Etna ontstaan, hebben nauwelijks eene doorsnede van 6000 meter. En
wat is dit bij die van den Clavius, 227 kilometer? Die krater is wel
de grootste dien wij op de Maan kennen, maar daar zijn er toch meer
van 300, 150 en 100 kilometer."
»Welk een prachtig gezicht moet het geweest zijn," riep Michel
Ardan uit, »toen die geweldige kraters, onder het ratelen van hevige
donderslagen, rivieren van lava, hagelbuien van steenen en wolken van
damp uitbraakten! En hoever is het nu van die grootsche tafereelen! Die
Maan dáar is niets dan het mager geraamte van een schitterend vuurwerk,
waarvan de papierproppen in het rond verstrooid liggen. Vanwaar toch
die omkeering?"
Barbicane hoorde hem niet eens, zoo was hij verdiept in het begluren
der wellen van den Clavius, wiens reusachtige krater door wel honderd
kleinere omringd was--een onoverzienbaar groote schuimspaan, gelijk
Michel Ardan het noemde. Doch alles dood en dor, geen teeken van leven.
Zoo snelden bergen en krater en bulten en holten onder hun oogen
voorbij, totdat hun blikken eindelijk rustten op den Tycho, den
prachtigsten van alle maanbergen.
Niemand, die ooit een kijker naar de Volle Maan gericht heeft, of hij
heeft op haar zuiderhalfrond dat schitterend punt opgemerkt. Michel
Ardan putte zijn geheelen voorraad van beelden en vergelijkingen uit
om het te roemen. In zijn oog was de Tycho een gloeiend brandpunt
van licht en gloed, een krater, niets dan vuurstralen brakende, de
naaf van een schitterend rad, een onmetelijk oog dat vlammen schoot,
een glorie om het hoofd van Pluto.
Men heeft geen kijker noodig om dat prachtig lichtpunt van de Aarde te
zien, dat is: op een afstand van bijna 70,000 uren gaans. En wat moet
het dan voor onze reizigers geweest zijn op een afstand van slechts
500 kilometer, en bovendien niet belemmerd door den dampkring! Hun
oogen konden dan ook het gezicht van dien vuurgloed niet verdragen en
Barbicane en zijn vrienden waren genoodzaakt hun kijkers te wapenen
met de verdonkerende glazen, welke men gebruikt bij het waarnemen
der zon. Stom van verbazing en geestdriftig staarden zij het prachtig
schouwspel aan. Al hun gewaarwordingen vereenigden zich op dat éene
punt, gelijk het leven in het hart.
De Tycho behoort tot die bergen, van welke lichtstrepen uitgaan,
evenals de Aristarchus en de Copernicus. Maar hij is van alle de
geregeldste en levert een krachtig bewijs, dat het tegenwoordig
voorkomen der maanoppervlakte door vulkanische werkingen is
ontstaan. De middellijn van zijn krater meet 87 kilometer. Die krater
is niet volkomen rond, maar een weinig langwerpig en wordt omgeven
door een menigte ringvormige wallen ter hoogte van 5000 meter. Het
is als een kring Mont-blancs, van welke schitterend licht uitgaat.
Het opmerkelijke, alleen aan dezen berg eigen, is, dat zijn krater
vol bulten is, die zelfs de photographie nog niet in staat was af te
beelden. Bij Volle Maan vertoont zich de Tycho het prachtigst. Men
ziet dan geen schaduw; het is éen aaneenschakeling van kraters,
holten, heuvels, kammen, alsof alles in éen punt des tijds verstijfd
is door natuurwerkingen, van welker kracht wij ons geen voorstelling
kunnen maken.
Hun afstand van de Maan was op dat oogenblik niet zoo groot of zij
konden den Tycho in de voornaamste bijzonderheden zien. Zelfs boven
de vlakten in het rond staken een menigte afzonderlijke bergtoppen
uit. Een stad, midden in dien krater gebouwd, zou onoverwinbaar sterk
zijn geweest.
