan.

Wanneer de aanvallers dien nok zouden bereikt hebben, dan zouden zij

nagenoeg onder de vuurlijn van de verdedigers aangekomen zijn, en eene

bestorming van het huis kunnen wagen. Zij zouden dan de deur openloopen

of een der vensterramen kunnen openbreken en door hun groot getal in

staat zijn, de hand op den dokter en op allen, die bij hem waren, te

leggen.

Plotseling knalde een geweerschot. Een licht wolkje van kruitdamp

krulde langs een der schietgaten naar het dak omhoog. Een der

aanvallers viel doodelijk getroffen neer. De aanrukkende bende vlood

eenige passen achteruit en dook achter de beschermende rotsblokken

neer. Dat was het eerste slachtoffer, hetwelk gevallen was.

Maar langzamerhand slaagde Zirone er in, door van de terreinplooien

behendig gebruik te maken, zijne manschappen meer vooruit te brengen,

en hen zelfs tot aan den voet der helling van de Plano del Lago te

geleiden.

Dat geschiedde evenwel niet zonder dat alweer een twaalftal

geweerschoten losgebrand waren, die den gevel van de Casa Inglese

verlicht hadden en waardoor weer twee der aanvallers op het sneeuw veld

uitgestrekt waren geworden.

Toen stiet Zirone een gil uit, die tot sein moest dienen voor eene

algemeene bestorming. Hoewel de voorwaartsche beweging alweer ten koste

van verscheidene gewonden geschiedde, vloog toch de geheele bende op de

Casa Inglese aan. De deur werd door verscheiden kogels doorboord,

waardoor binnen het huis twee matrozen ernstig genoeg gekwetst werden,

om buiten gevecht gesteld te zijn. Dat was bij het kleine getal der

verdedigers ernstig genoeg. De strijdkrachten stonden toch al zoo

ongelijk!

Toen ontspon zich eene levendige schermutseling. Met hunne pieken en

met hunne bijlen slaagden de aanvallers er aanvankelijk in, om de deur

en een der vensterblinden ter verbrijzelen. De verdedigers waren toen

genoodzaakt een uitval te ondernemen, om de aanvallers te verdrijven.

Dat geschiedde te midden van een vrij hevig geweervuur, hetwelk van

weerszijden ijverig onderhouden werd. Luigi’s hoed werd door een kogel

doorboord en Piet Bathory zou zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou,

door een lansstoot gewond of gedood zijn, welke een der bandieten hem

toebracht. Maar onze Hercules was er ook, en.... met denzelfden piek,

dien hij den aanvaller met krachtige vuist ontwrong, velde hij hem met

een slag op het hoofd ter neder. Dat was een meesterslag geweest!

Kaap Matifou was gedurende den uitval vreeselijk. Hoewel meer dan

twintig malen op hem gemikt werd, trof hem toch geen enkele kogel.

Wanneer Zirone de overwinning zou behalen, dan was zijn vriend, dan was

Pescadospunt bij voorbaat veroordeeld, en die gedachte verdubbelde de

woede van den reus. Hij verrichtte dan ook wonderen.

Bij zoo’n hardnekkigen weerstand waren de aanvallers verplicht zich

andermaal terug te trekken.

De dokter en zijne lotgenooten konden dus binnen de Casa Inglese

weerkeeren en zich rekenschap van den toestand geven. Die was, dat

moest erkend worden, in het geheel niet opbeurend. Men verloor evenwel

den moed niet.

„Hoeveel gekwetsten hebben wij?” vroeg dokter Antekirrt aan Piet

Bathory en Luigi Ferrato.

„Drie,” was het antwoord. „Maar zij zijn vrij ernstig gewond. Ik vrees

voor hen.”

„Hoe is het met den toestand der munitie? Dat is een voorname quaestie.

Er is nog al geschoten!”

Luigi onderzocht dat dadelijk. Hij liet zich de patroonzakken door

zijne manschappen vertoonen.

„De meeste hebben nog slechts tien, enkele twaalf patronen,” antwoordde

hij.

„En hoe laat is het?”

„Ternauwernood middernacht.”

Dus nog vier lange uren, alvorens de dag zoude aanbreken. Het werd

noodzakelijk, om nog spaarzamer met de munitie om te gaan, ten einde

niet ontbloot te zijn, om den aftocht te kunnen dekken, die bij het

aanbreken van den dag ondernomen moest worden. Waarlijk, de toestand

was verre van rooskleurig. Dat zag ieder der verdedigers volkomen in.

Maar als er niet geschoten mocht worden, hoe dan de nadering der

aanvallers te beletten? Hoe dan de overrompeling van de Casa Inglese

tegen te gaan, wanneer Zirone en zijne bende den stormaanval hervatten?

En die zou niet uitblijven!

