Die twee booswichten waren ook samen overeengekomen, dat het huwelijk

op zeer eenvoudige wijze zoude gevierd worden. Als voorwendsel zoude

opgegeven worden, dat Sarcany’s familie in den rouw was. Dat strookte

zeer weinig met de prachtlievende neigingen en gewoonten van Silas

Toronthal; maar in de gegeven omstandigheden meende hij toch, dat het

beter was het huwelijk zonder ophef zoude voltrokken worden. De

jonggehuwden zouden slechts weinige dagen te Ragusa verwijlen, daarna

zouden zij naar Tripoli vertrekken, waar Sarcany, zooals men zeide,

doorgaans woonde.

Er zouden dus geene feestelijkheden in de woning van de Stradona-laan

plaats hebben, noch bij de voorlezing van het contract, waarbij eene

belangrijke som aan het jonge meisje toegedacht werd, noch bij de

godsdienstige plechtigheid in de Franciscaner kerk, welke onmiddellijk

op het burgerlijk huwelijk zoude volgen.

Terwijl dien dag de laatste toebereidselen tot het huwelijk in de

woning van Silas Toronthal getroffen werden, wandelden twee mannen aan

het andere einde van de Stradona-laan.

Die twee mannen waren onze beide bekenden: Kaap Matifou en

Pescadospunt.

Toen dokter Antekirrt naar Ragusa teruggekeerd was, had hij Kaap

Matifou medegenomen. Zijne tegenwoordigheid was te Cattaro niet meer

noodig en niemand zal er wel aan twijfelen, dat de beide vrienden, de

„beide tweelingen,” zooals Pescadospunt zich met zijn makker noemde,

uiterst verheugd waren, elkander weer te zien.

Wat den dokter betrof, deze had na zijne aankomst te Ragusa het

hierboven verhaalde bezoek in het huis van de Marinella-straat

afgelegd. Daarna had hij zijn intrek genomen in een hôtel van de

voorstad de Plocca, waar hij wilde wachten totdat het huwelijk van

Sarcany met Sava Toronthal zou voltrokken zijn, om zijne plannen verder

ten uitvoer te brengen.

Den volgenden morgen had hij, gedurende een tweede bezoek, hetwelk hij

mevrouw Bathory bracht, zelf geholpen om Piet in de doodkist te leggen,

waarna hij naar zijn hôtel teruggekeerd was, na Pescadospunt en Kaap

Matifou naar de Stradona-laan gezonden te hebben, om als gewoonlijk

daar gade te slaan.

Nu belette die dienst Pescadospunt, terwijl hij oog en oor ter dege

gebruikte, niet om te praten.

„Zeg eens, Kaap Matifou,” begon hij.

„Wat wilt ge?” vroeg de reus.

„Ik wilde wel eens op die kast kloppen,” antwoordde Pescadospunt,

terwijl hij op de borst van zijn vriend wees.

„Als je dat genoegen kan doen, ga dan je gang,” zei Kaap Matifou,

terwijl een goedhartige glimlach zijn reeds goedaardig gelaat nog meer

verhelderde.

Pescadospunt klopte op het reuzenlichaam, waarbij hij zich op zijne

teenen opgaf, om zijn doel te bereiken, wat maar moeielijk gelukte.

„Ik vind dat ge dik wordt, waarde Kaap,” zei hij na de proef.

„Meent ge?” vroeg deze.

„Nog al.”

„Maar ik ben sterk gebleven! Dat verzeker ik je!” sprak Kaap Matifou

met eene soort van zelfvoldaanheid.

„Ja, dat heb ik bij je omhelzing ondervonden. Te duivel....”

„Maar het stuk, Pescadospunt?....” vroeg Kaap Matifou met een zweem van

ongeduld in zijne stem.

„Welk stuk?”

„Dat tooneelstuk, waarvan je laatst spraakt.”

Kaap Matifou scheen blijkbaar op de hem toegedachte rol gesteld te

zijn.

„O, dat stuk vordert, dat stuk vordert!.... Zie, Kaap Matifou, de

handeling er van is zeer ingewikkeld.”