Dit denkbeeld kwam ook op bij Michel Ardan, die zich niet kon
weerhouden van uit te roepen: Wat een grootsche stad zou men
binnen dezen ring van bergen kunnen stichten! Een stille, vreedzame
wijkplaats, ver van al de ellenden van ons kortstondig bestaan! Hoe
begeerlijk ware dat plekje voor menschenhaters, voor allen die een
walg hebben van de samenleving!"
»En voor ons te klein!" was Barbicane's opinie.
DRIEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK.
MAANBEWONERS?
Intusschen was het projectiel voorbij den Tycho gedreven. Barbicane
en zijn twee vrienden volgden met de grootstmogelijke nauwkeurigheid
de schitterende lichtstrepen, die van den vermaarden berg naar alle
zijden uitgaan.
»Wat waren ze? Welke werking had die strepen veroorzaakt?" Barbicane
vroeg dit terecht.
Het schenen groeven te wezen, met opstaande randen; sommigen hadden
een breedte van 20, anderen van 50 kilometer. Deze blinkende kanalen
liepen hier en daar tot honderden mijlen ver; zoodat ze, vooral naar
het oosten, noord-oosten en noorden, de helft van het zuiderhalfrond
bedekten. Die voorwerpen zijn zeer raadselachtig. Herschel hield ze
voor lava, door de kraters opgeworpen en door de koude verstijfd,
maar deze meening heeft weinig bijval gevonden; andere sterrenkundigen
voor reeksen van zwerfblokken, aldus gestrooid tijdens het ontstaan
van den Tycho.
»En waarom zou dat niet zoo zijn?" vroeg Nicholl.
»Omdat het dan onverklaarbaar is, dat die lichtstrepen rechtlijnig
zijn. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen, dat vulkanen daartoe
kracht genoeg zouden hebben."
»Ik vind zooveel moeielijkheid niet in de verklaring van het
verschijnsel," merkte Michel Ardan aan.
»Zoo?" vroeg Barbicane.
»'t Zijn niets dan scheuren," meende de Franschman, »zooals in een
glasruit ontstaan als men er met de hand een steentje door werpt."
»En welke hand zou dat steentje geworpen hebben?" vroeg Barbicane.
»De hand laten wij daar, maar het steentje kan wel een komeet geweest
zijn, of misschien ook een uitbarsting uit het inwendige der Maan."
»Dus zooveel als een eruptie!"
Inmiddels was de invloed der zonnewarmte op het projectiel aanmerkelijk
toegenomen. Kort geleden hadden de reizigers het fel koud, nu werden
zij flauw van de hitte.
»Wij worden zoo zoetjes aan er op voorbereid om met die snelle
afwisseling van hitte en koude maanbewoners te worden," sprak Michel
Ardan zich het gelaat afvegend.
»Daar hebben wij de maanbewoners weer!"
»Nu ja, maar 't is toch wel de moeite waard daarover te spreken."
»Dan doen zich," antwoordde Barbicane, »twee vragen op: is de Maan
bewoonbaar, en is zij bewoond geweest?"
»Dus eerst--is zij bewoonbaar?" zei Nicholl.
»Ik weet het niet," verklaarde Michel Ardan.
»En ik zeg: neen!" sprak Barbicane met nadruk. »De Maan is meer dan
waarschijnlijk niet bewoonbaar, ten minste in haar tegenwoordigen
toestand, met geen of zoo weinig als geen lucht, met haar uitgedroogde
zeeën, haar watergebrek, haar scherpe afwisseling van hitte en koude,
haar nachten en dagen van 354 uren. Onder die omstandigheden kan er,
dunkt me, geen dierlijk leven bestaan en geen behoefte van eenig
levend wezen, zooals _wij_ het begrijpen, vervuld worden."
»Maar die wezens zouden anders gevormd kunnen zijn dan wij," meende
Nicholl.
»Dat is moeilijker te beslissen," oordeelde Barbicane. »Toch zal ik het
beproeven, maar moet beginnen met mijn vriend Nicholl te vragen, of hij
niet gelooft, dat _beweging_ een noodwendig uitvloeisel van leven is."
