trekt zich de »Regenzee" (_mare imbrium_) uit; zij is bijna rond
van gedaante. Niet ver van haar ziet men de kleinere »Vochtenzee"
(_mare humorum_). De zeeën liggen op dat halfrond der Maan, hetwelk
Michel Ardan het »mannelijke" geliefde te noemen.
Het door hem als »vrouwelijk" aangeduide heeft talrijker, maar
kleinere »zeeën". Naar het noorden de »Koude zee" (_mare frigoris_);
voorts de »Helderheidszee" (_mare serenitatis_); de »Buitenzee" (_mare
crisium_); de »Stille zee" (_mare tranquillitatis_); de »Nectarzee"
(_mare nectaris_); de »Vruchtbaarheidszee" (_mare foecunditatus_); en
eindelijk nog een »zee" naar Humbold genoemd (_mare Humboldianum_);
en een naar hare ligging den naam »zuidelijke" dragende (_mare
australe_). Midden op de Maan eindelijk heeft men de »Midden-golf"
(_sinus medii_), die op den evenaar der Maan, als een ruiter op zijn
paard, schrijlings gezeten is.
Aldus zagen Nicholl en Barbicane de oppervlakte der Maan; Michel Ardan
zag haar met de oogen zijner verbeelding gansch anders. Zij gaven zich
de moeite om al die kenbare plaatsen der Maan zoo na mogelijk te meten
en dan te berekenen hoeveel er overschoot voor bergen, ringgebergten,
rillen, en wat dies meer zij; aan Michel Ardan was dit alles volmaakt
onverschillig. Zelfs had hij er nauwelijks ooren naar, toen zijn
vrienden hem verhaalden, dat het naar ons toegekeerde halfrond der
maan 13 1/2 maal kleiner is dan een halfrond der Aarde, en dat men er
toch reeds meer dan 50,000 kraters op heeft geteld. Het is dus een
gebobbelde, puimsteenachtige oppervlakte, weinig in overeenstemming
met de dichterlijke benamingen van schoone Diana, blonde Phoebe,
beminnelijke Isis, liefelijke Astarte, haar door Michel Ardan gegeven.
ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
NOG EENIGE BIJZONDERHEDEN.
Wij hebben reeds verhaald, dat het projectiel zijn richting nam
naar het noorderhalfrond der Maan. De reizigers waren een heel eind
verwijderd van het punt waar zij hadden moeten aanlanden, indien zij
geen stoornis in de juiste richting hadden ondervonden.
Het was 's nachts te half één. Barbicane schatte toen hun afstand van
de maan op 1400 kilometer--een afstand, die afnemen moest naarmate zij
de noordpool meer naderden. Het projectiel zweefde op dat oogenblik
niet boven den evenaar, maar ongeveer 10 graden noordelijker, en op
die breedte konden zij de Maan onder de gunstigste omstandigheden
beschouwen.
Door het gebruiken van kijkers konden zij dien afstand van 1400
kilometers tot 14 minderen. De telescoop van het Rotsgebergte haalde
de Maan nog meer aan, maar de dampkring der Aarde verzwakte de werking
van den kijker aanmerkelijk. Barbicane ontdekte dan ook, door het
glas turend, een en andere bijzonderheid die voor waarneming op de
Aarde zoo goed als onbereikbaar bleef.
»Mijne vrienden," zeide de voorzitter der Gun-club deftig, »ik weet
niet waarheen wij gaan ook niet of wij wel immer onzen aardbol zullen
wederzien. Maar laat ons handelen alsof hetgeen wij verrichten
eenmaal ten dienste van onze natuurgenooten moet strekken. Wij
moeten ons vrij houden van alle vooraf opgevatte meeningen. Wij zijn
sterrenkundigen. Dit projectiel is een vertrekje van de sterrenwacht
te Cambridge, in de hemelruimte zwevende. Wij moeten onze waarnemingen
doen."
