Nadat hij voor de inbewaargeving van zijne koffers bij de ambtenaren

van de in- en uitgaande rechten gezorgd had, deed hij zich door de

Marokkaansche vergezellen, terwijl hij den weg rechtsaf insloeg, om

zoodoende den buitenkant der stad te volgen, zonder daarin door de

Zeepoort binnen te dringen.

Dokter Antekirrt aarzelde een oogenblik.

Zou Sarcany hem ontsnappen? Dat was niet aan te nemen, daar hij geen

achterdocht hoegenaamd koesterde.

Moest hij hem volgen?

Hij was nog besluiteloos, maar toen hij zich omkeerde, bespeurde hij

Kaap Matifou, die als een vreedzame wandelaar de lossing en lading van

de Saxonia gadesloeg. Hij maakte slechts een enkel gebaar om den reus

tot zich te roepen.

„Kaap Matifou,” zei hij.

„Wat blieft u?”

„Ziet ge dien man?” ging dokter Antekirrt voort, terwijl hij Sarcany

aanwees.

„Ja.”

„Ziet gij hem goed?”

„Ja.”

„Als ik u zeg om dien man te vatten....”

Kaap Matifou grinnikte en vertoonde met de meeste zelfvoldaanheid de

geopende hand.

„Zult gij het doen?” vroeg de dokter.

„Ja.”

„En zult ge hem beletten om te ontvluchten, wanneer hij tracht

weerstand te bieden?”

„Ja.”

„Herinner u....”

„Ja, ja,” zei Kaap Matifou.

„Herinner u dan,” ging de dokter voort, „dat ik hem levend in handen

wil hebben.”

„Ja.”

Kaap Matifou sprak niet veel, zooals men weet. Hij was geen

phrasenfabrikant; maar wat hij zeide, was er te duidelijker door. De

dokter kon op hem rekenen. Hij zou uitvoeren, stipt en nauwgezet

uitvoeren, wat hem bevolen werd. En dat was waarop het aankwam. Dat was

beter dan alle mogelijke praatjes en betuigingen.

Wat de Marokkaansche betrof, het zou voldoende zijn om haar te binden,

haar een prop in den mond te steken en haar ergens in een hoek te

gooien. Vóórdat zij opschudding zou veroorzaakt hebben, zou Sarcany aan

boord van de Electriek gebracht zijn.

De duisternis, hoewel die niet buitengewoon was, zou de uitvoering van

het plan voorzeker in de hand werken.

Sarcany en de vreemdelinge vervolgden intusschen hunnen weg langs den

buitenkant der stad, zonder te bespeuren, dat zij bespied en vervolgd

werden. Zij spraken nog niet met elkander. Dit wilden zij voorzeker

eerst doen, wanneer zij ergens aangekomen zouden zijn, waar zij eene

veilige schuilplaats zouden vinden. Zoo kwamen zij tot in de nabijheid,

waar de weg voert, die van Cattaro naar het gebergte leidt, hetwelk de

Oostenrijksche grens uitmaakt.

Daar bestaat een belangrijke marktplaats, een groote bazar, die door

geheel Montenegro goed bekend is. Hier komen de Montenegrijnen handel

drijven; men laat ze de stad niet dan bij een zeer beperkt aantal

binnen en dan nog na hen genoodzaakt te hebben hunne wapens af te

leggen. Die bergbewoners komen des Dinsdags, Donderdags en Zaterdags

van iedere week van Niegous en van Cettinje, om na een marsch van vijf

of zes uren, hunne landbouwproducten, als runderen, schapen, hoenders,

duiven, aardappelen, knollen, wild, gevogelte, zelfs bossen brandhout

aan te voeren, in welk laatste artikel een belangrijk vertier plaats

heeft, omdat in die streken volslagen gebrek aan steenkolen bestaat en

die van elders aangevoerd moeten worden.

Nu was het dien dag juist een Dinsdag. Eenige groepen koopers en

verkoopers, wier handels-operatiën eerst zeer laat beëindigd werden;

waren in dien bazar om er den nacht door te brengen. Er waren daar

voorzeker ruim dertig bergbewoners aanwezig, die gingen, kwamen,

praatten en twistten. Eenigen hunner lagen reeds op den grond

uitgestrekt om te slapen, anderen zaten rondom een houtskoolvuur,

waarboven zij een klein schaap, aan een houten spit geregen, op

Albaneesche wijze lieten braden.

