Heeft de Latijnsche of beter de Europeesche Middellandsche zee slechts

eene oppervlakte van twee millioen acht honderd vijf en negentig

duizend vierkante kilometers, dat wil zeggen iets meer dan de helft van

de andere, zoo biedt zij toch meer verscheidenheid aan in haren

algemeenen omtrek. Zij is rijker in bekkens, in scherp begrensde

baaien, in goed gekenmerkte hydrographische onderverdeelingen, die op

hunne beurt den naam van zeeën, golven en baaien verdienden en

verkregen. Men denke slechts aan de Tyrrheensche zee, ten westen van

Italië, en door dit land en de eilanden Sicilië, Corsica en Sardinië

als een kom omgeven; aan de Aegaeïsche zee of den Griekschen Archipel,

tusschen Klein-Azië en Griekenland gelegen; aan de Cretenzer zee, aan

de Libysche zee, de eerste ten noorden en de tweede ten zuiden van het

eiland Candia te vinden; aan de zee van Marmara tusschen Turkije en

Klein-Azië, aan de Zwarte zee, tusschen Turkije, Oost Rumelië,

Bulgarije, Rumanië, Rusland, Armenië en Anatolië; aan de zee van Azof,

in het land der Donsche kozakken; aan de Jonische zee, die de eilanden

Corfu, Zante, Cephalonië, Itaka, en zooveel anderen omspoelt; aan de

Eolische zee, die de Liparische eilanden-groep omgeeft; aan de

Adriatische zee, die tusschen Italië, Griekenland, Turkije en

Oostenrijk diep het land indringt; aan de Leeuwengolf of golf du Lion,

die in Frankrijk, in de Provence haar bevalligen bocht vormt; aan de

golf van Genua, die de beide Liguriën binnendringt; aan de golf van

Gabes, eene Tunische baai, die weldra, wij hopen het althans, de

voorbaai van eene uitgestrekte Afrikaansche binnenzee zal worden, aan

de beide Syrten, die in Tripoli en het Cyrenaïcaland indringen.

Dit geheim onderdeel van die zee, waarvan sommige oevers nog zoo weinig

bekend zijn, had dokter Antekirrt uitgekozen om er ongestoord te leven.

Er bevonden zich in dat groote bekken eilanden bij honderden, eilandjes

bij duizenden. Te vergeefsch zou men de kapen, de voorgebergten, de

uitstekende punten, de kreeken en de inhammen er van willen tellen. Hoe

vele volkeren, zoo verschillend van ras, van zeden, van staatkundigen

toestand, verdringen zich niet op hare uitgestrekte kuststrook, waarop

de geschiedenis der menschheid reeds sedert meer dan twintig eeuwen

haren stempel zette? Gaan wij na, dan treffen wij er Franschen,

Italianen, Oostenrijkers, Spanjaarden, Ottomanen, Grieken, Slavoniërs,

Russen, Kozakken, Kaukasiërs, Kergiezen, Armeniërs, Anatoliërs,

Arabieren, Egyptenaren, Tripolitanen, Tunisiërs, Algerijnen, Marokkanen

en zelfs Engelschen te Gibraltar en op het eiland Cyprus aan.

Drie uitgestrekte vastelanden omvatten die Middellandsche zee met hare

oevers, te weten: Europa, Azië en Afrika.

Waar dan toch had graaf Sandorf—o, neen, dokter Antekirrt, de naam die

bij de Oosterlingen dierbaar was,—eene plek tot vestiging gezocht, waar

hij het programma van zijn nieuw leven tot ontwikkeling zou brengen?

Dat zou Piet Bathory weldra vernemen.

Nadat de jeugdige werktuigkundige een poos de oogen geopend had, was

hij in eene volslagen verdooving vervallen en was even gevoelloos, als

toen dokter Antekirrt hem voor dood in de woning in de Marinella-straat

te Ragusa achterliet.

In dat oogenblik had de dokter een van die physiologische werkingen

teweeg gebracht, waarin de wil eene zoo groote rol speelt en welks

uitingen door niemand meer in twijfel getrokken worden. Hij was met

eene groote mate van wilskracht-uiting bedeeld, die hem een

onmetelijken invloed op zijn evenmensch verleende. Hij had zonder

behulp van het magnesiumlicht, zelfs zonder behulp van eenig ander

metallisch schitterend punt, niet anders dan door zijn doordringenden

blik bij den jeugdigen stervende een hypnothischen, of in goed

Nederlandsch gezegd, een magnetischen toestand doen ontstaan, waardoor

zijn eigen wil in de plaats van dien van den gewonde trad.

