de Maan tot op 600 kilometer genaderd. Links zagen zij een reeks
bergen, door het volle zonlicht beschenen. Rechts een donkere diepte,
als een reusachtige uitholling van den grond. Het was de zoogenoemde
Zwarte zee, de Plato, een diepte, die men van de Aarde het best kan
waarnemen tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, als wanneer de
schaduwen van west naar oost loopen.
Een dergelijke donkere kleur is zeldzaam op de maanoppervlakte. Men
heeft haar nog alleen waargenomen in den krater van den ringberg
Endymion, oostelijk van de Koude Zee, op het noordelijk halfrond, en
op den bodem van den Grimaldi onder den evenaar nabij den oostelijken
rand der Maan.
De Plato is een ringberg op 51° noorderbreedte en 4° O. L. der
Maan. De krater--zoo noemt men doorgaans de ringvlakte binnen den
ringberg--is 92 kilometer lang, 61 breed. Barbicane betreurde het dat
hij er niet vlak boven kwam; hij zou dan in een geweldige, misschien
geheimzinnige diepte hebben neergezien. Maar aan de richting van het
projectiel was niets te doen.
Een uur later waren zij voorbij de noordelijke grens der Regenzee. Van
de bergen La Condamine en Fontenelle hadden zij den eenen links, den
anderen rechts. Die geheele streek was zeer bergachtig. Zij waren zoo
nabij, dat de kijkers de Maan aanhaalden alsof zij niet verder van hen
was dan de top van den Mont-Blanc van den waterspiegel der zee. Overal
zagen zij bergtoppen en bergringen. Op 70° breedte vertoonde zich
de Philolaüs, 3700 meter hoog, met een langwerpig ronden krater van
omtrent 7000 meter lengte, nog geen 2000 breed.
De oppervlakte der Maan had, van dat punt gezien, een allergrilligst
voorkomen. Alles even scherp, even hoekig, gelijk er ook, dewijl de
Maan geen dampkring en dus ook geen schemering heeft, geen zachte
overgang is van het licht naar het donker, maar een onmiddellijk
afsnijdende lijn, zonder de minste schemering. Daaruit moet volgen,
dat de maanbewoners, aangenomen dat zij bestaan, de schitterende zon en
de fonkelende sterren zien staan aan een pikzwart uitspansel. Datzelfde
zagen trouwens Barbicane en zijn tochtgenooten.
Te 5 uur waren zij de Maan zooveel genaderd dat zij er slechts 50
kilometer van verwijderd waren en het scheen alsof zij haar konden
grijpen. Michel Ardan wilde in goeden ernst een hunner vensters openen
en naar beneden springen. Een groote dwaasheid, want--gezwegen van
de doodelijke hoogte van den sprong, indien het projectiel niet op
de Maan nederkwam, zou hij er evenmin komen.
Een uur later zagen zij de pool. Toen vertoonde de maanschijf aan de
blikken der reizigers niets dan éen sterk verlichte helft, terwijl
de andere in de duisternis verdween. Zachtkens zweefde het projectiel
boven de scheidingslijn tusschen het licht en het donker en werd het
plotseling in een diepen nacht gedompeld.
NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN LANGE NACHT.
De overgang was zoo plotseling geweest, als ware de Maan in éen punt
des tijds vernietigd.
»De Maan is naar de Maan!" riep Michel Ardan uit.
't Was ook zoo. En zij zelven zaten in het stikdonker. Hoe zuinig
ook op het gas, toch moest Barbicane verzoeken licht aan te steken.
»Die satansche zon!" riep Michel Ardan uit. »Zij onttrekt ons haar
licht, dat zij ons toch gemakkelijk gunnen kon."
»'t Is de schuld niet van de zon, maar van de Maan, die ons eenvoudig
het zonlicht onderschept," sprak Nicholl.
Barbicane scheidde hen door aantemerken, dat noch de zon noch de
Maan er schuld aan hadden, maar het projectiel, dat in plaats van
behoorlijk in zijn baan te blijven, zuidwaarts was uitgeweken. »En om
billijk te zijn," voegde hij er bij, »moeten wij de schuld geven aan
dien verwenschten vuurkogel, die ons van onzen weg heeft afgetrokken."
