„Daarenboven,” ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of

zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het

zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer

ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”

Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de

medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn.

Door die rol op zich te nemen, was de schrandere jongen er in geslaagd,

het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem

zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het

zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.

Toen zij na een tiental minuten de zaken genoeg bepraat en overwogen

hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander

gezien wilden worden, te scheiden.

Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in

de groote haven eene sloep en keerde zoo naar het kwartier Manderaggio

terug.

Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter

reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht

hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen

had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten

verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij

gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee

getrouwe vrienden verplicht te zijn.

De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter

elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in

zich zelven prevelen en herhalen:

„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen,

geen haar, of de duivel....”

De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen

doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen

te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De

generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.

X.

IN DE OMSTREKEN VAN CATANIA.

Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den

aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder

ruwe oppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel,

glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne

zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij

zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.

Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper,

en die had voorwaar andere inzichten.

Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons

voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen,

de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en

maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele

wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet

uitgezonderd.

In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van

Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den

Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte,

hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van

Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig

en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al

verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van

Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verder noordwaarts de klippen

van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de

reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche

held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw

koninkrijk te stichten.

Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en

moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is

waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou

het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie

duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan

heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses

volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een

Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten

cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens

kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top

van den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen

bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen

werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door

Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.

Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg

naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar

Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der

Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van

verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas

vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er

inderdaad doof te worden!

Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de

bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond

van den 20sten Augustus over sommige teedere zaken te praten, die de

Siciliaansche maréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had

hun eer en bevordering aangebracht.

Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert

eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.

De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.

„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u

wel laten wachten.”

„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de

Spanjaard.

„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.

„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.

„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia,

de vroegere buurvrouw van Malta deed....”

„Och kom.”

„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in

de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost

gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.

Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking

van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo

had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone

spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone

onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen

kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie

gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat

hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.

„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst

dezen ochtend heeft mij de pakketboot te Catania aan wal gezet. De

overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”

„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk

op die woorden: „uwe mannen”.

„Ja.”

„Hoeveel kerels hebt ge?”

„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige

snoeverij in zijne stem.

„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s

weinig.”

„Me dunkt.”

„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat

wist ge!”

„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven,

als het er op aankomt.”

„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.... Ziet, dan zou ik tevreden

zijn. Die zijn tot alles in staat.”

„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders

optrok.

„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt.

Wie zijn het?”

„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich

vele Maltezers.”

„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn

die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert

eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de

maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den

grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de

pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het

Vaticaan.... Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede

hoedanigheid uitmunt.... Als zij maar puik is.... dan zal dat veel

vergoeden.”

„Dat geloof ik ook, Zirone,” antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de

proef kunnen beoordeelen.”

„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten

hebben.”

„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik

breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de

kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat

men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons

groote diensten zal kunnen bewijzen.”

„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij

te Malta uit?”

„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of

zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”

„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al

nieuwsgierig.

„Pescados.”

„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.... Vindt ge ook niet? Wat

beteekent die?”

Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet

wist. Toch antwoordde hij:

„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk

voor instaan.”

„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste

plaats aan, dat weet ge.”

„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en

zonder eenige aarzeling.

„En slim?”

„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat

hij zoo’n dier de loef afwint.”

„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te

gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”

„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar

heb ik hen onder de hand.”

„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al

nieuwsgierig.

„Morgen, bij het aanbreken van den dag.... Ten minste als er zich niets

tegen verzet.”

„Dat kan niet.”

„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens

willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”

„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog

geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge,

zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben,

ontvangen zal hebben.”

„Nu, mij wel!” antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat

is er aan de hand?”

„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet

mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen

worden.”

„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.

„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij

niet?”

„Van hem?....”

„Ja.... van hem!.... Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen,

noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar....

bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben

in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”

In dit oogenblik werd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel

onmogelijk door het geluid der branding op het strand duidelijk kon

onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben,

waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van

Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena

en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij

langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden

afgesloten werd.

Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel

binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die

evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van

het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de

duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven

voor zich uit met een streep van vuur.

Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op

slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig

geratel en gegil voorbijsnorde.

Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het

raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting

daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte,

smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de

baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig

passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.

Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar

duidelijk herkend.

Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci

Reale verdwenen.

Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee

helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te

zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige

beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in

dit nachtelijk uur te vreezen was—voor onbescheiden blikken moest

dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij

zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit,

hetwelk het navolgende bericht bevatte:

„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten.

Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”

Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige

persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig

gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw

de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt

geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En

daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te

bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker

Zirone te doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest

erkend worden.

De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en

zich tot Carpena wendende:

„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij

hem.

„Neen,” antwoordde de Spanjaard.

„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had

gehoopt dat....”

„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de

rede.

„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”

„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u

verbazing afpersen zal!”

„Dat zullen we zien.”

Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog

voorzichtig rondgekeken te hebben.

„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts

reist, niet waar?”

„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de

Spanjaard.

„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.

„Dunkt u?”

„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te

onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”

Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens

voor toestemming gelden.

„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de

herberg Santa Grotta zijn.”

„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate

uit het veld geslagen was.

„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.... Gij zijt toch niet

moede, hoop ik?....”

„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver

loopen.”

En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad

in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den

Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan

omgeven, voerde.

Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te

Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene

vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als

die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal

aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden

leden.

Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel

van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele

nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de

vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te

kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.

Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster

samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden

der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.

Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle

zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden,

al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in

hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en

andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden

verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer

voordeelig middel van bestaan.

In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer,

door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië

moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich

aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of,

zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie

onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij

hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed

weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te

treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie”

zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af

te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen

doorworstelde.

Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het

gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als

prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld

was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de

gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun

edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.

Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten,

wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier

Silas Toronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder

welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die

verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de

arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen!

Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld

mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het

tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven

honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien

kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen:

kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat

bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte,

daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna

nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de

Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en

dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met

elkander bezitten; burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die

tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen;

alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord:

een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener

als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee

duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten

en te ontkomen.

Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de

aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te

vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s,

weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken,

steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen,

voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles

ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners,

verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante

kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per

vierkanten kilometer.

Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de

bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook

neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals

de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij

verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette

arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds

aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder

voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat

daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven

aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief

maakt.

Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche

maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken

zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën

ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag gevallen

waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd

onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van

Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij

besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met

Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van

het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had

te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was

Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf

mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat

het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet

groot was, hoewel hij beter verwacht had.

De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel

toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein,

als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de

functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk

moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op

eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.

Er zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat tegenover Sarcany en

Zirone, die den geheelen levensloop van Carpena kende, en in het

bijzonder omtrent zijn verraad ten opzichte van Andreas Ferrato

ingelicht waren, hij integendeel niets van het gebeurde te Triëst

vernomen had. Hij meende, dat hij slechts in betrekking stond met

eerlijke roovers, die sedert lange jaren hunne „zaken” in het gebergte

van Sicilië dreven, maar zich overigens met geen kuiperijen ophielden.

Zirone en Carpena hadden gedurende dat traject van acht Italiaansche

mijlen, hetwelk de rotsen van Polyphemus van Nicolosi scheidt, geene

onaangename ontmoetingen, hetgeen in hun taal wil zeggen, dat geen

enkele maréchaussée zich op hun weg vertoonde. Zij volgden overigens

zeer moeielijke paden, welke tusschen de wijngaarden en velden van

olijfboomen, van oranjeboomen, van cederboomen, en te midden van

esschenboschjes, van elzenboschjes, van struiken van kurkeiken en van

Indische vijgeboomen omhoog slingerden. Somtijds schreden zij door een

van die beddingen van opgedroogde bergstroomen voorwaarts, die, van uit

zee gezien, zich als zoovele gemacadamiseerde wegen voordoen, die langs

de berghellingen opwaarts klimmen en waarop de ballest-welrol de

scherpkantige keisteenen nog niet zou verbrijzeld hebben.

De Siciliaan en de Spanjaard trokken eindelijk door de dorpen San

Giovanni en Tramestieri, reeds op eene aanmerkelijke hoogte boven de

oppervlakte der Middellandsche zee gelegen.

Mathias Sandorf [2] · 第 15 / 19 段