Oosten gaan, om daar een vermogen te garen en met dat vermogen eene
groote macht te verwerven. Maar het kwam niet raadzaam voor, zich op
een der pakketbooten in te schepen, die de geregelde vaart langs
Klein-Azië verrichten en die gewoonlijk opgepropt waren met passagiers
van de meest uiteenloopende nationaliteiten. Hij moest een ander en
meer geheim vervoermiddel opsporen, en dat kon hij te Brindisi niet
vinden. Hij vertrok dan ook denzelfden avond per spoortrein naar
Otranto.
Binnen anderhalf uur tijds had hij die stad, welke bijna aan het
uiteinde van den hiel van de Italiaansche laars bij het kanaal, hetwelk
den smallen toegang tot de Adriatische zee vormt, gelegen is, bereikt.
Daar in die verlaten havenplaats kon graaf Mathias Sandorf prijs
bepalen voor den overtocht met den schipper van een klein vaartuig, dat
zeilree naar Smyrna lag, en eene lading Albaneesche paarden moest
vervoeren, die te Otranto geen koopers gevonden hadden.
Den volgenden morgen stak het vaartuig in zee en zag de dokter den
vuurtoren van Punta di Luca, aan het uiterste puntje van Italië
gelegen, aan den gezichteinder verdwijnen, terwijl aan den
tegenovergestelden kant de Acroceraunische bergen in de nevelen weg
vloden. Weinige dagen later werd, na een overtocht zonder
wederwaardigheden, kaap Matapan, de zuidelijkste punt van Griekenland,
voorbij gestevend en waren de reizigers spoedig daarna te Smyrna op
hunne bestemmingsplaats aangekomen.
Dokter Antekirrt had Piet dit gedeelte van zijn verhaal zoo beknopt en
zoo vluchtig mogelijk medegedeeld, alsook hoe hij door middel der
dagbladen den plotselingen dood van zijn dochtertje vernam, waardoor
hij nu eenzaam en verlaten in de wereld achterbleef!
„Ik was dan eindelijk,” zoo ging hij met zijn verhaal voort, „op dien
bodem van Klein-Azië aangekomen, waar ik zoovele jaren geheel onbekend
zoude leven. Ik zou aan de studiën in de geneeskunde, in de scheikunde,
in de natuurlijke wetenschappen, aan welker bron ik mij in de scholen
en in de universiteiten in Hongarije gelaafd had, aan die studiën, die
door uwen vader met zooveel toewijding en zoo roemrijk onderwezen
werden, thans vragen om mijn bestaan te waarborgen.
„Ik was gelukkig genoeg om te slagen en dat wel veel spoediger dan ik
aanvankelijk had durven hopen. Ik vestigde mij eerst te Smyrna, waar ik
mij in den tijd van zeven of acht jaren een groote beroemdheid als
geneesheer verwierf. Eenige onverwachte genezingen brachten mij in
aanraking met de rijkste personen uit die streken, waar de geneeskunde
eigenlijk nog in het tijdperk der kindsheid verkeert. Ik besloot toen
die stad te verlaten. Ik wilde, evenals de professoren van weleer, de
menschen genezen, terwijl ik tevens de kunst van genezen zou
onderwijzen. Ik wilde terzelfder tijd de onbekende geneeswijze der
taleb’s van Klein-Azië en der pandit’s van Indië bestudeeren. Ik
doorreisde al die provinciën, en vertoefde op de eene plaats eenige
weken, elders eenige maanden, terwijl mijne hulp ingeroepen werd te
Karahissar, te Bender, Adana, Haleb, Tripoli en Damas, waarbij ik
steeds voorafgegaan werd door eene vermaardheid, die onophoudelijk
aangroeide en waardoor mijn vermogen met die vermaardheid vermeerderde.
„Maar, dat was voor mij niet genoeg, Piet. Neen, waarachtig niet! Dat
gevoelde ik wel!
