En inderdaad, Piet Bathory was het levend evenbeeld van zijn

WONDERREIZEN.

JULES VERNE

MATHIAS SANDORF

DE MIDDELLANDSCHE ZEE

AMSTERDAM

UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”

1917.

I.

VERSCHILLENDE VOORVALLEN.

Al had het afscheid, door dokter Antekirrt genomen, al den schijn van

ernstig gemeend te zijn, zoo zou hij zich toch niet overhaasten om

Gravosa te verlaten, zooals mevrouw Bathory zou hebben kunnen

vermeenen. Na te vergeefs gepoogd te hebben de moeder te hulp te komen,

wilde de dokter beproeven den zoon te helpen. Had Piet Bathory tot

dusverre de betrekking niet gevonden, waarop hij ten gevolge van zijne

schitterende studiën aanspraak kon maken, zoo zou hij ongetwijfeld de

aanbiedingen niet afslaan, die hem thans door dokter Antekirrt zouden

gedaan worden. Hem eene positie te scheppen, die met zijne talenten

overeenkwam, die den naam, dien hij droeg, waardig was, dat zou geen

aalmoes zijn. Dat zou slechts eene rechtvaardige belooning zijn, die

hij dien jongen man verschuldigd was. Maar zooals Borik medegedeeld

had, was Piet Bathory naar Zara voor zaken vertrokken.

De dokter wilde evenwel niet langer wachten met hem te schrijven. Hij

deed dat dienzelfden dag. Zijn brief gaf alleen te kennen, dat hij zich

gelukkig gevoelen zou, Piet Bathory aan boord van de Savarena te

ontvangen, daar hij hem een voorstel te doen had dat hem belangstelling

zou inboezemen.

De brief werd op de post te Gravosa bezorgd en daarna bleef de dokter

niet anders over, dan de terugkomst van den jongen ingenieur af te

wachten.

Middelerwijl ging de eigenaar van de goelet voort, met nog meer

teruggetrokken aan boord te leven. De Savarena lag in het midden der

haven voor anker en hare bemanning ging nooit naar den wal. Het

vaartuig lag dus daar zoo eenzaam als het dat had kunnen wezen midden

in de Middellandsche zee of in den Atlantischen Oceaan.

Dat was eene zonderlingheid, welke wel geschikt was om de

nieuwsgierigheid van nieuwtjesjagers, van reporters en van anderen die

het nog niet opgegeven hadden, dien legendarischen persoon te willen

interviewen, hoewel zij aan boord van dat wonderbaar schip niet

toegelaten werden, te prikkelen. En daar Pescadospunt en Kaap Matifou

vrijheid hadden te gaan en te komen, zooals zij verkozen, wendden zich

de nieuwsgierigen tot hen en poogden de reporters van hen eenige

inlichtingen te bekomen, die in hunne dagbladen zulk een goed figuur

zouden gemaakt hebben.

Men weet het, Pescadospunt was een element van vroolijkheid, die,

zooals wel begrepen zal worden, met toestemming van den dokter aan

boord werd toegelaten. Bleef Kaap Matifou ook al ernstig als een

kaapstander, wiens kracht hij bezat, Pescadospunt lachte en zong

steeds, was levendig en fladderend als de wimpel van een oorlogsschip,

waarvan hij ook de lichtheid bezat. Als hij niet, tot groote vreugde

van de bemanning, aan wie hij les op het slappe koord gaf, in het want

behendig als een matroos en vlug als een scheepsjongen, rondzwierf, dan

vermaakte hij toch iedereen met zijne snakerijen. Ja wel, dokter

Antekirrt had hem aanbevolen steeds goed gehumeurd te blijven! Welnu,

dat deed hij; maar zijne opgeruimdheid was aanstekelijk, hij deelde

haar aan zijne geheele omgeving mede!

Hiervoren werd gezegd, dat Kaap Matifou en hij alle vrijheid hadden om

te gaan en te komen. Dat was waar. Bleef ook al de bemanning aan boord,

zij gingen passagieren, wanneer zij trek daarin hadden. Vandaar steeds

die neiging van wege de nieuwsgierigen om hen te volgen, om hen te

omringen, hen te ondervragen. Maar het lukte niet om Pescadospunt aan

het praten te krijgen, als hij zwijgen wilde, of als hij den mond

opende, dan was het om niets te zeggen.

„Wie is dokter Antekirrt?”

„Een verbazend knap dokter, die alle ziekten geneest, zelfs die, welke

iemand naar de andere wereld doen verhuizen!”

„Is hij rijk?”

„Hij bezit geen duit.... Ik, Pescadospunt, schiet hem iedere week zijn

zondags-oortje voor!”

„Vanwaar komt hij?”

„Van een land, waarvan niemand den naam weet!”

„En waar is dat land gelegen?”

„Ja, alles wat ik er van weet, is: dat het ten noorden door niet veel

en ten zuiden door niets begrensd wordt.”

Het was onmogelijk iets anders uit den spotzieken klant te halen. Wat

Kaap Matifou betreft, die was stom als een granietblok.

Maar al antwoordden die twee niet op de onbescheiden vragen van de

reporters, zoo babbelden de beide vrienden toch zeer dikwijls onder

elkander en wel voornamelijk over hunnen nieuwen meester. Zij waren hem

oprecht genegen en zij haakten slechts naar de gelegenheid, om hem

hunne toegenegenheid te bewijzen. Tusschen hen en den dokter bestond

als het ware eene soort van scheikundige affiniteit, die hen van dag

tot dag vaster omstrengelde. Iederen dag verwachtten zij dan ook, dat

zij in de kajuit geroepen zouden worden, om zich te hooren toevoegen:

„Vrienden, ik heb uwe hulp noodig!”

Maar tot hun groot verdriet gebeurde dat niet.

„Zou dat lang zoo duren moeten?” vroeg Pescadospunt op een dag. „Ik

vind het hard zoo niets te doen te hebben, vooral als men daarvoor niet

opgevoed is. Is ’t zoo niet, Kaap?”

„Ja, de armen roesten en worden stijf,” antwoordde de Hercules, terwijl

hij zijne machtige knoken beschouwde, die er uitzagen als zuigerstangen

van een rustend stoomwerktuig.

„Zeg eens, Kaap Matifou?”

„Wat wil je hebben dat ik zeggen zal, Pescadospunt?”

„Weet je wat ik van dokter Antekirrt denk?”

„Neen; maar zeg mij wat gij denkt, Pescadospunt! Dat zal mij helpen om

je te antwoorden.”

„Welnu, in zijn verleden zijn er dingen.... dingen! Dat ziet men aan

zijne oogen, die soms bliksemstralen schieten, in staat om iemand blind

te maken. En de dag, waarop de bliksem zal vallen...”

„Zal dat spectakel maken!”

„Ja, Kaap Matifou, dat zal spectakel maken.... werk verschaffen. Ik

verbeeld mij, dat wij bij dat werk niet nutteloos zullen toekijken!”