„Ingewikkeld....? vroeg de reus, terwijl hij zich achter het rechteroor

krabde.

Hij hield niet van ingewikkelde zaken.

„Ja, zeker.”

„Hoe zoo? Leg mij dat uit.”

„Zie je, het is geen blijspel, het is een treurspel en het begin is

zelfs zeer hartroerend.”

„Hoe weet je dat?”

Pescadospunt antwoordde niet. Een rijtuig, dat bijzonder vlug reed,

hield voor het huis in de Stradona-laan stil.

De koetspoort ging dadelijk open en sloot zich weer achter het rijtuig.

In dat rijtuig zat Sarcany. Pescadospunt had hem herkend.

„Ja.... zeer hartroerend,” ging deze laatste voort, „men voorspelt

reeds dat het stuk volkomen succes zal hebben.”

„Zoo?.... En de verrader?....” vroeg Kaap Matifou, welke in die rol een

bijzonder belang scheen te stellen.

„De verrader?”

„Ja, de verrader? Wat gebeurt met hem? Zeg mij toch, ik ben

doodnieuwsgierig....”

„Dat is moeielijk te zeggen, beste Kaap. Ziet ge, de omstandigheden....

de gebeurlijkheden.... in éen woord....”

„Er dient toch wat met hem te gebeuren, dat vat ge, niet waar,” sprak

de reus gemelijk.

„Welnu, de verrader zegepraalt thans, zooals dat in ieder goed

geschreven stuk geschiedt.... Maar geduld.... ja, geduld.... bij de

ontknooping....”

„Te Cattaro,” zei Kaap Matifou, „meende ik....”

„Op het tooneel te verschijnen?”

„Ja, Pescadospunt, ja. Maar dat niet alleen, maar ik meende ook dat de

ontknooping nabij was.”

En Kaap Matifou verhaalde wat er op den bazar van Cattaro voorgevallen

was, namelijk: dat het gebruik zijner armen reeds was aangevraagd, om

eene ontvoering te bewerkstelligen, die evenwel niet geschied was.

„Goed! Het was nog te vroeg!” antwoordde Pescadospunt, die eigenlijk

maar praatte om te praten, zooals men zegt, maar intusschen de oogen

vlijtig rechts en links liet gaan. „Beste Kaap, je komt eerst in het

vierde of vijfde bedrijf op.... Misschien zal je slechts bij het

slottooneel verschijnen!.... Maar wees niet ongerust!.... Je zult een

prachtig effect maken!.... Daar kan je op rekenen!.... Daar geef ik je

mijn woord op!”

Juist in dit oogenblik werd een verwijderd gedruisch in de

Stradona-laan vernomen bij den hoek van de Marinella-straat, dus, vrij

wel in de nabijheid der beide vrienden.

Pescadospunt brak het gesprek af, stapte eenige passen rechts van het

woonhuis van Toronthal voort.

Een lijkstatie kwam in dat oogenblik de Marinella-straat uit en sloeg

de Stradona-laan in, om zich naar de Franciscaner kerk te richten,

alwaar de lijkdienst gehouden zoude worden.

Weinig personen volgden overigens dien lijkstoet, waarvan de

bescheidenheid de publieke aandacht niet vermocht tot zich te trekken.

Het was een eenvoudige kist, die onder een zwart laken door mannen

gedragen werd.

De lijkstoet naderde langzaam, toen plotseling Pescadospunt, een kreet

smorende, Kaap Matifou bij den arm greep.

„Wat is er toch?” vroeg Kaap Matifou.

„Niets!”

„Niets?”

„Het zou te lang zijn om je dat uit te leggen, beste Kaap,” antwoordde

Pescadospunt met gedempte stem.

Hij had mevrouw Bathory herkend, die de teraardebestelling van haren

zoon had willen bijwonen.

De kerk had hare gebeden niet geweigerd voor dien overledene, die de

wanhoop tot zelfmoord gebracht had, en de priester wachtte het lijk in

de kapel der Franciscanen op, om de absolutie er over uit te spreken en

om het daarna naar het kerkhof te begeleiden.