Piet was door bloedverlies zeer verzwakt, en vertoonde, terwijl hij

ingeslapen was, geen schijn van leven meer. Toch was hij door de

wilskracht van den dokter wakker geworden. Maar het gold thans het

leven, hetwelk op het punt was te ontvlieden, te weerhouden.

Dat was eene moeielijke taak, want zij vereischte nauwlettende zorgen,

en daarbij al de hulpmiddelen, welke de geneeskunst aanbiedt. De dokter

mocht zijn doel niet missen.

„Hij zal leven!.... Ik wil dat hij leve!” herhaalde hij telkens bij

zich zelven. „O, waarom heb ik te Cattaro mijn eerstgevormd plan niet

uitgevoerd? Waarom heeft mij de aankomst van Sarcany te Ragusa belet,

hem aan die vervloekte stad te ontrukken?.... Maar ik zal hem

redden!.... In de toekomst moet Piet Bathory de rechterhand van Mathias

Sandorf zijn!”

Inderdaad, sedert vijftien jaren had dokter Antekirrt slechts ééne

gedachte gekoesterd: straffen en beloonen.

Wat hij zich zelven, maar nog meer zijnen makkers, Stephanus Bathory en

graaf Ladislas Zathmar verschuldigd was, had hij niet vergeten. Thans

was het uur gekomen om handelend op te treden, en daarom had hem de

Savarena naar Ragusa overgebracht.

De dokter was in dat lange tijdsverloop lichamelijk zoodanig veranderd,

dat het onmogelijk was hem te herkennen. Zijne haren, die hij vroeger

kortborstelig geknipt gedragen had, waren thans sneeuwwit geworden en

zijne huidskleur vertoonde eene matte bleekheid. Hij was een dier

mannen van vijftig jaren, die de kracht der jeugd bewaard hebben,

hoewel bij hen de koelheid en kalmte van den meer rijper leeftijd niet

uitgebleven zijn. De dichte haarlokken, de levendige kleur van den

Venetiaansch rooden baard, die graaf Mathias Sandorf vroeger kenmerkte,

konden onmogelijk teruggevonden worden door hen, die in de

tegenwoordigheid van den strengen en koelbloedigen dokter Antekirrt

toegelaten werden.

Maar door het noodlot beter gescherpt, beter gehard, was hij een van

die ijzeren gestellen gebleven, waarvan men zeggen kon, dat zij door

hunne nadering alleen de magneetnaald van streek brengen.

Welnu! Hij zou van den zoon van professor Stephanus Bathory weten te

maken, wat hij van zichzelven gemaakt had.

Daarenboven, reeds sedert langen tijd was dokter Antekirrt als eenige

spruit van die groote familie der Sandorfs overgebleven. De lezer zal

wel niet vergeten hebben, dat hij een kind, een kleine dochter had, die

na zijne inhechtenisneming aan de zorgen van de gade van Landeck, den

intendant van het kasteel Artenak, toevertrouwd was geworden. Dit

meisje, toen twee jaren oud, was de eenige erfgename van den graaf.

Haar zou, wanneer zij achttien jaren zoude bereikt hebben, de helft der

goederen van haren vader toevallen, welke daarvoor door de rechters,

die de verbeurdverklaring ter zelfder tijd als het doodvonnis

uitgesproken hadden, bij rechterlijk gewijsde afgezonderd waren.

Men had den intendant als bestuurder van dat gedeelte van het domein in

Transylvanië, hetwelk onder sequester geplaatst was, gelaten. Zijne

vrouw en hij waren met het kind, waaraan zij hun leven wilden wijden,

op het kasteel Artenak gebleven.