Het was niet geheel zonder reden, dat Pescadospunt zoo sprak. Hoewel de

volmaaktste kalmte aan boord heerschte, had de schrandere lummel toch

zaken gezien, die hem te denken gaven. Dat de dokter geen eenvoudig

toerist was, die slechts de Middellandsche zee met zijn pleizierjacht

doorstevende, dat was duidelijk voor hem. De Savarena moest een

middelpunt zijn, waarin vele draden te zamen kwamen in de hand van

haren geheimzinnigen eigenaar.

Inderdaad, er kwamen brieven en telegrammen zoowat uit alle hoeken en

gaten van die bewonderenswaardige zee, welker golven de oevers van

zooveel verschillende landen bespoelen, zoowel de Fransche en Spaansche

kusten, als die van Marokko, Algiers of van Tunis of Tripoli. Wie zond

die? Klaarblijkelijk correspondenten, die zich onledig hielden met eene

zekere taak, welker gewicht niet kon ontkend worden—tenzij het lijders

waren, die schriftelijk consult aan den beroemden dokter

vroegen—hetgeen weinig waarschijnlijk was.

Bovendien, het zou zelfs in de kantoren van de telegraaf te Ragusa

moeilijk gevallen zijn, den zin van de ontvangen telegrammen te

begrijpen, want zij waren in een onbekende taal gesteld, die de dokter

alleen verstond. En wanneer die taal begrijpelijk geweest ware, wat was

er dan nog te maken van volzinnen als de volgende:

„Abneira: Men meende Z. R. op de hielen te zitten. Valsch spoor, thans

verlaten.”

„De correspondent van H. U. 5 teruggevonden.—Verbonden aan een troep K.

3 tusschen Catania en Syracusa. Wordt gevolgd.”

„In het Manderaggiosche, te La Valletta, Malta doortocht bespeurd van

T. K. 7.

„Cyrena.... Wachten nieuwe bevelen.... Vloot van Antek.... gereed.

Electriek 3 blijft dag en nacht onder voldoende stoomspanning.”

„R. O. 3 Sedert overleden in het bagno.—Beiden verdwenen.”

En dat ander telegram, dat zijne mededeeling door middel van een vooraf

overeengekomen getal overbracht:

„2117. Sarc. Vroeger makelaar.... Dienst Toronth.—Betrekkingen met

Tripoli in Afrika gestaakt.”

Dan de onveranderlijke antwoorden op het meerendeel dier telegrammen,

die van de Savarena verzonden werden:

„De nasporingen voortzetten. Geen geld en geen moeite sparen. Zendt

nieuwe documenten.”

Dat was een onverstaanbare gedachtenwisseling, die den geheelen omtrek

van de Middellandsche zee scheen tot waakzaamheid op te roepen. De

dokter was dus niet zoo geheel zonder bezigheden als het

oogenschijnlijk voorkwam. Evenwel in weerwil van het geheim, dat den

telegrafisten opgelegd is, was het toch moeilijk aanneembaar, dat de

ontvangst en afzending van dergelijke telegrammen niet bij het publiek

bekend raakten. Vandaar dat de nieuwsgierigheid ten aanzien van dien

raadselachtigen persoon ten top gestegen was.

Een van de meest nieuwsgierigen uit de groote wereld te Ragusa, was de

gewezen Triëster bankier Silas Toronthal, die, zooals men zich nog

herinneren zal, dokter Antekirrt op de kade van Gravosa weinige

oogenblikken na de aankomst van de Savarena ontmoet had. Had er bij die

ontmoeting van den eenen kant een levendig gevoel van afkeer bestaan,

bij de andere partij had zich toen een levendig gevoel van

nieuwsgierigheid geopenbaard. Maar tot heden hadden de omstandigheden

den bankier niet veroorloofd, aan die nieuwsgierigheid bot te vieren.

Om de waarheid te zeggen, de aanwezigheid van den dokter had op Silas

Toronthal een zonderlingen indruk gemaakt, dien hijzelf niet kon

omschrijven. Al wat men te Ragusa verhaalde en herhaalde van het

incognito, waarin de reiziger blijven wilde, van de moeielijkheid om

tot hem toegelaten te worden, enz. was wel geschikt om bij den bankier

de wensch te doen opkomen, om hem weer te zien. Te dien einde was hij

reeds verscheidene malen naar Gravosa geweest. Daar stond hij dan op de

kade en bekeek die goelet, terwijl hij van begeerte brandde om naar

boord te gaan. Eens zelfs liet hij er zich heenroeien, doch had hij

slechts het onveranderlijk antwoord van den stuurman der wacht

ontvangen:

„Dokter Antekirrt is niet te spreken.”

Daaruit ontstond bij Silas Toronthal eene soort van chronische

overprikkeling, teweeggebracht door een hinderpaal, dien hij niet kon

opruimen.

De bankier beproefde toen voor zijne eigene rekening den dokter te doen

bespionneeren. Bevelen werden aan een agent, waarvan hij zeker was,

verstrekt om het gaan en komen van den geheimzinnigen vreemdeling na te

gaan, zelfs wanneer hij slechts Gravosa of de omstreken bezocht.

Men kan lichtelijk begrijpen, welke ongerustheid Silas Toronthal

ondervinden moest, toen hij vernam dat de oude Borik een onderhoud met

den dokter had gehad en dat deze daags daarna een laatste bezoek aan

mevrouw Bathory gebracht had.

„Wie is die man toch?” vroeg hij zich af.

Maar wat toch kon de bankier in zijn tegenwoordigen toestand te vreezen

hebben? Sedert vijftien jaren was niets van zijne vroegere kuiperijen

uitgelekt. Maar alles wat de verwantschap van hen betrof, die hij

verraden en verkocht had, verontrustte hem. Had ook al de wroeging geen

vat op zijn geweten, zoo sloop toch somwijlen de vrees daarbinnen, en

de stappen van dien onbekenden dokter, dien de faam zoo machtig maakte,

en door zijne fortuin zoo machtig was, waren niet geschikt om hem

gerust te stellen.

„Maar wie is die man dan toch?” herhaalde hij.... „Wat komt hij te

Ragusa in de woning van mevrouw Bathory uitvoeren?.... Is hij daar als

geneesheer geroepen?.... Wat kan er gemeens tusschen die twee bestaan?”

Daarop was geen antwoord mogelijk. Wat evenwel Silas Toronthal

geruststelde, dat was dat hem na nauwkeurig onderzoek overtuigend

gebleken was, dat dat bezoek niet herhaald was.

Het besluit, dat de bankier tengevolge daarvan genomen had, was er te

onwrikbaarder door geworden. Hij wilde en zou met den dokter in

aanraking komen! Die gedachte verliet hem dag noch nacht. Daar moest

een einde aan komen. Door eene soort van begoocheling, welke aan

overprikkelde hersenen steeds eigen is, verbeeldde hij zich dat hij

zijne kalmte weder zou vinden, wanneer hij dokter Antekirrt zien en

spreken kon, wanneer hij de motieven van zijn reis naar Gravosa vernam.

Hij poogde dan ook onophoudelijk eene gelegenheid te vinden, om hem te

ontmoeten.

Eindelijk meende hij haar gevonden te hebben. Ziehier door welke

omstandigheid.