»Goed en wel," antwoordde Michel Ardan, »en daarom, wij hebben lang
genoeg waargenomen, laat ons nu iets gebruiken."
»Dat is iets anders," zei Nicholl droogjes.
De anderen brachten er niets tegen in. De voorsteller had in een
oogenblik den maaltijd gereed. Maar men at om te eten; er was geen
animo, 't Was zoo leegdonker; 't was alsof zij alleen in het heelal
waren!
De lange nacht dien zij waren ingetreden, maakte het onderwerp uit
van hun gesprek. Barbicane legde hun uit, dat de nacht een paar weken
zou duren.
»De van ons afgekeerde zijde der Maan," zei hij, »ziet nimmer de
Aarde; bijgevolg wordt ook op haar het aardlicht niet teruggekaatst,
wanneer het voor de Aarde Nieuwe maan en derhalve voor de naar
haar toegekeerde zijde der Maan Volle aarde is. De van de Aarde
afgekeerde maanhelft heeft dus geen andere verlichting dan die de
zon geeft. Dat licht wordt haar onttrokken zoolang de zon even zoo
voor hen is ondergegaan als zij het 's avonds voor ons doet. Maar
de Aarde wentelt zich in 24 uren om haar as; derhalve is ieder punt
van haar oppervlakte na eenige uren donkerheid opnieuw door de zon
verlicht. De Maan echter wentelt zich om haar as in dienzelfden tijd
als om de Aarde, namelijk in omtrent vier weken. Derhalve moet ieder
punt der van de Aarde afgekeerde zijde van de Maan ook even zoo lang
onafgebroken nacht hebben, zonder dat die nacht, gelijk voor de naar
de Aarde gekeerde maanhelft, door het aardlicht wordt verhelderd."
»Maar," ging hij voort, »de naar de Aarde toegekeerde zijde der Maan
heeft nog meer voorrechten. Wij noemen onder anderen het waarnemen der
zon-eclipsen, welke alleen plaats hebben voor deze helft der maan, daar
alsdan de Aarde tusschen de Maan, en de zon staat. Zij kunnen twee uren
duren en zijn voor de Aarde maan-eclipsen, voor de Maan zon-eclipsen."
»Ongelukkige andere maanhelft!" riep Nicholl uit.
»Ten deele," zei Barbicane. »Door verschillende oorzaken, waarvan de
voornaamste bestaat in de zoogenaamde liberatie der Maan, krijgt van
tijd tot tijd nog 1/2 van die andere maanhelft nu en dan de Aarde te
zien. Te weten: de Maan wentelt met eenparige snelheid om haar as,
terwijl haar beweging om de Aarde, als niet in een cirkel, maar in een
ellips plaats hebbende, nu sneller, dan langzamer is. Voorts ook als
de Maan haar zuidelijksten stand heeft, kan men voorbij haar noordpool
nog eenigszins de Aarde zien, en omgekeerd aan haar zuidpool bij haar
noordelijksten stand."
»Dat raakt niet," vond Michel Ardan, »als wij maanbewoners worden,
gaan wij op die helft wonen, welke naar de Aarde toegekeerd is."
»Ten minste," sprak Nicholl, »indien er niet enkel op de
tegenovergestelde zijde lucht te vinden is, gelijk sommige
sterrenkundigen meenen."
Barbicane vond het onverklaarbaar, dat het projectiel, slechts
50 kilometer van de Maan verwijderd, niet op haar oppervlakte
gevallen was. Indien het een zeer groote snelheid had, liet zich dit
verklaren. Maar bij een zoo matige snelheid was het onbegrijpelijk
dat de aantrekking der Maan er niet meer op gewerkt had. Was het
projectiel dan nog aan een andere werking onderworpen? Was er nog
een ander hemellichaam dat het in de hemelruimte deed zweven? Dat
het de Maan niet zou bereiken, was zonneklaar. Waarheen zou het zich
dan begeven? Hoe zou men dat kunnen berekenen? Barbicane stond er
voor stil.
