Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige

beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal

stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een

geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden

stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene

buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de

verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de

waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van

het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen

sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één

woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd

verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap

verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre

afstanden te bezigen.

Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht,

zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord

gesproken is, zijne buitengewoon snelvarende Electrieks kunnen laten

vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een

sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere

te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.

Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen,

die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds

een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het

eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld

door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of

Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst

voorzien.

De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich

amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een

natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke

werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een

golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind

ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak

bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen

veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond

vooreerst uit de goelet Savarena, welke wij reeds kennen, uit het

stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of

Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, de Ferrato genaamd,

hetwelk zeven of acht honderd tonnen meette, en uit drie Electrieks,

waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst

krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland

konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt

mogelijk.

Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne

weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de

Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en

hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.

Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat

eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van

den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El

Madi, uitermate begunstigd hebben.

Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene

onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om

handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der

voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter

uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.

Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn

schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne

verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken

aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die

moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die de ballistische

vindingrijkheid der XIXde eeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de

Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van

achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld,

bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden

ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij

aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde

eene sterkte van vijf- of zeshonderd mannen, en dat was eene macht,

waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te

spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.

Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de

vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de

kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had,

als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf

Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten

had.

Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel,

hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op

Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten,

alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene

geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit

hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen

hunne daken onder de dichte schaduwen van hoog geboomte. Eenige waren

van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na.

Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die

door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en

steeds overvloedig voorzien bleven.

Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was

eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners,

leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen,

zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke

onafhankelijkheid prijs te geven.

Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo

gelukkig als ooit een volksstam geweest is en zijn zal.

Ubi bene, ibi patria!

Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!

is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal

haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van

dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig

en rampzalig in hunne geboorteplaatsen een kommervol leven

voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat

gastvrij eiland vonden.

Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof,

de volksplanters noemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het

gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar de primus inter

pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die

overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare

moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare

zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en

vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe

opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd

werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd,

als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de

baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door

een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel

begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich

uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den

kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig

Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde

schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over

gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het

Oosten verleend had.

Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen

klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar

wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle doeleinden,

zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk

leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van

die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene

geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare

en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.

Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere

woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s,

een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen

de dokter, de eenige geneesheer van de kleine volksplanting, zijne

zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens

verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere

fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best

ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein

blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en

zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.

Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest

waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun

toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.

Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben

durven droomen!

„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend,

terwijl hij zich de handen wreef.

„Hoe meent gij?”

„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde

Pescadospunt!”

„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen

stand, vrees ik.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”

„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof

hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.

„Wij moeten onderwijs genieten....”

„Onderwijs?”

„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de

spraakkunst....”

„He!.... in de spraakkunst?.... Alsof gij niet praten kunt...”

„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat

wij....”

„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartige

Hercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen....”

„Dat is waar, maar....”

Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine

Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in

werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne

vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die

nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in

de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen,

dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s

Gravenhage.

Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te

Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap

Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter

Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te

stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die

hoogst noodzakelijk was.

Overigens moedigde Piet Bathory Pescadospunt zeer aan, wiens ongemeen

schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke

geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor

van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs

zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair

onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet

gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan

Pescadospunt hechtte.

Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de

familie Toronthal gade te slaan?

Was hij niet in de Stradona-laan aanwezig, toen Sava, bij het

voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen

gedragen was geworden?

O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren

van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel

gehad had!

Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij

er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de

grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?

Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan

elkander verbond.

Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan

ten uitvoer zou leggen.

Dubbel plan, ja!

Eerst beloonen; daarna straffen!

Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die

weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden

was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen. Dat was

eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.

Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld

hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog

niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne

zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader,

Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den

tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.

Waarheen waren zij getrokken?

Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.

Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den

moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor

hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen

onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde

gespaard werden.

Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die

was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de

voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij

inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht

den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de

uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory

volkomen.

Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de

herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den

veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den

anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal

het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten

niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne

berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa

was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging.

Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met

dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.

Zoo was toen de toestand.

De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit

den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena

geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren.

Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die

konden hem dus niet ontsnappen.

Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen,

wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20sten

Augustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar

Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas

Toronthal, van Sava en van Sarcany, alsook de verdwijning van mevrouw

Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder

dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij

zich begeven hadden.

Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend

optreden.

Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die

hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat

zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen

gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan

viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde

spelen!

„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen

man aankeek.

„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.

„Dat kan niet, mijn zoon.”

„O, vergeef mij.... Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.... Waar

zullen wij....”

Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.... De naam van Sava

lag op zijne lippen.

Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in

de rede te vallen, door te zeggen:

„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee

gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de

hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten

komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee

ellendelingen wenden.”

„Maar waar hen op te sporen?”

„Waar?.... Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.

De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany

en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door

Mathias Sandorf afgeluisterd werd.

Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone

heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te

stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk

zouden maken.

Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als

Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke

aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om

de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.

Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory

althans iets.

Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter

zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om op het eerste

teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal,

Sarcany en Carpena waren.

„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.... En in mijne meening heb

ik mij zelden vergist.”

En tot Kaap Matifou fluisterde hij:

„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de

tijd gaat komen.”

„Weldra?”

De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en

antwoordde toen:

„Maar wacht op het slotwoord.”

Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.

De Ferrato lag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen.

Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds

stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen

gevuld, de kruitkamer goed voorzien.... Het sloeg acht uren toen

eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.

Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de

zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover

Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om

dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid

achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig.

Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.

De Ferrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een

bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de

scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke

kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels

waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij

de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden

het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle

stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde

stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig

kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen

was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen,

werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene

buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het

minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche

oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier

vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met

de beste van de geheele aarde.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de Ferrato met het

meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers alle

gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde

bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks

konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel

Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip

nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes

kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon

voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.

Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte,

die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit

twee luitenants ter zee.

De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden

werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan

werden door twee kolenruimwerkers.

Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren

vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware

specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de

bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig

matrozen.

In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle

flinke borsten.

Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder

vrij gunstige omstandigheden volvoerd.

Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo

kon de gezagvoerder van de Ferrato toch eene merkwaardige snelheid

verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig,

zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en

grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.

Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne

elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden,

en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de

meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de

bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig

tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige

toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk

neutraliseerden.

Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al

ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter

Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij

ondervonden, geen oog sloten.

Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren

gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland

Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig mijlen afgelegd.

De bries woei steeds uit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten,

en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der

zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit,

terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk

aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.

Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory

goeden morgen.

„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in

uwe kooien doorgebracht?”

„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk

en opgeruimd.

„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat

gesmaakt?”

„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het

heerlijk was.”

„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat

hooren.”

„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen

scheepsbeschuit.”

„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet

Bathory lachende op.

„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het

eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,” zei Pescadospunt op

zijne beurt uitschaterende.

Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om

met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel

behagelijk.

Intusschen stoomde de Ferrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt,

volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met

verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.

Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan

voorzichtigheid heeten.

Mathias Sandorf [2] · 第 11 / 19 段