Sedert eenige jaren leed mevrouw Toronthal aan eene kwijnende ziekte,

die de geneesheeren van Ragusa te vergeefs poogden te bedwingen. In

weerwil van hunne zorgvuldige behandeling, in weerwil van de zorgen

harer dochter, kwijnde mevrouw Toronthal gaandeweg, hoewel zij nog niet

bedlegerig was. Lag aan dien toestand eene moreele oorzaak ten

grondslag? Misschien wel, maar dat had niemand nog kunnen doordringen.

De bankier alleen had kunnen zeggen, of zijn echtgenoote, die zijn

geheele levensloop kende, niet door eene onoverwinlijke verachting

bevangen was voor een bestaan, dat haar slechts afschuw kon inboezemen.

Hoe het ook zij, de gezondheidstoestand van mevrouw Toronthal, die door

al de geneesheeren in de stad nagenoeg opgegeven was, kwam den bankier

een geschikte gelegenheid voor, om met dokter Antekirrt in aanraking te

komen. Wanneer hij tot een consult, tot een bezoek uitgenoodigd zou

worden, zou hij ongetwijfeld niet weigeren, al was het maar uit

menschlievendheid.

Silas Toronthal schreef dus een brief en deed dien door een zijner

bedienden aan boord van de Savarena brengen. „Hij zou zich gelukkig

achten,” zeide hij daarin, „het advies van een uiterst verdienstelijk

geneesheer te kunnen inwinnen.” Daarna zich verontschuldigende over de

stoornis, die hij in een zoo teruggetrokken bestaan bracht, verzocht

hij dokter Antekirrt „hem den dag te willen melden, waarop hij hem aan

zijne woning in de Stradona-laan verwachten kon.”

Toen de dokter den volgenden morgen dien brief ontving, welks

onderteekening hij het eerst bekeek, bewoog geen spier van zijn gelaat.

Hij las dat epistel ten einde toe, zonder dat iets de gewaarwordingen

verried, die toch door de lezing daarvan opgewekt moesten worden.

Welk antwoord zou hij geven? Zou hij van de gelegenheid gebruik maken,

die hem geboden was om de woning van Toronthal binnen te dringen, om

zich in betrekking met het gezin van den bankier te stellen? Maar dat

huis, zelfs als geneesheer binnen te treden, was dat niet eene

omstandigheid aanvaarden, die weinig met zijne plannen overeenstemde?

De dokter aarzelde niet. Hij schreef een kort briefje, dat aan den

bediende overhandigd werd en slechts dit inhield:

„Dokter Antekirrt betreurt het, dat hij zijne zorgen niet aan mevrouw

Toronthal wijden kan; hij mag de geneeskunst niet in Europa

uitoefenen.”

Geen woord meer.

Toen de bankier dat laconieke antwoord las, verfrommelde hij het

briefje met een gebaar van spijt. Het was maar al te duidelijk, dat de

dokter niet in aanraking met hem wilde komen. Dat was eene nauwelijks

bemantelde weigering, welke op een genomen besluit door dien

zonderlingen man duidde.

„En als hij dan geen geneesheer in Europa mag zijn,” zei hij in zich

zelven, „waarom heeft hij dan aangenomen mevrouw Bathory te

behandelen?.... Of zouden andere redenen hem bij haar gevoerd

hebben?.... Welke?.... Wat kwam hij er uitvoeren?.... Wat bestaat er

tusschen die twee?”

Die onzekerheid knaagde aan Toronthal’s ziel. Waarlijk, zijn leven was

door de aanwezigheid van dien dokter te Gravosa verbitterd, en dat zou

het blijven net zoolang totdat de Savarena weer zee gekozen zou hebben.

Hij zei overigens niets aan zijne vrouw of dochter over zijn nutteloos

verzoek. Hij wilde het geheim van zijne voortdurende onrust voor zich

houden. Maar hij hield niet op, den dokter te doen gadeslaan bij al de

stappen, die hij te Gravosa, zoowel als te Ragusa deed.

Den volgenden ochtend zou een ander voorval hem niet minder onrust

verschaffen en doen ontstellen.

Piet Bathory was geheel ontmoedigd van Zara teruggekeerd. Hij had het

omtrent de betrekking welke het gold, bij eene metaalfabriek in

Herzegowina, met de eigenaren of aandeelhebbers niet eens kunnen

worden.

„De voorwaarden waren niet aannemelijk,” zei hij kortaf tot zijne

moeder.

Mevrouw Bathory keek haren zoon aan, maar vroeg hem niet waarom die

voorwaarden niet aannemelijk waren. Daarna reikte zij hem een brief

over, die gedurende zijne afwezigheid gebracht was.

Dat was de brief, waarbij dokter Antekirrt Piet Bathory verzocht bij

hem aan boord van de Savarena te komen, om over eene belangrijke zaak

te spreken.

Piet Bathory gaf den brief aan zijne moeder over. Dat aanbod van den

dokter kon haar niet verrassen.

„Dat verwachtte ik,” zei zij.

„Verwachttet gij dat, moeder?” vroeg de jonge man zeer verwonderd over

dat antwoord.

„Ja.... Piet.... Dokter Antekirrt heeft mij gedurende uwe afwezigheid

een bezoek gebracht.”

„Kent gij dien man dan, waarover te Ragusa en te Gravosa zooveel

gesproken wordt?”

„Neen, mijn zoon; maar dokter Antekirrt kende uwen vader. Hij was de

vriend van graaf Mathias Sandorf en graaf Zathmar, en het is als

zoodanig dat hij zich bij mij vervoegd heeft.”

„Moeder,” vroeg Piet Bathory, „welke bewijzen heeft die dokter u

geleverd, dat hij de vriend mijns vaders was?”

„Geen enkel,” antwoordde mevrouw Bathory, die over de toezending van de

honderdduizend gulden niet spreken wilde en waaromtrent de dokter ook

het geheim jegens den jongen man wel betrachten zou.

„Maar wanneer dat nu eens een intrigant, een spion, een agent van de

Oostenrijksche politie was?”

„Gij zult er over kunnen oordeelen, mijn zoon.”

„Gij raadt mij dus aan, hem te gaan bezoeken?”

„Ja, dat raad ik u aan. Gij moet dien man waardeeren, die de geheele

vriendschap, die hij voor uwen vader koesterde, op u wil overbrengen.”

„Maar wat komt hij te Ragusa doen?” hernam Piet. „Heeft hij dan zaken

in dit land?”

„Misschien zoekt hij iets tot stand te brengen,” antwoordde mevrouw

Bathory. „Hij gaat door voor onmetelijk rijk en het is mogelijk, dat

hij u eene betrekking wil aanbieden, die uwer waardig is.”

„Ik zal naar hem toe gaan, moeder, en ik zal vernemen wat hij van mij

verlangt.”

„Ga dan nog heden, mijn zoon, en voldoe aan de beleefdheid door hem,

als antwoord op zijn bezoek, een tegenbezoek te brengen.”

Piet Bathory gaf zijne moeder een kus. Hij hield haar zelfs lang tegen

zijne borst geklemd. Men zou gezegd hebben, dat een geheim hem deed

stikken, een geheim dat hij niet durfde openbaren. Wat ging er dan toch

in dat arme hart om?