Misschien was er een ander hemellichaam in de nabijheid, maar zij
bemerkten er niets van. Niets werden zij ook gewaar van die helft der
Maan welke de Aarde nimmer te zien krijgt. Men meent algemeen, dat de
beide helften elkander gelijk moeten wezen. Het kleine gedeelte dat
wij er van te zien kunnen krijgen, spreekt zulks niet tegen. Maar
indien de lucht eens derwaarts ware geweken? En met de lucht ook
water, plantengroei, dierenwereld? Zijn er dieren, menschen? Welk
een wijd veld voor gissingen! Maar ook, welk een teleurstelling voor
ons drietal, dat er zoo dicht bij was en er toch niets van zou te
zien krijgen!
Tot vergoeding hadden zij het prachtig gezicht op den sterrenhemel,
waar ontelbare sterren--niet fonkelden, want dat schitteren is een
gevolg van de werking der lucht, wier lagen, ongelijk van dichtheid en
verwarming, de sterren als in een trillende beweging doen schijnen. Zij
verspreiden een stil licht, geheel in overeenstemming met de grafstilte
rondom de reizigers.
Langen tijd staarden zij in stomme verbazing op dat indrukwekkend
schouwspel. De Maan scheen een groote, stikdonkere opening in de
oneindige ruimte. Maar zij werden uit hun bespiegelingen gewekt
door een alleronaangenaamst gevoel, dat van een felle koude, die
de lenzen hunner lichtraampjes aan de binnenzijde met een ijskorst
overdekte. Zonnestralen verwarmden het projectiel niet meer en de
uitstraling onttrok er aanhoudend warmte aan. De vochtdeelen zetten
zich aan de glazen, en weldra werd alle waarneming onmogelijk.
Nicholl keek op den thermometer; deze teekende 17° C. onder O. En
Barbicane, hoe zuinig anders op hun gas, moest het nu ook tot
verwarming aanspreken. 't Was in het projectiel niet langer uit te
houden, 't Scheen dat zij met hun drieën bij levenden lijve moesten
bevriezen.
Michel Ardan vond, dat dit nog eenige verscheidenheid opleverde, maar
moest toch bekennen: »'t Is onuitstaanbaar. Zie, onze adem bevriest
tot sneeuw!"
Nicholl wilde weten hoe het met den graad van koude buiten het
projectiel zou gesteld zijn. Barbicane zeide hem: »juist zooals in
de geheele hemelruimte. Maar wij zullen het onderzoeken."
Hoe?" vroeg Nicholl.
»Met een thermometer dien ik bij mij heb; hij heet een
minimum-thermometer en is ingericht om zeer lage graden van temperatuur
aan te wijzen."
Michel Ardan wilde dien thermometer eenvoudig naar buiten werpen,
meenende dat hij wel evenals de doode hond nabij het projectiel
zou blijven zweven. Men kon dan den thermometer binnenhalen als men
het verkoos.
»Met de hand?" vroeg Barbicane.
»Waarom niet?"
»Omdat uw hand in een oogenblik doodgevroren zou zijn. Ook kunnen
wij op een los zwevenden thermometer niet zien. Wij zullen hem dus
voorzichtig uitlaten en aan een koordje hangen."
Maar in weerwil van dat voorzichtige liet zich, hoewel het glas slechts
een seconde open was, een vreeselijke koude gevoelen, en nog eens,
toen de thermometer haastig werd ingehaald.
Hij teekende 140° onder 0!
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
IN WELKE KROMME LIJN?
Misschien verbaast het den lezer, dat Barbicane en zijn reisgenooten
zich zoo weinig bekommerden over 't geen in dien aluminium-kerker
van hen worden zou. In plaats van daarover te denken of te spreken,
deden zij op hun gemak waarnemingen; zij deden--letterlijk--alsof zij
thuis waren. Zegt men misschien: zij hadden wel wat meer te doen dan
aan hun toekomst te denken,--de waarheid is, dat zij in een toestand
verkeerden van volslagen afhankelijkheid. Aan de bewegingen van hun
projectiel konden zij het allerminst iets doen. Een zeeman wendt den
steven van zijn vaartuig waarheen hij wil; een luchtvaarder kan zijn
ballon doen rijzen of dalen. En zij konden .... niets. Zij dreven op
Gods genade.