Mevrouw Bathory trad met droge oogen achter de kist voort. Zij had de

kracht niet meer om te schreien. Hare oogen stonden bijna woest,

wierpen nu eens blikken ter zijde en boorden dan weer door het zwarte

laken, dat het lijk haars zoons bedekte.

De oude Borik sleepte zich meelijwekkend naast haar voort. De oude

dienaar kon ternauwernood overeind blijven.

Pescadospunt voelde tranen in zijne oogen opwellen. Hij had waarlijk

werk ze te bedwingen.

Ja, ware het zijn taak niet geweest, om op zijn post te blijven, dan

zou de brave kerel geen oogenblik geaarzeld hebben om zich bij die

weinige vrienden, bij die enkele buren, die den lijkstoet volgden, aan

te sluiten. Maar nu kon, nu mocht hij niet. Hij bleef dus uitkijken.

Plotseling toen de lijkstoet voor de woning van Silas Toronthal was

aangekomen en die zou voorbijtrekken, ging de groote poort open. Op het

binnenplein stonden voor het perron van het fraaie huis twee rijtuigen,

die op het punt waren naar buiten te rijden.

Het eerste reed de poort door en wendde, om in vollen draf de

Stradona-laan af te rijden.

Pescadospunt bespeurde in dat rijtuig Silas Toronthal, zijne

echtgenoote en zijne dochter.

Mevrouw Toronthal, door de smart gebroken, zat naast Sava, die nog

bleeker dan haar bruidsluier was.

Sarcany zat met eenige bloedverwanten of vrienden in het tweede

rijtuig.

Er was niet meer omslag voor dat huwelijk dan voor die begrafenis

gemaakt. Bij beiden heerschte dezelfde vrij wel met elkander

overeenkomende droefheid.

Plotseling, op het oogenblik dat het rijtuig de poort uitreed, hoorde

men een hartverscheurenden kreet.

Mevrouw Bathory was blijven stilstaan en met de hand uitgestrekt naar

Sava, vervloekte zij het jonge meisje.

Het was Sava, die dien kreet geslaakt had. Zij had de moeder in diep

rouwgewaad gezien, en had, toen zij die kist en dien treurigen optocht

zag, alles begrepen, wat men voor haar verborgen gehouden had!.... O,

zij was radeloos!

Piet was dood! Dood door haar en voor haar, en het was zijn lijkstoet,

die daar voorbijtrok op het oogenblik dat zij uitreed om zich in den

echt te verbinden! Was dat geen wreed spel van het noodlot?

Sava viel bewusteloos neer. Mevrouw Toronthal, geheel van haar stuk

gebracht, wilde haar bijbrengen. Die poging was evenwel te vergeefs!

Het jonge meisje ademde ternauwernood nog!

Silas Toronthal had een gebaar van toorn niet kunnen onderdrukken. Maar

Sarcany, die ook uit zijn rijtuig gesprongen en naderbij getreden was,

wist zich te beheerschen. Bleek maar kalm keek hij toe.

Het was onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden zoo met die

bewustelooze bruid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te

verschijnen. Er moest dus aan de koetsiers bevel gegeven worden, om

naar de woning terug te rijden. Dat geschiedde en weldra sloeg dan ook

de koetspoort met een harden smak achter de beide rijtuigen toe.

Sava werd naar hare kamer gedragen en daar op haar bed neer gelegd.

Geen enkele beweging, geen enkele trilling verried, dat zij nog leefde.

Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant, riep haar, wreef en

koesterde haar, terwijl in allerijl een dokter gehaald werd.

Midderwijl vervolgde de begrafenisstoet van Piet Bathory den treurigen

tocht naar de Franciscaner kapel, om daarna na den lijkdienst naar het

kerkhof van Ragusa door te gaan.

Pescadospunt had intusschen begrepen, dat dokter Antekirrt onverwijld

in kennis gesteld moest worden met dit voorval, dat hij niet had kunnen

voorzien. Hij zei dus tot Kaap Matifou:

„Blijf hier en wees waakzaam.”