Neen! die zou niet uitblijven; want nadat de bandieten een kwartieruur

rust genoten en hunne gekwetsten, achterwaarts gebracht achter een

lavabedding, als achter eene verschansing, in veiligheid gesteld

hadden, stoven zij weer voorwaarts.

Toen, verwoed, en eigenlijk tot razernij vervoerd door den hardnekkigen

tegenstand, en vooral door het gezicht van de gesneuvelde en gewonde

makkers, beklommen zij de lavabedding, daarna ook de tusschenruimte,

die deze van den basaltwal scheidde en verschenen toen aan den nokrand

van het bergplat, waarop de Casa Inglese gelegen was. De toestand werd

al hachelijker en hachelijker.

Geen enkel geweerschot werd op hen gelost, terwijl zij dien afstand

aflegden. Zirone besloot daaruit en, zooals wij weten niet zonder

reden, dat het den belegerden aan munitie begon te ontbreken. Dat

verlevendigde de hoop.

Toen wekte hij zijne bende op en bracht haar in vervoering. Het

denkbeeld om zich van iemand meester te maken die meer dan honderdmaal

millionnair was, was wel geschikt, dat zal de lezer moeten toestemmen,

om die schurken van de slechtste soort op te winden. Dat gebeurde dan

ook.

Hunne geestdrift was zelfs zoodanig, dat zij ditmaal de deur en het

venster bemachtigden en zeer zeker het huis stormenderhand genomen

zouden hebben, wanneer niet een nieuwe losbranding, thans van zeer

nabij afgegeven, er vijf of zes van hen gedood en de overigen

teruggedreven had. Zij moesten nogmaals tot aan den voet van de helling

van het bergplat terugdeinzen, evenwel niet zonder dat andermaal twee

zeelieden gekwetst en buiten gevecht gesteld waren. Het kleine

heldentroepje der verdedigers slonk al meer en meer, maar ook de

munitie was al weer verminderd.

Vier of vijf schoten, dat was alles, wat den verdedigers van de Casa

Inglese thans nog overbleef. Onder die omstandigheden werd de aftocht

zelfs bij klaarlichten dag bijna onmogelijk. De verdedigers gevoelden

dan ook, dat zij onherroepelijk verloren waren, wanneer er geen hulp

opdaagde. Dat was voor allen duidelijk.

Maar vanwaar zou die hulp komen? Ziet, dat was de vraag, die thans

aller brein bezig hield.

Men kon er ongelukkig niet op rekenen, dat Zirone en zijne makkers den

aanslag zouden opgeven. Zij waren zeker nog wel veertig in getal, die

gezond en goed gewapend waren. Zij wisten, dat men hunne geweerschoten

weldra niet meer zou kunnen beantwoorden en daarom herhaalden zij den

aanval.

Maar.... ziet....

Plotseling rolden kolossale rotsblokken langs de helling van het

bergplat naar beneden en verpletterden twee of drie der aanvallende

bandieten, alvorens zij zich uit de voeten hadden kunnen maken.

Dat was Paap Matifou, die naar buiten geloopen was, en basaltrotsen

voortrolde, om die van den nok van de Plano del Lago naar beneden te

laten tuimelen. Hij had alle succes van zijn waarlijk practisch middel.

Maar dat verdedigingsmiddel was op verre na niet voldoende.

Daarenboven, het was te voorzien, dat het weldra uitgeput zou raken;

men zou dus moeten bezwijken, of alles in het werk stellen, om van

buiten af hulp te erlangen. Van buiten af?.... Ja.... maar hoe?....

Toen kreeg Pescadospunt een inval, dien hij aan niemand wilde

mededeelen, vooral niet aan dokter Antekirrt, omdat die wellicht zich

tegen de uitvoering verzet zoude hebben. Maar hij deelde zijn plan toen

aan Kaap Matifou mede. Ziehier, wat daarvan de slotsom was. De reus

luisterde aandachtig.

Hij had uit de gesprekken, die in de kroeg van Santa Grotta gehouden

waren, vernomen dat een detachement Maréchaussées zich te Casona

bevond. Om zich naar Casona te begeven, was slechts een uur tijd noodig

en evenveel om terug te komen. Zou het nu geheel onmogelijk zijn, om

dat detachement te gaan waarschuwen? Onmogelijk?.... Dat was een raar

woord in den mond van Pescadospunt, aan welks bestaan hij zelfs niet

geloofde. Maar.... hier was eene voorwaarde te vervullen. Hier moest

door de gelederen der belegerende bende gebroken worden, om daarna de

westelijke hellingen van het bergstelsel te kunnen bereiken. Anders kon

het niet.

„Het is noodig, dat ik tusschen hen door kom....” zei Pescadospunt tot

zijn vriend.