Na deze toespraak werd de arbeid aangevangen met zoo groote
nauwkeurigheid, dat zij een getrouwe afbeelding erlangden van die
gedeelten der Maan, welke achtereenvolgens onder hun bereik kwamen.
Op het oogenblik toen het projectiel boven den parallel van 10°
N zweefde, scheen het juist in de richting van 20° O. L. te zijn.
Wij hebben een niet onbelangrijke opmerking te maken aangaande de
maankaart, van welke zij zich bij hunne waarnemingen bedienden. Daar,
gelijk reeds is opgemerkt, de afbeeldingen der Maan haar in den regel
zoo voorstellen als zij door sterrenkundige kijkers gezien wordt,
d. i. ondersteboven, met het noorden naar beneden en het zuiden naar
boven, zou men meenen, dat diensvolgens ook het oosten links en het
westen rechts moest zijn. En toch is dit niet zoo. Indien de maankaart
wordt omgekeerd, zoodat zij de Maan vertoont gelijk men haar met het
bloote oog ziet, zou het oosten links en het westen rechts zijn, het
omgekeerde van landkaarten. De reden daarvan is deze. De waarnemers
op het noorderhalfrond, b. v. in Europa, zien de Maan te hunnen
opzichte in een zuidelijke richting. Wanneer zij waarnemen, keeren
zij den rug naar het noorden, terwijl zij integendeel bij het bezien
van een gewone landkaart ondersteld worden het noorden vóór zich te
hebben. En daar zij nu, de Maan beschouwende, het noorden achter zich
hebben, ligt ook het oosten links van hen, het westen rechts. Voor de
waarnemers op het zuiderhalfrond, b. v. Patagonië zou het westelijk
gedeelte der Maan juist aan hunne rechter- en haar oostelijk gedeelte
aan hun linkerzijde liggen; en dit dewijl het zuiden achter hen is.
Dit is de reden van de schijnbare omkeering dier twee hoofdpunten:
het zuiden en het westen. Men moet dit in het oog houden om de
waarnemingen van den voorzitter der Gun-club te kunnen volgen.
Met behulp der maankaart van Beer en Mädler konden de reizigers zonder
feil dat gedeelte der maanschijf waarnemen, dat in het veld van hun
kijker kwam.
»Wat zien wij op dit oogenblik?" vroeg Michel Ardan.
»Het noordelijk gedeelte van de Nevelenzee," antwoordde Barbicane. »Wij
zijn er te ver af om nauwkeurig waar te nemen hoe het er uitziet. Zijn
het dorre zandvlakten, zooals de oudere sterrenkundigen beweerden? Of
onmetelijke bosschen, volgens Warren de la Rue, die van oordeel
is, dat de Maan een zeer lagen, maar tevens zeer dichten dampkring
heeft? Dat zullen wij later wel ontdekken. Wij moeten niets aannemen
zonder reden om zulks te doen."
De »Nevelenzee" is vrij onjuist op deze kaarten aangeteekend.
Men onderstelt, dat die uitgestrekte vlakte is bezaaid met
lavablokken, uitgeworpen door de vulkanen aan haar rechterzijde,
Ptolemeüs, Purbach, Arzachel. Maar het projectiel naderde de Maan
kennelijk, en weldra lieten zich de bergtoppen onderkennen, die de
vlakte aan haar noordzijde omzoomen. Voor hen uit verhief zich een
schitterende overschoone berg; zijn top scheen omgeven met een krans
van zonnestralen.
»Dat is?".... vroeg Michel Ardan.
»De Copernicus," antwoordde Barbicane.
Deze berg ligt op 9° N. Br. en 20° O. L. en verheft zich 3438 meter
boven den algemeenen spiegel der Maan. Men kan hem van de Aarde
gemakkelijk zien en de sterrenkundigen kunnen hem zonder moeite
nauwkeurig waarnemen, vooral tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan,
dewijl alsdan de schaduw zich lang van oost naar west uitstrekt en
men dus de hoogte van den berg gemakkelijk kan meten.