Waar waren zij op dien dag, een St. Nicolaasdag, 's morgens te 8
uur. Zeer zeker nabij de Maan. Maar hoe ver er vandaan? Dat wisten
zij niet. Was die afstand in die laatste twee uren vermeerderd of
verminderd? Geen kenteeken zeide het hun.
Michel Ardan opperde de meening, dat het projectiel ten gevolge van
de aantrekking der Maan zou eindigen met evenzoo op de Maan te vallen
als nu en dan een luchtsteen op de Aarde.
»Dat gebeurt van de duizend luchtsteenen nog niet met één," zei
Barbicane. »Verweg de meeste snellen als vallende sterren door de
hemelruimte, zonder in eenige aanraking met de Aarde te komen."
»Maar wat zal dan van onzen aluminium-kerker worden?"
Barbicane dacht een oogenblik na en zei toen: »ik weet maar twee
mogelijkheden."
»En die zijn?"
»Het projectiel heeft keus tusschen twee wiskundige lijnen; welke van
die twee het volgen zal, hangt af van de snelheid, en die kan ik op
dit oogenblik niet bepalen."
Nicholl vulde die woorden aan met te zeggen: »zeker een parabool of
een hyperbool?"
»Dat zijn geleerde woorden, daar houd ik van," zei Michel Ardan,
»En wat voor een ding is dan een parabool?"
»Een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat indien men een
rechten kegel doorsnijdt evenwijdig aan een der zijden."
»Dus de kromme lijn, die een bom beschrijft als zij uit het mortier
geschoten is," merkte Nicholl aan.
»Precies!"
»En de hyperbool?" vroeg Michel Ardan.
»De hyperbool is ook een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat
indien men zich twee kegels voorstelt, met de punten rechtstandig op
elkander staande en de snede alsdan door de beide kegels gaat. Gelijk
de parabool twee beenen heeft die zich in het oneindige van elkander
verwijderen, zoo heeft de hyperbool er vier."
»Wat je zegt!" zei Michel Ardan met de grootstmogelijke bedaardheid,
alsof het iets zeer gewichtigs was. »Ik vind de hyperbool mooier want
daar begrijp ik nog minder van dan van de parabool."
Barbicane en Nicholl gaven weinig acht op deze stekelige aanmerkingen;
zij verdiepten zich slechts in de vraag: in welke kromme lijn zal
zich het projectiel bewegen? Parabool of hyperbool? Michel Ardan
begreep niets van hun geleerdheid _a_ + _b_ = _x_.
»De vraag is alleen," vond hij, »waarheen zal een van die heeren
bolen ons brengen?"
»Dat is 't hem juist," antwoordde kapitein Nicholl.
»Beide kromme lijnen hebben, gelijk onze voorzitter reeds terecht
heeft aangemerkt, beenen die in het oneindige uiteenloopen."
»Dan is 't met de lange beenen tot in het oneindige mij onverschillig,"
liet Michel Ardan zich koeltjes ontvallen.
»Praten is niets," voegde hij er bij. »Dit is echter zeker dat
het openen van gemeenschap met de Maan voor onze Aarde nog zoo heel
gemakkelijk niet is. Zouden de bewoners der andere planeten niet meer
van hunne wachters weten dan wij aardbewoners van onze Maan?"
Wat Barbicane of Nicholl daarop hebben geantwoord, is ons niet bekend;
maar men zou Michel Ardan het volgende hebben kunnen zeggen.
