een stedeke, hetwelk in het middengedeelte gelegen is van een zeer
uitgestrekten cirkel, een soort van kratervormigen bergwand, ten
noorden en ten westen omgeven door de uitbarstings-kegels van
Monpilieri, van Monte Rossi en van Serra Pizuta; en ten oosten en ten
zuiden in de eigenlijke hellingen van den Etna vervloot.
Dat stedeke bezit zes kerken, vijf kapellen, een klooster, dat San
Nicolo van Arena tot beschermheilige heeft, en twee herbergen, die
vooral op zijne belangrijkheid duiden. Zirone en Carpena hadden daar
niets te verrichten.
De herberg Santa Grotta wachtte hen, en om die te bereiken, hadden zij
nog ruim een uur gaans in het gebergte af te leggen.
Dat moordhol was in een van de meest sombere ravijnen van het geheele
Etna-bergstelsel gelegen. Zij kwamen daar dan ook niet aan, voordat het
middernachtsuur op de zes klokketorens van Nicolosi geslagen had en
gevoelden zich toen doodmoe.
Niemand sliep te Santa Grotta. Daar werd toen, te midden van de
afschuwelijkste kreeten en godslasteringen, het middagmaal gebruikt. De
nieuwe door Carpena aangeworven manschappen waren daar vereenigd en
omringden een ouden bandiet, Benito geheeten, die zijn naam van
„gezegende” gestand deed en de eer van het huis ophield op eene wijze,
die al de duivelen in de hel moest doen jubelen en juichen.
Wat de overige leden der bende betrof, bestaande uit een dertigtal
bergbewoners en weerspannigen aan de militiewet, die waren toen op roof
uit, een twintig mijlen verder in westelijke richting, waarbij zij de
tegenovergestelde helling van den Etna doorsnuffelden, die zij op
brandschatting stelden, waarna zij zich bij het hoofdkwartier moesten
vervoegen, om rekening en verantwoording af te leggen.
Er was dus te Santa Grotta slechts het dozijn Maltezers aanwezig, die
door den Spanjaard aangeworven waren, plus de oude Benito. Onder die
allen brulde Pescados—onze kleine Pescadospunt—zijne partij in dat
concert van verwenschingen en van vloeken, van blufferijen en
godslasteringen. Maar tevens opende hij scherp de ooren; hij luisterde,
hij sloeg gade, hij merkte op, om toch maar niets te laten ontglippen,
wat hem vroeg of laat dienstig zou kunnen zijn. Zoo vernam hij en
onthield goed een gezegde, hetwelk Benito ontviel, om het spectakel
zijner gasten een poos voor de aankomst van Zirone en Carpena
eenigszins te temperen:
„Houdt je mond toch, duivelsche Maltezers!” riep hij met een gramstorig
gelaat uit.
Een hoerrah begroette toen die aanbeveling. De kerels waren in dien
stond half dol.
„Houdt je mond toch; men kan jullie te Cassana hooren brullen, waarheen
de commissaris, die beminnelijke magistraat van de provincie, een
detachement karabiniers gezonden heeft!”
Dat was eene grappige bedreiging. Cassana toch was ver genoeg van Santa
Grotta verwijderd. Maar de nieuw aangekomenen moesten vooronderstellen,
dat hun gejoel en gebrul de gehoorwerktuigen der karabiniers konden
bereiken. Die karabiniers deden dienst als maréchaussées op het eiland.
De kerels matigden hun geschreeuw dan ook, hoewel zij midderwijl te
meer van dien Etnawijn dronken, die Benito hun overvloedig schonk, om
hun welkom bij de bende te vieren. Zij waren allen min of meer onder
den invloed, toen de deur van de herberg eensklaps openvloog.
„Een mooi zoodje!” riep Zirone binnensmonds uit. „Bij mijne ziel! een
mooi zoodje.”
Allen keken met woeste blikken op. Het scheelde weinig, of zij gingen
de binnentredenden te lijf. Gelukkig, dat de Spanjaard verscheen.