Maar er scheen een noodlot op de familie Sandorf, die nu nog maar door

dat zwakke wezentje vertegenwoordigd werd, te rusten. Eenige maanden na

de veroordeeling der Triëster samenzweerders en na de gebeurtenissen,

die er het gevolg van waren, verdween dat kind, zonder dat het mogelijk

was haar terug te vinden. Eens wandelde het meisje in den tuin, en....

men raapte slechts haren hoed op langs den oever van een van de

veelvuldige waterstroompjes, welke, van de naburige voorgebergten af

gevloten, zich door het park baan braken. Het scheen dus ongelukkig

maar al te zeker, dat het kleine meisje medegesleept en in een van die

kolken verdwenen was, waarin de bergstroomen der Karpathen zich

storten. Zoo veel was zeker, dat geen enkel spoor van haar

teruggevonden werd.

Rosena Landeck, de echtgenoote van den intendant, doodelijk getroffen

door die verdwijning, stierf weinige weken later. In weerwil daarvan

wilde het Oostenrijksche Gouvernement niets veranderen aan de

beschikkingen, door het vonnis vooropgesteld. Het sequester op dat

gedeelte van het domein, hetwelk voor de erfgename was bewaard, werd

gehandhaafd en de goederen van graaf Mathias Sandorf zouden eerst dan

door den Staat genaast worden, wanneer de erfgename, wier dood niet

wettelijk geconstateerd had kunnen worden, niet binnen den tijd, door

de wet gesteld, verscheen, om haar erfdeel op te eischen.

Dat was de laatste slag, die de familie Sandorf trof. Zij was

uitgestorven door de verdwijning van de laatste afstammelinge van dat

edele en machtige ras. Daarna volbracht de tijd langzamerhand zijn werk

en die geheele gebeurtenis geraakte in het vergeetboek, zooals met alle

zaken geschiedde, die op de samenzwering betrekking hadden.

Te Otrante, waar hij stipt onbekend leefde, vernam graaf Mathias

Sandorf den dood van zijn kind. Met dat kleine meisje verdween alles,

wat hem van de gravin Rena, die slechts zeer korten tijd zijne gade

geweest was, overgebleven was. Daarna verliet hij op zekeren dag

Otrante, onbekend zoo als hij er aangekomen was, en niemand zou hebben

kunnen zeggen, waarheen hij getogen was, om een nieuw leven te

beginnen.

Vijftien jaren later, op het oogenblik dat graaf Mathias Sandorf weder

op het wereldtooneel verscheen, zou niemand kunnen vermoeden, dat hij

zich onder den naam van dokter Antekirrt verborg en dat hij die rol

speelde.

Toen was het, dat graaf Mathias Sandorf zich geheel en al aan zijn werk

wijdde. Hij was thans alleen op de wereld en had eene taak te

volbrengen,—eene taak, die hij als heilig beschouwde. Verscheidene

jaren, na Otrante verlaten te hebben, was hij machtig geworden en had

hij die macht te danken aan een onmetelijk vermogen, hetwelk hij onder

omstandigheden verworven had, die weldra bekend zullen raken. Hij was

vergeten en gedekt door zijn aangenomen naam. Nu hervatte hij het spoor

van hen, die hij gezworen had te beloonen of te straffen.

In zijne gedachte had hij Piet Bathory reeds deelgenoot gemaakt van die

rechts-, van die wraakoefening. Agenten werden door zijne zorgen in

verscheidene steden langs de oevers der Middellandsche zee aangesteld.

Deze werden uit eene ruime beurs betaald en waren verplicht het diepste

geheim omtrent hunne verrichtingen te bewaren. Zij hielden slechts

briefwisseling met den dokter, hetzij door middel van de snelle

werktuigen, die de lezer reeds kent, hetzij langs den overzeeschen

draad, die het eiland Antekirrta met de electrische kabels van Malta en

verder met geheel Europa verbond.

Door de verschillende bemoeiingen en onderzoekingen van zijne agenten

nauwgezet na te gaan, slaagde de dokter er in het spoor weer te vinden

van allen, die middellijk of onmiddellijk in de samenzwering van graaf

Mathias Sandorf betrokken waren geweest. Hij kon hen dus van verre

gadeslaan, hunne daden bespieden en om zoo te zeggen, al hunne

schreden, vooral sedert de laatste vier of vijf jaren, volgen.

Van Silas Toronthal wist hij, dat deze Triëst verlaten had om zich met

zijne echtgenoote en dochter te Ragusa in die woning in de

Stradona-laan te vestigen.