Het zou ten deele voor die planeetbewoners veel gemakkelijker zijn
wegens de meerdere nabijheid dier wachters bij hun hoofdplaneet. Indien
daarom Jupiter, Saturnus, Uranus door redelijke wezens bewoond worden,
kunnen zij enkelen hunner wachters gemakkelijker waarnemen. De
vier manen van Jupiter staan: de eerste 58,294, de tweede 92,827,
de derde 148,078, de vierde 266,450 geographische mijlen van haar
hoofdplaneet, namelijk van haar middelpunt af. Trekt men nu daarvan de
halve middellijn dier planeet af, dan ziet men, dat de eerste wachter
een weinig dichter bij Jupiter staat dan de Maan bij de Aarde. Van de
acht wachters van Saturnus verkeeren niet minder dan drie in hetzelfde
geval: Mimas 20,022, Enceladus 26,151, Thetis 43,077 geographische
mijlen. Van de wachters van Uranus staat alleen de eerste, Ariël,
49,980 mijlen van de hoofdplaneet. Maar daar de wachters welke men
heeft kunnen waarnemen, evenals onze Maan altijd dezelfde zijde naar
hun hoofdplaneet schijnen te keeren, en dit dus een wet voor alle
bijplaneten schijnt te wezen, zijn de sterrenkundigen op Jupiter,
Saturnus en Uranus te dezen niet verder dan die op den Aardbol.
Wij keeren tot onze reizigers terug. Tegen 4 uur in den morgen
ontdekte Barbicane, dat de richting van het projectiel veranderd
was. Die verandering bestond hierin, dat de bodem van het projectiel
zich naar de Maan had gewend ten gevolge van de aantrekking der Maan,
die op het zwaarste gedeelte van het projectiel het sterkst werkte.
Zou het dan op de Maan vallen? Neen. En de waarneming van een overigens
onverklaarbaar verkenningspunt toonde aan Barbicane dat zij de Maan
niet naderden, maar dat zij een kromme lijn om haar bleven beschrijven.
Dit verkenningspunt was een licht, door Nicholl het eerst aan den
gezichteinder gezien. Een ster kon het niet zijn. Het was roodachtig
van kleur en werd hoe langer hoe grooter, zoodat het projectiel er
zich heen moest bewegen.
»'t Is een vulkaan in werking!" riep Nicholl uit.
Barbicane legde zijn nachtkijker aan en bevestigde Nicholl's
vermoeden. »Inderdaad, het is een vulkaan-uitbarsting!" zei hij.
»Dan moet er ook lucht op de Maan zijn, want zonder lucht geen vuur,"
oordeelde Michel Ardan.
»Dat is nog zoo zeker niet," antwoordde Barbicane. »De vulkaan kan zijn
vlammen wel uitwerpen ten gevolge eener ontbinding van zelfstandigheden
die wij niet kennen. 't Zou dus voorbarig zijn, uit het braken van
een vulkaan te besluiten, dat de Maan een dampkring heeft."
De vuurberg moest omstreeks 45° Z. breedte, op het voor de Aarde
onzichtbaar gedeelte der Maan gelegen zijn. Maar het projectiel bewoog
zich in een zoodanige richting, dat het na een half uur den vulkaan
uit het gezicht verloor. In zeker opzicht was dit teleurstellend,
maar in een ander ook geruststellend, want het geval zou de veiligheid
onzer vrienden wel eens ernstig hebben kunnen bedreigen.
Een weinig later zagen zij weder een vuurbol. Voor de Aardbewoners
hebben die luchtverschijnselen meest altijd een licht, veel
geringer dan dat der Maan, maar in de ledige hemelruimte gaven zij
een schitterend licht. Dit was ook 't geval met den vuurkogel dien
zij nu langzaam zagen naderen. Barbicane schatte zijn middellijn op
2000 meter. En dat voorwerp naderde hem met een snelheid van omtrent
2 kilometer in de seconde. Recht op hen afkomende, scheen hij het
projectiel binnen weinige minuten te zullen bereiken. Schrikbarend
snel nam de grootte ervan toe.
Men verbeelde zich zoo mogelijk de gewaarwordingen der reizigers. Hoe
koelbloedig en onversaagd zij ook waren, toch stolde hun het bloed
in de aderen. Kwam de bol op hen; of naderde zij hen? Om het even;
zij schenen op het punt te zijn van in een gloeienden afgrond geworpen
te worden.
