Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden.

Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de

uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst, bekommerd in

hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want

dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te

handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander

gedeelte van de groote woning.

Meer dan eens had Sarcany die handelwijze van Silas Toronthal grof en

onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de

omstandigheden moest laten beheerschen. Ten gevolge van dien staat van

zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te

ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had

dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel

er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de

eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het

denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging

zouden afgezien hebben.

Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een

nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16den Augustus liet

verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar

hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig

te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel

niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking

stelde.

Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met

ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast

besloten zich niet bij den neus te laten rondleiden, daar hij alle

rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De

tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde

veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime

gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds,

dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.

Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond

eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje

beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs

met geen eenvoudigen hoofdknik.

Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te

willen zien.

Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij

plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het

kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene

vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.

„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het

overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid

niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die

droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige

zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.... Hoewel gij

uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn....”

De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar

sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.

„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet,

hoe groot uw deel is in de erfenis van....”

„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan

valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden.

Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”

Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht

waren zij van het jonge meisje niet gewoon.

„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld

geslagen.

„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij

spreekt,” antwoordde Sava.

Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige

teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon

duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.

„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner

woorden niet goed gevat hebt.”

„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.

„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de

erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”

„Dat is de vraag nog.”

„En de wet zal mij verplichten....”

„Tot wat?” vroeg Sava.

„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig

zult zijn geworden....”

„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje

bedaard en kalm.

„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.

„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.

„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord

op die vraag.

De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.

Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer

hem door de leden.

Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij

trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.

„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele antwoorden

van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden

beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft.

Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en

jurisprudentie-zaken te behandelen.”

„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij

dan hier ontboden?”

„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder

mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis

te aanvaarden!”

„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.

„Neen, gij hebt niets anders te doen, dan u naar den wil van uw vader

te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”

„Wie weet?.... Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast

besloten stem. „Wie weet?.... Misschien!”

„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel

en al verloor.

„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.

„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit

het oog te verliezen.”

„Dat zal te bezien staan.”

„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge

kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn

uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen,

zooals ik dat goed zal vinden.”

„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in

hare stem en houding doorstraalde.

„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.

„Dat ik zal wachten?”

„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig

en vrij vertoornd.

„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal

hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”

„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan

veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te

minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet

meer alleen betrokken zijt in de zaak....”

„Ja!.... de zaak!.... goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava

met diepe minachting.

„Zijt overtuigd, mejuffrouw....” meende Sarcany te moeten zeggen, wien

dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was,

vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens....”

Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en keek

alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem

toevoegde:

„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen

niets veranderd heeft.”

„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets

af wist.

„De huwelijksplannen!”

„Welke huwelijksplannen?”

„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer

Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”

„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw

schoonzoon worden zou?”

De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas

Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer

gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany

weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij

wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.

„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam

geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,

„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij

beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot

zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen!

Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming

tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk

zijn.....”

Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna

vervolgde zij:

„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat

de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.... Maar, gij weet het zeer

goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens

heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw

vermogen!.... Dat is alles wat hij vraagt... Hij verlangt niets meer.”

Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare

schreden naar de deur.

„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor

haar plaatste.

„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg,

wat wilt ge nog meer?”

„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden

zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.... gij ze

ongetwijfeld zelf niet begrijpt....”

„O, wees gerust....”

„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder....”

„Mijner moeder!.... Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!....

Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.

„.... Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt

heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van

opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde.

„Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt....”

„Krankzinnig!”

„Ja, krankzinnig!”

„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij

op den bankier toetrad.

„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze

niet minder verbolgen.

„Zoo bout!”

„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de

echtgenoote van Sarcany wezen!”

„Dat nooit!”

„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”

„Nooit!”

„Ik zal u wel weten te noodzaken!”

„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”

„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”

„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te

bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet

kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”

„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich

zelven van woede.

„Gij.... gij, mijnheer?”

„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”

„Gij zijt mijn vader niet!”

„Sava!”

„En ik heet niet Sava Toronthal!”

Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te

vinden, ontsteld achteruit.

„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog

meer nadrukkelijken toon.

„Sava!”

„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het

hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare

kamer terug te keeren.

Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet

anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging

van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen

en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de

wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en

dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava

wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie

Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest,

hachelijk genoeg.

Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachten

knotsslag vernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen

zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.

Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen

verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone

scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.

Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht

zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te

knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren

medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.

„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit,

goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal.

Maar.... ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is

het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij

van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het

tegenovergestelde geval zou zij het thans wel in hare

hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe

dochter niet is.... en dat is alles!.... Kent zij haren vader? Ook dat

niet!.... Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij

ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij

ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand

tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer

waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed

medegedeeld heeft,.... maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is,

dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan

noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren

aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als

zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij

er van?”

Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van

Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu

weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze,

waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was

geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch

eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte,

hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.

„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany.

„Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar

raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo

worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen

toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de

onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en

waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik.

Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo

spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa

verlaten en dat binnen den kortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava

medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken.

Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister

goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk

gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne

echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen.

Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo

volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij

niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om

haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog

wel onmiddellijk na den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden,

evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan

verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig

straffe, wanneer ik niet slaag!”

Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond,

zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook

niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door

zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die

wel wilde gedoogen.

Waarom zou hij ook anders handelen?

Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een

onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer

eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet

opkomen!

Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany

ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning

in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.

Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen

een belangrijke avond geweest.

Dat zij geen ongelijk hadden om zich zoo te haasten, zal de lezer

weldra bemerken.

Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw

Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello en keerde

voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het

huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning,

alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen

was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar

vertrek te treffen.

Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne

afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.

Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden,

in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog

wel herinneren, waaronder dat plaats had.

Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de

handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de

weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het

geheim van Sava’s geboorte bevatten.

Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet

vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!

„Zij!.... Hij!....” riep zij uit.

En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen

doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij

terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde

weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door,

stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen

loop voor de woning van den bankier Toronthal.

Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde

verrichten?

Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting,

dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van

Sava zelve?

Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken,

alsof haar echtgenoot, Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden

uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:

„Red haar!.... Red haar!”

Mevrouw Bathory schelde aan.

De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij

verlangde.

Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.

Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig

was.

Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.

De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten

zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje

medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen

zijn. Eene dochter met haren vader!

Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij

wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door

Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk

ingehaald had.

Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat

teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:

„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke

huwelijksplechtigheid bijwonen.”

„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het

uiterlijke der arme vrouw.

„Ja, wij samen!”

„Van Sava met Piet!”

Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.

Was dat te verwonderen?

VIII.

IN DE OMSTREKEN VAN MALTA.

Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij

aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand

van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.

Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing

zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de

jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!

Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden,

die hij dacht, dat voor hem verloren was.

Zijne moeder!....

Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware

overlijden van haren zoon te laten!

Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent

de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te

Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had

in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit

het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.

Maar, Sava!....

Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te

spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van

Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te vergeten! Hoe zou dat

ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem

thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was

Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren

vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn

vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst

van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het

verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen

mededeelen.

Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de

gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem

onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die

zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner

krachten moesten medewerken.

De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen

daarvoor kunnen vrijwaren!

Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen

krijgen?

Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken!

Daaromtrent bestond geen twijfel.

„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!”

herhaalde steeds de dokter.

En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te

bereiken!

Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door

het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij

wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.

Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van

hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt

geworden was?

Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden,

die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook

de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding

moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer

die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote

dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten

kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder

vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.

De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel

vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het

vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot

ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende

uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede

als ten verderve zal beheerschen.

Mathias Sandorf [2] · 第 10 / 19 段