Met uitzondering van den Tycho op het zuiderhalfrond maakt de
Copernicus het belangrijkste gedeelte der maanschijf uit. Hij staat
alleen, gelijk een reusachtige vuurtoren, op dat gedeelte der
Nevelenzee, dat grenst aan den Stormen-oceaan en verspreidt dus
zijn schitterende stralen over de beide vlakten. Het was voor de
reizigers een onvergelijkelijk schoon schouwspel. In den vollen glans
der Volle maan schitterden de prachtigste lichtstrepen, ver naar het
noorden tot de Regenzee. Te één uur zweefde het projectiel als een
reusachtige luchtballon boven dezen schitterenden berg. Barbicane
kon den berg nauwkeurig waarnemen. De Copernicus behoort onder de
grootste ringbergen der Maan. Evenals de Keppler en de Aristarchus in
de Onwederzee vertoont hij zich somtijds als een schitterend punt te
midden van het aschgrauwe licht, zoodat men hem dikwijls voor een nog
brandenden vulkaan gehouden heeft. Doch het is slechts een uitgedoofde,
evenals al de overige op deze zijde der Maan; zijn ringwal heeft
een middellijn van ruim 9000 meter. Met het gewapend oog ontdekten
zij de overblijfselen van lagen, veroorzaakt door achtervolgende
uitbarstingen, terwijl de omtrek bezaaid scheen met vulkanische
brokken, van welke sommigen nog binnen den omvang van den krater lagen.
»Er zijn," zeide Barbicane, »onderscheidene soorten van bergringen
op de oppervlakten der Maan, en het is gemakkelijk te zien, dat de
Copernicus behoort tot die, van welke om zoo te zeggen naar alle
zijden stralen uitgaan. Indien wij naderbij waren, zouden wij de
kegels zien, die zich binnen den ring verheffen en in vroeger tijd
zoovele vuurbrakende kraters waren. Zonderling en genoegzaam zonder
uitzondering is het verschijnsel, dat de dalen, door de ringgebergten
ingesloten, allen dieper zijn dan de omliggende vlakten, terwijl bij
de kraters op onze Aarde het tegendeel plaats heeft. Hieruit volgt,
dat de algemeene kromming van den bodem dier bekkens die van een bol
is, kleiner dan de Maan zelf."
»En hoe komt dat?" vroeg Nicholl.
Barbicane verklaarde, dat men dit niet weet.
»Welk een prachtig gezicht!" riep Michel Ardan uit. »Ik kan mij niet
voorstellen, dat er een schooner zijn kan."
»Wat zult gij dan wel zeggen," antwoordde Barbicane, »indien onze
tocht naar het zuiderhalfrond heenleidt?"
»Welnu, dan zal ik zeggen, dat het nog schooner is," antwoordde
Michel Ardan.
Op dit oogenblik stond het projectiel juist boven den Copernicus. Hij
vertoonde een bijna volkomen ring, met zilver gloeiende wallen. Men
kon zelfs een dubbelen ringvorm onderscheiden. Rondom den berg
strekte zich een reusachtige vlakte uit, van een woest voorkomen, met
hoogten van een grijsachtige kleur. Op den bodem van de ringvlakte
schitterden een oogenblik twee of drie uitbarsting-kegels, als
prachtige edelgesteenten, in zilver gevat.
Naar het noorden was de bergring afgebroken door eene laagte, alsof
daar een opening geweest was om toegang te geven tot de ringvlakte.
Terwijl zij boven dit gedeelte der maanoppervlakte zweefden, kon
Barbicane een groot aantal min belangrijke bergen aanteekenen,
waaronder een kleinen ringberg, Gay-Lussac genoemd, die 23
kilometer wijd is. Zuidwaarts vertoonde zich alles zeer vlak,
zonder eenige verhevenheid. Naar het noorden daarentegen, tot
waar de stormenzee begon, had alles het voorkomen van eene zee,
geteisterd door een orkaan, maar plotseling gestild. Naar alle zijden
liepen verlichte rillen uit, die zich vereenigden op den top van den
Copernicus. Sommigen hadden een breedte van 30 kilometer; hun lengte
was niet te bepalen.
