Pescadospunt moest namelijk te Ragusa blijven, om de woning in de

Stradona-laan en het huis in de Marinellastraat gade te slaan terwijl

Kaap Matifou dokter Antekirrt naar Cattaro zou volgen. Dat zou dus eene

scheiding zijn—de eerste sedert zoovele jaren, die de deelgenooten in

de ellende te zamen doorleefd hadden. Daaruit ontsproot bij Kaap

Matifou eene hartroerende ongerustheid, wanneer hij er aan dacht, dat

hij zijn kleinen Pescadospunt niet meer bij zich kon hebben. Hij maakte

zijn vriend deelgenoot van die onrust.

„Geduld, Kaap van mijn hart, geduld!” zei Pescadospunt. „Dat zal niet

lang duren!”

„Niet?”

„Neen. Slechts den tijd, die noodig is om het stukje te spelen, en dan

is het uit!”

„Meent ge?”

„Ja. Als ik mij niet bedrieg, dan is het een prachtig stuk, dat

voorbereid wordt, en onze waardige directeur heeft ons daarin eene

fraaie en belangrijke rol toebedeeld.... Geloof mij, ge zult over de

uwe niet ontevreden zijn.”

„Denkt ge?” vroeg de reus Kaap Matifou nadenkend en met eenige

aarzeling in zijn stem.

„O, ik ben er zeker van!” betuigde de geestdriftvolle Pescadospunt met

vuur. „Ik ben er zeker van!”

„Ik mag het lijden,” antwoordde Kaap Matifou, niet geheel en al

overtuigd.

„Kijk, Kaap, ge zult geen verliefde rol krijgen, bijvoorbeeld!” ging

Pescadospunt voort. „Dat ligt volstrekt niet in je aard, hoewel je

duivelsch sentimenteel kunt zijn, zooals nu blijkt! Ge krijgt ook geen

verradersrol. Daartoe heb je een te dik, goedhartig gezicht! Neen, je

zult de goede genius voorstellen, die bij de ontknooping...”

„Bij welke ontknooping?”

„Bij de ontknooping van het stuk, die onvermijdelijk de misdaad zal

straffen en de deugd beloonen!”

„Zooals bij onze voorstellingen?” vroeg Kaap Matifou met een glimlach

op het goedhartige gelaat.

„Zooals bij onze voorstellingen! Juist!”

„Dan is het goed!”

„Juist. Ik zie je reeds in die rol, Kaaplief. Op het oogenblik dat de

booze, de verrader er het minst op verdacht is, kom jij met de breede

geopende handen te voorschijn en heb je ze maar te sluiten om de

ontknooping te voltooien.... Zie.... zoo!”

„Zoo?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn kolossale hand als een

nijptang dichtkneep.

„Prachtig! Als die rol niet lang te noemen is, zoo is zij toch uiterst

sympathiek bij het publiek. En denk eens hoeveel bravo’s je in de ooren

zullen klinken en hoeveel geld bovendien in je zak zal glijden! Het is

om te watertanden!”

„Jawel, ongetwijfeld”, antwoordde de Hercules, „maar intusschen....”

„Wat intusschen?”

„.... Zullen wij moeten scheiden! En dat is onaangenaam, Pescadospunt,

vindt ge niet?”

„Dat is waar! Maar wat valt er aan te doen, Kaap Matifou? Ik weet er

niets op.”

„Zie je!....”

„Och, het is maar voor weinige dagen.”

„Toch nog te veel!”

„Je moet mij beloven, Kaaplief, dat je gedurende mijne afwezigheid je

niet zult laten vermageren!”

„Dat beloof ik!”

„Verbeeld je dat je de tering kreegt. Brr!.... het is om van te rillen.

Je moet me dan ook verder beloven, dat je nauwkeurig je zes maaltijden

per dag zult nemen.”

„Dat beloof ik, Pescadospunt!”

„En dat je vet zult worden, Kaaplief.”

„Dat beloof ik!”

„Welnu, sluit mij thans in je armen.... of beter: doe het schijnbaar

maar, want je zoudt gevaar loopen mij te smooren!....”

„O, Pescadospunt!....” zei de reus met een snik in de keel en een traan

in het oog.