Dat moest voorzeker bedroevend, ernstig zijn, daar hij het niet aan

zijne moeder durfde mededeelen.

„Mijn arm kind!” mompelde mevrouw Bathory.

Toen hij het huis van Toronthal voorbijkwam, bleef hij een oogenblik

staan. Zijn blik richtte zich naar een der paviljoenen, die ter zijde

van het hoofdgebouw opgetrokken waren en waarmede vensters uitzicht op

de straat gaven. De jaloezieën waren dicht. Wanneer het huis onbewoond

geweest ware, zou het niet strenger gesloten kunnen geweest zijn.

Piet Bathory stapte door. Maar dat was aan het oog niet ontsnapt van

eene vrouw, die in de Stradona-laan op de tegenovergestelde stoep heen

en weder drentelde.

Het was een schepsel van groote gestalte. Hoe oud was zij?.... Zoo

tusschen de veertig en vijftig. Hare bewegingen waren afgemeten, bijna

werktuigelijk, alsof zij geheel uit één stuk vervaardigd was. Die

vreemdelinge—hare nationaliteit als Marokkaansche werd genoegzaam

gekenmerkt door haren haardos, die donker en gekroesd was door haar

bruinachtige huidskleur—was gestoken in een donkergekleurd kleed met

kap, welke laatste haar hoofd overdekte, dat met tressen van zecchinen

versierd was. Was zij eene boheemsche, eene gitana, eene gypsie, eene

„romanichelle,” zooals de Parijzer volkstaal zich uitdrukt? Of wel was

zij van Egyptischen of Hindoeschen oorsprong? Dat zou men niet hebben

kunnen zeggen, daar die grondvormen zoo zeer op elkander gelijken. In

ieder geval, zij vroeg geen aalmoezen en zou die ongetwijfeld ook niet

aangenomen hebben. Zij was daar voor hare eigene rekening of in dienst

van iemand anders aanwezig, om gade te slaan en te spionneeren, zoowel

wat in de woning van Toronthal als in het huis van de Marinellastraat

omging.

Zoodra zij inderdaad den jongen man ontwaardde, die de Stradona-laan

volgde om zich naar Gravosa te begeven, volgde zij hem zoodanig, dat

zij hem geen oogenblik uit het oog verloor, evenwel zoo behendig dat

hare bespionneering niet gezien werd. Piet Bathory was daarenboven te

zeer in zijne gedachten verzonken, om waar te nemen, hetgeen achter hem

gebeurde. Toen hij den pas voor de woning van Toronthal inhield,

vertraagde de vrouw haren gang ook. Toen hij weer doorstapte, hernam

zij ook de beweging en regelde haren marsch naar den zijne.

Bij de eerste omwalling van Ragusa aangekomen, overschreed Piet Bathory

die vlug, maar daarom geraakte de vreemdelinge niet achter. Buiten de

poort gekomen, zag zij hem weer op den weg naar Gravosa en volgde op

twintig passen achter hem langs een nevenlaan, die met boomen beplant

was.

Ter zelf der tijd kwam Silas Toronthal, in open rijtuig gezeten en naar

Ragusa terugkeerende, hen tegen. Misschien dacht zij dat de een den

anderen zou kunnen aanspreken. Bij die gedachte schitterde haar blik en

trachtte zij zich achter een dikken boom te verschuilen. Maar hoe zou

zij hooren wat die twee mannen zouden spreken?

Hare vrees bleek ijdel. Silas Toronthal had Piet bemerkt twintig passen

vóórdat hij ter zijner hoogte gekomen was. Ditmaal antwoordde hij zelfs

niet met dien trotschen groet, dien hij niet had kunnen achterwege

laten, toen zijne dochter hem op de kade van Gravosa vergezelde. Hij

wendde thans het hoofd af, toen de jonge man zijn hoed afnam, terwijl

zijn rijtuig met spoed naar Ragusa reed.

Voor de vreemdelinge was niets van dat tooneel verloren gegaan. Een

soort glimlach verhelderde dan ook haar overigens kalm gelaat.

Piet Bathory, klaarblijkelijk meer bedroefd dan vertoornd over die

handeling van Silas Toronthal, vervolgde zijn weg zonder zich om te

keeren, evenwel met meer vluggen pas.

De Marokkaansche volgde hem van verre en men zou haar deze woorden in

het Arabisch hebben kunnen hooren mompelen:

„Het werd tijd, dat hij kwam!”

Een kwartier later bereikte Piet Bathory de kaden van de haven van

Gravosa. Hij bleef een oogenblik staan kijken naar de bevallige goelet,

welks wimpel zachtkens door de bries aan den top van den grooten mast

ontrold was.

„Vanwaar kan die dokter Antekirrt toch komen?” vroeg hij zich af. „Dat

is een vlag die ik niet ken.” Zich daarna tot een zeeman wendende, die

op de kade wandelde:

„Vriend,” vroeg hij, „kunt gij mij zeggen welke vlag dat is?”

De zeeman wist haar ook niet tehuis te brengen. Alles wat hij van de

goelet kon mededeelen, was dat hare scheepspapieren meldden, dat zij

van Brindisi kwam, en dat die papieren door den havenmeester behoorlijk

in orde bevonden waren. Daar het nu een pleiziervaartuig gold, hadden

de autoriteiten het incognito van den eigenaar geëerbiedigd.

Piet Bathory riep toen eene sloep tot zich en liet zich naar boord van

de Savarena voeren, terwijl de Marokkaansche hem uiterst verwonderd

stond na te staren. Een oogenblik later stond de jongman op het dek der

goelet en informeerde of dokter Antekirrt aan boord was.

Bevel was klaarblijkelijk gegeven om iederen vreemdeling af te wijzen,

maar dat bevel gold hem niet. De equipagemeester antwoordde dan ook,

dat de dokter zich in zijn kamer bevond. Piet Barthory bood zijn

kaartje aan met het verzoek bij den dokter te worden toegelaten. Een

stuurmansleerling nam het kaartje aan en daalde langs de trap af, die

naar het salon voerde. En een minuut later kwam het bericht, dat de

dokter den heer Piet Bathory wachtte.

Dadelijk werd de jonge man het salon binnengeleid, waarin slechts een

schemerlicht heerschte, dat als het ware gezeefd werd door de lichte

gordijnen van het patrijspoortje. Maar toen hij bij de deur kwam, die

geheel geopend was, trad hij in het volle licht dat door de

spiegelpaneelen weerkaatst werd. In het halfdonker was dokter Antekirrt

op een divan gezeten. Toen de zoon van Stephanus Bathory verscheen,

ondervond hij eene soort van aandoening, die Piet niet kon waarnemen,

en deze woorden ontsnapten als het ware aan zijn lippen:

„Hij is het!.... Hij is het geheel en al!”

En inderdaad, Piet Bathory was het levend evenbeeld van zijn vader, zoo

als die edelaardige Hongaar er uitzag, toen hij twee en twintig jaren

oud was. Dezelfde geestkracht in de oogen, dezelfde edele fiere

houding, dezelfde blik waaruit de zucht voor het goede, het edele, het

schoone straalde!