„Carpena is gelukkig in zijne keus geweest; en ik zie dat Benito de eer
van het huis ophoudt.”
„Die brave kerels stierven van dorst!” antwoordde de oude bandiet op
zoetsappigen toon.
„En daar dat geen prettige dood is, wildet gij hen dien besparen? Dat
is Christelijk gedacht.”
„Voorzeker.”
„Mooi! Maar laat ze nu gaan slapen! Ze hebben rust noodig. Morgen
zullen we kennis maken!”
„Waarom tot morgen wachten?” vroeg een der nieuwelingen, Zirone vrij
brutaal aankijkende.
„He?” zei Zirone, ietwat verwonderd.
Het gebeurde zelden dat een zijner bende hem tegensprak.
„Ja, waartoe tot morgen gewacht, met iets wat heden nog kan
geschieden?” ging de nieuw aangekomene voort.
„Omdat jullie te dronken zijt, om dat te begrijpen,” antwoordde Zirone
zoetsappig.
„Dronken!.... Dronken!.... Per Bacco!.... Wie durft dat zeggen?” was de
algemeene kreet.
„Voorzeker dronken! Zoudt gijlieden denken, dat ik dat niet zou durven
herhalen?”
„Omdat wij een paar flesschen slappen landwijn gedronken hebben?....
Drommels, als men gewend is aan de jenever en de whiskey van de kroegen
in de Maderaggio, dan is van dronken zijn geen sprake!”
„He! En wie is dat daar?” vroeg Zirone, die met kennersblik het troep
je monsterde.
„Wien bedoelt ge?” vroeg Carpena.
„Dien mooien jongen.”
„Dat is de kleine Pescados,” antwoordde de Spanjaard. „Dat is de kerel,
van wien ik u sprak.”
„En wie is die dan?” vroeg Pescados op zijne beurt aan Carpena, terwijl
hij de stem van den Siciliaan bedriegelijk nabootste, en met den vinger
naar hem wees.
„Dat is Zirone,” antwoordde de Spanjaard, met een glimlach op de
lippen. „Dat is uw chef.”
„Zoo, zoo,” sprak de kleine man op den meest onverschilligen toon, „is
dat onze chef?”
En hij bekeek den Siciliaan met een paar zeer brutale oogen, die van
geen neerslaan wisten.
Zirone sloeg met alle aandacht den jeugdigen bandiet, die door Carpena
zoozeer geprezen was, en die zich met zoo’n gemakkelijkheid voordeed,
gade. Ongetwijfeld vond hij, dat Pescados een schrander gelaat had,
waarop veel vastberadenheid te lezen stond. Hij gaf althans een
goedkeurenden knik met het hoofd. Daarna het woord tot Pescados
richtende, vroeg hij hem:
„Hebt ge evenals de anderen gedronken?”
„Of ik gedronken heb? Wat ’n vraag!” zei Pescados, met verachtelijk
gebaar en komiek neusoptrekken.
„En toch herhaal ik die vraag. Hebt ge evenals de anderen gedronken?”
vroeg Zirone andermaal.
„Meer dan die lummels!” antwoordde de candidaat-bandiet meesmuilend.
„Veel meer!”
„En je verstand daarbij behouden?”
„Het mocht wat! Dat gaat zoo gauw niet op den loop!”
„Niet?”
„Neen! Er moet wat anders gebeuren! Dat kan ik je verzekeren.... Heel
wat anders!”
„Zeg eens, kleine man,” hernam Zirone, „Carpena heeft mij straks
gezegd, dat ge mij wellicht eene inlichting zoudt kunnen geven, die ik
noodig heb. Luister dus!”
„Eene inlichting? Te drommel!.... Gij begint, dunkt me, veeleischend te
worden!”
„Ja, eene inlichting.”
„En,.... voor niemendal?.... Te drommel!.... Niemand arbeidt voor
niets. Dat weet ge, hoop ik?”
„Daar, grijp!”