De reizigers bespraken den oorsprong dier zonderlinge rillen, maar
zij wisten er even weinig van te maken als de waarnemers op Aarde.
»Maar waarom," vroeg Nicholl, »zouden die strepen niet eenvoudig
bergruggen kunnen zijn, die het zonlicht sterker weerkaatsen?"
»Neen," antwoordde Barbicane, »in dat geval zouden bij bepaalde
standen der Maan deze rillen een schaduw van zich werpen. En dat doen
zij niet."
Inderdaad, deze voorwerpen vertoonen zich niet dan bij Volle Maan,
wanneer de zon vlak op haar schijnt, terwijl zij bij schuinschen
stand ten aanzien der zon geheel onzichtbaar zijn.
»Maar wat heeft, men uitgedacht om die lichtende strepen te
verklaren?" vroeg Michel Ardan; »want ik kan niet gelooven, dat de
wetenschap er geen verklaring van zou beproefd hebben."
»Zeker," was Barbicane's antwoord: »Herschel heeft daaromtrent een
meening voorgedragen, maar hij durfde haar voor niet meer dan gissing
houden."
»Om 't even: wat dacht hij er van?"
»Hij dacht, dat deze strepen gestolde lavastroomen moesten zijn, die
het zonlicht weerkaatsen als het er recht op valt. 't Kan zijn dat het
zoo is, maar zeker is het niet. Overigens zullen wij de oorzaak van
die weerkaatsing der zon beter kunnen nagaan wanneer wij den Thycho
weer naderen."
»Weet gij, mijn vrienden, waar die vlakte op gelijkt, van de hoogte
waarop wij ons bevinden?" vroeg Michel.
»Neen," antwoordde Nicholl.
»Op een knibbelspelletje; er ontbreekt niets aan dan een haakje om
de stukken een voor een te halen."
»Geen spotternij!" gelastte Barbicane.
»Nu dan," hernam Michel Ardan, »een beenderenveld, waar de
overblijfselen verstrooid liggen van ontelbare verdwenen
geslachten. Vindt gij die vergelijking treffender?"
»De een is al niet beter dan de andere," meende Barbicane.
»Verduiveld, gij zijt een lastig heer!" antwoordde Michel Ardan.
»Mijn waarde vriend," sprak Barbicane ernstig, »het is de vraag nog
niet waar het op gelijkt, zoolang wij nog niet weten wat het is."
»Mooi geantwoord!" riep Michel Ardan uit. »Zoo leert men hoe met
geleerden te spreken."
Inmiddels zweefde het projectiel met een bijkans eenparige snelheid
boven de maanschijf. 't Spreekt van zelf, dat de reizigers er geen
oogenblik aan dachten rust te nemen. Elke minuut hadden zij een ander
gezicht. Tegen half twee in den morgen zagen zij de toppen van een
anderen berg. Barbicane raadpleegde zijn kaart, waaruit hem bleek,
dat het de Eratosthenes was.
't Was een ringberg van 4500 meter hoogte, een van die ringgebergten
welke op de Maan zoo talrijk zijn. En bij deze gelegenheid verhaalde
Barbicane aan zijn vrienden de zonderlinge meening van Keppler
aangaande den oorsprong dier ringgebergten. Volgens dezen beroemden
sterrenkundige zijn zij door de handen van maanbewoners gegraven.
»Met welk doel?" vroeg Nicholl.
»Zeer natuurlijk," antwoordde Barbicane. »De maanbewoners hebben
die verbazende werken ondernomen en die reusachtige uitgravingen
gedaan, ten einde wijkplaatsen te hebben tegen de stralen der zon,
die veertien dagen achtereen op hen vallen."
»De maanbewoners zijn nog zoo dom niet," meende Michel Ardan.