„Mijnheer Bathory,” zei de dokter, terwijl hij opstond, „ik ben

verheugd dat gij mijne uitnoodiging, om tot mij te komen, aangenomen

hebt.”

En met een gebaar noodigde hij Piet Bathory uit, om te gaan zitten. Hij

had de Hongaarsche taal bij het spreken van die woorden gebezigd. Hij

wist dat de jonge man die taal verstond.

„Mijnheer,” antwoordde Piet Bathory, „ik zou het bezoek dat gij mijne

moeder gebracht hebt, ook zonder uwe uitnoodiging met een tegenbezoek

beantwoord hebben. Ik weet dat gij een van die onbekende vrienden zijt,

wien de nagedachtenis van mijn vader en van de twee vaderlandlievende

mannen, die met hem gestorven zijn, dierbaar en heilig is!.... Ik dank

u, dat gij hen eene plaats in uw geheugen bewaard hebt en houdt.”

Terwijl hij het reeds zoover verwijderde verleden opriep en van zijn

vader en diens vrienden, graaf Sandorf en graaf Zathmar, sprak, kon

Piet zijne aandoening niet bedwingen.

„Ik vraag vergeving, mijnheer,” zei hij. „Maar bij hunne herinnering

kan ik niet....”

Voelde hij dan niet dat dokter Antekirrt meer bewogen was dan hij?

Voelde hij dan niet, dat de reden, waarom hij niet antwoordde daarin

gelegen was, dat hij niet wilde laten bespeuren, wat in zijne ziel

omging?

„Mijnheer Bathory,” sprak hij eindelijk. „Ik heb u eene zoo natuurlijke

droefheid niet te vergeven. Gij hebt daarenboven Hongaarsch bloed in de

aderen en welk Hongaar zou ontaard genoeg zijn om zijn hart niet te

voelen toesnoeren bij zulke herinneringen? Op dat tijdstip—ja, het is

reeds vijtien jaren geleden—waart gij nog zeer jong. Gij kunt

ternauwernood, bevestigen, dat gij uwen vader gekend hebt, dat gij de

gebeurtenissen, waaraan hij deel nam, vernomen hebt.”

„Mijne moeder is gelijk hij!” antwoordde Piet Bathory. „Zij heeft mij

in de vereering van hem, dien zij nog dagelijks beweent, opgevoed.

Alles wat hij verricht, gepoogd heeft, dat geheele leven van toewijding

aan de zijnen, van liefde voor zijn geboortegrond, dat alles weet ik

van haar. Ik was slechts acht jaren oud, toen mijn vader ter dood

gebracht werd, maar voor mij is hij niet dood, daar hij in mijne moeder

herleeft.”

„Gij hebt uwe moeder lief, Piet Bathory, zooals zij inderdaad

verdient,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wij, wij vereeren haar als

de weduwe van een martelaar.”

Piet Bathory bedankte den dokter voor de gevoelens, die hij zoo

uitdrukte. Het hart bonste hem in het lichaam, terwijl hij den dokter

aanhoorde, en hij bemerkte niet, dat deze steeds met eene natuurlijke

of gemaakte koelheid sprak, die evenwel den grondtoon van zijn karakter

scheen uit te maken.

„Mag ik u vragen,” hernam hij, „of gij mijn vader persoonlijk gekend

hebt?”

„Ja, mijnheer Bathory,” antwoordde de dokter niet zonder aarzeling,

„maar ik heb hem slechts gekend, zooals een student een professor kent.

Ik heb mijne studiën in de genees- en natuurkunde in uw vaderland

volbracht. Ik ben een leerling van uwen vader, die slechts een tiental

jaren ouder was dan ik. Ik leerde hem hoogachten, hem liefhebben, want

in zijne lessen voelde ik alles trillen wat in de ziel van dien

vaderlandlievenden man omging. Ik verliet hem niet dan om in den

vreemde mijne studiën te gaan beëindigen, die in Hongarije begonnen

waren. Weinig tijds later had professor Stephanus Bathory zijne

betrekking opgeofferd aan de denkbeelden die hij meende dat edel en

rechtvaardig waren, zonder dat eenig particulier belang hem op die baan

van den plicht kon weerhouden. Tegen dat tijdstip verliet hij Presburg

om zich te Triëst te vestigen. Uwe moeder schraagde hem met hare

raadgevingen, omgaf hem met hare zorgen gedurende dien tijd van

beproevingen. Zij bezat alle vrouwelijke deugden, zooals uwen vader

alle mannelijke deugden eigen waren. Vergeef mij, mijnheer Piet, dat ik

die droevige herinneringen ophaal; ik ben er zeker van, dat gij een

diergenen zijt, die ze niet vergeten zullen!”

„Neen, mijnheer, neen!” antwoordde de jongman met de geestdrift aan

zijn leeftijd eigen, „zoo min als Hongarije ooit de drie mannen,

Ladislas Zathmar, Stephanus Bathory en de stoutmoedigste der drie

wellicht, graaf Sandorf zal vergeten, die zich voor hun vaderland

opofferden!”

„Als Mathias Sandorf de stoutmoedigste was,” antwoordde de dokter, „dan

stonden zijne twee vrienden wat toewijding en opoffering betreft, ook

niet in moedbetoon bij hem achter! Alle drie hebben dezelfde aanspraken

op denzelfden eerbied! Alle drie hebben hetzelfde recht om gewroken te

worden!....”

De dokter zweeg hier.

Hij vroeg zich af, of mevrouw Bathory haren zoon met de omstandigheden

bekend had gemaakt, waaronder de hoofden der samenzwering overgeleverd

waren geworden? Of zij reeds het woord verraad in zijne

tegenwoordigheid uitgesproken had.... Maar de jonge man antwoordde op

de gesproken woorden niet.

Inderdaad, mevrouw Bathory had over dit onderwerp gezwegen. Zij had

ongetwijfeld vermeden die gedachte aan wraak, die gedachte aan haat in

het leven van haren zoon in te weven, om hem niet op een valsch spoor

te brengen, waardoor onschuldigen verdacht en getroffen konden worden.

Niemand toch kende de namen der verraders.

Dokter Antekirrt meende dus, voor het tegenwoordige althans, tot

dezelfde terughouding verplicht te zijn. Hij drong dus niet verder op

antwoord aan.

Waaromtrent hij evenwel niet aarzelde, dat was de mededeeling dat

zonder het schandelijk bedrijf van dien Spanjaard, die de

vluchtelingen, welke eene schuilplaats in het woonhuis van den visscher

Andreas Ferrato gevonden hadden, verklikte, graaf Mathias Sandorf en

professor Stephanus Bathory waarschijnlijk aan de vervolging der

politie-agenten van Rovigno ontsnapt zijn. En.... eenmaal buiten de

Oostenrijksche grenzen, zouden die twee, overal, onverschillig in welke

landstreek, alle hulp, de meest gewenschte toevlucht gevonden hebben.

Alle deuren zouden voor hen geopend geweest zijn.

„Bij mij zouden zij steeds eene schuilplaats gehad hebben. Daar was

geen teleurstelling mogelijk!” voegde hij er weemoedig bij.