Wat Sarcany betreft, diens spoor volgde hij door de voornaamste steden

van Europa, waar deze zijn vermogen verslond; later in Sicilië te

midden van de ooster provinciën, waar zijn makker Zirone en hij een

aanslag overpeinsden, waarmede zij hunne geldelijke middelen weer vlot

meenden te maken.

Dokter Antekirrt vernam, dat Carpena Rovigno en zelfs Istrië verlaten

had, om het leven met nietsdoen in Italië of in Oostenrijk te gaan

slijten, zoolang als de eenige duizenden guldens duren zouden, die hij

tot betaling van zijn verraad ontvangen had. Dat kon evenwel niet lang

zijn.

Verder zou hij Andreas Ferrato uit het bagno van Stein in Tyrol, waar

hij zijn edelmoedig gedrag jegens vluchtelingen van Pisino boette,

ontvoerd hebben, ware de dood niet tusschen beide getreden, om den

eerlijken visscher uit de galeien te verlossen.

Wat de kinderen van Andreas Ferrato betrof, Maria en Luigi, die hadden

ook Rovigno verlaten, en kampten waarschijnlijk met de ellende van zulk

een verbroken leven; maar zij hadden zich zoo goed verborgen, dat het

dokter Antekirrt niet gelukt was, hen op het spoor te komen.

Eindelijk had mevrouw Bathory zich met haren zoon Piet en met Borik,

den ouden bediende van graaf Ladislas Zathmar, in de Marinella-straat

te Ragusa gevestigd. Dokter Antekirrt had haar nimmer uit het oog

verloren, en de lezer weet, hoe hij haar eene aanzienlijke som gelds

had doen toekomen, die evenwel door de fiere en waardige vrouw niet

aangenomen was.

Maar, zooals gezegd, het uur was gekomen, dat de dokter zijn

moeielijken veldtocht zou beginnen.

Toen was het, dat hij, na zich verzekerd te hebben, dat hij na die

vijftien jaren afwezigheid niet herkend zoude worden, te Ragusa aan wal

stapte. En hij kwam er juist aan om Piet Bathory weer te vinden, die

hartstochtelijk verliefd was op de dochter van Silas Toronthal.

En die liefde moest, het kostte wat het wilde, vernietigd worden.

Zoo had dokter Antekirrt besloten.

De lezer heeft niet vergeten, hopen wij, wat toen gebeurde: de

tusschenkomst van Sarcany in deze zaak, de gevolgen, die van

weerskanten daardoor teweeggebracht werden, hoe Piet Bathory in de

woning zijner moeder teruggebracht werd, en wat dokter Antekirrt

verrichtte op het oogenblik, toen de jonge man sterven zoude, hoe en

onder welke omstandigheden hij hem tot het leven terugriep en hoe hij

zich onder zijn waren naam van graaf Mathias Sandorf aan hem

openbaarde.

Nu gold het om hem te genezen! Ook kwam het er op aan, hem alles mede

te deelen wat hij nog niet wist, dat wil zeggen: hoe een schandelijk

verraad èn Stephanus Bathory èn diens beide makkers in handen van de

Oostenrijksche Regeering geleverd had. Hem moesten de namen der

verraders onthuld worden; het gold eindelijk om hem aan die rol van

onverzoenbaren wreker te verbinden, welke de dokter meende op zich te

kunnen nemen buiten de menschelijke gerechtigheid om. Hij toch was een

slachtoffer geweest van diezelfde gerechtigheid.

Maar vóór alles moest de genezing van Piet Bathory bereikt worden. Het

was aan deze genezing, dat dokter Antekirrt zijne geheele krachten zou

wijden.

Gedurende de eerste acht dagen na zijne overbrenging naar het eiland,

verkeerde Piet werkelijk tusschen leven en dood. Niet alleen was zijne

wonde zeer bedenkelijk en gevaarlijk, maar wat erger was, de ziel van

den jeugdigen ingenieur was ziek, en zelfs zeer ziek.

De herinnering aan Sava, die, zooals hij dacht, thans onherroepelijk

met Sarcany gehuwd was; de gedachte aan zijne moeder, die hem thans als

dood beweende; daarna die opstanding uit het doodenrijk van graaf

Mathias Sandorf, die onder den naam van dokter Antekirrt

herleefde,—Mathias Sandorf de innigste vriend zijns vaders,—dat alles

was wel geschikt om een brein, dat toch reeds zoo geteisterd was, in de

war te brengen.