„Ik moest een onbegrensde macht erlangen, eene macht zooals slechts een
der rijkste rajah’s van Indië zou ten deel gevallen zijn, wanneer de
wetenschap zich aan zijne onmetelijke rijkdommen gepaard zou hebben.
„De gelegenheid daartoe bood zich eindelijk aan! Ik zou verkrijgen, wat
ik wenschte.
„Te Homs, in Noordelijk Syrië, bevond zich een man, die aan eene
langzame ziekte wegkwijnende was. Geen enkel geneesheer had de
geaardheid van zijn lijden kunnen onderscheiden. Daaruit werd
natuurlijk de onmogelijkheid geboren, om eene doelmatige behandeling te
kunnen voorschrijven en volgen. Die man, Taz-Rhât geheeten, had
indertijd hooge betrekkingen in het Ottomanische rijk bekleed. Hij was
toen nog slechts vijf-en-veertig jaar oud en betreurde te meer het
leven, dewijl een onmetelijk fortuin hem de middelen aan de hand deed,
zich alle denkbare genietingen te verschaffen en alle genoegens na te
jagen.
„Taz-Rhât had over mij hooren spreken; want mijne beroemdheid was op
dat tijdstip reeds groot. Hij liet mij verzoeken hem te Homs te komen
zien en ik voldeed volgaarne aan die uitnoodiging, die mij geen
windeieren zou leggen.
„Dokter,” zei hij, „mijn halve vermogen hoort u toe, wanneer gij mij
het leven zult redden!”
„Behoud dat halve vermogen,” antwoordde ik. „Ik zal u behandelen en
verplegen en, zoo God het wil, zal ik u genezen.”
„Ik bestudeerde nauwkeurig dien zieke, die door alle geneesheeren
opgegeven was. Allen hadden uitspraak gedaan, dat hij nog maar weinige
maanden te leven had. Maar ik was gelukkig genoeg eene stellige
diagnose te kunnen maken. Ik bleef gedurende drie weken bij Taz-Rhât,
om de uitwerking gade te slaan van de behandeling, die ik op hem
toepaste.
„Om kort te gaan, zijne genezing was geslaagd. Hij herstelde geheel en
al, en kon weer in de maatschappij verkeeren.
„Toen hij mij verlangde te betalen, wilde ik niet meer ontvangen, dan
hetgeen mij voorkwam, mij redelijkerwijze toe te komen. Daarna verliet
ik Homs en Syrië.
„Drie jaren later verloor Taz-Rhât door een ongeluk bij eene
jachtpartij het leven. Hij liet geene bloedverwanten, geene
onmiddellijke nakomelingen na, en bij laatste wilsbeschikking had hij
mij tot universeel erfgenaam gemaakt van al zijne goederen, welker
waarde op niet minder dan vijftig millioen gulden geschat kon worden.
Dat was een aardige som, niet waar, Piet?
„Het was toen ongeveer dertien jaren geleden, dat de vluchteling uit
den kerkertoren van Pisino eene schuilplaats had komen zoeken in die
verwijderde provinciën van Klein-Azië. De naam van dokter Antekirrt was
toen al eenigermate legendarisch geworden en was ook in geheel Europa
beroemd. Ik had dus het resultaat bereikt, wat ik voorshands beoogd
had. Maar mij bleef nog over het groote doel na te jagen, hetwelk de
eenige beweegreden van mijn geheele bestaan was.
„Ik besloot toen naar de Europeesche gewesten terug te keeren, of mij
ten minste op het uiterste uiteinde van dat werelddeel op het eene of
andere punt van de Middellandsche zee te vestigen. Ik bezocht de
Afrikaansche kuststreken en kocht—tusschen twee haakjes gezegd: zeer
duur—een belangrijk vruchtbaar en rijk eiland, dat feitelijk in de
behoeften van eene kleine volksplanting kan voorzien. Dat eiland noemde
ik Antekirrta. En het is hier, Piet, dat ik souverein, volstrekt baas,
koning zonder onderdanen ben, maar een personeel bezit, dat vol
toewijding voor mij is, dat mij met lichaam en ziel toegedaan is. Hier
heb ik verdedigingsmiddelen, die volmaakt en voor mijne tegenstanders
verschrikkelijk zullen wezen, wanneer zij voltooid zullen zijn. Hier
heb ik gemeenschapsmiddelen, die mij met de verschillende punten van
den omtrek der Middellandsche zee in verbinding brengen. Hier heb ik
eene vloot van eene zoodanige beweegkracht en snelheid, dat ik zonder
overdrijving kan zeggen, dat ik die zee tot mijn domein, tot mijn
onderdaan, tot mijn nederige slaaf gemaakt heb.