„In welk land woondet gij toen?” vroeg Piet.

„In Cephalonië,” antwoordde dokter Antekirrt.

„Ja, daar, daar onder bescherming van de Helleensche vlag zouden zij

gered geweest zijn!”

„Voorzeker!”

„En mijn vader zou nog leven!”

Het gesprek was door dien terugkeer naar het verledene afgebroken. De

dokter hervatte het echter, zeggende:

„Mijnheer Piet, onze herinneringen aan vervlogen tijden hebben ons ver

weggevoerd van het tegenwoordige, niet waar?”

Piet Bathory knikte zwaarmoedig.

„Willen wij daartoe terugkeeren en vooral over de toekomst spreken, die

ik voor u meen te ontwaren?”

„Ik luister, mijnheer,” antwoordde de jeugdige ingenieur. „In uw brief

hebt gij doen uitkomen, dat ons gesprek wellicht mijne belangen zou

raken....”

„Inderdaad, mijnheer Bathory. En al ben ik ook nog zoo goed op de

hoogte van de heerlijke toewijding uwer moeder gedurende de jeugd van

haren zoon, zoo weet ik ook, dat gij die toewijding geheel waardig zijt

geweest en dat gij na zoo wreede beproevingen een man geworden

zijt....”

„Een man!” viel Piet Bathory den dokter niet zonder bitterheid in de

rede. „Een man, die er nog niet in geslaagd is voor zich zelven te

kunnen zorgen, ook niet om zijne moeder te kunnen vergoeden, wat deze

voor hem deed!”

„Ongetwijfeld,” antwoordde de dokter, „ligt daarvan de schuld niet bij

u. Het is mij volstrekt niet onbekend, hoe moeilijk het is eene

betrekking te midden van den levensstrijd, die zoovele mededingers naar

zoo weinig plaatsen doet hunkeren, te verwerven. Gij zijt ingenieur,

niet waar?”

„Ja, mijnheer.”

„En....”

„Met dat diploma heb ik de hoogeschool verlaten. Ik ben evenwel vrij

ingenieur en heb als zoodanig geene verbintenis met—noch verplichting

aan den Staat. Ik heb dus eene plaatsing moeten zoeken bij de eene of

andere industrieele onderneming of maatschappij, doch tot heden ben ik

er nog niet in geslaagd te vinden, wat ik noodig acht—ten minste te

Ragusa.”

„Niet?”

„Neen.”

„En buitenaf?”

„Buitenaf!....” antwoordde Piet Bathory aarzelend op die vraag op den

man af.

„Ja, buitenaf?” herhaalde dokter Antekirrt zijne vraag.

„Heer dokter....”

„Zijt gij niet voor zaken van dien aard dezer dagen naar Zara geweest?”

„Men had mij inderdaad....”

„Nu, spreek op,” moedigde hem de dokter bij die aarzeling aan.

„.... Over eene betrekking gesproken, die eene industrieele

maatschappij mij kon aanbieden.”

„Welnu, en die plaats?....”

„Die plaats, heer dokter....”

„Ja, die plaats! Spreek dan toch!”

„Men heeft haar mij aangeboden.”

„En gij hebt haar niet aangenomen?”

„Neen.”

„Waarom niet?”

„Ik heb haar moeten weigeren, omdat ik mij in Herzegowina zou moeten

vestigen.”

„In Herzegowina?”

„Ja.”

„Waar mevrouw Bathory u wellicht niet kan vergezellen??....”

„Dat is het niet, mijnheer....”

„Wat dan?”

„Mijne moeder zou mij overal vergezellen, waar mijne belangen mij

zouden roepen.”

„Welnu, waarom dan die betrekking niet aangenomen?” vroeg de dokter met

aandrang.

„In de omstandigheden, waarin ik mij bevind, heer dokter, heb ik

ernstige redenen, om Ragusa niet te verlaten,” was het antwoord daarop.

Dokter Antekirrt had, terwijl hem dat antwoord gegeven werd, eene

zekere verlegenheid in de houding van Piet Bathory opgemerkt. De stem

van den jongen man beefde, terwijl hij zijn wensch—meer dan een

wensch,—het vaste besluit om Ragusa niet te willen verlaten, te berde

bracht.

„Welk is dan toch dat ernstige motief,” vroeg de dokter zich af,

„waarom hij de voorstellen, die hem gedaan zijn, afgewezen heeft?”

En zich tot den jongen man wendende, vervolgde hij:

„Dat zal de zaak onmogelijk maken, die....”

„Welke zaak, heer dokter?”

„Die ik u voor te stellen had.”

„Zal ik moeten vertrekken?”

„Ja, naar eene streek, waar ik belangrijke werken wil laten uitvoeren.”

„Belangrijke werken?”

„Ja, die ik volgaarne onder uwe directie gesteld had.”

„Het spijt mij, mijnheer....”

„Mij ook.”

„Maar wees overtuigd, dat toen ik dat besluit genomen heb....”

„Ik geloof u, dat het niet onbezonnen genomen is. Maar het spijt mij

meer dan u misschien. Ik zou mij zoo gelukkig geacht hebben, wanneer ik

de toegenegenheid, die ik voor den vader gevoelde, op den zoon had

kunnen overdragen.”

Piet Bathory antwoordde niet. Hij voelde zich ten prooi aan een

inwendigen strijd; het was zichtbaar dat hij leed, zeer veel leed.

De dokter gevoelde dat hij spreken wilde, maar dat hij niet durfde.

Eindelijk noopte een onweerstaanbare aandrang Piet Bathory tot dien

man, die zooveel toegenegenheid voor hem en zijne moeder aan den dag

legde, openhartig te spreken.

„Mijnheer!....mijnheer!....” begon hij met eene aandoening die hij niet

trachtte te verbergen. „Neen!.... Geloof toch niet dat een gril of

stijfhoofdigheid mij er toe zou brengen uwe dierbare woorden met eene

weigering te beantwoorden!.... Gij hebt u als een vriend van Stephanus

Bathory aan mij doen kennen en mij als zoodanig aangesproken!.... Gij

wilt die geheele vriendschap op mij overdragen!.... Ik ook, hoewel ik u

nog slechts sedert weinige oogenblikken ken.... Ja! ik gevoel voor u

dezelfde toegenegenheid, die ik mijn vader zou toedragen!....”

„Piet!.... Mijn jongen!.... Mijn kind!” riep de dokter uit, terwijl hij

de hand van den jongeling greep.

„Ja, mijnheer!....” hernam Piet Bathory.... „En ik zal u alles

bekennen!....”

Dokter Antekirrt keek hem aanmoedigend aan.

„Ja, alles!” ging Piet voort.... „Ik bemin een jong meisje hier in de

stad. Maar tusschen ons bestaat de afgrond, die de armoede van den

rijkdom scheidt....”

„Waarlijk?”