Deze knikte toestemmend met zijn overgroot hoofd. Ja, dat begreep hij

duidelijk.

„Dus ik zal doorkomen!” zei Pescadospunt op stellig bevestigenden toon.

Dat „dus” was subliem van eenvoud. Kaap Matifou grinnikte van de pret

en wreef zich de handen.

„Wat duivel!” ging Pescadospunt voort, „men is clown of men is het

niet! Is dat zoo niet?”

„Daartegen valt niets in te brengen,” zei de reus, die zelden zoo veel

sprak.

„Luister” sprak Pescadospunt, terwijl hij zijn vriend naar zich toe

trok. „Luister!”

En nu deelde hij aan Kaap Matifou fluisterend het middel mede, hetwelk

hij dacht te bezigen, om hulp te gaan halen.

„Maar,....” meende Kaap Matifou, „gij waagt.... uw leven... Gij waagt

alles!”

„Dat weet ik wel,” antwoordde Pescadospunt, „maar die waagt, die wint.”

„Jawel.... maar....”

„Zwijg maar, ik wil het zoo.”

Dat was een waar stopwoord.

Pescadospunt weerstreven, dat zou Kaap Matifou nimmer gedurfd hebben!

Beiden begaven zich toen naar de westelijke zijde van de Casa Inglese,

naar eene plaats, waar een groote voorraad sneeuw door den wind

opgehoopt lag.

Tien minuten later kwam, terwijl de strijd van weerszijden hardnekkig

voortgezet werd, Kaap Matifou weer te voorschijn en rolde een

overgrooten sneeuwbal voor zich uit. Toen dreef hij tusschen de

rotsblokken, welke de zeelieden steeds op de aanvallers stortten, dien

bal, die langs de helling afrolde en tusschen de bende van Zirone

doorgleed en op vijftig passen daarachter in de diepte van een kleine

terreinplooi bleef liggen.

Daar opende zich den sneeuwbal, die door den schok half verbrijzeld was

en verleende doortocht aan een klein vlug wezen, dat een weinig slim

was, zooals het van zich zelven getuigde.

Dat was Pescadospunt! Ja, dat was onze wakkere clown; en dat was het

middel, hetwelk hij uitgedacht en ten uitvoer gebracht had.

Opgesloten onder eene laag verharde sneeuw als in eene eierschaal, had

hij den moed bezeten, zich langs de helling van het talud te laten

afrollen, op gevaar van in een afgrond terecht te komen. En nadat hij

van die sneeuwlaag bevrijd was, vloog hij langs de zijpaden, die door

het bergstelsel kruisten en richtte zich naar den kant van Casona.

Het was toen ongeveer één uur na middernacht. Er was dus inderdaad geen

tijd te verliezen.

Dokter Antekirrt, die op een gegeven oogenblik Pescadospunt miste, riep

hem, daar hij meende, dat hij gekwetst was. „Waar die kleine man toch

mocht zijn?” vroeg hij zich af.

„Pescadospunt!.... Pescadospunt....” riep hij.

„Weg!” zei Kaap Matifou, zoo laconiek mogelijk. „Weg!.... en voor goed

ook!”

„Weg?” vroeg dokter Antekirrt.

„Ja,” knikte de reus.

„Waarheen?”

„Hulp halen!”

„Hulp halen, Kaap Matifou?.... Maar hoe?”

„Als een bal.”

„Als een bal? Zijt gij krankzinnig geworden?” vroeg dokter Antekirrt

verstoord.

„Ja! als een bal!” zei Kaap Matifou trotsch, terwijl hij de armen over

elkander bewoog om eene wentelende beweging na te bootsen.

En hij verhaalde toen zoo duidelijk hem slechts mogelijk was, wat

Pescadospunt uitgevoerd had.

„Brave kerel!” riep de dokter inderdaad in vervoering uit. „Brave

kerel!”

En zich tot zijne manschappen wendende:

„Moed gehouden, vrienden!” zei hij. „Moed!.... Die bandieten zullen ons

niet gevangen nemen!”

En men ging voort met rotsblokken op de aanvallers te storten. Maar ook

aan dat verdedigingsmiddel kwam weldra gebrek. De geheele voorraad was

bijna opgeruimd.

Tegen drie uren des morgens waren dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi

Ferrato, Kaap Matifou en de overige manschappen genoodzaakt, terwijl

zij hunne gewonden medevoerden, het huis te ontruimen, dat Zirone toen

in handen viel. Twintig zijner bandieten waren gedurende den strijd

gedood en toch had hij de getalsterkte nog aan zijne zijde. De kleine

troep kon dan ook niet anders den aftocht bewerkstelligen dan door

langs de hellingen van den centraalkegel op te klauteren, langs die

opeenhooping van lavabrokstukken, van sintelslakken en asch, welker top

den krater vormde, dat wil zeggen van dien vuurkolk.