„Goed,” zei de reus. „Als gij mij maar duidelijk zegt, wat ik te doen

zal hebben.”

„Gij moet dat huis daar stipt en onafgebroken in het oog houden. Anders

niet. Vaarwel!”

Daarna liep het tengere kereltje naar de voorstad Plocca en verhaalde

daar wat er gebeurd was.

De dokter bleef na dit verhaal, hetwelk Pescadospunt zoo vlug en zoo

duidelijk mogelijk geleverd had, een oogenblik stilzwijgend zitten.

„Ben ik mijn recht te buiten gegaan?” vroeg hij zich af. „Neen!.. Heb

ik eene onschuldige getroffen?.... Ja, dat zeker!.... Maar... die

onschuldige is de dochter van een ellendeling, de dochter van Silas

Toronthal!”

En zich vervolgens tot Pescadospunt wendende, vroeg hij:

„Waar is Kaap Matifou?”

„Voor de woning in de Stradona-laan.”

„Dus dadelijk weer te vinden en te ontbieden?”

„Ja.”

„Ik zal u beider diensten dezen avond noodig hebben!” ging dokter

Antekirrt voort.

„Om hoe laat?”

„Tegen negen uren.”

„Waar moeten wij u wachten?”

„Bij de poort van het kerkhof!”

„Wij zullen er zijn!”

Pescadospunt vertrok dadelijk, om Kaap Matifou, die zijn

waarnemingspost niet verlaten had, te gaan opzoeken.

Toen de avond gevallen was, richtte dokter Antekirrt, in een grooten en

wijden mantel gehuld, zijne schreden naar de haven van Ragusa. Bij den

hoek van den linker kademuur, bereikte hij eene kleine kreek, die als

het ware in de rotsen verloren lag en die een bocht iets ten noorden in

de kustlijn van de haven vormde.

Die plek was geheel eenzaam. Noch huis, noch vaartuig was er te zien.

De visschersvaartuigen kwamen daar nooit ten anker, uit vrees voor de

talrijke klippen, die in de monding dier kreek als gezaaid lagen.

De dokter bleef stilstaan, keek rond en stiet een kreet uit, die

waarschijnlijk een afgesproken teeken was. Bijna onmiddellijk verscheen

een zeeman. Eerbiedig nam deze den hoed af, boog en:

„Tot uwe orders, baas,” zei hij.

„Is de sloep er, Pazzer?”

„Ja, achter die rots.”

„Bemand met hare roeiers?”

„Ja, met allen.”

„En de Electriek?.... Waar is zij? Ik hoop toch nabij, zooals ik

bevolen heb?”

„Die ligt daar verder ten noorden op drie vademen lengte ongeveer

buiten de kleine kreek.”

En de zeeman wees op eene soort langwerpige spoel, die bij het

heerschende halfduister onduidelijk op de watervlakte bemerkt werd en

welker tegenwoordigheid door geen enkel licht, noch door eenigen rook

aangeduid werd.

„Wanneer is het vaartuig van Cattaro aangekomen, Pazzer?” vroeg de

dokter aan den zeeman.

„Nauwelijks een uur geleden.”

„Is dat ongemerkt geschied?”

„Geheel en al, heer dokter. Het is onderlangs de klippen als het ware

voortgegleden. Niemand heeft er iets van gemerkt.”

„Pazzer, luister. Niemand mag zijn post verlaten.”

„Goed, dokter.”

„En hier moet de sloep mij wachten....”

„Goed, goed.”

„Al ware het ook den geheelen nacht! Hebt ge dat goed begrepen,

Pazzer?”

„Opperbest.”

De zeeman ging naar de sloep terug, die tegen den donkeren rotswand in

het geheel niet ontdekt werd, maar daarmede als het ware een geheel

vormde.