Zirone wierp hem een halven piaster toe, dien Pescados in de vlucht
opving en onmiddellijk in den zak van zijn vest wegmoffelde, zooals een
goochelaar met een muskaatnoot zoude gedaan hebben.
„Hij is aardig!” zei Zirone, met een glimlach van tevredenheid op het
gelaat.
„Ja, zeer aardig!” antwoordde Pescados onbeschaamd. „Maar, wat wilt ge
weten? Kom, vooruit!”
„Kent ge Malta goed?”
„Als het innerlijke van mijn zak! Maar niet alleen Malta, maar ook
Italië, en Istrië, en Dalmatië, en de Adriatische zee,” antwoordde
Pescados. „Is dat genoeg? Wilt ge nog meer?”
„Ge hebt dus gereisd?”
„Veel, maar steeds voor eigen rekening!”
„Dat is nog al leuk,” viel Zirone lachende in, en herhaalde: „Dat is
nog al leuk.”
„Waarom is dat leuk, en waarom lacht gij zoo?” vroeg Pescadospunt,
schijnbaar vertoornd.
„Ik raad je, nooit anders te reizen; want wanneer je voor rekening van
het gouvernement reist, dan....”
„Is het te duur!” viel Pescados in. „Ja, dat begrijpt een kind en
behoeft gij mij niet te vertellen.”
„Juist, zooals ge zegt: te duur,” antwoordde Zirone, die zich de handen
wreef en vergenoegd was, dat hij in dien nieuwen makker iemand aantrof,
met wien ten minste te praten was.
„Maar, nu verder?” hernam de schrandere jongen. „Gij hebt toch geen
inlichtingen omtrent mijne reisgelegenheden noodig?”
„Verder?....”
„Ja.... verder.... de inlichting, die ge noodig hebt?”
„Dat ’s waar ook. Ziehier! Pescados,” ging Zirone voort, alsof hij zich
plotseling iets herinnerde, wat hem voor een oogenblik ontschoten was,
„hebt ge ooit bij uwe menigvuldige omzwervingen van een zekeren dokter
Antekirrt hooren spreken?”
Met alle zijne schranderheid kon Pescadospunt onmogelijk die vraag
verwachten. Hij wist evenwel zooveel zelfbeheersching uit te oefenen,
dat hij van zijne verbazing niets liet merken.
Maar hoe kon Zirone, die niet te Ragusa was, terwijl de Savarena daar
geankerd had gelegen, en die niet te Malta vertoefde, toen de Ferrato
daar repareerde, hebben hooren spreken van dokter Antekirrt? En hoe
kwam hij zelfs aan dien naam? Ziet, dat waren vragen die in dit
oogenblik het brein van den kleinen man bestormden.
Maar hij begreep met zijn practisch verstand terstond, dat zijn
antwoord hem van zeer veel nut kon zijn; daarom aarzelde hij dan ook
geen oogenblik.
„Dokter Antekirrt?....” vroeg hij om tijd te winnen. „Dokter
Antekirrt?”
„Ja, dokter Antekirrt,” herhaalde Zirone.
„Zeker heb ik van hem gehoord!”
„Welnu?”
„Langs de geheele Middellandsche zee—en die is nog al uitgebreid—is
slechts sprake over hem!”
„Hebt gij hem gezien? Of hebt gij hem soms ook gesproken?” vroeg Zirone
eenigszins wantrouwend.
„Nooit; noch het een noch het ander.”
„Maar weet gij wie hij is, die dokter? Daaromtrent zult gij toch wel
iets vernomen hebben?”
„Wie hij is?.... Een arme drommel.”
„Wat, een arme drommel? Houdt ge mij voor den gek?” vroeg Zirone
vertoornd.
„Zeker, een arme drommel, die zoo wat honderd maal millionnair is,
zooals men ten minste beweert. Gij begrijpt, dat ik al die millioenen
niet heb kunnen tellen.”
„Een aangename mededeeling intusschen,” grinnikte Zirone met een soort
van welbehagen.