»Zeker," antwoordde Nicholl.
»Welnu. Wij hebben de oppervlakte der Maan waargenomen op een
afstand van 500 kilometer en toch hebben wij op de geheele Maan het
allergeringste spoor van eenige beweging niet gezien. Het bestaan
van redelijke wezens zou toch wel door het een of ander gebleken
zijn. Maar wat hebben wij gezien? Overal verschijnselen der doode stof,
nergens een levende schepping. Indien er dus dierlijk leven is, moet
het zich verscholen houden in afgronden en spelonken, onbereikbaar
voor onzen blik. En dat kan ik niet denken, want men zou er dan toch
wel ergens eenig spoor van bemerkt hebben. Maar--nergens! Er schiet
dus niets over, dan aan te nemen dat er levende wezens zijn zonder
eenige beweging."
»Met andere woorden: levende wezens zonder leven," zei Michel Ardan.
»Juist," antwoordde Barbicane, »en dit is te dwaas om van te spreken."
»Derhalve," hernam Michel Ardan ernstig, »de commissie uit de Gun-club,
gezien de jongste waarnemingen der Maan, besluit met eenparigheid
van stemmen, dat deze tegenwoordig onbewoonbaar is."
»En nu de tweede vraag," sprak Nicholl. »Ik vraag aan de geachte
commissie: indien de Maan tegenwoordig onbewoonbaar is, was zij dan
vroeger bewoond?"
»Burger Barbicane heeft het woord," zei Michel Ardan.
»Mijn vrienden," begon deze, »ik heb deze onze reis niet afgewacht
om een bepaalde meening te hebben over een vroegere bewoonbaarheid
van een wachter onzer Aarde. Onze persoonlijke waarnemingen hebben
mij in die meening versterkt. Ik ben volkomen overtuigd, dat de Maan
eenmaal bewoond is geweest door menschen als wij zijn, dat zij een
dierenwereld gehad heeft, gelijk aan de aardsche; maar tevens, dat
dit alles voor altijd verdwenen is. Ik zeg daarmede niet, dat de Maan
anders is dan de Aarde; wel echter, dat zij sneller verouderd is. De
werkingen der stof zijn op en in haar heviger geweest dan met onze
Aarde het geval is. Dit blijkt uit haren tegenwoordigen opgereten,
verstijfden, doodschen toestand. Oorspronkelijk waren de Aarde en
de Maan, beiden groote gaskogels, overgegaan, eerst in vloeistoffen,
later in vaste zelfstandigheden. Onze Aarde bevond zich zeker nog in
den gasvormigen of vloeibaren toestand, toen de Maan reeds in vaste
stof was veranderd."
»Dat laat zich wel hooren," merkte Nicholl aan.
»Destijds," ging Barbicane voort, »had de Maan een dampkring; haar
wateren konden onder de drukking van dien dampkring niet in damp
vervliegen. Onder den invloed van lucht, water, licht, zonnewarmte,
was de grond bedekt met plantengroei, terwijl ook dierlijk leven
zich openbaarde. Immers, de natuur doet niets nutteloos en een zoo
uitnemend bewoonbare wereld moet noodzakelijk bewoond geweest zijn."
»Er zijn toch omstandigheden, met het geheele wezen der Maan ten
nauwste verbonden, die er naar mijn oordeel de ontwikkeling eener
planten- en dierenwereld hebben moeten beletten, b. v. de dagen en
nachten van 354 uren," merkte Nicholl aan.
»En aan onze polen duren zij wel een half jaar," viel Michel Ardan in.
»Dat bewijst weinig, want onze polen zijn niet bewoond."
Barbicane deed hen opmerken, dat, al maken die lange dagen en nachten
in den tegenwoordigen toestand der Maan haar nu onbewoonbaar, dit
vroeger toch het geval niet geweest is. De dampkring omsloot de Maan
met een vochtigen mantel. De dampen stegen er in op in den vorm van
nevels. Dit natuurlijk scherm temperde de gloeiende zonnehitte en
belette 's nachts de warmte-uitstraling. Licht en warmte konden zich
in de lucht verspreiden. Aldus ontstond een evenwicht, dat thans niet
meer bestaat, daar de maansdampkring zoo goed als geheel verdwenen
is. Bovendien geloof ik niet, dat destijds die dagen en nachten zoo
lang geduurd hebben, omdat waarschijnlijk alstoen de tijd van de
aswenteling der Maan nog niet gelijk was aan die van haren omloop om
de Aarde."