Dokter Antekirrt bleef nog een poos op het strand. Ongetwijfeld wilde

hij wachten totdat de nacht nog meer gevorderd en dus donkerder wezen

zou. Van tijd tot tijd stapte hij met groote schreden op en neer. Dan

weer stond hij stil. En dan waarde zijn blik, terwijl hij daar met over

elkander geslagen armen, stilzwijgend en roerloos stond, over de

oppervlakte van de Adriatische zee, welke zich aan zijne voeten

uitstrekte, alsof hij haar zijne geheimen wilde toevertrouwen.

Noch maan, noch sterren schitterden aan den hemel. Ter nauwernood deed

zich de landbries, die gewoonlijk bij het vallen van den avond intreedt

en slechts weinige uren aanhoudt, gevoelen. Eene hoog zwevende maar

dikke wolkenbank bedekte den hemel tot dicht bij den westelijken

gezichteinder, alwaar zij in een lichtere nevelbank overging, om

eindelijk geheel uitgewischt te worden.

„Kom,” sprak eindelijk de dokter in zich zelven, „laat mij naar de stad

teruggaan. Mijne tegenwoordigheid wordt elders vereischt.”

En naar de kust van Ragusa stappende, volgde hij den ringmuur der stad,

om zoo het kerkhof te bereiken.

Daar wachtten hem Pescadospunt en Kaap Matifou in de nabijheid der

deur. Zij hadden zich zoodanig achter een boom verscholen, dat zij niet

bemerkt konden worden.

Op dit uur werd het kerkhof gesloten. Juist had de bewaker van die

laatste rustplaats zijn licht in zijne woning uitgedoofd, hetgeen hij

gerust kon doen, daar niemand meer voor den volgenden ochtend komen

zou, om zijne diensten in te roepen.

De dokter droeg ongetwijfeld nauwkeurig kennis van den aanleg van dat

kerkhof. Ook was het zeer zeker zijn plan niet om door de deur binnen

te treden;—want wat hij er in te verrichten had, moest zeer geheim

blijven.

„Volg mij,” zei hij tot Pescadospunt en zijnen makker, die op hem

toegetreden waren.

„Wij volgen,” antwoordden beiden zacht, terwijl zij achter hem

voorttraden.

En die drie mannen schreden toen langs den buitenmuur van het kerkhof

voort, die door de helling van het terrein niet overal even hoog had

kunnen opgetrokken worden.

Na aldus gedurende tien minuten voortgeschreden te zijn, bleef de

dokter stilstaan en op eene bres wijzende, die door eene instorting van

den muur ontstaan was, zei hij:

„Daar door heen! Begrepen?”

„Ja,” knikten beiden.

En hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap

Matifou gevolgd.

Daar onder die groote boomen met hunne dichte loofkruinen, die de

graven overschaduwden, was de duisternis nog zwarter dan buiten. Zonder

te aarzelen volgde evenwel de dokter eene laan, daarna eene nevenlaan,

die naar het hooger gelegen gedeelte van het kerkhof voerde. Eenige

nachtvogels, door dat geschuifel gestoord, vlogen heen en weer. Maar

behalve die uilen, was er geen enkel levend wezen in die sombere ruimte

te ontwaren.

Weldra stonden de drie mannen stil bij een bescheiden monument, eene

soort kapel, welks traliehek niet op slot gesloten was.

De dokter opende het hek en daarna op den knop van eene kleine

electrische lantaarn drukkende, liet hij licht schitteren, evenwel zoo,

dat het van buiten af niet kon bespeurd worden.

„Ga naar binnen,” zei hij tot Kaap Matifou.

Deze stapte de kleine kapel in en bevond zich toen tegenover een muur,

waarin drie marmeren platen gemetseld schenen.

Op een van die platen—op de middelste—las men:

Stephanus Bathory.

1867.

De beide andere platen hadden nog geene opschriften. De rechtsche zou

er evenwel spoedig een krijgen.

„Neem die plaat weg,” zei de dokter, op de rechtsche wijzende.

Kaap Matifou volvoerde dien last gemakkelijk; want die plaat was nog

niet in den muur vastgezet. Hij plaatste haar op den grond en toen kon

bij het schitterend schijnsel van de lantaarn, eene doodkist ontwaard

worden in de uitgespaarde uitholling in den muur.

