Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken

vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld

kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste

brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende

punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om

met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met

batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds

een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest;

maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in

weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel

met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.

Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters

van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de

Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude

daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee

kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische

werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te

verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand

van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de

Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk

het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de

vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in

handen der Engelschen is gebleven.

Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel

niet veel.

Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den

Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een

admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er

ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan. Men vindt er

ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen;

vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die

van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.

De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen

varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en

bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs

wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij

vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de

bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd

heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.

Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten

dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde

haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en

krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het

Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder

een vrij langen knevel verschuilen.

Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap

behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren

haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen,

met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard

aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,”

een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode

opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel,

mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.

De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide

koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te

verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig;

maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch.

Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard

gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het

grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel

van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten

gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en

leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot

beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn

onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te

houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in

die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.

Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde

stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het was

daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria

Ferrato woonde.

La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En

terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich

achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van

de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La

Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te

beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door

de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn

ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en

kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen.

De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en

biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de

„herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van

Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk

niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.

Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel

juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort

onderaardsch kwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de

Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.

Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel

inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt

en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.

Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen

hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op

de kade van de groote Mars-haven.

Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd

door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door

het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van

het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder

het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den

hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar

boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap

langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene

vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden

lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint

Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het

luidruchtigste volk der wereld gelegen is.

Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal

bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg in, die naar de

Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en

hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar

de onderaardsche diepten der stad voerde.

De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen

uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan

doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten

doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en

waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de

anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke

mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen

eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam

van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die

luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen,

op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende

bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek

bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden

dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts

in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half

naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest

mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest

afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden

en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers,

allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad

te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van

dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke

politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen

gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als

ware het geen modder. Een ware Cour des Miracles, zooals Parijs in de

middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest

verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de

getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en

uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend

zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke

zeebries aangebracht, genoot.

In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste

verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij

slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.

Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat

ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die

er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in

terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger aan het hoofd van het

huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed

hare moeder geen oneer aan.

Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op

haren broeder toetredende:

„Mijn jongen!.... Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij

toch zoo lang gebleven?”

Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende

dien stormachtigen nacht.

Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem

vergezelden.

Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk,

onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in

nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den

naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het

meisje aandachtig gade.

Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid,

met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen,

dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.

Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even

spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij

verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den

persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van

haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te

noemen.

De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was

nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer

gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige

zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden

genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had,

dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon

natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die

vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite,

aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood

van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En

waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen

doorgebracht.

„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter

Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd

het leven kunnen genieten.”

Beide kinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen

hoopvol aan.

„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak

dokter Antekirrt met aandoening.

„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt

niet te ontkennen.”

„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons

niet meer verlaat?”

„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat

hij doen moest.”

Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden

vorm.

„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter

hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd

ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld

kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht

het leven verloren heeft.”

„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak

dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is

daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van

hem, die....”

Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet

verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.

Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als

het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge

meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van

streek.

„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen

beletten, mijn broeder te zijn?”

„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter

Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.

Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno

verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche

agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte

gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude

vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer

en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe

zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een

eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende;

want het weinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.

Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook

in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal

langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.

Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij

zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo

Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald wordt, depêches

bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest

overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten,

dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte

Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook

niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven,

wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten,

welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms

geheel onmogelijk gemaakt wordt.

Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig

teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het

gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En

het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in

eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen,

toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in

vreeselijken nood verkeerde.

Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de

weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet

gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan

genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had

Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin

te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond,

door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer

bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne

toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten

voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.

Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer,

waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in

de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn

verscheiden geschreven had.

„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder

aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor

hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen,

gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig

opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs

met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden,

die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans

nog doen.

„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te

gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen

toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen

vader niet!

„Andreas Ferrato”.

Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet

weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt

wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem

als het ware zocht, te ontkomen.

„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon

zijner stem, die de anderen deed opzien.

„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.

„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht

verbrijzeld geworden, niet waar?”

„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge

zeeman verontschuldigend.

„Maar, toch.... Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe

broodwinning?”

„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies

zijn,” antwoordde Luigi.

„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot

verlies.”

„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats

om te zeggen: de Heer heeft gegeven....”

„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een

ander te vervangen.”

„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom

mag ik....”

„Zwijg,.... ja,.... door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered

hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”

„Wat.... gij wilt?.... Maar zoo iets is niet mogelijk!.... Zoo iets is

ongehoord!....”

„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van de Ferrato?.... Wilt ge?”

„Maar. Hoe kan dat?”

„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong,

ijverig en goed zeeman is.”

„Maar, heer dokter!....” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik,

maar met twijfel in zijne stem.

„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem

aan, Luigi!.... Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”

„Maar.... mijne zuster?....” prevelde de zeeman nog tegenspartelende.

„Mijne zuster?....”

„Ja juist, zijne zuster?....” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.

„Waar moet die blijven?”

„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote

familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot

behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij,

behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het verleden

te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”

„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.... Zoo’n

toekomst!.... En dat voor ons?....”

„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen

bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.

Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze,

kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door

hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.

„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand

drukten.

„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich

aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.

„Morgen?”

„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen

spreken.

En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het

vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem

dadelijk te volgen.

„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn

heerlijk, mijn zoon!....”

„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele

harten geldt.”

„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.

„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet

anders ware!”

„Dat is waar!.... Dat zou wenschelijk zijn. Maar.... waar noodig, moet

gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.

Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af

te wachten.

Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat

de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst

mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden,

uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie.,

scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke

firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid

onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling

vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor,

wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om

de herstelling afdoend uit te voeren.

Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen;

want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te

komen. De lezer weet waarom.

Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goelet Savarena naar Malta te

doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter

eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan

met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood

te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet

overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden,

een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die

Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram

werd bevel gegeven aan de Electriek 2, om onmiddellijk op de kust van

Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan

kruisen.

Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en

haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter

Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.

Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan

de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten

officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die

betrekking vervuld had, zou aan boord van de Electriek 2 overgaan,

zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.

Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet

vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne

stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld

vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken

hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe

hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door

alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door

zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat

hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid.

Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn

schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman

bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want de Ferrato was een

prachtig schip.

Mathias Sandorf [2] · 第 13 / 19 段