»En waarom zijn zij dan nu gelijk?" vroeg Nicholl.
»Ten gevolge van de aantrekking der Aarde."
»En wie zegt ons, dat die aantrekking krachtig genoeg was om de
bewegingen der Maan te wijzigen toen de Aarde nog in vloeibaren
toestand verkeerde?"
»Als gij aan de »wie zegt ons?" komt, dan vraag ik ook: wie zegt ons,
dat de Maan altijd de wachter der Aarde is geweest?" zei Nicholl.
»En wie zegt ons, dat de Maan niet veel vroeger bestaan heeft dan de
Aarde?" bracht Michel Ardan in het midden.
Zij staken met volle zeilen de zee van onderstellingen en mogelijkheden
in. Maar Barbicane riep hen tot orde. Toch kon hij Michel Ardan niet
beletten te vragen: »zou dan het menschdom van de Maan verdwenen zijn?"
»Zeker," antwoordde Barbicane, »na ongetwijfeld millioenen eeuwen
bestaan te hebben. Van lieverlede zal de lucht dunner zijn geworden
en daarmede de Maan onbewoonbaarder, gelijk onze Aarde dat ook door
het toenemen der koude zal worden."
»Door het toenemen der koude?"
»Zonder twijfel. De maanoppervlakte is kouder geworden naarmate
de inwendige vuren zijn uitgedoofd en de warmtestof zich heeft
samengetrokken. Langzamerhand hebben de gevolgen daarvan zich vertoond:
het verdwijnen van dierlijke wezens en van alle plantenleven. Door de
aantrekking der Aarde werd de lucht al dunner en dunner; eindelijk
verdween zij geheel. Toen werd de Maan onbewoonbaar en bijgevolg
onbewoond, een doode wereld zooals wij haar nu zien."
»En gij zegt, dat dit met de Aarde ook zal gebeuren?
»Waarschijnlijk."
»Maar wanneer?"
»Wanneer de koude haar oppervlakte onbewoonbaar heeft gemaakt."
»En heeft men daarvan den tijd berekend?"
»Zeker."
»Laat hooren."
»Volgens de waarschijnlijkste berekeningen zal de gemiddelde
temperatuur der Aarde tot het vriespunt genaderd zijn na 400,000
jaren."
»Dat is een molensteen van het hart!" riep Michel Ardan uit. »Zooals
gij begont te dreigen, dacht ik, dat wij nauwelijks 50,000 jaar meer
te leven hadden."
De beide anderen lachten hartelijk om dezen uitval. Maar door
de levendigheid van hun gesprek hadden zij niet bemerkt, dat het
projectiel, na zijn gewone baan te hebben behouden tot boven den
evenaar der Maan, zich opeens met snelle vaart van haar was gaan
verwijderen.
VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VUURPIJLEN.
Het was niet tegen te spreken--elke seconde vergrootte den afstand
tusschen hen en het hemellichaam, dat zij niet hadden mogen betreden,
maar slechts van verre waarnemen. Ook de stand van het projectiel was
veranderd: het wendde nu de punt naar de Maan, den bodem naar de Aarde.
Deze verandering wekte Barbicane's verbazing. Indien het projectiel
zich om de Maan moest bewegen in een elliptische baan, moest immers
het zwaarste gedeelte naar de Maan gericht blijven, zooals met de
Maan ten opzichte van de Aarde het geval is?
Bij nauwkeurige waarneming van de baan, die het projectiel
thans beschreef, moest blijken, dat zij gelijk was aan die der
uitreis. Het projectiel beschreef dus een zeer verlengde ellips, die
zich waarschijnlijk uitstrekte tot het boven beschreven nulpunt, waar
de aantrekking der Aarde en die der Maan tegen elkander juist opwegen.