»'t Is een zonderling denkbeeld," vond Nicholl. »Maar waarschijnlijk
kende Keppler de ware afmetingen dier ringgebergten niet, want het
zou een werk van onmetelijken omvang geweest zijn, te zwaar voor
de maanbewoners."
»Waarom, indien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is dan op de
Aarde?" vroeg Michel Ardan.
»Maar indien de maanbewoners nu ook zesmaal kleiner zijn?" vroeg
Nicholl.
»En indien er eens in 't geheel geen maanbewoners zijn," voegde
Barbicane er bij.
En dat woord maakte aan de geheele woordenwisseling een einde.
Weldra verdween de Eratosthenes onder den gezichteinder zonder dat
het projectiel er nabij genoeg was gekomen voor een nauwkeurige
waarneming. Deze berg scheidt de Karpathen van de Apennijnen,
de belangrijkste bergketen der Maan, loopende ten oosten van de
Regenzee. De hoogste spits verheft zich 5500 meter boven de gemiddelde
vlakte.
Vraagt iemand hoe men de hoogte der maanbergen kan meten, dan is
het antwoord, dat daarvoor zelfs meer dan éen methode is. De lengte
der schaduw, die een aan de zon blootgesteld voorwerp achter zich
werpt, hangt af van de hoogte der zon. Op den middag is de schaduw
het kortst, als de zon nabij de kimmen is het langst. Daar men nu
juist de hoogte der zon voor ieder punt der gedeeltelijk verlichte
Maan weet, kan men, de lengte van den zwarten schaduwkegel metende,
daaruit de hoogte van een berg afleiden. Ook kan men het oogenblik
waarnemen, waarop de zon den top van een nog in het donkere liggenden
berg begint te verlichten. Men meet den afstand van dat punt tot den
verlichtingsrand en leidt daaruit, dewijl men wederom de hoogte der
zon door berekening weet, de hoogte van dien bergtop af.
Deze metingen en berekeningen hebben een zoo groote juistheid, dat
de hoogte van een menigte maanbergen met veel grooter nauwkeurigheid
bekend is dan die van de vele bergtoppen op onze Aarde zelve.
De reizigers konden de toppen van het Apennijnsche gebergte
slechts even waarnemen; het strekt zich uit van 10° W. L. tot 15°
O. L. Beter zagen zij het Karpathische gebergte, dat zich van 18°
tot 30° O. L. uitstrekt.
Eén onderstelling kwam hun zeer aannemelijk voor. Het geheele
voorkomen van het Karpathische gebergte gaf den indruk alsof het
vroeger verbazend groote ringgebergten bevatte, vaneengescheurd door
een uitgestrekte overstorting, door welke de Regenzee ontstaan is. Dat
Karpathische gebergte zou dan zijn hetgeen de ringgebergten Purbach,
Arzachel en Ptolemeüs wezen zouden, indien een overstrooming hunne
wallen aan de linkerzijde deed instorten, zoodat zij één doorloopende
keten werden. De toppen zijn gemiddeld 3200 meter hoog--ongeveer
zooals de Pyreneën. De zuidelijke hellingen dalen snel af naar de
uitgestrekte Regenzee.
Tegen 2 uur in den morgen bevond Barbicane zich boven de 20°, niet ver
van een berg, die Pythias heet en 1559 meter hoog is. Het projectiel
was op dat oogenblik slechts 1200 kilometer van de Maan verwijderd.