„Die nooit gaat wandelen, zonder in iederen zak van zijn overjas een
millioen te hebben.”
„En heeft die overjas veel zakken?” vroeg de bandiet met van hebzucht
fonkelende oogen.
„Slechts zes!.... Het is weinig, dat beken ik,” zei Pescadospunt
glimlachende.
„En verder?....”
„Dokter Antekirrt is een arme drommel, die er door zijne droomerijen
toe gebracht werd, om de geneeskunde voor liefhebberij uit te oefenen,
en daarvoor nu eens met zijn goelet Savarena, dan weer met zijn
stoomjacht Ferrato rondreist en geneesmiddelen bezit voor de twee en
twintig duizend ziekten, waarmede de natuur het menschenras zoo
liefderijk begiftigd heeft.”
Het potsenmakerskarakter van vroeger was bij Pescadospunt weer zeer ter
snede boven gekomen en zijne snakerijen namen niet minder Zirone dan
Carpena in, die scheen te zeggen:
„Welnu, hoe denkt gij er over?.... Welk eene aanwinst!.... Niet
waar?.... Zoo’n kerel!”
Pescados zweeg en stak eene sigarette aan, waarvan hij den grilligen
rook tegelijkertijd uit den neus, uit de oogen en zelfs uit de ooren
liet ontsnappen. De beide anderen keken hem verwonderd aan.
„Ge denkt dus, dat die dokter rijk is?” vroeg Zirone begeerig en met de
lippen smakkend.
„Rijk, vraagt gij? Hij is zoo rijk, dat hij het geheele eiland Sicilië
kan koopen, om er zich een Engelsch park van te vervaardigen,”
antwoordde Pescadospunt.
Toen, bedenkende dat het oogenblik wellicht gekomen was, om Zirone het
denkbeeld in te fluisteren van het plan, welks uitvoering hij
persoonlijk najaagde:
„Ziet, vervolgde hij dan ook, „al heb ik dien dokter Antekirrt in eigen
persoon niet gezien, dan heb ik toch een zijner pleizierjachten kunnen
bewonderen.”
„Een zijner pleizierjachten? Houdt hij er pleizierjachten op na?” vroeg
Zirone geheel en al verlokt.
„Men zegt, dat hij eene geheele flottilje er op nahoudt, om zijne
tochtjes op de Middellandsche zee te kunnen volvoeren en de
verschillende kusten van dat meerbekken te bezoeken.”
„Een zijner pleizierjachten?” herhaalde Zirone voortdurend met de
grootste verwondering.
„Ja, de Ferrato! Een prachtig vaartuig, dat mij zeer ter stade zoude
komen, om tochten in de baai van Napels te ondernemen, met een of twee
vorstinnen mijner keuze!”
„En waar hebt ge dat jacht gezien, vriend Pescados?” was de
nieuwsgierige vraag.
„Te Malta,” antwoordde Pescados, zonder de minste aarzeling. „In de
Militaire haven.”
„Wanneer?”
„Wanneer?.... Laat zien.... Wel, niet later dan gisteren,” antwoordde
de kleine man zonder bedenken.
„Gisteren?”
„Wel zeker, te La Valletta. Toen wij ons met onzen aanvoerder Carpena
inscheepten, lag het nog in de Militaire haven ten anker. Maar men
vertelde, dat het vier en twintig uren later vertrekken zou.”
„Waarheen? Zijt gij dat soms ook te weten gekomen, vriend Pescados?”
vroeg Zirone.
„Eh, eh! Juist naar Sicilië, naar Catania! Ja, dat vernam ik nog even
vóór onze inscheping.”
„Naar Catania?” herhaalde Zirone nadenkend. „Weet gij dat zeker? Naar
Catania?”
Die overeenkomst van het vertrek van dokter Antekirrt met de
waarschuwing, die hij ontvangen had, om dien man te wantrouwen kon niet
anders dan de achterdocht van den makker van Sarcany opwekken.