„Drommels, wij moeten de gewoonte aannemen om comedie te spelen in dit

ondermaansche!.... Omhels mij nogmaals, Kaap Matifou, en vergeet je

kleine Pescadospunt niet....”

„O, neen, Pescadospunt!”

„Die zijn dikken Kaap Matifou ook nooit vergeten zal!”

Zoodanig was het hartroerend vaarwel van die twee vrienden, toen zij

van elkander scheiden moesten.

Waarlijk, Kaap Matifou had het hart vol in zijne overgroote borst, toen

hij zich alleen aan boord van de Savarena bevond. Dienzelfden dag nog

was zijn makker, op bevel van den dokter, naar Ragusa gegaan, had daar

ergens op een bovenkamertje in de gewenschte buurt zijn intrek genomen

en had tot taak Piet Bathory niet uit het oog te verliezen, de woning

van Toronthal gade te slaan en zich op de hoogte van alles te houden.

Gedurende de lange uren, die Pescadospunt in het Stradonakwartier ging

doorbrengen, had hij dikwijls de vreemdelinge moeten ontmoeten, die

waarschijnlijk met een zelfde zending belast was als hij. En

ongetwijfeld zou die ontmoeting ook plaats gehad hebben, wanneer de

Marokkaansche niet Ragusa verlaten had, nadat zij haar telegram

verzonden had, om zich naar eene vooraf overeengekomen bijeenkomst

plaats te begeven, waar Sarcany zich bij haar voegen zou.

Pescadospunt werd dus niet zijne handelingen belemmerd en kon zijn

baantje van vertrouwen met zijne gewone schranderheid volvoeren.

En waarlijk, Piet Bathory zou zich nimmer kunnen verbeelden, dat hij

zoo van nabij gadegeslagen werd. Ook zou hij nimmer hebben kunnen

raden, dat de loerende oogen van die vrouwelijke spion vervangen waren

door de meer loyale oogen van Pescadospunt.

Na zijn gesprek met den dokter, na de bekentenis zijner liefde voor

Sava, die hem ontsnapt was, had de jonge man zich meer vertrouwvol

gevoeld. Waarom zou hij nu voor zijne moeder iets van dat onderhoud,

hetwelk aan boord van de Savarena had plaats gehad, verborgen houden?

Zou zij in zijn blik niet gelezen hebben, wat in zijne ziel omging? Zou

zij niet begrepen hebben, dat eene wichtige verandering bij hem plaats

gevonden had, dat leed en wanhoop plaats ingeruimd hadden voor geluk en

hoop?

Piet Bathory bekende dus alles aan zijne moeder. Hij verhaalde haar,

welk meisje het was, hetwelk hij beminde, en het voor haar was, dat hij

geweigerd had Ragusa te verlaten. Och, zijne tegenwoordige toestand kon

hem niets schelen. Had dokter Antekirrt hem niet gezegd, dat hij hoop

kon koesteren?

„Daarom leedt ge zoo, mijn jongen,” zei mevrouw Bathory.

„Ja, moeder.”

„Dat God je helpe en dat Hij je al het geluk geve, dat ons tot heden

ontbroken heeft!”

Mevrouw Bathory leefde zeer teruggetrokken in haar huis in de

Marinellastraat. Zij ging slechts de deur uit om met haren ouden

bediende Borik naar de kerk te gaan, om de mis te hooren, om hare

godsdienstige plichten te betrachten met die ware en diepe vroomheid,

die de grondslag van het godsdienstig leven der Katholieke Hongaarsche

vrouwen is.

Zij had nimmer over de familie Toronthal hooren spreken. Nimmer had zij

zelfs den blik op die woning in de Stradona-laan geworpen, waarlangs

zij dagelijks ging, wanneer zij zich naar de kerk van den H. Verlosser

begaf, die eene onderhoorigheid van het Franciscaner klooster was,

hetwelk bij den aanvang der genoemde laan gelegen was. Zij kende dus de

dochter van den Triëster bankier niet.