Tot die overtuiging kwam Barbicane ook door zijn waarnemingen; zijn
vrienden waren van hetzelfde gevoelen.
»En als wij dat punt hebben bereikt, wat zal er dan van ons
worden?" vroeg Michel Ardan.
Barbicane verklaarde het niet te weten.
»Maar wat denkt gij er van?"
»Van tweeën één: òf, de snelheid zal ontoereikend zijn, en dan blijven
wij ten eeuwigen dage op dat nulpunt hangen; òf, de snelheid zal
groot genoeg zijn, en dan moeten wij maar verder onze elliptische
baan om de Maan gaan beschrijven."
»Zit er niets anders op?"
»Niets in het minste."
»Kunnen wij er niets aan doen?"
»Niets. Werk eens tegen het onmogelijke."
»Wat? Onmogelijk, en dat voor een Franschman en twee Amerikanen!"
Op dezen uitval van Michel Ardan antwoordde Barbicane bedaard: »En
wat zoudt gij dan wel willen doen?"
»Kunnen wij geen baas zijn over de beweging die ons drijft?"
»Hoe wilt gij dat?"
»Wel," sprak Michel Ardan, »haar wijzigen, haar dwingen om ons te
brengen waar wij zijn willen."
»Hoe?"
»Dat is mijn zaak niet. Maar als de artilleristen geen meester
zijn over hun stukken, zijn zij geen artilleristen meer. Indien het
projectiel den kanonnier bevelen geeft, moet men den kanonnier op
het stuk laden. Dat zijn nu de geleerde mannen, die geen raad weten,
na mij eerst te hebben verleid..."
»Verleid!" riepen Barbicane en Nicholl uit; »verleid? Wat meen je
daarmeê?"
»Zwijgt maar," hernam Michel Ardan. »Ik beklaag er mij niet over,
want ik doe een prettig reisje. Maar mij dunkt toch, dat wij al het
mogelijke doen moesten om ergens neer te komen, al is het dan op
de Maan."
»Niets liever dan dat," sprak Barbicane, »maar 't ontbreekt ons
aan middelen."
»Kunnen wij dan de richting van het projectiel niet wijzigen?"
»Neen."
»Of onze vaart verminderen?"
»Ook niet."
»Ballast uitwerpen?"
»Wij hebben geen ballast, en het uitwerpen zou onze vaart verminderen."
»Versnellen, meent gij."
»Geen van beiden," verbeterde Barbicane, »want bedenk, wij bevinden
ons in de ledige hemelruimte."
»Dan rest ons slechts éen zaak," hernam Michel Ardan.
»En die is?"
»Ontbijten," zei deze.
Zoo gezegd, zoo gedaan--en een fijne flesch ontkurkt.
Daarna hervatten zij hun waarnemingen. De uitgeworpen voorwerpen bleven
op onveranderden afstand van het projectiel zweven. Van de Aarde
was op dat oogenblik niets te zien. De Maan daarentegen schitterde
in vollen glans te midden van ontelbare sterren. De voorwerpen op
haar oppervlakte begonnen door den afstand onduidelijker te worden;
de Tycho prijkte als een zon op de prachtige schijf.
Barbicane kon door geen hulpmiddel de snelheid hunner bewegingen
bepalen; maar volgens wiskundige wetten moest ze gelijkmatig afnemen.
En inderdaad, aangenomen dat het projectiel een baan om de Maan ging
beschrijven, dan moest die baan noodwendig een elliptische zijn. De
wetenschap wijst dit uit. Geen enkel lichaam, dat zich wentelt rondom
een middelpunt van aantrekking, maakt daarop uitzondering. Al de
loopbanen, die in de hemelruimte worden beschreven, zijn ellipsen:
die der wachters om hun hoofdplaneten, die der planeten om de zon, die
van de zon om Halcyon, indien ten minste de sterrenkunde gelijk heeft
in haar meening, dat die ster in het Zevengesternte het middelpunt
is rondom hetwelk zich onze zon en met haar een ontelbaar sterrenheir
beweegt. En waarom zou dan het projectiel der Gun-club een uitzondering
maken op dien algemeenen regel?