Allen zochten evenwel eene toevlucht op die hellingen; terwijl zij

hunne gewonden medevoerden. Van de driehonderd meters, die de helling

van dien sintelkegel meet, doorliepen zij te midden van zwaveldampen,

die de wind naar hen toedreef, twee honderd en vijftig meters.

De dag begon toen aan te breken en reeds werden in de verte de nokken

van het Calabrische gebergte ten oosten van de Straat van Messina

gelegen, als met goud getooid.

Maar in den toestand, waarin dokter Antekirrt en de zijnen zich

bevonden, bood het daglicht zelfs geen kans tot redding aan. Zij

moesten steeds terugwijken, de hellingen opklauteren en de laatste

patronen verschieten; terwijl Kaap Matifou met menschelijke kracht de

laatste rotsblokken voortslingerde.

Zij moesten zich dus verloren achten, toen eensklaps een aantal

geweerschoten aan den voet van den kegel vernomen werden, gepaard aan

woest geschreeuw.

Een oogenblik van aarzeling, van weifelmoedigheid openbaarde zich in

den bandietentroep. Maar weldra stoof hij uiteen en liet ieder hunner

zich langs de hellingen van den berg, zoo snel hij maar kon, afglijden.

Zij hadden de maréchaussées herkend, die van Casona, met Pescadospunt

aan hun hoofd, opgerukt waren.

De stoutmoedige kerel had zelfs niet noodig gehad tot dat dorp door te

loopen. De maréchaussées hadden eindelijk de geweerschoten gehoord en

bevonden zich reeds op weg. Pescadospunt kwam inderdaad goed van pas,

om hen naar de Casa Inglese te geleiden. Geen oogenblik mocht verloren

gaan.

Toen hernamen de dokter en zijne makkers het offensieve. Kaap Matifou

stormde, alsof hij zelf een rotsmassa was, op de meest nabij zijnde

boeven, velde er twee van neder, die den tijd niet gehad hadden, om te

ontvluchten en stortte zich op Zirone.

„Bravo Kaap van mijn hart! Bravo!” riep Pescadospunt, terwijl hij naar

hem toeijlde. „Leg hem neer! Laat hem de schouders aan de hielen

raken!.... De wedstrijd, heeren! De wedstrijd tusschen Zirone en Kaap

Matifou! Nu zult gij iets kostelijks zien! Gij zult voor uw geld niet

bedrogen zijn. Treedt binnen heeren! Treedt binnen!”

Zirone hoorde dat kermisgeschreeuw. Met de eene hand, die hem

vrijgebleven was, schoot hij, ziedend van toorn, zijn revolver op

Pescadospunt af.

De arme kerel rolde op den grond. Blijkbaar was de kleine man ernstig

gekwetst.

Toen gebeurde er iets verschrikkelijks.

Kaap Matifou had Zirone bij den hals gegrepen en sleurde hem voort,

zonder dat de ellendeling, die half verworgd was, er iets tegen

vermocht.

Te vergeefs schreeuwde dokter Antekirrt, die den boosdoener levend in

zijne macht wenschte, den reus toe, om hem te sparen!

Te vergeefs trachtte Piet Bathory en Luigi Ferrato hem in te halen,

welke haast zij daarbij ook betrachtten.

Kaap Matifou had slechts ééne gedachte, namelijk: dat Zirone met zijn

schot Pescadospunt wellicht doodelijk getroffen had! Toen was hij zich

zelven niet meer meester, toen hoorde hij niets meer! Hij bekeek zelfs

dat menschelijke overblijfsel niet, hetwelk hij aan het uiteinde van

zijn uitgestrekte arm droeg.

Hij klom steeds met verhaaste schreden langs de helling van den

centraalkegel des vulkaans naar boven. Eindelijk bereikte hij met een

laatsten sprong den gapenden mond van eene brandende solfatara. In dien

vuurput smeet hij Zirone ter neder.

Inmiddels lag Pescadospunt, vrij ernstig gekwetst, op de knie van

dokter Antekirrt gesteund, die de wond onderzocht en verbond. Toen Kaap

Matifou bij hem teruggekeerd was, stroomden hem de tranen langs de

wangen. De arme kerel was letterlijk buiten zich zelven van droefheid

en smart.

„Wees niet bedroefd, dierbare Kaap! Wees niet bedroefd! Het heeft niets

te beteekenen!” stamelde Pescadospunt.

Kaap Matifou nam hem in zijne armen, zoo als hij met een kind zoude

gedaan hebben, en droeg hem langs de kegelhelling naar beneden; terwijl

al de anderen hem volgden en de maréchaussées de laatste vluchtelingen

van de bende van Zirone ijverig en onverpoosd nazetten.

Mathias Sandorf [2] · 第 18 / 19 段