„Ik heb dien afgrond evenwel niet willen zien, en misschien heeft zij

die kloof ook niet bemerkt. Zoo zeldzaam ik haar zien kon, hetzij op

straat, hetzij aan haar venster, was dat toch een geluk hetwelk ik de

kracht niet had om vaarwel te zeggen!.... Alleen de gedachte dat ik zou

moeten vertrekken, vertrekken misschien voor langen tijd, zou mij

krankzinnig maken. O, mijnheer.... begrijp mij toch.... en vergeef mij

mijne weifeling.”

„Ja, Piet,” antwoordde dokter Antekirrt, „ik begrijp u en ik heb u

niets te vergeven!”

„O, mijnheer!....”

„Gij hebt goed gedaan met mij alles te zeggen en openhartig jegens mij

geweest te zijn!.... Dit is eene omstandigheid, die de zaken van

gedaante verandert.... Weet uwe moeder, wat gij mij daar medegedeeld

hebt?”

„Ik heb haar daarvan nog niets gezegd, mijnheer! Ik heb niet gedurfd,

omdat zij wellicht bij onzen bescheiden toestand verstandig genoeg

zoude geweest zijn, om mij de ijdelheid der gekoesterde hoop aan te

toonen!.... Maar wellicht heeft zij geraden wat ik leed en lijd.”

„Piet,” zei de dokter, „gij hebt uw vertrouwen in mij gesteld en gij

hebt gelijk gehad. Is dat meisje rijk?”

„Zeer rijk!.... Te rijk!....” antwoordde de jonge man.

„Te rijk?” vroeg de dokter met een glimlach.

„Ja, te rijk.... ten minste voor mij.”

„Is zij uwer waardig?”

„Mijner waardig?”

„Ja!”

„O, mijnheer, zou ik er anders aan gedacht hebben, om mijne moeder een

dochter te schenken die harer niet waardig zou zijn!”

„Welnu, Piet,” hernam de dokter, „misschien bestaat geen afgrond nog

zoo groot, nog zoo diep, nog zoo breed, die niet overschreden kan

worden.”

„Mijnheer!” riep de jonge man uit. „Laat mij toch geen hoop koesteren,

die niet te verwezenlijken is!”

„Niet te verwezenlijken?”

De uitdrukking, waarmede dokter Antekirrt die woorden uitsprak,

verraadde zooveel zelfvertrouwen, dat Piet Bathory zoodanig als het

ware vervormd werd, dat hij reeds baas over de toekomst meende te zijn.

„Ja, Piet,” hernam de dokter, „heb vertrouwen in mij! Als gij het

gevoegelijk zult achten, en als gij zult meenen, dat ik u zal kunnen

helpen, dan zult gij mij den naam van dat jonge meisje mededeelen....”

„Mijnheer,” antwoordde Piet Bathory, „waarom zou ik u dien naam

verzwijgen?.... Het is juffrouw Toronthal.”

„Juffrouw Toronthal!”

„Ja, heer dokter.”

De inspanning, die dokter Antekirrt had moeten aanwenden om kalm te

blijven, toen hij dien gehaten naam hoorde, om niet te beven of te

trillen, toen hij hem herhaalde, stond vrijwel gelijk aan iemand, die

den bliksem aan zijne voeten ziet vallen, maar niet schrikt of beeft.

Een oogenblik—een enkel slechts—bleef hij na het laatste antwoord stil

en onbewegelijk.

Daarna, zonder dat zijne stem de geringste aandoening verried:

„Goed, Piet, goed!” zei hij. „Laat mij dat alles overdenken....”

„Goed, mijnheer.”

„Laat mij zien....”

„Ik ga heen, mijnheer,” antwoordde de jonge man, terwijl hij de hand

drukte, die de dokter hem reikte. „En laat mij u bedanken, zooals ik

dat mijn vader zou doen.”

Piet Bathory verliet de zaal, waarin dokter Antekirrt alleen bleef. Hij

steeg op het dek, daalde in zijne sloep neer, die hem bij de

valreepstrap wachtte, liet zich op den havendam aan wal zetten en

keerde naar Ragusa terug.

De vreemdelinge, die hem al den tijd van zijn bezoek aan boord van de

Savarena gewacht had, begon andermaal hem te volgen.

Piet Bathory gevoelde een groote tevredenheid, een groote

geruststelling. Eindelijk had hij zijn hart geopend. Hij had zich aan

een vriend kunnen toevertrouwen.... ja, wellicht meer dan aan een

vriend! Hij bevond zich in een van de gelukkige dagen, waarmede de

fortuin zoo spaarzaam omgaat.

En alsof hij er niet aan twijfelen mocht, toen hij de woning in de

Stradona-laan voorbijging, zag hij aan een venster van het paviljoen

een tipje van het gordijn opgelicht worden en dadelijk daarna weer

neervallen.

Maar ook de vreemdelinge had dat gezien en bleef totdat Piet Bathory

bij den hoek der Marinellastraat verdwenen was, onbewegelijk voor die

woning staan. Daarna begaf zij zich naar het telegraafbureau en verzond

een telegram, dat slechts dat ééne woord bevatte:

„Kom!”

Het adres van dit telegram was zoo gesteld:

„Sarcany, kantoor restant, Syracuse Sicilië.”

II.

DE MONDINGEN VAN DE CATTARO.

Alzoo, het noodlot, hetwelk een zoo overheerschende rol bij de

wereldgebeurtenissen speelt, had in diezelfde stad Ragusa de familie

Bathory en de familie Toronthal vereenigd. Niet alleen vereenigd, maar

nader tot elkander gebracht, want zij bewoonden beiden hetzelfde

Stradonakwartier. Dan nog, Sava Toronthal en Piet Bathory hadden

elkander gezien.... ontmoet.... en lief gekregen. Piet, de zoon van den

man, die door verraad ter dood gedoemd was, verliefd op Sava, de

dochter van den man, die de rol van verklikker vervuld had!

Ziedaar, wat dokter Antekirrt in zich zelven mompelde, nadat de

jeugdige ingenieur hem verlaten had.

„Het is waarachtig om aan het bestaan eener Alwetendheid te twijfelen,”

prevelde hij.

„En die hoop, die hij nog niet koesterde, die heb ik hem geschonken!

Kan het erger?”

Was de dokter er dan de man toe, om een onverbiddelijken kamp tegen de

noodlottigheid aan te gaan?

Voelde hij in zich de macht om naar willekeur over menschelijke zaken

te beschikken?

Zou de kracht, de moreele geestkracht, zoo noodig om het noodlot te

dwingen, hem niet begeven?

„Neen, ik zal pal staan!” riep hij uit. „Ik zal strijden! Dat

liefde-verbond is hatelijk, is misdadig! O, als Piet Bathory, na de

echtgenoot van de dochter van Silas Toronthal geworden te zijn, eens de

waarheid van het gebeurde in hare afschuwelijke naaktheid vernam! Hij

zou zijn vader niet meer kunnen, niet meer mogen wreken! Er zou hem

niets anders overblijven dan zich uit wanhoop van kant te maken!.... Ik

zal hem dan ook alles mededeelen, als het zijn moet en als het zoover

komt!.... Ik zal hem vertellen wat die familie Toronthal de zijne

aangedaan, welke rampen zij veroorzaakt heeft.... Die liefde zal ik

verbrijzelen; het komt er niet op aan hoe!”