In de elliptische loopbaan staat het aantrekkend lichaam altijd in een
der brandpunten. Het hemellichaam dat omloopt, 't zij dan een wachter
om een hoofdplaneet, 't zij een planeet om een zon, bevindt zich
niet altijd op denzelfden afstand van het middelpunt der aantrekking,
in het eerste geval de hoofdplaneet, in het laatste de zon. Wanneer
de Aarde haar naasten stand ten opzichte der zon heeft, heet dit dat
zij in haar perihelium is; daarentegen in haar aphelium, wanneer zij
het verst van de zon staat. De Maan heet in haar naasten stand ten
opzichte van de Aarde in haar perigeüm, in haar apogeüm het verst van
ons te staan. Indien men dus deze sterrenkundige uitdrukkingen zou
willen overbrengen op de standen van het projectiel, indien het zich
in een elliptische loopbaan om de Maan beweegt, ware dit het verst
van de Maan in zijn aposelenium, in zijn naasten stand bij haar in
zijn periselenium.
In den laatsten stand moest het projectiel zijn grootste, in den
eersten zijn kleinste snelheid hebben. Nu bewoog het zich op dat
oogenblik klaarblijkelijk naar zijn aposelenium, zoodat Barbicane volle
recht had te oordeelen, dat hun snelheid afnemende was, om, wanneer
dat aposelenium eenmaal zou bereikt zijn, met toenemende snelheid naar
het naaste punt bij de Maan, het periselenium, terug te keeren. En
indien nu het aposelenium-punt samenviel met het meermalen door ons
genoemde nulpunt--waar de aantrekking van de Aarde tegen die der Maan
juist opweegt--zou de snelheid van het projectiel afdalen tot nul.
Barbicane onderzocht de gevolgen dier verschillende standen en dacht
er over na, op welke wijze er partij van zou te trekken zijn, toen
zijn gedachten werden afgeleid door een luiden kreet van Michel Ardan.
»Men moet toch zeggen, dat wij uilskuikens zijn!"
»Tegenspreken zal ik dit niet," antwoordde hem Barbicane, »maar
waarom?"
»Omdat wij een zeer eenvoudig middel hebben om de snelheid, met welke
wij ons van de Maan verwijderen, te verminderen, en wij maken er geen
gebruik van."
»En wat is dat middel dan?"
»Niets anders dan gebruik te maken van de terugstootende kracht die
wij in onze vuurpijlen bezitten."
»Wèl aangemerkt," zei Nicholl.
»'t Is waar, wij hebben van die kracht nog geen gebruik gemaakt,
maar wij zullen het doen," merkte Barbicane aan.
»Wanneer?" vroeg Michel Ardan.
»Als het er de tijd toe zal zijn. Vergeet niet, mijne vrienden,
dat in den tegenwoordigen stand van het projectiel onze vuurpijlen
ons wel eens van de Maan zouden kunnen verwijderen in plaats van
haar te naderen. Ons projectiel toch heeft op dit oogenblik nog een
schuinschen stand ten opzichte der maanschijf. En de bedoeling is
immers op de Maan voet aan wal te zetten?"
»Zeer zeker," antwoordde Michel Ardan.
»Geduld dan. Door een werking, die ik niet weet te verklaren, maar die
niettemin bestaat, heeft ons projectiel neiging om zijn bodem naar de
zijde der Aarde te richten. Zeer waarschijnlijk zal op het nulpunt
de top des kegels lijnrecht naar de Maan gekeerd zijn. Wij hebben
eenigen grond om te hopen, dat onze snelheid dan nul zal wezen. Dan
is het oogenblik daar om te handelen, en misschien kunnen wij door de
kracht onzer vuurpijlen een rechtstreekschen val naar de oppervlakte
der maanschijf teweegbrengen."
»Bravo!" riep Michel Ardan uit.