„Haal die kist er uit,” beval de dokter.

Kaap Matifou greep een handvat en trok de kist, hoe zwaar die ook was,

uit hare nis, zonder dat de hulp van Pescadospunt daarbij noodig was,

en na haar uit de kapel gedragen te hebben, legde hij haar op het gras

neder.

„Neem dit gereedschap,” zei de dokter.

„Welk?” vroeg Kaap Matifou.

„Hier, dezen schroevendraaier,” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl

hij hem dat werktuig aanreikte. „En draai nu de schroeven van dat

deksel los. Kom, vlug wat!”

In weinige minuten was dat verricht. Het deksel werd opgetild en ter

zijde gezet.

Dokter Antekirrt verwijderde het laken, hetwelk het lichaam bedekte,

met de hand, boog zich voorover en legde het oor op de borst van den

doode, alsof hij de hartslagen wilde waarnemen....

Daarna richtte hij zich weder op.

„Haal dat lijk uit de kist,” zei hij tot Kaap Matifou.

De Hercules gehoorzaamde zonder dat hij, evenmin als Pescadospunt, eene

enkele tegenwerping maakte, hoewel zij eene door de wet verboden

ontgraving volvoerden.

Toen het lijk van Piet Bathory op het gras neergelegd was, rolde Kaap

Matifou het andermaal in het lijklaken, waarover de dokter verder zijn

mantel heen wierp. Het deksel werd toen weer op de kist geschroefd en

deze in de muurnis geplaatst. Daarna werd de marmeren plaat weer voor

de opening gehecht, die zij als vroeger bedekte.

De dokter sloot toen den electrischen stroom zijner lantaarn af, waarna

de duisternis weer even zwart heerschte als te voren. Door de

voorafgaande verlichting verblind, konden de aanwezigen elkander in het

donker niet ontwaren.

„Neem dat lijk op,” zei hij tot Kaap Matifou.

De reus tilde met zijne stevige armen het lichaam van den jongen man

op, zooals hij met dat van een kind zou gehandeld hebben, en

voorafgegaan door den dokter en gevolgd door Pescadospunt, stapte hij

door eene nevenlaan, die onmiddellijk naar de bres in den muur van het

kerkhof voerde.

Vijf minuten later was de bres doorgestapt, en richtten zich de dokter,

Pescadospunt en Kaap Matifou, na den ringmuur van het kerkhof langs

getrokken te zijn, naar de zeekust.

Geen enkel woord was tusschen de drie mannen gewisseld geworden. Maar

al dacht de gehoorzame Kaap Matifou niet veel meer dan een blind

werktuig, welke opeenvolging van meeningen had zich in het veel

vluggere brein van Pescadospunt baan gebroken?

Gedurende den afstand van het kerkhof tot het strand, had dokter

Antekirrt met zijne beide makkers niemand op den weg ontmoet, maar toen

zij de kleine kreek naderden, waar de sloep van de Electriek hen

wachtte, ontwaarden zij een douane, die op de eerste rotslagen van het

strand heen en weer wandelde.

Zij vervolgden evenwel hunnen weg, zonder zich over zijne

tegenwoordigheid te verontrusten. Een tweede kreet, door den dokter

uitgestooten, deed den bootsman van de sloep, die tot nu toe

onzichtbaar was gebleven, tot hem komen.

Op een teeken daalde Kaap Matifou langs de rotshelling af, en was op

het punt om in de sloep te stappen.

Op dit oogenblik naderde de douaan en, terwijl de inscheping van het

pak, hetwelk Kaap Matifou droeg, op het punt stond volbracht te worden,

vroeg hij:

„Wie zijt gij?”

„Lieden, die u te kiezen geven tusschen een fooi van twintig gulden

comptant, of een vuistslag van mijnheer.... ook comptant!” antwoordde

Pescadospunt, op Kaap Matifou wijzende.

Aarzeling was niet goed mogelijk. De douaan nam de twintig gulden aan.

„En nu in de sloep!” zei dokter Antekirrt.