De dokter verliet Piet niet, noch gedurende den nacht, noch over dag.

Hij hoorde hem in zijn ijlende koortsen den naam van Sava Toronthal

uitspreken en herhalen. Hij begreep hoe diep die liefde geworteld was

en welke pijniging het huwelijk daarstelde van de vrouw, welke hij zoo

innig beminde. Hij kwam er toe om zich af te vragen, of die liefde niet

aan alles het hoofd zoude bieden, zelfs daaraan dat Sava de dochter was

van den man, die zijn vader verkocht, overgeleverd en gedood had.

Toch had dokter Antekirrt onwrikbaar besloten om hem ook dat mede te

deelen.

Dat beschouwde hij als zijne plicht.

Meer dan twintig malen meende men, dat Piet Bathory bezwijken zou. Hij

was dubbel getroffen: in zijn ziel en in zijn lichaam. Hij was reeds

zoo nabij den dood genaderd, dat hij graaf Mathias Sandorf, die aan het

hoofdeneind van zijn bed zat, niet meer herkende.

Hij had zelfs helaas! de kracht niet meer, om den naam van Sava uit te

spreken!

Toch behielden de goede zorgen van den dokter de overhand, en trad

eindelijk de reactie in. De jeugd behaalde de overwinning. Het lichaam

van den zieke zou spoediger dan de ziel genezen.

De wond begon tot lidteekenvorming over te gaan en zich derhalve te

sluiten. Zijne longen hervatten hunne normale werkzaamheid, en op den

17den Juli had de dokter eindelijk de zekerheid verkregen, dat Piet

gered was.

Dien dag herkende hem de jonge man.

Met eene uiterst zwakke stem noemde hij hem bij zijn waren naam.

„Graaf Mathias Sandorf!” zuchtte hij meer dan hij sprak.

„Ja, voor u, mijn zoon, ben ik Mathias Sandorf!” antwoordde deze. „Maar

voor u alleen!”

En daar hem Piet met den blik eene verklaring scheen te vragen, die hij

zoo ongeduldig moest verwachten:

„Later,” zei de dokter, „later!”

Piet’s herstel zou snel plaats hebben. Alle maatregelen waren daartoe

getroffen. Hij betrok op het eiland Antekirrta eene fraaie kamer,

welker ramen aan den noord- en westkant gelegen waren en derhalve vrije

toetreding aan de zoo gezonde zeebries gaven. In den tuin, die zich

voor zijn vertrek uitspreidde, schonken eenige snelvlietende beekjes

een eeuwig jong groen, terwijl de schaduw der loofkruinen van het hoog

opgaand geboomte er eene aangename frischheid aan verleende.

De dokter had geen oogenblik verzuimd om den dierbaren zieke zijne

zorgen te wijden; hij was steeds om en bij hem gebleven. Maar sedert

zijn herstel verzekerd bleef, kon het geen verwondering baren, dat hij

zich een helper toegevoegd had, van wiens schranderheid, goedhartigheid

en volkomen toewijding hij de verzekering bij zich droeg.

Die helper was Pescadospunt, die aan Piet Bathory evenals aan dokter

Antekirrt innig gehecht was.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat hij en Kaap Matifou het

diepste geheim bewaard hadden, omtrent hetgeen op het kerkhof van

Ragusa voorgevallen was; ook niet, dat hen aanbevolen was, aan niemand

hoegenaamd te openbaren, dat de jonge ingenieur levend uit zijn graf

gehaald was.

Pescadospunt was vrij innig ingewijd en werkzaam geweest in en bij al

die feiten, welke gedurende de laatste maanden voorgevallen waren.

Dientengevolge had hij een levendige belangstelling voor den zieke

opgevat.