Piet moest van het lieve meisje verhalen en haar zoowel uit een physiek

als moreel oogpunt beschrijven. Hij moest zijne moeder vertellen, waar

hij haar het eerste gezien had en hoe hij er toe kwam om niet aan hare

wederliefde te twijfelen. En alle die bijzonderheden werden met een

vuur medegedeeld, hetwelk, met het oog op de teedere en

hartstochtelijke geaardheid van haren zoon, bij mevrouw Bathory geene

verbazing kon opwekken.

Maar toen Piet haar mededeelde in welke maatschappelijke verhouding de

familie Toronthal zich bevond; toen zij vernam dat dat jonge meisje een

der rijkste erfdochters van geheel Ragusa was, toen kon zij hare

bezorgdheid niet verbergen, en hare onrust niet ontveinzen.

Zou die rijke bankier ooit toestaan, dat zijn eenig kind de gade werd

van een jongen man zonder vermogen, wellicht zonder toekomst?

Bij het ontdekken van die onrust, meende Piet Bathory, dat het niet

noodig was om mededeeling te doen van de koelheid, van de minachting

zelfs, waarmede Silas Toronthal hem tot heden bejegend had. Hij

vergenoegde zich met de woorden van den dokter mede te deelen. Deze had

hem verzekerd, dat hij vertrouwen kon en moest stellen in den vriend

zijns vaders, dat hij voor hem eene bijna vaderlijke genegenheid

koesterde. Hieromtrent kon mevrouw Bathory geen twijfel koesteren, daar

zij wist wat hij reeds voor haar en de haren had willen doen. Toen zij

zag dat haar zoon, dat ook Borik, die meende zijn advies niet te mogen

weerhouden, de toekomst rooskleurig tegemoet zag, sloop ook de hoop in

haar hart en ontstond er een weinig geluk in de nederige woning van de

Marinella-straat.

Piet Bathory ondervond daarenboven nog het geluk en de vreugde, Sava

Toronthal in de Franciscaner kerk te zien. Het gelaat van het jonge

meisje, dat gewoonlijk met een eenigszins droefgeestig waas overtogen

was, verhelderde natuurlijk, toen zij Piet bespeurde, die als

verheerlijkt scheen.

Beiden onderhielden zich zoo door middel der oogentaal en beiden

begrepen elkander volkomen. En toen Sava, hevig bewogen, in hare woning

teruggekeerd was, bracht zij daarin een deel van het geluk mede,

hetwelk zij zoo duidelijk op het gelaat van den jongen man gelezen had.

Piet Bathory had evenwel dokter Antekirrt niet weergezien. Hij wachtte

op eene uitnoodiging, om andermaal aan boord van de goelet te komen.

Eenige dagen verliepen in die verwachting, maar geen uitnoodigingsbrief

kwam opdagen.

„Dat is vreemd,” dacht hij.

Maar een oogenblik later:

„Ongetwijfeld zal de dokter inlichtingen hebben willen inwinnen. Hij

zal naar Ragusa gegaan zijn of iemand gezonden hebben, om eenige nadere

bijzonderheden omtrent de familie Toronthal te erlangen!.... Misschien

staat hij er op, Sava te leeren kennen!.... Ja, het is niet onmogelijk,

dat hij haar vader reeds gezien heeft, dat hij dezen omtrent de

onderwerpelijke zaak heeft gepolst.... Toch zou een regel schrift van

hem, wat, een regel?—een enkel woord mij veel genoegen doen,—vooral

wanneer dat woord zoude luiden: „kom”.

Maar dat woord kwam niet.

Mevrouw Bathory had moeite genoeg om het ongeduld van haren zoon te

temperen. Hij begon te wanhopen en nu was zij het, die hem eenigermate

hoop inboezemde, hoewel zij zelve niet zonder bezorgdheid was. Het huis

in de Marinellastraat stond steeds voor den dokter open, hij kon dat

toch weten. En zou zelfs zonder die liefdesgeschiedenis van Piet, de

belangstelling, die hij koesterde voor die familie, waarvoor hij reeds

zooveel sympathie getoond had, niet voldoende geweest zijn om hem

herwaarts te lokken?

