bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur
te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen,
terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven
teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via
Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi
door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger
op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en
bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.
De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met
hare lengte, was spoedig doorsneden.
Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en
Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te
stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen
van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van
Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf
en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al
aanmerkelijk mag heeten.
De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week
somwijlen van de algemeene richtig af, om lavabeddingen, om
basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent,
om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen
herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die
aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de
oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier
takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van
krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen
slingerden.
Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van
den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling van het
Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des
hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de
wetenschap der aardkunde nog niet bestond.
Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en
zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige
minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk
was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo,
welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne
voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste
straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de
overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de
talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die
meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken
waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene
boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen
zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.
Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker
natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij
hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van
1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend
menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen
kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en
daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.
Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan
heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen.
Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering
van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen
niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig
zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen
permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert
hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik
den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier
vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die
in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het
ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi
genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de
uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van
honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk,
die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en
Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die
kraters die in 1809, 1811, 1819, 1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en
welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen
als de cellen van een honigraat.
Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de
gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van
Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het
bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het
stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en
twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.
Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het
gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien
mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden,
eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij
in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of
struikroovers ondervonden hadden.
Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de
Casa Inglese zouden bereiken.
„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de
reizigers.
„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort
afgemeten.
„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij
verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”
„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen
te zijn.”
„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij
voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”
„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult
toestaan.”
„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de
gids.
„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den
Siciliaan aankeek.
Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke
berekening te verdiepen.
„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft
me, geen oogenblik langer.”
Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een
der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers
erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de
hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd
werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners
van Nicolosi, waaronder de bedelaars, die er in menigte krioelen,
gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje-
en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat
in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele
steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en
zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar
menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige
gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen
van den Etna.
Voor dat vijf uren geslagen waren, beklauterden dokter Antekirrt, Piet
Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de
tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die
zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan,
of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen,
want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen
zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige
bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de
mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar
bij wijze van boschjes of groepen, langs de lavabeddingen, of op de
hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort
vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger
gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die
waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier
ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van
het hout te moeilijk werd.
De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een
vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige
varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens
overdekt met een weelderig mostapijt.
Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene
hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze
breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is
op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid
voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen
worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische
asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet
uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore
geheeten wordt.
De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend
voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de
breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en
bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet
aangetast schenen.
Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den
vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier
en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing
vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op
een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de
oppervlakte der zee een afgeronden top.
De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder
de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door
den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel
voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de
rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van
den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl
slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte
sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit
stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.
De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige
graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van
de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.
Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne
reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling,
zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren
ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.
Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit
hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere
kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s,
eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker
bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een
vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten
werd.
Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een
onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide,
zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn
oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel
strekte volstrekt niet tot geruststelling.
Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte
zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische
gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.
Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des
avonds.
De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die
met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring
op die hoogte minder was. De maansikkel was op het punt om in het
westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht,
doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een
onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve
het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg
veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die
hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen
maakten.
„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt
eindelijk.
„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd
te hebben.
„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat
dunkt u er van?”
„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom
ontwakende.
Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie
weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.
„Is het nog ver?”
„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende,
om zich te oriënteeren.
Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en
waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de
eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping
van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig
passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig
meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door
Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago
genaamd, gebouwd.
Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de
werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het
Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een
observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds
sedert lang had moeten geschied zijn.
Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door
den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien
naam, onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club
gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis
eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den
naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo
verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater
gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne
voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen;
tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in
de acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die
schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt,
maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.
Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar
de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die
onmiddellijk opengedaan werd.
In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner
manschappen.
Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een
spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig
keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den
bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht
honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd
voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.
Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid
van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen
worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed
gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel
te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory
den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard
dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw
gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de
ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.
Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:
„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier
voorgedaan?”
„Neen,” antwoordde Luigi, „maar....”
„Ga voort. Maar wat?”
„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als
wel gewenscht is.”
„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt
niet zonder bezorgdheid.
„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.
„Waaruit maakt gij dat op?.... Spreek!.... Misschien vergist gij u
wel.”
„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik
mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is,
een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”
„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter
Antekirrt nog meer ernstig.
„Dat meen ik ook, heer dokter.... Maar, zeg mij, wat was er aan te
doen? Volgens mij niets.”
„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen,
om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”
„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel
is er laf genoeg toe.”
„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der
Casa Inglese zien ronddoolen?”