Daar te midden van dat gejoel kwamen Sarcany en zijn metgezellin een

toevlucht zoeken, alsof zij die plek reeds kenden. Daar zouden zij

inderdaad vrij en ongehinderd met elkander kunnen praten. Zij zouden er

zelfs den nacht kunnen doorbrengen zonder genoodzaakt te zijn een

logement op te zoeken, dat men niet altijd zeker was te zullen vinden.

De vreemdelinge had daarenboven nergens anders haren intrek genomen en

had zich ook over geen ander nachtverblijf bekommerd.

Dokter Antekirrt en Kaap Matifou traden de een na den anderen dien vrij

donkeren bazar binnen. Hier en daar knetterden eenige vuurtjes zonder

vlam, die bijgevolg geen licht verspreidden. Intusschen zou de

oplichting van Sarcany onder de gegeven omstandigheden uiterst

moeielijk uit te voeren zijn, wanneer hij ten minste den bazar niet

vóór het aanbreken van den dag verliet. De dokter kon dus met eenigen

grond betreuren, dat hij niet gedurende de afgelegden afstand van de

Zeepoort tot de Zuiderpoort gehandeld had. Maar het was thans te laat.

Er bleef nu niets anders over dan te wachten om de eerste de beste

geschikte gelegenheid te benuttigen, die zich wel zou voordoen, zooals

hij meende.

In ieder geval lag de sloep achter de rotsen vastgemeerd, op een

afstand van minder dan tweehonderd passen van den bazar verwijderd, en

vandaar kon men op een afstand van twee kabellengten onduidelijk de

zwarte massa van de Electriek onderscheiden, die eene lantaarn aan haar

voorsteven geheschen had en daardoor hare aanwezigheid op de

ankerplaats aanduidde.

Sarcany en de Marokkaansche hadden in een zeer donkeren hoek plaats

genomen, dicht bij een troep bergbewoners, die reeds in slaap gevallen

waren. Zij zouden dus over hunne zaken hebben kunnen spreken, zonder

gevaar te loopen om gehoord te worden, wanneer het den dokter, die zich

in zijn reisdeken gewikkeld had, niet gelukt was om te midden van die

groep te sluipen, waarin zijne tegenwoordigheid niet opgemerkt werd.

Kaap Matifou verschool zich zoo goed hij kon. Hij bleef echter zoodanig

in de nabijheid, dat hij gereed was om op het eerste teeken van den

dokter handelend te kunnen optreden.

Sarcany en de vreemdelinge konden reeds eenigermate op veiligheid

rekenen, daar zij de Arabische taal spraken en zij vermoeden moesten

dat hen niemand op die plek verstaan zou. Daarin vergisten zij zich

toch, want de dokter was er. Deze was met het taaleigen van alle

Levantsche en Afrikaansche streken vertrouwd, derhalve ook met de

Arabische taal, zoodat hij geen enkel woord van dat onderhoud verloren

zou laten gaan.

„Gij hebt mijn telegram te Syracuse ontvangen?” vroeg de Marokkaansche,

toen zij plaats genomen had.

„Ja, Namir.”

„Wat hebt gij toen gedaan?”

„Ik ben reeds den volgenden dag met Zirone op reis gegaan.”

„Met Zirone?”

„Ja.”

„Waarom met Zirone?”

„Wel....”

„Maar waar is Zirone?”

„Hij bevindt zich thans in de omstreken van Catania, waar hij eene

nieuwe bende organiseert.”

„Catania, waar ligt dat?”

„Op het eiland Sicilië.”

„Gij moet morgen te Ragusa zijn.....”

„Morgen reeds?”

„Ja, en dienzelfden dag moet ge met Silas Toronthal spreken. Verstaat

gij mij goed, Sarcany?”

„Denzelfden dag?”

„Dat is noodzakelijk.”

„Welnu, ik zal morgen te Ragusa zijn en ik zal Silas Toronthal

gesproken hebben. Zijt gij tevreden?”

„Vergeet het niet,” antwoordde de Marokkaansche ernstig en met een

nadrukkelijk gebaar.

„Neen, maar hebt ge u niet vergist, Namir?”