„Waar is het eiland Antekirrta gelegen?” vroeg Piet Bathory uiterst
nieuwsgierig.
„In de nabijheid van de groote Syrtische zee, welker beruchtheid sedert
de vroegste tijdrekening afschuwelijk is geweest; aan het uiteinde van
die zee, die door de heerschende noordenwinden zoo gevaarlijk wordt
gemaakt, zelfs voor vaartuigen van nieuweren scheepsbouw. Het is
gelegen achter in den zeeboezem van Sidra, die de Afrikaansche kust
insnijdt tusschen het Tripolitaansche rijk en de Cyrenaïsche
regentschappen.”
Daar inderdaad is het eiland Antekirrta ten noorden van de Syrtische
eilandengroep te vinden.
Vele jaren vroeger had de dokter de kusten van Cyrenaïca doorreisd, had
Souza, de oude havenplaats van dat land bezocht, alsook het rijk
Barcah, zoowel als de kuststeden, die later het oude Ptolomaïs
Bereniec, Adrianopolis, in één woord dat oude Pentapolis, hetgeen vijf
steden beteekent, uitmaakten, en vroeger nu eens Grieksch dan
Macedonisch, later Romeinsch, Perzisch, Saraceensch enz. waren, evenwel
nu Arabisch zijn en onder het Pachalik van Tripoli ressorteeren. De
wisselvalligheden van zijne reis, want hij ging zoowat overal en waar
men zijne hulp noodig had en inriep, voerden hem tot te midden van die
talrijke eilandengroepen, waarmede de Lybische kust bezaaid is, te
weten Paros en Anthirodos, de Plinthinische tweelingen, Enesipta, de
Tyndarenische rotsen, Pyrgos, Platea, de Hyphlische en de Pontische
eilanden, de Witte en de Syrtische eilanden.
Daar in die baai van Sidara, op dertig mijlen ten zuidwesten van het
vilayet van Ben Chazi, het meest nabijgelegen punt der Afrikaansche
kust, trok dat eiland Antekirrta meer in het bijzonder zijne aandacht.
Men noemde het zoo, omdat het voor de andere Syrtische of Kryrtische
eilanden gelegen is.
Van dien dag af koesterde de dokter het voornemen, dat eiland den een
of anderen dag te koopen, en als eene voorloopige in bezitneming, nam
hij den naam van Antekirrt aan, die weldra wereldberoemd en overal in
alle streken van het oude halfrond vernomen werd.
Twee wichtige redenen hadden hem na eenig bedenken tot die keuze
geleid. Ziehier:
Vooreerst was Antekirrta uitgestrekt genoeg—het had een omtrek van
achttien mijlen—om het personeel, dat hij noodig zou heb ben en dat hij
bij elkander hoopte te brengen, te onderhouden. Het was verheven genoeg
om tegen watervloeden beveiligd te zijn, daar een kegelberg, die
achthonderd voeten hoog was, het geheele eiland beheerschte en
veroorloofde een wakend oog op de baai tot aan de Cyrenaïsche kust te
houden. Dan was het voldoende vruchtbaar, daar het door vele riviertjes
besproeid en een voldoende dikke laag teelaarde bezat. Het leverde
verschillende producten op, genoegzaam om in het onderhoud van
ettelijke duizenden inwoners te voorzien. Vervolgens was het eiland in
die zee gelegen, die schrikwekkend was door hare stormen, welke reeds
in voorhistorische tijden noodlottig voor de Argonauten waren, en
waarvan Horatius, Virgilius, Propertius, Seneca, Valerius, Flaccus,
Lucanus en nog andere schrijvers uit de oudheid, die meer
aardrijkskundigen dan dichters waren, als: Polybius, Salustius,
Strabon, Mela, Plinius en Procopus, de schrikkelijke gevaren schetsen
in hunne gezangen, gedichten of beschrijvingen van die Syrtische
eilanden, welker naam de „wegslepende” beteekende.
