over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep
moesten treffen.
„Ja!....” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk
als zijne inborst betreft.”
Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan
boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om
direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen
overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te
mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud
van de Ferrato in de haven van La Valletta gebruik zouden maken, om
hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te
verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder
hadden, om eindelijk het weinige, wat zij bezaten, te gelde te maken,
ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het
ankerlichten te kunnen betrekken.
Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij
vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een
gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas
Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de
moeielijkste taak bleef nog over.
Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas
Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest
getracht worden zich van Carpena meester te maken.
Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het
bezworen!
Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun
spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende
hij, zouden zij wel getrokken zijn.
En, wat den andere betrof, ja.... men zou zien, men zou zoeken en
zoeken tot men hem gevonden had!
Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den
dokter afzonderlijk konde spreken.
„Wat ik u mede te deelen heb,” zei ze, toen de dokter zich aan de deur
van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren, „heb ik zelfs
voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen
bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen
hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”
„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw
geheele vertrouwen.”
„Maar, kan Luigi....?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet
komen?”
„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde
de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij
spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”
Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een
divan en hernam Maria:
„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver
te zoeken.”
„Hier?”.... vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien
samenloop van omstandigheden.
„Ja!”
„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria? Bedenk
u goed.”
„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige
dagen, heer dokter.”
„Hier, te La Valletta?”
„Ja!”
„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek
dan toch, Maria!”
„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij
wonen en waar gij u thans bevindt!”
„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de
twijfel op zijn gelaat te lezen was.
„Ja, zeer zeker!”
Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over
hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen
met ernstige stem:
„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen
als smeekend te zamen.
„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon.
„Neen, ik vergis mij niet.”
„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou
kunnen doen vatten.”
„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven.
Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen
oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.... Geloof mij,
hij is hier.”
„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het
meisje aandachtig aankeek.
„Neen, heer dokter.... Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigi
weet er niets van.”
Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan.
Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.
„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets,
hoort ge, niets.”
„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem
geheim moest houden.”
„Waarom?”
„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.... Daaromtrent bestaat bij mij
geen twijfel. En....”
„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?... Ga dan
toch voort!”
„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.... zouden zij gevochten
hebben.”
„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man
behoort mij alleen toe! Maar....”
„Maar, wat, heer dokter?”
„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van
Rovigno zoovele jaren heengegaan.”
„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem
twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier
ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om,
om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij
mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten,
wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen
dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”
„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of
trachten aan te spreken?”
„Nooit.”
„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is?
Malta is toch zijn vaderland niet?”
„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft
gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”
„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter
Antekirrt verder aan.
„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij
zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de
Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen
schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn
gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar
het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij
bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp
de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”
„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg
dokter Antekirrt.
„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”
„Niet?”
Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het
ijle, alsof zij iets zochten.
„Neen,” antwoordde het meisje.
„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij
over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”
Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de
deur, waardoor het onderhoud een einde nam.
„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden
binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij
voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”
„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol
bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”
„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne
oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”
„De Ferrato is een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.
„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de
dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting
dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”
„O, mijnheer....”
„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer
dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne
menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”
„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij
steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.
Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory,
om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd
overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder
zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord
zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier
Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk
was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had.
In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.
Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt
Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory
wenschte te spreken.
Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van
iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen,
maar even gereed is om het uit te voeren.
„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken
er derhalve op.”
„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt
gij mij alleen noodig?”
„U alleen.”
„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.... Ik hoop
toch, dat....”
„Neen, eerst gij.”
„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek,
wat moet ik doen?”
„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”
„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”
„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La
Valletta begeven.”
„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Wat verder. Wat moet
ik er uitvoeren?”
„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken.
Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”
„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt
voldoen, dat verzeker ik u.”
„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge
geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer
belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”
„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom.
Maar wat verder?”
„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u
geheel en al een vreemdeling zijn.”
„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.... Ik moet evenwel erkennen, dat dit de
zaak moeilijk maakt.”
„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat
zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.
„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor
een vastenavondbal!”
„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de
slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te
werven door middel van veel geld.”
„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale
mogendheid, misschien wel voor Nederland?”
„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens
rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij
zeer geheimzinnig toe.”
„Zoo zoo!”