„Niemand, heer dokter.”
„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken
voorzichtig te doorzoeken?”
„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de
bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te
onderzoeken.”
„En?”
„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is
eenzaam en verlaten.”
„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen.
Dunkt u ook niet?”
„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders
doen, dan bedaard wachten.”
„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel,
hoor.”
„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post
uitzetten.”
„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg
dokter Antekirrt.
„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den
gezichteinder.”
„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de
grootste rampen na zich sleepen.”
„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven
kosten, inderdaad.”
De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten
uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard
zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen
stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans
de Casa Inglese in bezit genomen hadden.
Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder
te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem
verontrustte.
„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter
Antekirrt.
De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in
dat oogenblik vooral niet.
„Geduld!.... Kaap Matifou. Geduld!....” maande dokter Antekirrt.
„Geduld, mijn vriend!”
De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel
wat meer gehoopt had.
„Hij zal wel spoedig terugkomen.... hoewel hij op dit oogenblik een
partij speelt, die hem kan doen hangen....”
„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten
wilde over het lot van zijn makker.
„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen
het niet begrepen te hebben.
Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde,
die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele
schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf,
vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die
de dokter en Piet niet bedwingen konden.
Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van
het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa
Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon
de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men
dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen
medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!
Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot,
dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost
was, vernomen.
Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar
ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.
„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed
gehoord?”
„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was
een geweerschot.”
„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den
loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi
Ferrato. „Dat zal het zijn.”
„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer
teleurgesteld.
„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten
vooral vermijden, dat wij gezien worden.”
Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch
zeer koud.
Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met
versnelden pas.
„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb....”
„Wat?” vroeg Luigi.
„Ik heb iemand....”
„Verscheidene mannen?....” vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”
„Neen, neen, niet verscheidene.... Slechts een enkele.”
De dokter, Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogen naar de deur; maar
zorgden daarbij in de schaduw te blijven.
En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de
helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij
was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich
voor hem openden, in die van Kaap Matifou.
„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.... Ik heb mijn
dierbaren vriend!”
Ja, het was Pescadospunt.
„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl
hij de anderen met zich naar binnentrok.
In een ondeelbaar oogenblik waren allen de Casa Inglese weer
binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de
grootste stilte in acht genomen werd.
„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.
„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van
hem geworden?”
„Hij komt! heer dokter.... shut!.... Hij komt!....”
„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”
„Ja!.... om u te waarschuwen!.... Weinige oogenblikken geleden was ik
nog bij hem.”
„Hij komt dus?.... Dat is boven allen twijfel, niet waar,
Pescadospunt?”
„Voorzeker!....”
„Wanneer?”
„Binnen twintig minuten zal hij hier zijn! Zoolang zal het wellicht
niet eens duren, denk ik.”
„Des te beter!” sprak dokter Antekirrt, terwijl hij zich vergenoegd de
handen wreef.
„Neen! des te slechter!” sprak Pescadospunt op hoogst ernstigen toon.
„Wat bedoelt ge?”
„Ik weet niet hoe en door wien hij gewaarschuwd is,” antwoordde
Pescadospunt, „hij weet, dat gij hier voorafgegaan zijt door een
twaalftal manschappen!....”
„Ongetwijfeld door dien bergbewoner, die ons bespied heeft,” zei Luigi
Ferrato ontsteld.
„Hoe het ook zij.... en onverschillig door wien ook ingelicht,”
antwoordde Pescadospunt, „maar hij weet het!”
„En verder? Ga toch voort!.... er is haast; want de te nemen
maatregelen hangen er van af.”
„Hij heeft begrepen, dat gij hem een strik spant,” ging Pescadospunt
verder.
„Dat is minder!” meende dokter Antekirrt.
„Ja, maar....”
„Laat hem maar komen!” riep Piet Bathory uitdagend uit en hief daarbij
de vuist op.
„Hij zal komen! mijnheer Piet,” zei Pescadospunt, „wees daarvan
verzekerd!”
„Goed zoo!”
„Maar bij de twaalf nieuw aangeworven manschappen, die hij van Malta
meebracht, heeft hij nog de rest van zijne bende gevoegd, die heden
ochtend te Sante Grotta weergekeerd is.”
„Duivels!” zei Luigi. „Dat verandert de zaak aanmerkelijk. Twaalf
en....”
„Doet niets!” riep Piet Bathory uit. „Doet altemaal niets! Laat ze maar
komen!”
„En hoeveel zijn die bandieten te zamen gerekend?” vroeg dokter
Antekirrt.