dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een
oppertje achter het eiland Malta te zoeken, welks kustlichten, tegen
acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten
verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte
stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den
dampkring werd al meer en meer dreigend.
De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende
noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke
wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden zich toen
reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den
gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band
voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte
kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er
in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden.
Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe
bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische
wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde
krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.
Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen-
en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de
menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare
pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.
De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in,
klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd
zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over
boord gespoeld te worden.
Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht,
veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van
het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en
schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis,
maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het
ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht
ingetreden. De barometer bleef dalen.
„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den
gezagvoerder.
„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik.
„Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen.
Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en
westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand
behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de
eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden,
wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en
het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen
hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats La Valletta aan te doen;
maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de
westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij
er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”
„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde
dokter Antekirrt, kalm en bedaard.
Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen
van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten
nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door
twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland
gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die
een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat
verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.
In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest de Ferrato evenwel
binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien
lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig
bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn,
den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een
toevluchtsoord te vinden.
Zoo deed kapitein Köstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te
hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere
averij, zoowel aan den romp als aan de machine van de Ferrato, te
voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar
voorzichtig zeeman.
Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo
niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok
van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief.
Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt?
Hoe kon dat mogelijk zijn?
Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de
donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.
Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den
gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en
vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de
scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd
plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden;
terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar
als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als
overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.
Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie
verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een
bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde,
terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.
Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu
hand over hand onrustbarend worden.
Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens twintig
mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest
bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te
vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In
dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de
loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile
oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk
van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal
vervaardigd, daartegen was het niet bestand.
Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te
leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte
niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel
omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven
op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die
omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het
strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het
voornaamste!
Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur
bereikt.
Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog,
als het kon.
Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd
tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De
wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den
geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid
van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de
tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in,
terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren
allerwege zichtbaar werden.
„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende
manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.
„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende
officieren op het achterschip herhaald.
„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich
van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De
tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de
vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den
tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende
met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.
De Ferrato toch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee
mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het
was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de
nabijheid te ontwaren.
De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen: maar
nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een
doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning
waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de
dingen, die thans komen zouden.
En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was
onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en
spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het
achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef
stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.
Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der
luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin
men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die
arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.... en in twintig minuten
kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen,
gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was
gevaarvol!
„Kluiver hijschen!.... Fok- en marszeilen bijzetten!.... Klaar bij het
barkzeil!”....
De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met
bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne
vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet
behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit
elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.
Maar de toestand, waarin de Ferrato zich bevond, was intusschen zeer
gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek
aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend
zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind
moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de
volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen
toestand geraakt.
En zoo gebeurde het met de Ferrato. Behalve dat het schip groote
moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het
naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af
en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er
niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de
stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats
vinden.
Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de
kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaters ter
weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het
eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne
monding te midden van die dikke duisternis te vinden? Hoe te midden van
die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de
oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te
bereiken? Was dat wel mogelijk?
Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvolle manoeuvre
hebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij
dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het
bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het in nood verkeerende
vaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.
Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het
oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog
drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.
Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der
mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht
gereefde zeilen naar de Ferrato toestevende. Ongetwijfeld was het een
visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine
kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn
vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige
Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden
vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de
noodschoten van de Ferrato gehoord. Toen die signalen gegeven werden,
bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de
branding en stampte en slingerde hevig.
Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn
leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast
en onttakeld was, ter hulp te snellen.
Wanneer de Ferrato nog te redden was, dan kon zij het slechts door hem
worden.
Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord
gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij
langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die
oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve
kabellengte van de klippen verwijderd.
De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge
golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van de
Ferrato aan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die
zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap
Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij
zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.
Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd
gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op
hetzelfde oogenblik dat de Ferrato met zijn voorsteven naar de rotsen
gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen, hield zij af, schoot het
smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van
achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust
van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending
geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.
Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een
halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den
dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich
over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La
Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij
den ingang der militaire haven, vallen. De Ferrato was gered. Uit aller
borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.
Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman
wendende:
„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand
toereikte.
„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen
toon.
„Dat is waar, maar met levensgevaar!”
„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee
bevinden.”
„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den
jongen man scherp aankeek.
„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik
rustig doorstond.
„Des te verdienstelijker is uwe daad!”
„Gij zijt wel goed!.... Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel
menschenlevens kan redden....”
„En hoe heet gij?”
„Hoe ik heet?”
„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te
leeren kennen.”
„Mijn naam?.... Luigi Ferrato!”
„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.
IX.
MALTA.
Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar
zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door
eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi Ferrato, wiens
behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele
bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen
de Ferrato de verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier
reeds op zat!
De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde
hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.... maar hij hield zich
in.... Hij bedacht zich.... Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn,
die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou
overgegeven hebben, en.... graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs
voor den zoon van Andreas Ferrato,.... dat mocht hij niet uit het oog
verliezen.
Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde
terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter
Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden
had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af
en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te
volgen.
Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een
stoel en vroeg hem:
„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren
te Rovigno in Istrië woonde?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter
Antekirrt met open blik aankeek.
„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die
dat gelaat welgevallig gadesloeg.
„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een
Corsikaan van geboorte.”
„Hadt gij niet een zuster?”.... ging dokter Antekirrt met zijn
onderzoek voort.
„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in
de Manderaggio.”
„Hoe heet uwe zuster?”
„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne
stem, „hebt gij mijn vader gekend?”
„Uwen vader!....” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich
bedacht.
Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet
goed verklaren.
„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu
vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno
verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne
opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne
vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het
leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende handeling naar
het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is....”
„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik
berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”
Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het
punt iets te vragen.
„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij,
zonder den blik neer te slaan.
De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste
aandoening in de zijne.
„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten,
om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan
hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert
vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria
geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas,
alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor
verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en
geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig,
dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt,
draagt den naam van Ferrato ter herinnering aan de moedige daad van
Andreas Ferrato, uwen vader!.... Mijn kind, mijn jongen, laat ik u
omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart
klemmen!”
En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de
tranen in zijne oogen schieten.
Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen.
Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting
van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen
man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den
visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op
den jongen visscher toe.
„En ik!.... en ik dan!....” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En
ik!.... en ik dan!....”
„Gij.... mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden
persoon in het gesprek verwonderd aankeek.
„Ja, ik.... ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der
martelaren!”
„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij
Bathory’s mond wilde sluiten.
Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars
armen. Snikkend omhelsden zij elkander.
Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet
Bathory ontsnapt was?
Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim
weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn
uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen
had.
Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel
dokter Antekirrt najoeg.
Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen,
namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf
bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.
De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij
was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar
karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen.
Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den
dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder
bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was.
Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de
beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten
werken.
„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk
ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust
over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja,
waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de
kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij
gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is
inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”
„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door
den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi
uitgesproken waren.
„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets
vochtigs in de oogen.
„Zij is dan goed voor u?”
„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn
geheele leven lang geweest.”
Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen
is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa,
hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt.
Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den
kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang
aanleiding geven zal.
Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de
Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het
eiland Rhodos verjaagd waren, en zich toen onder den naam van
Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men
het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het
gemaakt.
Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en
ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en
dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen,
gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta
Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel
van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo,
Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk
gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het
westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt,
hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de
meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.
Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend
inwoners.