Het gebeurde dus dat Piet, na de dagen en uren achtereenvolgens geteld

te hebben, de geestkracht miste om het nog langer uit te houden. Hij

zou en hij moest dokter Antekirrt weerzien. Eene onweerstaanbare kracht

voerde hem naar Gravosa. Als hij maar eenmaal aan boord van de goelet

zou zijn, dan zou men zijn ongeduld wel begrijpen, den stap, dien hij

deed, wel verontschuldigen, wanneer hij voorbarig was.

Op den 7den Juni verliet Piet Bathory reeds te acht uren zijne moeder,

zonder haar evenwel iets van zijn voornemen verteld te hebben. Hij

stapte Ragusa uit en begaf zich naar Gravosa met zoo’n vluggen pas, dat

Pescadospunt, die hem natuurlijk als het ware op den voet volgde,

moeite zoude gehad hebben om hem niet uit het oog te verliezen, wanneer

deze niet de vlugheid in eigen persoon was. Op de kade vlak tegenover

de ankerplaats, waar de Savarena bij zijn laatste bezoek lag, stond hij

stil.

De Savarena was niet meer in de haven.

Piet liet den blik rondwaren om te zien of het vaartuig niet vertuid

had.

Hij bespeurde het niet. Drommels, dat was noodlottig. Dat ontveinsde

hij zich niet.

Hij vroeg aan een zeeman, die op de kade wandelde, wat er van de goelet

van dokter Antekirrt geworden was.

„De Savarena was den avond te voren onder stoom gegaan,” kreeg hij ten

antwoord.

„Waarheen?” vroeg hij.

„Ja,” was het antwoord. „Niemand wist vanwaar dat vaartuig gekomen was;

evenzoo wist niemand waarheen het gestevend was.”

De goelet weg!

Dokter Antekirrt even geheimzinnig verdwenen als hij gekomen was!

Het was om te vertwijfelen!

Piet Bathory keerde nog meer wanhopend dan ooit naar Ragusa terug.

Voorzeker, wanneer eene onbescheidenheid den jongen man in kennis had

gesteld met de omstandigheid, dat de goelet naar Cattaro onder zeil

was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben derwaarts te gaan. Toch

zou de reis waarlijk te vergeefs zijn geweest. De Savarena was wel bij

de mondingen van de Cattaro-rivier aangekomen, maar was er niet

binnengeloopen.

De dokter had zich, vergezeld van Kaap Matifou, met een zijner sloepen

aan wal laten brengen, waarna het jacht onmiddellijk weer zee gekozen

had, niemand wist waarheen.

Er bestaat geen zonderlinger plek in Europa en wellicht in de de

geheele Oude wereld, door hare tegelijkertijd bergachtige en waterrijke

gesteldheid, dan de streek, welke bekend staat onder den naam van de

Mondingen der Cattaro-rivier.

Cattaro is eigenlijk geene rivier, zooals men geneigd zou zijn te

gelooven; het is eene stad en de zetel van een bisdom, waarvan men de

hoofdplaats van een Kring gemaakt heeft. Wat de zoogenaamde mondingen

betreft, zij bestaan uit zes baaien, die de eene achter de andere

gelegen zijn, met elkander door middel van smalle kanalen gemeenschap

hebben en die in den tijd van zes uren door te stevenen zijn. Van dien

rozenkrans, uit kleine meeren bestaande, welke zich te midden van het

kustgebergte ontrollen, is het laatste bolletje of meertje aan den voet

van den Norriberg gelegen bij de grens van het keizerrijk Oostenrijk.

Daar achter begint het Ottomanische gebied.

Bij den ingang van die Cattaro-monding was de dokter na een vluggen

overtocht ontscheept. Daar wachtte hem een snelstevenend sloepje met

electrische beweegkracht, om hem in de laatstbedoelde baai te brengen.

Na de Ostropunt gerond te hebben, stevende hij Castel Nuovo, daarna een

panorama tusschen steden en kapellen als Stolivo, Perasto, de beroemde

pelgrimsplek, Risana, waar de Dalmatische zeden en gebruiken reeds een

mengelmoes met de Turksche en Albaneesche vormen, voorbij, om eindelijk

van meer tot meer in het laatste bekken te komen, aan welks achtergrond

Cattaro gebouwd is.