„Neen, ik heb mij niet vergist, Sarcany.”

„Ik kom dus bij tijds aan?....”

„Ja. De dochter van den bankier....”

„De dochter van den bankier,” herhaalde Sarcany op zoo zonderlingen

toon, dat het den dokter opvallen moest.

„Ja, zijne dochter!” antwoordde Namir. „Zij is verliefd.”

„Wat? Veroorlooft zij zich aan de inspraken van haar hart gehoor te

geven?”

„Nu, wat zou dat?”

„En zonder mijne toestemming?” vervolgde Sarcany spottend, en herhaalde

gekscheerend: „En dat zonder mijne toestemming?”

„Verwondert u dat, Sarcany?”

„Wel een weinig, dat beken ik.”

„Nu, het is zoo, wees daarvan verzekerd,” bevestigde het Marokkaansche

wijf hoogst ernstig.

„En?....” vroeg Sarcany.

„Ge zult nog meer verwonderd zijn, wanneer ge vernemen zult wien Sava

Toronthal denkt te huwen.”

„Wien dan?”

„Raad eens.”

„Den een of anderen geruïneerden edelman, die zijn wapenschild met de

millioenen van haren vader wenscht op te poetsen.”

„Mis, Sarcany!”

„Mis?”

„Ja, zeker. Het is inderdaad iemand van voorname afkomst....”

„En?....”

„Maar zonder vermogen....”

„Dus had ik gelijk, Namir!”

„Kunt ge niet raden wie het is, Sarcany?”

„Neen, Namir. Noem mij den naam van dien stoutmoedige.”

„Piet Bathory!”

„Piet Bathory!” riep Sarcany uit.

„Dezelfde.”

„Piet Bathory de dochter van Silas Toronthal huwen!”

„Bedaar, Sarcany,” hernam Namir op nederzettenden toon. „Dat de dochter

van Silas Toronthal en de zoon van Stephanus Bathory elkander beminnen,

dat is al sedert eenigen tijd geen geheim meer voor mij. Maar Silas

Toronthal is misschien nog onbekend met die liefde.”

„Hij!.... Daarmede onbekend zijn?” kreet Sarcany. „Hoe kunt ge zoo iets

vermoeden?....”

„Bedaar toch.”

„Het is wat moois!”

„Daarenboven,” zei de Marokkaansche koel en afgemeten, „nimmer zou hij

zijne toestemming verleenen....”

„Dat is zoo zeker niet!” antwoordde Sarcany, die begon na te denken.

„Silas Toronthal kan gerekend worden tot alles in staat te zijn....

Zelfs om dit huwelijk in te willigen.... ja zelfs in de hand te

werken.... al was het slechts om zijn geweten te bevredigen, in de

vooronderstelling altijd, dat hij in die vijftien jaren er in geslaagd

is een nieuw geweten op te doen!.... Gelukkig, ik ben er nog om voor

hem de kaarten te schudden....”

„Ja wel, maar haast u! Ik kan u niet genoeg daartoe aansporen. Sarcany,

haast u! haast u!”

„Morgen ben ik te Ragusa! Daar kunt ge verzekerd van zijn Namir,”

antwoordde Sarcany op dien aandrang.

„Dat is goed,” antwoordde de Marokkaansche, die een zekeren invloed op

Sarcany scheen uit te oefenen.

„Luister,” zeide Sarcany.

„Ja, ik luister,” hernam zijne gezellin, terwijl ze met alle aandacht

het oor spitste.

„De dochter van Silas Toronthal zal aan niemand anders toebehooren dan

aan mij! Verstaat ge?”

„Voorzeker.”

„En door middel van haar zal ik mijn vermogen herstellen. Hoe, dat is

mijn zaak, verstaat ge?”

„Het is te hopen voor u, dat ge slaagt,” hernam Namir.

Dokter Antekirrt had alles gehoord, wat hij weten wilde. Wat kon ’t hem

nu ook schelen, wat er verder tusschen de vreemdelinge en Sarcany nog

gesproken werd.

Een ellendeling zou de dochter van een anderen ellendeling opeischen.