»Wij hebben dat niet gedaan, en ook niet kunnen doen, toen wij de
eerste maal op dat punt der gelijke aantrekking van Maan en Aarde
waren, omdat toen het projectiel nog een te groote snelheid had."
»Goed geredeneerd," sprak Nicholl.
»Wij moeten dus geduld oefenen," hernam Barbicane. »Wij zullen
onzerzijds alles doen wat in ons vermogen is, en dan durf ik wel hopen,
dat wij na zoovele teleurstellingen toch ons oogmerk zullen bereiken."
Deze verklaring lokte bij Michel Ardan een menigte luide toejuichingen
uit. En geen van hen drieën dacht er op dat oogenblik aan, dat zij
nog zooeven met algemeene stemmen tot het besluit waren gekomen:
Neen! De Maan is niet bewoond! Neen! de Maan is waarschijnlijk niet
bewoonbaar! En toch--zij gingen al het mogelijke beproeven om haar
te bereiken!
Eén vraag moest nog worden beantwoord: op welk oogenblik zij dat
belangrijk punt van gelijke aantrekking zouden bereikt hebben. Dáármee
zouden zij hun laatste kaart uitspelen.
Ten einde dat oogenblik op eenige seconden na te berekenen,
behoefde Barbicane slechts zijn aanteekeningen te raadplegen en zijn
verschillende hoogtemetingen op de onderscheiden maansbreedten na
te gaan. Want de tijd tusschen het doorloopen van den afstand van
het nulpunt tot de zuidpool moest gelijk zijn aan dien tusschen de
noordpool en het nulpunt. De uren waren nauwkeurig aangeteekend,
zoodat de berekening niet moeielijk was.
Barbicane vond, dat zij dit punt zouden bereiken in den nacht tusschen
7 en 8 December, te 1 uur. Op dit oogenblik was het 3 uur in den
morgen van 7 December. Indien de beweging van het projectiel dus
geen storing ondervond, moesten zij het bewuste punt na verloop van
22 uren bereiken.
De vuurwerken waren oorspronkelijk bestemd geweest om den val van
het projectiel op de Maan te breken, en nu gingen onze waaghalzen ze
gebruiken om dien val te bevorderen. Hoe het zij, zij waren gereed,
en alleen het geschikte oogenblik moest worden afgewacht om ze te
ontsteken.
»Daar wij nu toch niets te doen hebben," zei Nicholl, »doe ik een
voorstel."
»En dat is?" vroeg Barbicane.
»Te gaan slapen."
»Heb je van zijn leven!" riep Michel Ardan uit.
»In veertig uren hebben wij geen oog geloken," sprak Nicholl. »Eenige
uren slapens zullen ons goed doen."
»Geen denken aan!" schreeuwde Michel Ardan.
»Even goede vrienden," hernam Nicholl, »elk zijn meug, maar ik ga
naar mijn mandje."
Hij strekte zich uit op een divan en 't duurde niet lang of Nicholl
sliep dat hij snorkte.
»Die Nicholl is toch zoo dom niet," sprak Barbicane een weinig later,
»ik ga zijn voorbeeld volgen."
En eenige minuten daarna accompagneerde zijn snorken in den bastoon
den baryton-snork van Nicholl.
Niet lang was Michel Ardan alleen, of hij mompelde in zichzelf:
»die lui zijn nog zoo gek niet."
En tegelijk strekte hij zijn lange beenen uit, legde zijn lange armen
onder het hoofd en sliep insgelijks in.
Maar hun slaap kon noch langdurig, noch gerust zijn. Er ging te veel
om in den geest van die drie mannen, en eenige uren later, tegen 7
uur in den morgen, waren alle drie gelijktijdig op de been.
Het projectiel verwijderde zich nog altijd van de Maan; van lieverlede
keerde het haar steeds meer zijn punt toe. Op zich zelf was dit
verschijnsel nog wel onverklaarbaar, maar het kwam gelukkig juist in
de plannen van Barbicane van pas.
Nog 17 uren, en het oogenblik van handelen zou gekomen zijn.