De Electriek 2 lag op weinige vademen van de stad verwijderd, op die

rustige en sombere watervlakte, welke in dien fraaien Juni-avond door

geen zuchtje, door geen rimpeltje bewogen werd, ten anker.

De dokter nam zijn intrek evenwel niet aan boord. Waarschijnlijk wilde

hij niet, in verband met zijne verdere plannen en voornemens, dat men

wist, dat dit vlugge vervoermiddel hem toebehoorde.

Hij ontscheepte dan ook te Cattaro zelve met het voornemen, om in een

der hôtels van de stad een onderdak te zoeken, waar Kaap Matifou hem

zou vergezellen.

Wat de sloep betreft, welke die twee aangebracht had, zij verloor zich,

begunstigd door de duisternis, te midden van eene kleine kreek, die op

den rechteroever van het meertje in de rotsachtigen oever ingesneden

was, en moest daar onbemerkt en onzichtbaar blijven wachten.

Daar te Cattaro zou dokter Antekirrt zoo onbekend zijn, alsof hij eene

schuilpaats in den meest afgelegen hoek van de wereld gezocht had. De

Boechezen, de bewoners van dit rijke Dalmatische district, die van

Slavonischen oorsprong zijn, zouden ter nauwernood de aanwezigheid van

een vreemdeling in hun midden opmerken.

Van den kant der baai gezien, zou men zeggen, dat de plek, waarop

Cattaro gebouwd is, in de dikke wanden van den Norriberg uitgehold is.

Hare eerste huizen vormen het boord van eene kade, die voorzeker aan de

zee ontwoekerd is, en den spitsen hoek, door het kleine meer

beschreven, vormt. Bij de punt van dien trechter, die een zeer vroolijk

uitzicht met zijne fraaie boomen en zijn achtergrond oplevert, leggen

de pakketbooten, vooral die van den Oostenrijkschen Lloyd, als ook de

groote kustvaarders van de Adriatische zee aan.

Reeds dienzelfden avond was de dokter er op uit, om een hôtel te

vinden. Kaap Matifou was hem gevolgd, zonder zelfs te vragen waar hij

aan wal gestapt was. Of dat in Dalmatië of in China of in Zuid Amerika

was, kon hem niets, volstrekt niets schelen. Als een trouwe hond ging

hij, waar zijn meester ging. Hij was slechts een werktuig, eene

gehoorzame machine, eene machine om te draaien, eene machine om te

groeven, eene machine om te doorboren, eene machine, welke de dokter

zich voorbehield in beweging en aan het werk te brengen, wanneer hij

dat noodig zou oordeelen.

Beiden passeerden, na de bloembeplantingen der kade voorbijgegaan te

zijn, den versterkten wal van Cattaro en begaven zich nu dwars door

eene reeks van smalle en stijgende straten, waarin eene bevolking van

vier of vijf duizend inwoners krioelt.

Het was juist op het tijdstip dat men de Zeepoort wilde sluiten, die

slechts tot acht uren des avonds geopend blijft, behalve op de dagen

van aankomst der pakketbooten.

De dokter was spoedig tot de ervaring gekomen, dat geen enkel hotel

zich in de stad bevond. Hij moest dus iemand opsporen, die hem onder

dak zou opnemen, die hem een kamer zou verhuren. Dat was zoo moeielijk

niet, want de eigenaren van woningen doen dat, met uitzicht op gewin,

volgaarne.

Zoo iemand werd gevonden en het vertrek ook. Weldra had de dokter zijn

intrek genomen in eene kamer gelijkvloers van een huis in eene vrij

zindelijke straat gelegen, terwijl Kaap Matifou eene andere in de vrij

ruime woning zou betrekken.

Het allereerst werd overeengekomen, dat kaap Matifou door den

huiseigenaar gevoed zoude worden; maar hoewel deze buitensporige

prijzen bedong, welke evenwel door het kolossale uiterlijk van zijn

nieuwen gast gerechtvaardigd waren, werd die zaak tot wederzijdsch

genoegen van de betrokken partijen beklonken.