Pescadospunt begreep, dat zekere geheime gedachte in het brein van
Zirone broeide. Maar welke?
Toen hij haar niet kon raden, besloot hij meer bepaald er op los te
gaan. Toen Zirone dan ook vroeg:
„Wat kon die duivelsche dokter in Sicilië uit te voeren hebben? En
juist te Catania?”
„Wel nu nog mooier! Wat hij hier wil uitvoeren? Wel niets! Volstrekt
niets! Dat begrijpt gij.”
„Niets?”
„De stad bezoeken, den Etna beklimmen; in één woord: rondboemelen als
een rijk heer, die hij is.”
„Pescados,” zei Zirone, die van tijd tot tijd eene zekere achterdocht
in zich voelde opwellen, „het komt mij voor, dat gij meer van dien man
weet, dat gij thans wel vertelt.”
„Niet meer dan ik u mededeel. Maar ik zou meer uitvoeren, wanneer de
gelegenheid zich zou voordoen.”
„Wat wilt ge zeggen? Wat zoudt gij willen uitvoeren?” vroeg Zirone
nieuwsgierig.
„Dat’s duidelijk genoeg, dunkt me,” mompelde Pescadospunt schier
onhoorbaar.
„Voor mij evenwel niet. Gij dient duidelijker te spreken, vriend
Pescados,” hernam de Siciliaan.
„Welnu, ik wil zeggen, dat wanneer die dokter Antekirrt, zooals
vermoedelijk is, op ons grondgebied zal komen wandelen, Zijne
Excellentie ons een aardig losgeld te betalen zal hebben.”
„Zoo, meen je dat?”
„En als hem dat slechts een of twee millioen zal kosten, dan komt hij
er goedkoop af.”
„Vind je?.... Ja, het is waar: die overjas met die zes zakken, niet
waar? Maar zijn die zakken altijd gevuld?”
„En dan zou kunnen gezegd worden, dat Zirone en zijne vrienden echte
schaapskoppen zullen geweest zijn,” ging Pescadospunt voort, zonder op
de laatste vraag te antwoorden.
„Goed gezegd,” antwoordde Zirone lachende. „Na dat compliment aan ons
adres kun je gaan slapen.”
„Dat lijkt mij, kapitein,” antwoordde Pescados, „maar ik weet wel,
waarvan ik droomen ga.”
„Waarvan, zeg?”
„Van de millioenen van dokter Antekirrt.... Dat zullen gulden droomen
zijn, niet waar?”
En daarop ging Pescados, na nog eene laatste rookwolk van zijn
sigarette uitgeblazen te hebben, zijn makker in de schuur der herberg
opzoeken, terwijl Carpena naar zijn vertrek ging.
En toen, in plaats van te slapen, hield de brave kerel zich onledig met
hetgeen hij gedaan en gezegd had behoorlijk in zijn brein te ordenen.
Dat was niet gemakkelijk. Dit moest hij erkennen.
Had hij inderdaad van het oogenblik, dat Zirone tot zijne groote
verwondering hem over dokter Antekirrt gesproken had, de belangen
behoorlijk behartigd die hem toevertrouwd waren? Dat de lezer oordeele!
De dokter hoopte bij zijn verblijf op Sicilië Sarcany, en, voor het
geval dat zij er te zamen waren, ook Silas Toronthal te ontmoeten. Dat
was toch mogelijk, daar beide Ragusa verlaten hadden. Mocht dat
tegenvallen, dan zou hij, bij afwezigheid van Sarcany, zich van Zirone
meester kunnen maken. Daarna zou hij dezen, hetzij door hem te
beloonen, hetzij door hem te dreigen, er wel toe brengen, om te
vertellen, waar Sarcany en Silas Toronthal zich ophielden. Twijfel aan
den uitslag van dat beraamde plan kwam volstrekt niet bij hem op.
Dat was zijn voornemen, en ziehier hoe hij dat dacht uit te voeren. Het
was eenvoudig genoeg.