Zoo was inderdaad het domein, hetwelk dokter Antekirrt in allen deele
beviel. Hij kocht het dan ook in vollen eigendom voor eene
aanmerkelijke som, zonder eenige feodale of andere verplichting van
welken aard ook te aanvaarden. De acte van afstand werd zonder eenig
bezwaar door den Sultan geratificeerd, waardoor de nieuwe bezitter van
Antekirrta souverein werd, meer souverein dan menig constitutioneel
vorstje in Europa.
De dokter had op het tijdstip van dit verhaal reeds sedert drie jaren
dat eiland betrokken. Ongeveer drie honderd Arabische of Europeesche
familiën waren door zijne aanbiedingen en door de verzekering van een
gelukkig leven te zullen leiden, gelokt geworden. Deze vormden eene
kleine kolonie, die ongeveer twee duizend zielen telde. Dat waren geen
slaven, zelfs geen onderdanen, maar lotgenooten, die voor hun
opperhoofd vol toewijding waren, en zoowel aan hem als aan het plekje
gronds, hetwelk voor hen als een nieuw vaderland geworden was,
uitermate gehecht waren.
Langzamerhand werd er eene geregelde administratie ingevoerd, en eene
militie gevormd, om de verdediging van het eiland op zich te nemen. Er
werden verder onder de notabelen magistraten gekozen, die maar zelden
geroepen werden om hunne autoriteit te doen gelden.
Daarna werden door den dokter kundige mannen naar de voornaamste en
beste scheepstimmerwerven van Engeland, Frankrijk, Amerika of Nederland
gezonden, alwaar volgens zijne eigene inzichten eene
bewonderenswaardige vloot gebouwd werd, bestaande uit stoombooten,
stoomjachten, schooners, goeletten of „Electrieks”, die bestemd waren
om snelle tochten in het bekken der Middellandsche zee uit te voeren.
Terzelfder tijd werden versterkingen op het eiland Antekirrta
opgeworpen; maar die waren nog niet voltooid, hoewel de dokter de
uitvoering er van, zooveel hem maar mogelijk was, verhaastte. Hij
meende daartoe ernstige redenen te hebben.
Had dokter Antekirrt dan eenigen vijand in die streken van de baai
Sidra te vreezen? Ja zeker. Eene angstverwekkende sekte, eigenlijk eene
vereeniging van zeeschuimers, had niet zonder een gevoel van haat en
nijd, een vreemdeling die volksplanting in de nabijheid der Lybische
kustlanden zien stichten.
Die sekte was de Muselmansche Broederschap van Sidi Mohamed Benn
Ali-Es-Senoûsi. In dat jaar (1300 der Hegyra) was zij dreigender dan
ooit en reeds telde hare aardrijkskundige uitbreiding meer dan drie
millioen volgelingen. Hare zaouiyas, hare villayets, die als
middelpunten van arbeidzaamheid verspreid, in Egypte, in het
Ottomanische rijk, zoowel in Europa als in Azië, in Algerië, in het
land van Baele en Touboe, in oostelijk Nigritië, in Tunis, in Marokko,
in de onafhankelijke landen van de Sahara, tot aan de grenzen van
westelijk Nigritië toe beschouwd konden worden, bestonden in veel
grooter aantal in Tripolis en in de Cyrenaïsche streken. Van daar
ontstond een voortdurend gevaar voor de Europeesche etablissementen in
Noord Afrika, voor dat bewonderenswaardige Algerië, hetwelk bestemd is
om het rijkste land der aarde te worden, ook voor het eiland
Antekirrta, zooals wel te denken valt.