Wat dokter Antekirrt betrof, die behield zich het recht voor, zijne

maaltijden te gebruiken, waar hij dit verkoos.

Den volgenden dag, na Kaap Matifou vrijheid gegeven te hebben om zijn

tijd te gebruiken zooals hij verkoos, begon de dokter zijne wandeling

met naar het postkantoor te gaan, waar èn brieven èn telegrammen aan

hem gericht moesten worden onder vooraf overeengekomen beginletters.

Niets was er evenwel nog aangekomen.

Toen verliet hij de stad, welker omtrekken hij bezoeken wilde. Hij trof

weldra eene tamelijk goede gaarkeuken aan, waar zich gewoonlijk de

Cattarosche bevolking, alsook de Oostenrijksche officieren en

ambtenaren, die zich in die streken als in een ballingsoord gevoelen,

om het woord gevangenis niet te gebruiken, vereenigden.

Antekirrt wachtte thans slechts op het gunstige oogenblik, om handelend

op te treden.

Ziehier welk plan hij gevormd had:

Hij had het besluit genomen om Piet Bathory te doen oplichten. Die

oplichting aan boord van de goelet, gedurende haar verblijf te Ragusa,

zou zeer moeielijk uitvoerbaar geweest zijn, om niet van onmogelijkheid

te gewagen. De jeugdige werktuigkundige was te Gravosa bekend, en daar

de algemeene aandacht zoowel op de Savarena als op haren eigenaar

gevestigd was, zou die zaak, altijd in de vooronderstelling dat zij

gelukte, weldra wereldkundig zijn. Het jacht was—en dat mocht niet over

het hoofd gezien worden—slechts een zeilvaartuig, zoodat, wanneer de

een of andere stoomer het achtervolgd zou hebben, het bij windstilte,

of bij tegenwind of zwakken wind weer zou ingehaald hebben.

Te Cattaro daarentegen zou die oplichting onder oneindig gunstiger

omstandigheden kunnen geschieden.

Niets was toch gemakkelijker dan Piet Bathory daarheen te lokken. Een

enkele regel schrift van den dokter, aan het adres van den jongman

afgezonden, zou ongetwijfeld tot gevolg hebben, dat deze zich in

allerijl derwaarts zou spoeden. Daar was hij even onbekend als dokter

Antekirrt, en als hij maar eens aan boord zou zijn, dan zou de

Electriek dadelijk zee kiezen, en dan ware de ontvoering volbracht.

Dan zou Piet Bathory alles vernemen, waaromtrent hij tot nu toe

onkundig was, namelijk het verleden van Silas Toronthal. Het beeld van

diens dochter Sava zou dan, tegenover de herinnering aan zijn vader,

wel verbleeken en uitgewischt worden.

Zooals men ziet, dat plan was zeer eenvoudig en gemakkelijk in zijne

uitvoering. Twee of drie dagen nog—dat was het laatste uitstel, dat de

dokter gesteld had—dan zou de zaak beklonken zijn: dan zou Piet voor

eeuwig van Sava Toronthal gescheiden zijn.

Den volgenden dag—den 9den Juni—kwam een brief van Pescadospunt aan,

die mededeelde, dat er hoegenaamd niets belangrijks omtrent de woning

in de Stradona-laan te vermelden viel. Wat Piet Bathory evenwel

aanging, Pescadospunt had hem sedert den dag, dat de jongeling zich

naar Gravosa begaf, twaalf uren nadat de goelet het anker gelicht en

die havenplaats verlaten had, niet weergezien.

Piet kou evenwel Ragusa niet verlaten hebben. Ongetwijfeld hield hij

zich in de woning zijner moeder opgesloten. Pescadospunt

vooronderstelde—en hij vergiste zich daarin niet—dat het vertrek van de

Savarena die wijziging in de gewoonten van den jeugdigen ingenieur

teweeggebracht moest hebben, en dat te eerder, daar hij inderdaad

wanhopig naar huis was teruggekeerd.

De dokter besloot reeds den volgenden dag te handelen.

Hij zou een brief aan Piet Bathory schrijven, om hem uit te noodigen

zich dadelijk bij hem te Cattaro te vervoegen.