Inderdaad, eene zoodanige vereeniging zou monsterachtig geweest zijn,

dat zal men wel beseffen.

De lezer heeft het voorzeker niet vergeten: dokter Antekirrt had bij

gelegenheid van zijn gesprek met mevrouw Bathory verhaald, dat de drie

opperhoofden der Triëster samenzwering de slachtoffers waren geworden

van eene schandelijke kuiperij, die bij het voeren der debatten

gebleken was en die hem door de onbescheidenheid van een der

gevangenbewaarders van den vestingtoren van Pisino was ter kennis

gekomen.

De lezer weet ook nog, dat mevrouw Bathory uit de een of andere

beweegreden omtrent dit verraad niets aan haar zoon had medegedeeld.

Daarin lag niets bevreemdends; zij kende de aanleggers immers niet. Zij

wist niet dat een hunner, rijk, voornaam en gezien, te Ragusa zelve op

weinige passen afstand in het Stradonakwartier, in de Stradona-laan

woonde.

De dokter had geen namen genoemd. Waarom niet? Dat zal de lezer

voorzeker wel bevroeden.

Ongetwijfeld omdat het uur nog niet gekomen was om de misdadigers te

ontmaskeren.

Maar hij kende hen. Hij wist dat Silas Toronthal de eene verrader en

Sarcany de andere was. En dat hij niet verder bij zijne vertrouwelijke

mededeelingen gegaan was, lag daarin, dat hij op de medewerking van

Piet Bathory rekende, dat hij den zoon deelgenoot wilde maken van het

eindvonnis, waarbij de misdadigers hunne gerechte straf zouden

ontvangen; waardoor de dood zijns vaders en die van zijne twee makkers,

graaf Ladislas Zathmar en graaf Mathias Sandorf, zouden gewroken

worden.

En dat.... dat kon hij thans niet meer aan den zoon van Stephanus

Bathory zeggen zonder hem het hart te verbrijzelen.

„Het kan me weinig schelen!” herhaalde hij. „Dat hart zal ik

verbrijzelen! Het moet!”

Hoe zou dokter Antekirrt te werk gaan, toen eenmaal dat besluit genomen

was? Zou hij hetzij aan mevrouw Bathory, hetzij aan haren zoon het

verleden van den Triëster bankier gaan openbaren? Maar bezat hij de

feitelijke bewijzen van diens verraad? Neen, daar Mathias Sandorf,

Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar, de eenigen, die ooit die

bewijzen hadden kunnen verschaffen, dood waren. De stad vervullen met

het gerucht van die schandelijke daad zonder de familie Bathory daarvan

kennis te geven? Ja, dat zou voldoende zijn om ongetwijfeld een nieuwe

kloof tusschen Piet en het jonge meisje—eene onoverkomelijke kloof

ditmaal—te delven. Maar wanneer dat geheim verspreid en bekend was, zou

het dan niet te vreezen zijn dat Silas Toronthal Ragusa zou zoeken te

verlaten?

Dokter Antekirrt wilde evenwel niet, dat de bankier verdween, De

verrader moest ter beschikking van den rechter, van den wreker blijven,

totdat het uur van gerechtigheid zou slaan.

En dienaangaande zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop nemen

dan hij zich verbeeldde.

Na het voor en het tegen van die quaestie overwogen te hebben, besloot

dokter Antekirrt, wien de middelen voor het oogenblik ontbraken, om

openlijk tegen Silas Toronthal op te kunnen treden, datgene te doen wat

het eerst voor de hand lag, wat ook tot den meesten spoed dwong. Voor

alles moest Piet Bathory aan die stad onttrokken, ontvoerd worden, of

de eer van zijn naam kwam in gevaar. Ja, hij zou hem zoover medevoeren,

dat niemand zijn spoor zou terugvinden. Wanneer hij hem maar eerst in

zijne macht had, dan zou hij hem alles mededeelen, wat hij van Silas

Toronthal en van zijn medeplichtige, Sarcany, wist. Hij zou hem

deelgenoot maken van zijn werk van wraak. Maar daartoe had hij geen

enkele dag meer te verliezen.

Tot dat doel deed de dokter intusschen per telegram een zijner snelste

vervoermiddelen uit de gewone verblijfplaats in de mondingen van de

Cattaro-rivier ten zuiden van Ragusa, aan de Adriatische zee gelegen,

overkomen. Dat was een van die bewonderenswaardige Thornycrofts, die

aan de moderne scheepsbouwmeesters van de torpedo’s tot model gediend

hadden.

Die lange stalen spoel, die een en veertig meters lang was, en een

inhoud van zeventig tonnen meette, voerde geen mast en ook geen

schoorsteen. Zij had eenvoudig aan de buitenzijde een platform en een

metalen kooi met lensglazen tot kijkgaten, die voor den stuurman

bestemd was en wanneer de toestand der zee zulks noodzakelijk maakte,

hermetisch gesloten konden worden. Dat vaartuig kon zonder tijd te

verliezen of van den koers af te wijken, onder water doorstevenen en

zoo de golvingen der deining ontkomen. Het bezat een veel snelleren

gang dan de beste torpedo-boot van het oude en van het nieuwe halfrond,

en volvoerde gemakkelijk eene vaart van vijftig kilometers in het uur,

wat nog al beduidend is.

Dankzij die snelheid, had de dokter bij menige gelegenheid buitengewone

reizen kunnen volvoeren. Vandaar ook die faam van alomtegenwoordigheid,

die hem werd toegeschreven, wanneer hij binnen zeer korte tijdsruimten

van het eene uiteinde van den Archipel bijvoorbeeld van Middullu, het

oude Lesbos, of van Sakys, het oude Chios, tot aan de uiterste grenzen

van de Syrtsche zee verscheen.

Er bestond evenwel een zeer groot onderscheid tusschen de

Thornycroftsche vaartuigen en de vervoermiddelen, welke dokter

Antekirrt bezigde, en dat bestond daarin, dat hij, in stede van

oververwarmden stoom, de electriciteit, die hij van door hem

uitgevonden accumulatoren verkreeg, als beweegkracht bezigde. Door deze

accumulatoren kon hij de electrische kracht in een om zoo te zeggen

oneindigen voorraad opwekken.

Die snelle vervoermiddelen droegen dan ook den naam van Electrieks en

hadden, om ze van elkaar te onderscheiden, slechts een volgnummer. Zoo

heette het vaartuig, dat naar de mondingen van de Cattaro-rivier

opgeroepen was, Electriek 2.

Toen die bevelen verstrekt waren, wachtte de dokter het geschikte

oogenblik om te handelen.

Terzelfder tijd waarschuwde hij Pescadospunt en Kaap Matifou, dat

weldra hunne diensten zouden vereischt worden.

Dat de beide vrienden zich gelukkig gevoelden, dat zij eindelijk

bewijzen zouden kunnen leveren van hunne toewijding, zal wel niet

behoeven verzekerd te worden.

Een wolkje, een enkel slechts wierp evenwel ietwat schaduw op de

vreugde, die zij bij het vernemen van dat nieuws ondervonden.

Mathias Sandorf [2] · 第 1 / 19 段