Alle middelen bijeen te brengen tot beveiliging en verdediging, was dus
niet alleen als voorzichtigheidsmaatregel aan te bevelen, maar ook den
dokter door de onverbiddelijke noodzakelijkheid geboden.
Ziedaar, wat Piet Bathory gedurende dat onderhoud, hetwelk hem nog
omtrent zoo onnoemelijk veel anders zou inlichten, wat hij zelfs niet
gissen kon, vernam.
Het was dus naar het eiland Antekirrta, waar hij heen gevoerd was. Dat
eiland was in het binnenste der Syrtische zee gelegen, als het ware in
een der meest verborgen van de oude wereld op eenige honderd mijlen van
Ragusa verwijderd, waar hij twee wezens achtergelaten had, die hij
nimmer vergat en welker herinnering hem overal vervolgde, waar hij ook
ging, namelijk: zijne moeder en Sava Toronthal.
De dokter voltooide vervolgens zijne mededeelingen, door de
bijzonderheden betreffende het tweede gedeelte van zijn bestaan te
verhalen, Piet Bathory luisterde natuurlijk aandachtig toe.
Terwijl dokter Antekirrt aldus zijne maatregelen trof, om de veiligheid
van zijn eiland te verzekeren; terwijl hij zich onledig hield met de
rijkdommen van zijn bodem te voorschijn te doen treden, om hem
langzamerhand voor de stoffelijke en zedelijke behoefte van zijne
kleine volksplanting dienstbaar te doen zijn, werd hij voortdurend op
de hoogte gehouden omtrent hetgeen zijne vroegere vrienden, welker
spoor hij nimmer uit het oog verloren had, wedervoer. Daaronder
behoorden in de eerste plaats mevrouw Bathory, haar zoon en Borik, die
Triëst verlaten hadden, om zich te Ragusa te vestigen.
Zoo vernam Piet Bathory, waarom de goelet Savarena te Gravosa
aangekomen was, onder omstandigheden die zoo zeer de algemeene
nieuwsgierigheid gaande gemaakt hadden; waarom de dokter toen een
bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had, zonder dat haar zoon ooit het
hoe en waarom had kunnen te weten komen dat het geld, hetwelk ter harer
beschikking gesteld was, door de wakkere vrouw geweigerd werd; ook
vernam hij hoe de dokter gelukkig bijtijds gekomen was om Piet aan het
graf op het kerkhof te Ragusa te ontrukken, waarin hij trouwens slechts
in een magnetischen slaap gedompeld lag.
„Gij mijn zoon,” zoo vervolgde dokter Antekirrt, „ja, gij, die het
hoofd verloren hebbende, voor een zelfmoord niet teruggedeinsd
zijt!....”
Op dat woord: zelfmoord richtte Piet Bathory zich met een gevoel van
verontwaardiging overeind. Hij was waarlijk buiten zich zelven van
toorn. Zijne oogen schoten vuurstralen.
„Een zelfmoord!” riep hij uit, terwijl zijn gelaat zich smartelijk
verwrong. „Een zelfmoord!”
„Ja, Piet, een zelfmoord!” hernam dokter Antekirrt met volle
overtuiging. „Waarom ziet gij zoo ontsteld?”
„Hebt gij dan kunnen gelooven, dat....”
De jongeling kon niet voortgaan.
„Wat?.... Waarom aarzelt gij?” vroeg dokter Antekirrt met aandrang.
„Spreek dan toch!”
„Dat ik mij zelven zoude verwond hebben? Zeg? Hebt gij dat waarlijk
geloofd?”
„Piet.... in een oogenblik van wanhoop!....”
„Wat zegt ge?”
„In een oogenblik van wanhoop, Piet, dan is alles mogelijk!”
„Van wanhoop?.... Ja, wanhopig was ik.... Ik meende dat ik door
iedereen verlaten was....”
„Door iedereen, Piet?”
„Ja, door iedereen, zelfs door u!”
„Door mij!” kreet dokter Antekirrt ontzet. „Door mij?....”