Een zeer onverwacht voorval zou evenwel dat voornemen verijdelen. Het

toeval zou er zich in mengen om tot hetzelfde doel te voeren.

Tegen acht uur in den avond bevond de dokter zich op de kade van

Cattaro, toen men de aankomst van de pakketboot Saxonia seinde.

De Saxonia kwam van Brindisi, welke plaats zij had aangedaan om

passagiers op te nemen, Vandaar begaf zij zich naar Triëst en deed

onderweg Cattaro, Ragusa, Zara en andere havensteden, op de

Oostenrijksche kust van de Adriatische zee gelegen, en Ancona,

Sinagaglia, Rimini en Venetië op de Italiaansche kust, aan.

De dokter stond dicht bij den pier of het landhoofd, dat tot in- of

ontscheping der reizigers dient, toen zijn blik plotseling als

versteend werd door het gezicht van een reiziger, wiens bagage men op

de kade bracht.

Dat was een man van ongeveer vijf en veertig jaren, met een trotsch ja

onbeschaamd uiterlijk, die zijne bevelen met ruwe en luide stem gaf.

Men voelde dat het een dier lieden was, die zelfs wanneer zij zich

beleefd willen voordoen, het kenmerk van onbeschaafdheid vertoonen.

„Hij!.... Hier.... te Cattaro!”

Die woorden zouden zeker aan de lippen van dokter Antekirrt ontsnapt

zijn, indien hij ze niet bijtijds, evenwel met moeite en met een gebaar

van toorn weerhouden had, Die toorn schonk als het ware eene vuurstraal

aan zijn blik.

Die passagier was Sarcany.

Vijftien jaren waren verloopen sedert hij als schrijver in het huis van

graaf Zathmar opgetreden was.

Het was, althans afgaande op zijne kleeding, de gelukzoeker niet meer,

die vroeger door de straten van Triëst zwierf, zooals wij hem bij het

begin van dit verhaal ontmoetten. Hij droeg thans een elegant

reistoilet volgen den laatsten smaak, dat door een lichten stofmantel

beschermd werd. Zijne koffers waren rijkelijk van koper beslag voorzien

en duidden aan, dat de vroegere Tripolitaansche makelaar gewoonten van

comfort aangenomen had.

Sedert vijftien jaren daarenboven had Sarcany, dank zij het groote

aandeel van de helft van de verbeurd verklaarde goederen van graaf

Mathias Sandorf, hetwelk hem ten deel gevallen was, een leven van

weelde en genoegens geleid. Hoeveel bleef hem van dat zoo schandelijk

verkregen vermogen over? Zijn beste vrienden, als hij er ten minste

bezat, zouden dat niet hebben kunnen zeggen. In ieder geval vertoonden

echter zijne gelaatstrekken sporen van afgetrokkenheid, waarvan de aard

zeer moeilijk bij zulk een gesloten karakter te bepalen was.

„Vanwaar komt hij?.... En waarheen gaat hij?” vroeg zich dokter

Antekirrt af, terwijl hij hem niet uit het oog verloor. „Dat moet en

zal ik weten!”

Vanwaar Sarcany kwam?

Dat was gemakkelijk genoeg te weten te komen, door den administrateur

van de Saxonia te ondervragen. Hij kwam van Brindisi, alwaar hij aan

boord van de pakketboot gekomen was. Niets eenvoudiger dat dat.

Maar vanwaar hij kwam, toen hij te Brindisi aan boord stapte?

Dat was zoo gemakkelijk niet. Kwam hij van boven Italië of van beneden

Italië? Dat wist niemand.

Inderdaad, hij kwam van Syracuse. Bij ontvangst van het telegram van de

Marokkaansche, had hij onmiddellijk Sicilië verlaten om zich naar

Cattaro te begeven.

De vreemdelinge bevond zich daar op de kade en wachtte de aankomst der

pakketboot af. De dokter bespeurde haar en zag Sarcany op haar

toetreden. Hij kon zelfs deze woorden verstaan, die zij in het Arabisch

sprak en die hij verstond:

„Het was tijd!”

Sarcany antwoordde daarop slechts met een hoofdknik.

Mathias Sandorf [2] · 第 2 / 19 段