Eene minuut later was het kleine vaartuig in den donkeren nacht

verdwenen. Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die

onmogelijk van den vasten wal te bespeuren was.

De sloep werd aan boord geheschen en de Electriek, door hare

geruchtlooze schroef voortgestuwd, had weldra het ruime sop bereikt.

Wat Kaap Matifou betreft, die had het lichaam van Piet Bathory in eene

smalle hut, die geen patrijspoortje had, om het licht door te laten, op

een divan neergelegd, en was daarna heengegaan.

Toen de dokter alleen bij het lijk gebleven was, bukte hij er zich over

heen, tot zijne lippen dat bleeke voorhoofd aanraakten.

„En nu, Piet.” zeide hij, „ontwaak! ik wil het.”

En dadelijk, alsof hij uit een magnetischen slaap ontwaakte, die den

dood gelijk was geweest, opende Piet Bathory de oogen.

Een soort afkeer teekende zich op zijn gelaat, toen hij dokter

Antekirrt herkende.

„Gij!....” prevelde hij, „gij, die mij ook in den steek gelaten hebt!”

„Ja, ik, Piet!”

„Maar wie zijt gij dan toch?” vroeg de jongman bibberend.

„Een overledene.... evenals gij!”

„Een overledene?....”

„Ik ben graaf Mathias Sandorf!”

V.

DE MIDDELLANDSCHE ZEE.

De Middellandsche zee is schoon, vooral door hare beide voornaamste

eigenschappen: vooreerst door hare zoo harmonische omlijsting, dan door

de levendigheid, de doorzichtigheid van hare lucht en van haar

licht....

Zoo als zij is, sterkt zij den mensch bewonderenswaardig.

Zij verleent hem die droge kracht, die het meeste weerstand kan bieden.

Hare boorden zijn de bakermat van de krachtigste rassen geweest.

Hebben wij te wijzen op de Grieken, op de Romeinen, de Carthagers, de

Franschen, of op de Spanjaarden?

En de bewering, dat hare boorden de bakermat van de krachtigste rassen

zijn, is geene machtspreuk van ons. Michelet, de beroemde Michelet

heeft dat gezegd.

Maar het is toch gelukkig voor de menschheid, dat de natuur bij gebreke

van Hercules, de Calpe-rots van de Abyla-rots gescheiden heeft, om

zoodoende de Straat van Gibraltar te vormen.

Men moet zelfs, in weerwil van de beweringen van zoovele aardkundigen,

aannemen, dat die zeeëngte steeds bestaan heeft. Zonder haar zou geen

Middellandsche zee bestaan kunnen. Dat klinkt vreemd, maar het is toch

zoo; want de verdamping ontvoert aan die zee driemalen meer water, dan

de rivieren aan dat bekken toevoeren, al heeten die rivieren ook: de

Ebro, de Rhône, de Tiber de Po, de Donau, de Dnester, de Don en de

Nijl. Zoodat, zoo die stroom, die uit den Atlantischen Oceaan door de

Straat van Gibraltar naar binnen zet, en haar als het ware van een meer

tot eene zee verheft, ooit gestuit ware geweest, dan zou de

Middellandsche zee reeds sedert eeuwen niets anders geweest zijn dan

eene Doode Zee in tegenstelling van wat zij nu is, namelijk: eene

Levende Zee.

In een van de diepste en meest onbekende schuilhoeken van dat

uitgestrekte binnenlandsche zoutwater-meer, had graaf Mathias

Sandorf—of beter dokter Antekirrt, welks naam hij voeren moest totdat

ter gewilder uur, zijne zaak afgeloopen zou zijn—eene schuilplaats

gezocht, om er de voordeelen van zijn gewaanden dood te genieten.

Op den aardbol bestaan eigenlijk twee Middellandsche zeeën. De eene in

de Oude, de andere in de Nieuwe Wereld.

De Amerikaansche Middellandsche zee, dat is de golf van Mexico, beslaat

eene oppervlakte van niet minder dan vier en een half millioen

vierkante kilometers.

Mathias Sandorf [2] · 第 5 / 19 段