Die liefde van Piet Bathory voor Sava Toronthal—eene liefde, die zoo

wreed gedwarsboomd was geworden door Sarcany, een onbeschoften kerel,

die den kleinen acrobaat geheel te recht een geweldigen afkeer

inboezemde,—die ontmoeting van den begrafenisstoet met de

bruiloftsrijtuigen voor de woning in de Stradona-laan, die

lijkopgraving op het kerkhof van Ragusa ten uitvoer gebracht, dat alles

had dat zoo goedige wezen diep geroerd en dat te meer, daar hij zich

als mededeelgenoot gevoelde van de plannen van dokter Antekirrt, hoewel

hij ze nog niet ten volle begreep.

Daarom aanvaardde Pescadospunt volijverig de taak van ziekenvader bij

Piet Bathory. Hij ontving terzelfder tijd de opdracht, om hem zooveel

mogelijk door zijn opgewekt en vroolijk humeur te verstrooien. Daarin

bleef hij niet in gebreke. Want hij beschouwde daarenboven Piet

Bathory, sedert de kermis te Gravosa, als een schuldeischer, dien hij

te avond of morgen op de een of andere wijze voldoen moest.

Ziet, daarom was Pescadospunt bij den herstellende gezeten, steeds

bezig met diens gedachten te trachten af te leiden, door te kouten,

door te babbelen zelfs, en hem zoodoende geen tijd te geven te kunnen

nadenken.

Het was onder die gegeven omstandigheden, dat hij op zekeren dag,

tengevolge van eene vraag op den man af, door Piet Bathory, er toe

gebracht werd, om hem te vertellen, hoe hij de kennis met dokter

Antekirrt aangeknoopt had.

„Dat hadden wij aan de Trabocolo te danken, mijnheer Piet,” antwoordde

hij met een glimlach.

„Aan de Trabocolo?” vroeg de jonge man natuurlijk zeer verwonderd. „Hoe

kan dat?”

„Ja, zeker aan de Trabocolo! Die moet gij u toch nog herinneren,”

antwoordde Pescadospunt.

„De Trabocolo?....” herhaalde Piet Bathory nadenkende.

„Die van Kaap Matifou eenvoudig een held gemaakt heeft!.... Dat kan u

toch niet ontschoten zijn!”

„O, ja, nu herinner ik mij”, antwoordde de jonge man.

En inderdaad, onze Piet had die gebeurtenis, die de kermis van Gravosa

gekenmerkt had, nu ze zoo duidelijk herinnerd werd, niet vergeten. Ja,

het gevaar, dat het jacht van dokter Antekirrt geloopen had, stond hem

nu weer duidelijk voor oogen. Maar, wat hij niet wist, dat was dat die

gebeurtenis den dokter aanleiding had gegeven, om de beide kermishelden

voor te stellen, hun potsenmakersbaantje vaarwel te zeggen en in zijn

dienst aan boord van de Savarena over te gaan.

„Ja, mijnheer Bathory,” vervolgde Pescadospunt, „zoo is het! En de

zelfopofferende daad van Kaap Matifou is voor ons een ware uitkomst en

eene zeer gelukkige uitkomst geweest.”

„Zoo?”

„Maar.... juist omdat wij jegens den dokter verplichtingen hebben mogen

wij die, welke wij jegens u hebben, niet vergeten!”

„Jegens mij?”

„Ja, jegens u, mijnheer Piet!”

„Ik ben benieuwd....”

„Herinnert gij u nog denzelfden dag, dat gij op het punt waart ons

eenig publiek te zijn....”

„Uw eenig publiek?” vroeg Piet Bathory, die moeite deed zich te

herinneren, maar er niet in slaagde.

„Gij gaaft ons twee gulden, die wij niet verdiend hadden....” vervolgde

Pescadospunt.

„Niet verdiend?” was de verbaasde vraag van den jeugdigen

werktuigkundige.

„Neen, daar het publiek verdween, hoewel het zijne plaats betaald had,”

was het antwoord daarop.

En Pescadospunt herinnerde Piet Bathory thans, hoe hij, na zijne twee

gulden uitgegeven te hebben en op het punt zijnde om de Provençaalsche

kraam binnen te treden, eensklaps verdween.

De jeugdige ingenieur was die omstandigheid glad vergeten. Hij

beantwoordde echter dat verhaal met een glimlach. Dat was een droevige

glimlach evenwel; want de jongman herinnerde zich toen, dat hij

destijds die kermisvreugde voor niets anders nagejaagd had, dan in de

hoop om Sava Toronthal weer te vinden.