De Buienzee (_mare imbrium_) breidde zich onder de oogen der reizigers
uit als een onmetelijke vlakte, van welke men de bijzonderheden
niet kon waarnemen. In de nabijheid, links, verhief zich de berg
Lambert, wiens hoogte geschat wordt op 1813 meter; terwijl verder
naar de grenzen de Stormenzee, op 23° N. B. en 29° O. L. de berg
Euler schitterde. Deze berg slechts 1815 meter boven de oppervlakte
der Maan uitstekende, is het onderwerp geweest van zeer nauwkeurige
waarnemingen, door den Duitschen sterrenkundige Schröter te Liliënthal
gedaan. Deze geleerde legde zich bij het zoeken naar den oorsprong
der maanbergen de vraag voor, of de stoffelijke inhoud van een
ringberg altijd gelijk stond met dien van den krater. Hij bevond,
dat dit in het algemeen het geval was, en besloot er uit, dat éen
enkele uitbarsting van vulkanische stoffen genoegzaam is geweest om de
wallen te doen ontstaan, terwijl meerdere uitbarstingen de verhouding
zouden hebben gewijzigd. Doch de Euler maakte op dien algemeenen
regel een uitzondering; Schröter moest aannemen, dat onderscheidene
uitbarstingen moeten hebben plaats gehad, daar de krater tweemaal
zooveel stoffelijken inhoud heeft als de wallen.
Al die onderstellingen mag men vergeven aan waarnemers, die de Maan
van de Aarde bespieden.
Maar Barbicane wilde er zich niet mede tevreden stellen, en daar hij
bespeurde, dat het projectiel met eenparige snelheid de maanschijf
naderde, wanhoopte hij niet haar grond te betreden, voor 't minst
haar zoo nabij te komen, dat hij de geheimen van de vorming der Maan
zou kunnen onthullen.
ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
RAADSELACHTIGE VOORWERPEN.
Te half drie uur in den morgen stond het projectiel boven 30° en op
een afstand van 1000 kilometer van de Maan. Het bleef onmogelijk
schijnen, dat de reizigers een of ander punt der maanoppervlakte
zouden bereiken. De snelheid, betrekkelijk matig, was juist daardoor
den voorzitter Barbicane onbegrijpelijk. Op dien kleinen afstand toch
moest zij zeer groot zijn, om op te wegen tegen de aantrekkingskracht
der maan. Doch zij konden zich daarmede niet ophouden; de Maan gaf
hun genoeg te zien.
De geleerden zijn het niet eens over de oorzaak van het verschijnsel,
dat de opgaven der kleuren van onderscheiden gedeelten der
maanoppervlakte niet eenstemmig zijn. Schmidt, daarin gevolgd door Beer
en Mädler, meende te mogen vaststellen, dat donkergrijs, hier en daar
vermengd met groen en bruin, de voorname kleur is van die vlakten,
aan welke men vroeger den naam van zeeën gaf. Barbicane vestigde
ook op dit onderwerp zijn aandacht; het bleek hem, dat de genoemde
sterrenkundigen gelijk hebben tegenover anderen, die alleen de grijze
kleur op de Maan meenen gezien te hebben. Zelfs zag hij het groen als
hoofdkleur in de Helderheids- en in de Vochtigheidszee. Ook vertoonde
zich voor het oog van Barbicane de blauwe kleur aan kraters niet,
die zooals vele andere ringbergen, nog een berg in den binnenkrater
hebben. Hieruit bleek dus, dat deze blauwachtige staalkleur niet,
zooals sommige sterrenkundigen beweren, voortkomt uit de glazen der
verrekijkers of de gesteldheid van onzen dampkring. Barbicane toch
zag de Maan door de ledige ruimte heen en met het bloote oog.
Of echter de onmiskenbaar bestaande kleurschakeeringen uit plantengroei
ontstonden, daaromtrent durfde hij vooralsnog niets zekers zeggen. Even
onzeker bleef hem het roodachtige, zeer duidelijk door hem gezien op
een vlakte, naar Lichtenberg genoemd, nabij de Hercynische bergen,
die zich aan den rand der Maan bevinden.
Niet gelukkiger was hij ten aanzien van een andere
bijzonderheid. Michel Ardan zag lange witte strepen, helder verlicht
door de zon. 't Was een reeks voren, zeer verschillende van de stralen,
die men vroeger van den Copernicus zag uitgaan. Zij liepen evenwijdig
naast elkander.
Michel Ardan meende er met zijn gewone levendigheid terstond beploegde
akkers in te herkennen; hij was van oordeel, dat de maanbewoners wel
zeer reusachtige ossen moeten hebben om zulke voren te ploegen.