„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij
begrepen, Pescadospunt?”
„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal
zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.
„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet
naar boord terugkeeren.”
„Niet?”
„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd
worden, niet waar?”
„Dat is zoo, heer dokter.”
„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen,
om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere
uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”
„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen
wreef.
„Daar zal ik u dan aantreffen.”
„Dat is afgesproken, maar....”
„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.
„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te
hebben omtrent hem!”
„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn
vriend....”
„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt
waarlijk iemand verlegen maken.”
„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokter onverstoorbaar
voort.
„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij
dien heer, dokter?”.
„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”
„Hoe heet hij dan?”
„Carpena.”
„Wat.... Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit.
„Is die Spanjaard hier?”
„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier,
waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den
man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den
dood gevonden heeft!”
De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl
Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt
begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht
in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een
duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter
uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was
duidelijk en helder als de dag.
Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter
ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk
gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te
drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana
zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker
geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het
stadkwartier Manderaggio.
Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed
om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen
geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen
worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden
daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het
westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de
koopvaardijschepen en deserteurs van de oorlogsschepen van alle
mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers
van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed
van die zeeschuimers door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo
gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de
Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten
van Portugal, Spanje en Frankrijk.
Carpena had de opdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen,
die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat
dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechts weinig
moeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de
kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartier Manderaggio
niet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel
hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand.
Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar
het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de
Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.
Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren
geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en
ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was.
Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit
Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der
Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken.
Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij
voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was
nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen
schavuit geworden.
Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond
van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij
een zeker aantal helpers en medeplichtigen moest aanwerven, om eenige
ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des
scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden
beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en
in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar
waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!
Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende
moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers,
die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat
dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen
maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet
liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de
uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.
Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd
geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier
Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van ruim
vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond
herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het
denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam
uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.
Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten
komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen,
en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met
zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van
Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt
laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte,
die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat
geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n
debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste
post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in
Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde
voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en
niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts
ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een
echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde
schatten!
Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot
gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den
ochtend van den 25sten Augustus ontving dokter Antekirrt een briefje,
waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op
dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat
briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen
glijden.
Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van de Ferrato met
alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na
behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen
aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.
Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door
Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door
booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de
voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.
Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig
lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet
geëindigd was.
Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als
vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne
opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene
hand op zijn arm rusten.
Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en
wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de
oogen en bood hem een zakdoek aan.
„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.
„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak
zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke
kerel.
Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich
de oogen.
En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder
zijne geleende plunje.
„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van
zijne verbazing.
„Grappenmaker, ja!.... Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge
inderdaad mis!”
Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest
hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen
overgang:
„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”
„Ja, die is inderdaad bezig met....”
„Met wat?”
„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van
geheel Manderaggio.”
„Voor wien?”
„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een
sluwen glimlach op het gelaat.
„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en
eenigermate ontstuimig.
„Inderdaad.”
De dokter zweeg een poos, om na te denken.
De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk
eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die
twee ellendelingen en Carpena?
Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij
zich niet bedroog.
Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de
vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had
onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena
waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste
ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld,
om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de
roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.
Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor waarop
dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn
gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinen
acrobaat niet ontging.
„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats
heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.
„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.
„Voor welke rooversbende?”
„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”
„Op Sicilië?.... Juist!.... dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als
in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet
gij dat ook?”
„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde
Pescadospunt.
„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in
gedachten verzonken.
Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het
scheen, dat hij goede tijding gebracht had.
Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene
goede tijding voor dokter Antekirrt.
„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste
belangstelling.
„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem
van zelfvoldoening in zijn stem.
„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast
ongeloofelijk!”
„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en
inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming
aan....”
De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen
Pescadospunt.
„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij
na een poos.
„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet
hoorde.
„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort.
„Gij zult er wel naar haken, niet waar?”
„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde de acrobaat met
een gullen glimlach.
„Past u? Wat bedoelt ge?”
„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij
zelven niet meer toe!”
„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet,
Pescadospunt.”
„Kom, gekheid!.... Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En
ik wil haar goed vervullen.”
„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.... Bedenk dat wel! Daar
valt niet mede te schertsen.”
„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel
gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te
zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”
„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde,
ten einde zijne aandoening te verbergen.