De dokter had in zijne jeugd Sicilië verscheidene malen bezocht en dan
voornamelijk in de omstreken van den Etna vertoefd. Hij kende de
verschillende wegen, welke de bergbestijgers gewoonlijk insloegen. De
meest gekozene slingert aan den voet een zonderling huis voorbij,
hetwelk aan den benedenrand van den uitbarstingskrater gebouwd is en de
„Casa Inglese”, het Engelsche huis genoemd wordt.
Nu hield de bende van Zirone, waarvoor Carpena versterking te Malta
aangeworven had, strooptochten op de hellingen van den Etna. Het was
dus zeker, dat de aankomst van een zoo beroemd persoon, als dokter
Antekirrt was, hare gewone uitwerking te Catania zoude uitoefenen. Daar
nu de dokter openlijk had laten verkondigen, dat hij den Etna wilde
beklimmen, kon het boven allen twijfel verheven gerekend worden, dat
Zirone zulks vernemen zoude, vooral als Pescadospunt er zich in mengde.
De lezer heeft kunnen bespeuren, dat de aanleg der zaak niet moeilijk
was geweest, daar Zirone zelve Pescados over dokter Antekirrt
ondervraagd had.
Ziehier nu de valstrik, die Zirone gespannen werd, en waarin hij alle
kans had zich te verstrikken.
Daags voor den bepaalden dag, dat de dokter de vulkaanbeklimming zou
ondernemen, moesten twaalf goed gewapende mannen van de Ferrato zich
heimelijk naar de Casa Inglese begeven. Den volgenden dag zouden de
dokter, vergezeld van Luigi Ferrato, van Piet Bathory en van een gids,
Catania verlaten en den gewonen weg volgen, zoodanig dat zij de Casa
Inglese tegen acht uur des avonds konden bereiken.
Zoo doen de toeristen, die boven op den Etna de zon willen zien opgaan,
hetgeen door het oostwaarts gelegen gebergte een bewonderenswaardig
gezicht oplevert.
De Casa Inglese is door eenige reizigers, die uitermate veel van
comfort hielden, daargesteld. Zij is prachtig gelegen op ongeveer drie
duizend meters boven de oppervlakte der zee.
Ongetwijfeld was het de wensch van Zirone, daartoe door Pescadospunt
opgehitst, te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, vooral
daar hij meende, dat hij slechts met hem en zijne twee metgezellen te
doen zoude hebben. Wanneer hij echter bij de Casa Inglese zoude
aankomen, zou hij door de zeelieden der Ferrato warm ontvangen worden
en zou alle weerstand vruchteloos, ja onmogelijk zijn.
Pescadospunt, die dat plan kende, had dus zeer behendig van de
omstandigheden partij getrokken, om het denkbeeld in het brein van
Zirone op te wekken, zich van dokter Antekirrt meester te maken. Dat
zou een zeer rijke prooi zijn, die hij naar hartelust zou kunnen
uitplunderen, zonder daarbij de waarschuwing uit het oog te verliezen,
die hij ontvangen had. Was het bovendien niet het zekerste, nu hij zich
voor dien dokter moest wachten, hem in zijne macht te krijgen, al moest
hij dan ook daarvoor den losprijs, dien hij bedingen kon, verliezen?
Hoe meer de bandiet er over nadacht, hoe meer de zaak hem toelachte.
Zirone ging tot dat besluit over, in afwachting van nieuwe instructies
van Sarcany.
Maar om des te zekerder omtrent het welslagen te zijn, rekende hij,
dewijl zijne geheele bende niet bij de hand was, die oplichting uit te
voeren met behulp der Maltezers van Carpena. Dat kon Pescadospunt geene
onrust inboezemen, daar die twaalf booswichten wel in bedwang zouden
gehouden worden door de zeelieden van de Ferrato. Die Maltezers waren
inderdaad nog slechts nieuwelingen in het werk.
Maar Zirone liet zelden of nooit iets aan het toeval over, wanneer hij
anders handelen kon.