Hij sloot de oogen. Hij dacht na over al hetgeen hem sedert dien dag

wedervaren was.

En terwijl het beeld van Sava voor hem verrees, van Sava, die, naar hij

meende, getrouwd was, schroefde een naamloos lijden zijn hart samen en

hij voelde een zucht in zijn hart opwellen, om hen te vervloeken, die

hem aan het graf ontrukt hadden.

Pescadospunt zag wel in, dat die kermis van Gravosa bij Piet Bathory

droevige herinneringen opwekte. Hij drong daar dus niet verder op aan,

ja, hij bewaarde zelfs het stilzwijgen, terwijl hij in zich zelven

prevelde:

„Een halve lepel vroolijke stemming, iedere vijf minuten door mijn

zieke in te nemen! Jawel! jawel, dat is het voorschrift van den

dokter.... Maar drommels, dat is niet gemakkelijk op te volgen!”

Zoo zat hij na te denken, totdat Piet eenigen tijd later de oogen

opende en hem vroeg:

„Dus, Pescadospunt, vóór dat gebeurde met de Trabocolo op de

sleephelling te Gravosa, kendet gij dokter Antekirrt niet?”

„Neen, mijnheer Piet.”

„Volstrekt niet?” vroeg Piet met den meesten nadruk.

„Wij hadden hem toen nooit gezien,” antwoordde Pescadospunt, „en wij

hadden zelfs zijn naam nimmer hooren noemen.”

„En....”

„En wat?” vroeg Pescadospunt.

„Hebt gij hem sedert nimmer verlaten?” vroeg de jeugdige

werktuigkundige met aandrang.

„Neen, nooit!”

„Nooit? Bedenk u wel,” vroeg Piet Bathory.

„Dat is te zeggen, ja, eenige keeren, dat hij mij met zendingen

belastte,” antwoordde Pescadospunt.

„En in welk land zijn wij hier? Dat zou ik zeer gaarne weten.”

„In welk land?”

„Ja, in welk land? Zoudt gij mij dat kunnen zeggen, vriend

Pescadospunt?”

„Ik heb eenige reden te gelooven....”

„Wat?”

„Dat wij op een eiland zijn, mijnheer Piet,” antwoordde Pescadospunt

glimlachende.

„Waaruit leidt gij dat af?”

„Wij zijn geheel en al door de zee omringd.”

„De zee.... Maar welke zee? Bedenk toch, er bestaan zoovele zeeën op

Gods lieve aarde.”

„Ik denk de Middellandsche zee.”

„De Middellandsche zee! Maar.... in welk gedeelte van de Middellandsche

zee?”

„Ja.... ziet u.... Dat is ’t hem juist.... Zijn wij in het zuiden, zijn

wij in het noorden, zijn wij in het westen, of zijn wij in het oosten?”

antwoordde Pescadospunt. „Ik moet bekennen, ik weet het niet.”

„Niet,” vroeg Piet Bathory mismoedig, terwijl hij zijn hoofd achter

tegen zijn leuningstoel liet rusten.

„Neen, ik weet het niet, mijnheer Piet; maar alles wel beschouwd, wat

kan het ons schelen?”

De zieke glimlachte droefgeestig.

„Wat zeker is,” ging Pescadospunt voort, „dat is, dat wij de gasten van

dokter Antekirrt zijn, die ons goed voedt, ons goed kleedt, ons goede

bedden verstrekt, ongerekend nog....”

„Wat?”

„De zoo kiesche behandeling, die wij ondervinden,” vulde Pescadospunt

aan.

„Maar weet gij ten minste, hoe dit eiland heet?” vroeg Piet.

„Hoe dit eiland heet?”

„Ja, dit eiland, waarvan gij de ligging niet kent.”

„Ja, dat weet ik zeer goed.”

„Welnu?”

„Het heet Antekirrta!” riep Pescadospunt zegevierend.

„Antekirrta?.... Antekirrta?”

Piet Bathory keek hem aan met een verwijtingsvollen blik. Te vergeefs

zocht hij zijn geheugen, of hij zich een eiland kon herinneren, dat

dien naam droeg.

Pescadospunt gevoelde zich niets op zijn gemak onder dien blik.

Mathias Sandorf [2] · 第 6 / 19 段