zenuwachtige overspanning verkeerde.
„Omdat Sarcany een medeplichtige had!....” sprak graaf Sandorf somber
en schier sissend.
„Een medeplichtige?....”
„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan
den dood overleverde!”
„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met
mij! Noem mij zijn naam.”
„Die medeplichtige?.... Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk
leert kennen!....”
„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”
Piet had het gehoord, en had het begrepen!.... Hij slaakte geen kreet;
hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel
dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en
misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want
zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer
dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde
en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.
Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang
genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen
of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke
hij hem had laten ondergaan.
Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de
oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen
ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.... Daarna liet hij
zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den
dokter rusten.
„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet,
voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen
op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!... Zeg, wilt ge
mijn zoon zijn?”
„Ja!.... vader....” antwoordde Piet Bathory snikkend. „Ja, zeker wil ik
uw zoon zijn!”
En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen,
gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die
twee mannen in elkanders armen deed vallen.
VII.
WAT ER INMIDDELS TE RAGUSA GEBEURDE.
Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was
Ragusa het tooneel van andere voorvallen.
Ziehier wat er gebeurde.
Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar
verlaten.
Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden,
er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen.
Gedurende den eersten tijd had men gemeend, dat het brein van de
ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En
werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook
betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van
geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid
inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van
de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend
van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat
dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.
Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk
niet ontbreken.
Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote,
die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare
toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen
bieden?
Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen
verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was,
volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle
vertrouweling van zooveel smarten te zijn.
Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had
haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het
huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat
haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.
Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte
haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige
slag toegebracht.
Hij, dien zij lief had, was dood.... ongetwijfeld gestorven uit
wanhoop!.... En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg,
juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te
zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.
Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16en Juli,
in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit
tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw
Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op
hare beurt doodelijk aangetast worden.
Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken
naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel
raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen
werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam
van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van
Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het
kerkhof voorkwam, om beweend te worden!
Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel
nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken
of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij
haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien,
waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene
oprechte walging op het lijf te jagen.
Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende
hij redenen te hebben.
Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was,
wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan
vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de
opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn
geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen
medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te
leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad
onverbiddelijk.
Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken
worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke
gebeurtenis veroorloven zoude.
De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen
verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij
die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij
overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van
alles, voort te maken.
Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer
dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in
gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat
moest vermeden worden.
Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken
afschuw voor hem kon gevoelen.
En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge
meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het
dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!
Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid
zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong
daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel
hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een
gewetenlooze aterling genoemd worden.
„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die
dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is,
zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s
overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.
„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”
En inderdaad, wie bleef er thans van de drie familiën Sandorf, Zathmar
en Bathory over?
Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen
bijgevolg geteld waren.
Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne
bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany
tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar
kolossaal vermogen ware geworden!
Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen
beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen.
Het was voor dien woesteling ondragelijk.
Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld
althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de
meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer
op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De
levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand
der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had
na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk
onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare
pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in
het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het
onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare
vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van
Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar
geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest
het opgeven.
Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar
levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog
slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw
Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets
had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf
opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene
uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood
verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.
Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had.
Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van
de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat
ziekbed.
Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest
ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en
drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door die ziekte was ook
deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke
omstandigheden een huwelijk gesloten werd?
De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten
wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.
Tegen den 29sten Juli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven
verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen
terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.
Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid
van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en
twintig uren aan den rand van het graf brengen.
Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak
voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk
waren. Sava sloeg er weinig acht op.
En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke
zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van
Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder,
welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij
haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging
overstelpt was:
„Vergeving, mevrouw!.... O, vergeving!.... Als ge wist, wat ik geleden
heb!.... O, wend het gelaat niet af!”
En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken
hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en
de grootste ontsteltenis:
„Zwijg stil!.... Sava!.... O, zwijg stil!.... Spreek er geen mensch
over! Ik heb niets gezegd!”
Eindelijk trad de nacht van den 30sten op den 31sten Juli in. Een
oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de
ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te
hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou
beginnen af te nemen.
Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone
aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd
te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de
waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet
minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde
zulks.
Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste
flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te
overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven,
die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden
daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij
een besluit genomen had en slechts de gelegenheid afwachtte, om
daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.
Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien
nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen
inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo
uitdrukkelijk op stond.
Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw
Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote
ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de
„stilte des doods” genoemd heeft.
Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen
meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook
maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame
kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine
dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.
Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand
slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak
zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij
het navolgende adres schreef:
„Mevrouw Bathory
Marinella-straat, in de voorstad Stradona,
Ragusa.”
In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en
door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de
deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de
binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur
open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in
de Stradona-laan.
Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit
uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er
vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een
rijtuig.
Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en
volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels
leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin
glijden en keerde toen naar hare woning terug.
Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste
handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij
viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.
Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden.
Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten, om
haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen
was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.
Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan
Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal
dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan
werpen.
Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te
verrichten hebben gehad?
Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene
wezenlijke bron van onrust.
De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander
teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste
inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te
verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had
willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in
dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare
lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de
stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare
volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te
vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.
Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des
morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was.
Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.
Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten
had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend,
dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets
zeggen.
„Moeder?”
Het oog der stervende schitterde.
„Moeder.... moeder, zeg, wat verlangt ge?”
Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans
herhaaldelijk met de oogleden.
„Wilt ge spreken?”
„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.
„Ik luister, moeder.”
Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.
„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”
De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader,
wenkte haar oog.
„Zoo dan, moeder?”
En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.
„Ja,” knikte de stervende.
„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.
„Kindlief, ik ga sterven!....”
„Moeder!.... moeder!....”
„Stil, kind;.... ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen
moeten vroeg of laat sterven!....”
„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.... gij vergist
u voorzeker....”
„Zachter!....” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand
ons hoore!”
„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen
thans in dit huis.”
De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.
„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen....”
„Moeder!”
„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.... voor het
kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”
„Gij moeder! Gij!”
„O, vergeving, Sava!”
„Gij moeder!.... Gij mij leed berokkend?.... Hoe zou dat mogelijk zijn?
O.... het is de koorts....”
De zieke schudde het hoofd.
„Vergeving!....” prevelde zij.
„Gij mij vergeving vragen?”
„Geef mij een laatsten kus, Sava!....”
Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:
„Ja,.... de laatste!.... Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij
vergeeft!”
Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der
stervende.
„Wees gerust!” stamelde zij.
Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop
richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid
aan. De oogen waren reeds verglaasd.
„Sava!....” zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”
„Ja, dierbare moeder!”
„Sava.... ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne
dochter niet!.... Uw vader is....”
Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen,
terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen
ontvlood.
Het jonge meisje bukte zich over de doode!.... Zij poogde hulp aan te
brengen!.... Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste
stonden, het leven terug te roepen.... Alles was vruchteloos.
Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen.
Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote
verschenen.
Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer
bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig
dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten;
want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft
niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat
gevoelde zij.
Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over
hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare
eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.
Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende
haar niet had kunnen zeggen!
Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de
begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht
geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man
bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.
Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene
soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de
huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten
brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit
verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te
boven gekomen worden.
Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig
konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan
zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.
Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal
veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den
rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De
welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de
begrafenis moesten voorbijsnellen.
Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn
doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te
doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet
geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en
Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden
steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald
werd:
„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven,
wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan
bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”
Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een
misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.
Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij
niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de
heftigste tooneelen veroorzaakte.
Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert
de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren
dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende
wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij
de bestemming had willen geheim houden.
Ja, dat was mogelijk!
Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat
vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.
„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief
eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft
steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij
gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en
wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht
ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons
aan onze vijanden te verraden.”
„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier
onmogelijk voor.”
„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het
dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”
„Hen voor te zijn?”
„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen
hebben?”
„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,”
antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds
eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij
erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”
Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van
mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de
toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen
zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude
opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.
Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen
gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw
Toronthal.