Zij achtten zich verloren!
Twee minuten later zagen zij den vuurbol op de vreeselijkste wijze
uiteenspatten. Maar zij hoorden niets, want in de ledige ruimte kon
zich het geluid niet voortplanten, daar het geluid niets is dan een
verplaatsing van luchtlagen.
Ontzettend, schouwspel! Het was als een geweldige uitbarsting van een
vulkaan of een onmetelijke brand. Duizenden vonken en vuurbrokken
van allerlei kleuren vlogen in het rond en van den reusachtigen
vuurbol bleef niets over dan splinters, als sterretjes rondzwevende
in de onmetelijke ruimte. Zij verspreidden zich ginds en herwaarts,
en weldra was van het schrikwekkend vuurwerk niets meer te zien. De
sterren blonken als gloeiende stipjes op den koolzwarten achtergrond
van het uitspansel.
EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.
HET ZUIDERHALFROND.
Het projectiel was ontsnapt aan een gevaar, even dreigend als
onverwacht. Wie zou aan zulk een botsen tegen een vuurbol gedacht
hebben? Deze rondzwervende voorwerpen konden voor onze vrienden
allergevaarlijkst zijn. Het waren klippen in den oceaan der ruimte
gezaaid, die zij niet konden ontzeilen. Maar beklagen deden zij
zich over de uitgestane angsten niet, want het plotselinge licht had
gedurende eenige seconden de anders onzichtbare maanschijf zichtbaar
gemaakt. Met snellen blik hadden zij landen, zeeën en bosschen
gezien. Was dan die Maanhelft bedekt door een levenswekkenden
dampkring?
Het was half vier uur in den namiddag. Het projectiel beschreef
nog altijd een kromme lijn om de Maan. Was die baan gewijzigd
door den vaneengesprongen vuurkogel? Men kon het vreezen. In allen
gevalle moest het projectiel een baan hebben volgens de wetten der
werktuigkunde. Barbicane helde meer over om haar voor een parabool dan
een hyperbool te houden. Maar in dat geval moest het projectiel zeer
snel buiten de schaduwkegel der Maan geraakt zijn. Die schaduwkegel
is zeer smal, daar de Maan zooveel kleiner is dan de zon. Toch
zweefde het projectiel nog in die schaduw. Met welke snelheid--was
niet bekend, maar gering kon die niet zijn, en toch nog altijd in
die schaduw! Barbicane pijnigde zich vruchteloos om dat raadsel op
te lossen.
Aan rust dachten geen van drieën. Aan eten evenmin, want hoewel Michel
Ardan te vijf uur brood en vleesch voorzette, werd slechts vliegend
een stukje genuttigd, want niemand wilde zijn raampje een oogenblik
verlaten. Hun adem moest het glas ontdooid houden. Doch hun uitkijken
was niet vruchteloos, want na een half uurtje zagen zij op de donkere
maanschijf heldere lichtstippen die Barbicane aanstonds verklaarde
als bergtoppen, reeds door de zon verlicht, terwijl de dalen nog in
diepen nacht bedolven lagen.
De zon was dus voor dat gedeelte der Maan in aantocht. Zij verlichtte
de bergtoppen aan den zuidelijken rand der Maan. Barbicane leidde er
uit af, dat zij met snelheid de zuidpool naderden.
»En eerst de noordpool gehad," merkte Michel Ardan op »dan hebben
wij een toertje geheel rondom de Maan gedaan!"
»Juist, mijn vriend."
»Daaruit volgt dan immers, dat wij voor geen parabolen of hyperbolen,
voor geen kromme lijnen met lange beenen te vreezen hebben?"
»Daarvoor niet, maar onze baan is eene gesloten kromme lijn, een
ellips. Waarschijnlijk zullen wij nu in een geregelde elliptische
baan voor altijd om de Maan gaan loopen."
»Dan zijn wij naar de Maan," schertste de Franschman, »maar op een
andere manier dan wij hadden gehoopt."