Gene had het recht en de macht om zich aan deze op te dringen. Het was

inderdaad alsof God in eene zaak van menschelijke gerechtigheid

tusschen beiden trad. Er behoefde geen vrees meer voor Piet Bathory

gekoesterd te worden, want een mededinger stond gereed om hem van de

baan te knikkeren. Het was dus overbodig geworden om hem naar Cattaro

op te roepen. Het was ook overbodig om zich meester te maken van den

man, die naar de eer haakte, de schoonzoon van Silas Toronthal te

worden.

„Dat die schurken maar onder elkander trouwen en eene zelfde

verwantschap uitmaken, wat kan mij het schelen?” mompelde de dokter in

zich zelven. „Later kunnen wij altijd zien. Loontje zal altijd om zijn

boontje komen.”

Daarop sloop hij weg, na aan Kaap Matifou een teeken gegeven te hebben

om hem te volgen.

Kaap Matifou, die er volstrekt niet naar gevraagd had, waarom dokter

Antekirrt den passagier van de Saxonia gevankelijk wilde wegvoeren,

vroeg natuurlijk ook niet naar de redenen, waarom van dat voornemen

afgezien werd.

Den volgenden dag—dus op den 10den Juni—gingen de deuren van het groote

salon in de prachtige woning in de Stradona-laan, tegen ongeveer acht

uren des avonds open en kondigde een lakei met luider stemme aan:

„Mijnheer Sarcany!”

III.

VERWIKKELINGEN.

Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst

verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in die

prachtige woning in de Stradona-laan te komen vestigen. Hij was

Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat

hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren,

zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.

Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun

den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel

vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het

Tripolitaansche, toegewezen geworden.

Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van

Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens

iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was

het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen

van de veroordeelden en gevonnisden.

Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas

Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet

om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van

hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets

overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen.

Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige

mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het

Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een

onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze

goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare

veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot

te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de

erfgename van den graaf weergegeven te worden, wanneer zij

meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden.

Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou

zijn deel aan den Staat vervallen.

Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de

aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden

opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.

Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te

scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van

Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het

geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren

ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.

Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in

rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu

de voorspoedige dagen aangebroken waren.

Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.

Waarheen waren zij gegaan?

Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar

niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen,

mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven

vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven

wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in

Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier

Silas Toronthal.

Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad

toen eerst haalde hij weer vrij adem.

Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem

toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt

kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een

verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat

wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen

gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te

keeren.

Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer

wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken

en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen.

Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur

van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de

ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te

veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en

wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een

weelderig bestaan verzekerde.

Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door

eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal

worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het

was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die

Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.

De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die

stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders

verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al

vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij

sedert jaren niet meer geweest was.

Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken

man, die binnen de muren zijner geboortestad wederkeerde, goed. Zij

wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een

voornaam man was geweest. De bankier zocht en vond eene woning in het

voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk

en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van

bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd

werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding

ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een

dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten

worden. Zeker, maar....

Silas Toronthal was, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan

wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van

zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht

kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan

kunnen aanbrengen.

Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende

getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.

Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het

schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende

mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar

echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war

raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een

gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen

om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij

van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en

hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de

ontdekking van de Triëster samenzwering.

Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven

geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan

bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte

een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd

door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde

zij zooveel haar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa,

geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit

gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning

van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en

haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was

hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde

zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er

ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.

Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter,

waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.

Daar trachtte zij dan te vergeten.

Vergeten!.... Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was

als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?

Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne

vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen

veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook

nieuwe droefheid bij mevrouw.

Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst

verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige

bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas

Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen

den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook

niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en

schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche

vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen

hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet

had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de

Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.

Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo

kende hij haar toch.

Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden,

haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met

handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had

mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan

zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten

varen.

Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam

betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig

mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin

geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om

ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met

zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.

„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel

hoofdschuddend bij zich zelven.

Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige

getuige te sluiten.

Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende

was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging.

Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle

landen der wereld.

Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor

mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden,

van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan ook, zeer in het geheim,

verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander

inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die

hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde

het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele

vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus

Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.

Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk

toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken;

niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen,

die er uit geboren zouden worden.

Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele

toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie

jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar

1867 te Ragusa kwamen wonen.

Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den

zeventienjarigen leeftijd bereikt.

De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche

type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten

haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed

geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed

door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand.

Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken

roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en

veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde

bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker

geschikt om ieders blik te boeien.

Mathias Sandorf [2] · 第 3 / 19 段