„Ja, door u, door den vriend mijns vaders; verlaten, nadat gij mij
beloften gedaan hadt, die ik niet gevraagd had, die ik niet had durven
hopen! Verlaten door een ieder!”
„Piet! Piet!”
„Ja, wanhopig was ik, en waarlijk ik ben het nog!”
„Nog?.... O noodlot!”
„Ja nog!.... Maar God heeft den wanhopige niet geboden om te
sterven!.... Hij heeft hem integendeel geboden om te leven.... ten
einde zich te wreken!”
„Wreken?”
„Ja, wreken!” zei Piet Bathory woest en hartstochtelijk, terwijl hij
den dokter somber aankeek.
„Neen, Piet! Wreken niet.... straffen wel,” hernam de dokter op
zachtaardigen toon.
De jongeling glimlachte met zonderlingen blik. Hij scheen het
onderscheid daarvan niet te vatten.
„Maar Piet, als gij het dan niet gedaan hebt, wie heeft u dan toch
gewond?” vroeg de dokter.
„Een man, dien ik haat!” antwoordde de jeugdige ingenieur, in de
grootste opgewondenheid.
„Dien gij haat?”
„Een man, dien ik dien avond bij toeval, op een eenzamen weg ontmoette
in de nabijheid van den walmuur van Ragusa!”
„Maar wie dan toch? Wie dan toch?”
„Misschien heeft die man gedacht,” ging Piet Bathory opgewonden voort,
„dat ik mij op hem wilde werpen, dat ik hem wilde uitdagen!.... Toen is
hij mij voorgekomen en heeft toegestooten!...”
„Maar spreek, wie dan toch? Wie is die man?” herhaalde dokter Antekirrt
met aandrang.
„Wie die man is? Wel, dat is Sarcany! Dat is....”
Piet kon niet eindigen. Bij de gedachte aan den ellendeling, dien hij
thans moest gelooven de gelukkige echtgenoot van Sava te zijn, verwarde
zich zijn brein en was hij verplicht de oogen te sluiten. Hij had een
gevoel alsof het leven hem ontvlood, alsof zijne wond zich weer opende.
Bleek en ademloos lag hij daar, het sterven nabij!
In weinige oogenblikken had hem de dokter evenwel zijne zorgen gewijd
en weer bij kennis gebracht. Hij bekeek hem medelijdend:
„Sarcany!.... Sarcany!” prevelde hij.
Het zou niet overbodig geweest zijn, dat Piet eenige rust genoot, na
den schok, dien hij doorstaan had. Dat wilde hij evenwel niet; daartoe
was hij te ongedurig, te overspannen.
„Neen,” zei hij, toen de dokter aandrong. „Neen, ik kan, ik wil niet
rusten! Althans nu niet!”
„Toch zou rust weldadig voor u zijn.”
„Neen, neen, neen! Gij zeidet bij het begin van ons onderhoud: Eerst de
geschiedenis van dokter Antekirrt. Die hebt gij mij medegedeeld van het
oogenblik af dat graaf Mathias Sandorf in de wateren der Middellandsche
zee sprong en hij te midden der kogels, die rondom hem aansloegen en
plasten, onder de oppervlakte verdween.”
„Ja, Piet.”
„Er blijft u nog over te vertellen, wat mij nog omtrent graaf Mathias
Sandorf onbekend is.”
„Omtrent graaf Mathias Sandorf?”
„Ja.”
„Zult gij de kracht hebben mij ten einde toe aan te hooren?” vroeg
dokter Antekirrt met bezorgdheid.
„Spreek! En wees geheel onbezorgd. De kracht zal mij niet in den steek
laten,” sprak Piet.
„Het zij zoo!” antwoordde de dokter.
„Ik luister.”
„Het is ook beter, dat er een einde komt aan die geheimen, die gij toch
het recht hebt te vernemen. Luister, ik zal u alles, wat het verleden
schrikkelijks heeft, ontvouwen. Piet, gij hebt geloofd dat ik u aan uw
lot overgelaten had?....”