Daar volgens beweren van Pescados het stoomjacht den volgenden dag
moest aankomen, zoo verliet hij in den vroegen ochtend de herberg Santa
Grotta, daalde de hoogte af en begaf zich naar Catania. Dewijl hij in
die plaats niet bekend was, kon hij dien tocht zonder gevaar hoegenaamd
ondernemen. Niemand zou hem verdenken.
Het stoomjacht was toen reeds sedert eenige uren op de ankerplaats
aangekomen. Het had niet aangelegd bij de haven, waarbij zich de
vaartuigen steeds verdrongen, maar het was ten anker gekomen in eene
soort van voorhaven, gelegen tusschen den noorderpier en een kolossaal
rotsgevaarte van zwartachtige lava, die door de uitbarsting van 1669
tot bij den zeeoever voortgestuwd was. Daar lag het vaartuig veilig.
Reeds bij het aanbreken van den dag werden Kaap Matifou en elf man der
equipage onder aanvoering van Luigi Ferrato te Catania ontscheept,
waarna zij zich ieder afzonderlijk op weg begeven hadden naar de Casa
Inglese.
Zirone wist dus niets van die ontscheping, en daar de Ferrato op eene
kabellengte van den wal verwijderd ten anker lag, kon hij zelfs niet
gadeslaan, wat er aan boord voorviel. Dat was, de lezer moet het
erkennen, eene gelukkige omstandigheid.
Tegen zes uur des avonds zette de barkas twee passagiers van het
stoomjacht aan wal. Dat waren dokter Antekirrt en Piet Bathory. Zij
richtten hunne schreden, terwijl zij de Via Stesicoro en de Strada Etna
insloegen, naar de Villa Ballini, een bewonderenswaardige publieke
tuin, een der fraaiste, zoo niet de fraaiste wellicht van geheel
Europa, met zijne bloemperken, zijne boschjes van sierplanten, zijne
paden langs grillige hellingen, zijne terrassen, beschaduwd door zwaar
en hoog geboomte, zijne levendige en murmelende beken, en dan die
prachtige vulkaan, welke aan den gezichteinder verrijst en steeds met
eene rookpluim getooid is, Inderdaad, die vallei is verrukkelijk.
Zirone had de twee passagiers achtervolgd en twijfelde er niet aan, of
een hunner was dokter Antekirrt. Hij sloop zoodanig voorwaarts, dat hij
hen vrij nabij naderde te midden van de menigte, die in de villa
Bellini naar de muziek was komen luisteren en zich daar vrij laat
ophield. Hoe geheimzinnig hij dit had pogen te doen, hadden de dokter
en Piet Bathory toch de geniepige omdolingen bemerkt van dien kerel met
dat argwaanwekkende gelaat. Als dat de door hen bedoelde Zirone was,
dan—dat moesten zij erkennen—was de gelegenheid schoon om hem verder in
den valstrik te lokken, waarin zij hem vangen wilden. Onmerkbaar
knikten zij elkander toe.
Tegen elf uren in den avond dan ook, juist toen beiden den openbaren
tuin wilden verlaten, om naar boord terug te keeren, zei de dokter met
gedempte stem tot Piet:
„Dat is dan afgesproken, morgen zullen wij op weg gaan en zullen den
nacht in de Casa Inglese doorbrengen.”
„Hoe laat het vertrek?” vroeg Piet Bathory, even onverschillig, of hij
gehoord werd of niet.
„Dat zullen wij aan boord van de Ferrato bepalen,” antwoordde dokter
Antekirrt.
De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten;
want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas
spoorloos verdwenen.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij
niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.
XI.
DE CASA INGLESE.
Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten
dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te
gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.
De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te dalen, beval
de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst
van de Electriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op,
dat vaartuig onmiddellijk naar de wateren der Faraglioni, ook de rotsen
van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten
teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.
Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en
Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen
dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van
Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de
plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.
De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van
Catania bereikt.