Barbicane onderrichtte hem nader aangaande deze raadselachtige
voorwerpen op de Maan. Het zijn groeven--men telt er omtrent
100--maar de meesten kunnen slechts met zeer fijne werktuigen
waargenomen worden. Het best laten zij zich vergelijken bij
reusachtige rijtuigsporen, maar sporen van 1000 tot 1500 meter
breedte. Zij zijn overal even breed en ofschoon enkelen een zeer
zachte bocht maken, loopen zij nimmer in kronkelingen, maar meestal
volkomen recht. Beddingen van uitgedroogde rivieren kunnen het niet
zijn, want zij loopen niet zelden onveranderd over hooge gebergten
heen. Sommige liggen naast elkander, anderen doorsnijden de een
de ander overdwars. De lengte is zeer uiteenloopend; er zijn er
van eenige kilometers, anderen ook van vele mijlen. Onderscheiden
sterrenkundigen van den lateren tijd--aan de vroegere waarnemers,
Hevelius, Cassini, Lahire, Herschel, schijnen zij onbekend te zijn
gebleven--hebben er hunne aandacht aan gewijd, vooral Schröter,
Pastorff, Gruithuizen, Beer en Mädler. Het is echter nog niet gelukt er
een aannemelijke verklaring van te geven. Zelfs schijnt het nog niet
volkomen uitgemaakt, dat het groeven zijn, daar sommige kenteekenen
eer aan dijkvormige verhevenheden zouden doen denken.
Michel Ardan hield vol, dat het hoe dan ook, bewijzen van plantengroei
zouden zijn, al waren het rijen boomen, die zichtbaar of onzichtbaar
konden wezen, naargelang zij in verschillende jaargetijden al of niet
bladerloos zijn.
»Dat kan niet," antwoordde Barbicane, »want op de Maan zijn geen
seizoenen."
Zoo is het ook. De as der Maan heeft een zoo onbeduidende helling op
het vlak harer loopbaan, dat op iedere breedte de zon er altijd even
hoog staat. Boven de streken onder en nabij den evenaar staat de zon
bijna onveranderlijk in het toppunt; zij staat daarentegen steeds
aan den gezichteinder in de nabijheid der polen. Derhalve heeft elke
maangordel onafgebroken, òf lente, òf zomer, òf herfst, òf winter.
Het projectiel stond nu boven de streek van 40° breedte, nauwelijks
800 kilometer van de Maan verwijderd. Onder hen verhief zich de berg
Helicon, 505 meter hoog; links van hen stonden de lagere hoogten,
die onder den naam van Iris-golf een gedeelte der Regenzee uitmaken.
Om de Maan met volkomen juistheid te kunnen waarnemen, zou de dampkring
der Aarde 170 maal ijler moeten zijn dan nu. Maar in de ledige
hemelruimte bevond zich geen middelstof hoegenaamd tusschen de Maan
en onze reizigers. Bovendien bevonden zij zich op geringer afstand
van haar oppervlakte, dan die, tot welken zij door de telescopen
van Lord Rosse en het Rotsgebergte werd aangehaald. Zij waren dus
beter dan iemand anders in de gelegenheid om te onderzoeken wat er
ware van de bewoonbaarheid der Maan. Doch Barbicane kon het zoo ver
niet brengen. Hij zag niets dan doodsche vlakten en kale gebergten;
van werk van levende wezens geen spoor. Geen zweem ook van beweging,
geen bewijs van plantengroei.
»Dus zouden er geen maanbewoners zijn?" vroeg Michel Ardan
teleurgesteld.
»Dat is nog niet bewezen," gaf Barbicane ten antwoord. »Een mensch
is zelfs voor het scherpste gezicht niet verder zichtbaar dan op 7
kilometer. Er zouden derhalve maanbewoners kunnen zijn, die wel ons
projectiel zien, maar zelven aan ons oog ontsnappen."