De jongeling glimlachte bitter, maar antwoordde op die vraag niet.
Onderzoekend keek hij den spreker aan.
„U verlaten had” ging de dokter voort, „omdat ik van Gravosa vertrokken
was?”....
De jongman knikte.
„Hoor mij aan Piet! Dan zult ge met kennis van zaken kunnen oordeelen!
Maar hoor aandachtig.
„Gij weet, Piet, dat daags vóor de voltrekking van het vonnis, mijne
makkers en ik eene poging aangewend hebben om uit de vesting van Pisino
te ontvluchten. Graaf Ladislas Zathmar werd evenwel helaas! door de
gevangenbewaarders gegrepen, juist toen hij op het punt stond zich bij
ons aan den voet van den vestingtoren te voegen. Helaas! dat mocht niet
gebeuren.
„Uw vader en ik, medegesleept door den Buco-bergstroom, waren reeds
buiten het bereik onzer beulen.
„Na op wonderdadige wijze aan de kolken en maalstroomen van de Foïba
ontsnapt te zijn, en nadat wij voet aan wal op een der oevers van het
Léma-kanaal gezet hadden, werden wij door een ellendeling bespeurd, die
geen oogenblik geaarzeld heeft om onze hoofden, waarop het
Oostenrijksche gouvernement een hoogen prijs gesteld had, te verkoopen.
Wij werden bij een visscher van Rovigno ontdekt, juist op het oogenblik
toen hij ons naar de overzijde van de Adriatische zee wilde voeren. Uw
vader werd gevangen genomen en naar de vesting van Pisino teruggevoerd.
Ik was gelukkiger en slaagde er in te ontsnappen.
„Ziedaar wat ge weet, Piet Bathory. Luister nu goed naar hetgeen gij
niet weet.
„Vóór de verklikking van dien Spanjaard, Carpena genaamd, eene
verklikking die den armen visscher Andreas Ferrato de vrijheid en
weinige maanden later het leven kostte—hadden twee mannen het geheim
der samenzweerders van Triëst verraden, ja schandelijk verraden!”
„Hunne namen?....” riep Piet Bathory uit.
„Hunne namen?”
„Ja, hoe heeten zij?” vroeg de jonge man ongeduldig en onstuimig.
„Vraag mij eerst hoe hun verraad aan het licht kwam,” antwoordde dokter
Antekirrt.
„Juist, laat hooren, dokter.”
Deze verhaalde toen vluchtig wat er in de cel van den gevangentoren van
Pisino voorgevallen was, en deelde mede hoe een verschijnsel op het
gebied der gehoorleer hem de namen der twee verraders had leeren
kennen.
„Hunne namen, dokter!” riep Piet Bathory nogmaals uit.
„Hunne namen?” vroeg Antekirrt andermaal, maar ditmaal met iets
weemoedigs in zijne stem. Waarlijk hij aarzelde.
„O, gij zult thans niet weigeren die te noemen! Niet waar, graaf
Sandorf?”
„Ja, ik zal ze noemen!”
„Welnu, wie zijn ze?”
„De een is die schrijver, die als spion in het huis van graaf Ladislas
Zathmar binnengedrongen is!”
„Die spion? Maar hoe heet hij?” vroeg Piet Bathory.
„Hoe die man heet? Maar gij kent hem; hij is het, die u heeft willen
vermoorden! Het is Sarcany!”
„Sarcany!” riep Piet uit, die eensklaps krachten genoeg vond, om op den
dokter toe te treden. „Sarcany! Die ellendeling?”
„Ja, Piet, Sarcany!”
„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”
„Ik wist het!”
„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn
zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde
bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien
laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van
Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.... Ja, die misdaad,
waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd
is!”
„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene
vreeselijke woestheid in zijne stem.
„En waarom?”
„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de
reden!”
„Zij! Zij niet?”
„Neen, vooral zij niet!”
„O, waarom? Zeg, waarom?”
„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat
eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde
verraad. Hoort ge?”