Wat moest onder die omstandigheden van hen worden? Het projectiel
mocht den rang van Maan der Maan krijgen, zij-zelven zouden al spoedig
omkomen, en dan zou de bij-maan even onbewoond zijn als de Maan zelf
scheen te wezen. Misschien zouden zij het lang genoeg houden om nog
eens voor 't laatst de Volle Aarde te zien, zich badende in de stralen
der zon. Misschien nog een laatsten blik toezenden aan dien aardbol,
welken zij niet meer zouden bereiken. De stralen der vriendelijke
zon nog eens te genieten--dat zou het laatste zijn wat hun restte!
Van lieverlede begon Barbicane de halfverlichte bergen te
herkennen. Het waren de Dörfel en de Leibnitz, die zich nabij de
zuidpool der Maan verhieven. Het projectiel naderde die pool met
eenparige snelheid.
TWEEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE TYCHO.
Te 6 uur in den avond stond het projectiel boven de Maans-zuidpool
ter hoogte van minstens 60 kilometer. Op gelijken afstand waren zij
over de noordpool gegaan! Tegelijk kwamen zij in het zonlicht, dat
met een levendig gejuich door hen werd begroet.
De Dörfel en de Leibnitz vertoonden die witte, blinkende vlakten, welke
door den sterrenkundige Secchi worden vergeleken bij uitgespreide
tafellakens. Nicholl verklaarde ze kort en goed voor sneeuwvelden
en vond er een nieuw bewijs in voor zijn beweren, dat er lucht en
water op de Maan aanwezig zijn. Doch overigens geen spoor van leven,
alles even doodsch, eenzaam en dor.
Barbicane kwam door zijn herhaalde waarnemingen tot de zekerheid,
dat aan de randen der maanschijf andere krachten moeten gewerkt
hebben dan in haar midden. Het schijnt dat daar de korst toen zij nog
niet tot vasten toestand was gekomen, ook onder den invloed van de
aantrekking der aarde gestold is. Aan de zoomen daarentegen stond,
om zoo te zeggen, de aantrekking der Aarde rechtstandig op die der
Maan, zoodat althans dáar de bewering van Arago scheen te worden
bewaarheid, »dat geen aantrekking van buiten gewerkt heeft op de
vorming harer oppervlakte."
Ofschoon dus alle spoor van tegenwoordig leven onbetwistbaar ontbrak,
meende toch Michel Ardan een verwarden hoop klompen te hebben gezien,
op welke hij de aandacht van Barbicane vestigde. Die stapels, als
van steenen, hadden den vorm eener uitgestrekte vesting, die een der
lange lichtstrepen bestreek, door sommigen vroeger voor de beddingen
van uitgedroogde rivieren gehouden. Niet ver vandaar rees de ringberg
Short, 5646 meter hoog. Michel Ardan verzekerde stoutweg, dat het
een vesting was. Op kleinen afstand ontwaarde hij de ontmantelde
wallen eener stad; hier, het nog ongeschonden gewelf eener poort;
daar, twee of drie pilaren, liggende naast hun voetstukken; verder,
een reeks bogen, die een waterleiding hadden moeten stutten; elders,
de ingestorte pijlers eener reusachtige brug. Hij zag dat alles zeer
duidelijk--maar met wat veel verbeelding in oog en kijker, zoodat op
de nauwkeurigheid der waarnemingen nog al wat viel af te dingen.
Doch het duurde niet lang of al deze heerlijkheden waren weder
verdwenen. Ook scheen de afstand tusschen de Maan en het projectiel
toe te nemen, tengevolge waarvan de voorwerpen veel onduidelijker
werden. Niettemin hadden zij toch het geluk den Clavius te zien.
Deze ringberg, een der merkwaardigste van de geheele maanschijf,
wordt geschat op 7091 meter hoogte. Zij zagen hem op een afstand van
4000 kilometer.
»De vulkanen der Aarde," zei Barbicane, »zijn slechts molshoopen in
vergelijking met die der Maan."