»Dan zou men een goed artillerie-park moeten hebben om zich tegen

die kerels te verdedigen," meende Nicholl.

Barbicane deed hem opmerken, dat onze kogels niet veel op de zon

zouden uitrichten, daar zij eenige meters ver reeds op den grond zouden

vallen. »De aantrekking," merkte hij op, »is er zoo aanzienlijk, dat

een voorwerp, op de aarde 70 kilo wegende, 1890 kilo op de zon zou

halen. Uw hoed 10 kilo; kortom, als gij er kwaamt te vallen, zoudt

gij niet kunnen opstaan, dewijl gij er ruim 2000 kilo wegen zoudt."

»Voor 't oogenblik," voegde Michel Ardan er bij, »zullen we ons maar

bij de Maan bepalen; daar zijn wij heele heeren, terwijl wij later

de zon eens kunnen bezoeken, waar wij een kaapstander noodig zullen

hebben om ons glas naar den mond te brengen."

VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN WEINIG UIT HET SPOOR.

Barbicane was volkomen gerust, zoo al niet over den uitslag der

onderneming, dan toch over de vaart van het projectiel. Het was

klaarblijkelijk het beschreven nulpunt voorbijgevlogen. Derhalve zou

het op dat punt niet onbeweeglijk blijven hangen. Er bleef slechts

één der geopperde gevallen als mogelijk over, dat het projectiel zijn

doel bereikte door de werking van de aantrekkingskracht der Maan.

Dat zou een val zijn van 8296 mijlen, op een hemellichaam, dat wel is

waar slechts 1/6 der aantrekkingskracht van de Aarde had; maar toch

een geweldige val, tegen welken onverwijld alle mogelijke maatregelen

moesten genomen worden.

Deze maatregelen waren tweeërlei: een om den schok te voorkomen op

het oogenblik dat het projectiel de oppervlakte der Maan zou bereiken,

de andere om dat nederkomen te vertragen, met andere woorden den val

te breken.

Voor het eerste was het jammer, dat Barbicane niet meer in het

bezit was der hulpmiddelen, welke bij het afschieten zoo uitmuntend

hadden gewerkt, namelijk het water en de breekbare vakjes. Die

vakjes bestonden nog wel onder hun bodem, maar hun ontbrak water

om ze te vullen, ten minste hij durfde er den watervoorraad niet

voor aanspreken, daar het niet zeker was of zij op de Maan, waar zij

nederkwamen, wel water zouden aantreffen. Ook zou hun watervoorraad

op verre na niet toereikend zijn geweest. De waterlaag, op welke de

bodemschijf gelegen had, was 3 voet dik op 54 vierkante voeten. Het was

dus een watermassa geweest van 6 kubiek meter, wegende 5750 kilo. En

hunne waterbakken bezaten daarvan nog geen vijfde. Dit hulpmiddel

verviel dus.

Gelukkig had Barbicane, niet tevreden met het water, de bodemschijf

ook voorzien van sterke krulveeren ten einde den schok te breken,

zooals wij reeds verhaald hebben. Deze veeren waren er nog altijd;

zij moesten dus alleen op haar plaats worden gestoken, en dit ging

gemakkelijk, want behalve dat zij zeer handelbaar waren, was hun

gewicht nauwelijks merkbaar.

Dit gelukte uitnemend. Het was een zaak van schroeven en moeren. Aan

gereedschap geen gebrek. Weldra lag de bodemschijf weder op haar

stalen veeren, zooals een tafel op haar pooten staat. Het eenig

onaangename voor de reizigers was, dat zij nu niet meer door het glas

in den bodem konden zien, bijgevolg de Maan niet waarnemen, ingeval

zij er loodrecht op nedervielen. Maar dat was niet anders. Door de

zijglazen kon men de uitgestrekte maanlanden even zoo bezien als een

luchtreiziger uit zijn schuitje die der Aarde.

Een uur hadden zij werk om de bovenschijf aldus in orde te maken en

't was middag eer zij daarmeê gereed waren. Barbicane deed nieuwe

waarnemingen om de helling van het projectiel te weten, maar het had

zich nog niet genoeg omgewend voor een val--het scheen een kromme

lijn te beschrijven, die evenwijdig met de maanoppervlakte liep.

Deze stand was verontrustend.

»Zullen wij er komen?" vroeg Nicholl.

»Wij zullen doen alsof wij er moesten komen," was Barbicane's antwoord.

»Gij zijt onruststokers," viel Michel Ardan in; »wij zullen er komen

en wel spoediger dan ons lief is."

Deze uitval deed Barbicane besluiten, alles nog eens goed na te zien.

De lezer zal zich herinneren, dat kapitein Nicholl, toen hij zich in de

volksvergadering bij Tampa-Town zoo vinnig tegenover Barbicane uitliet,

beweerd had dat het projectiel als glas zou springen, waarop Michel

Ardan antwoordde dat men door middel van goed geplaatste vuurpijlen

de kracht van den val zou breken. Deze bewering was gegrond op de

overtuiging, dat afgeschoten vuurpijlen, een terugwerking op het

punt vanwaar zij komen uitoefenende, de kracht der beweging naar

dat punt in dezelfde richting noodwendig moeten breken. 't Is waar,

die vuurpijlen moesten in het luchtledige afgaan, maar het ontbrak

hun niet aan zuurstof, waarvan zij zichzelven voorzagen. Zoo branden

ook de vulkanen op de Maan, hoewel er geen dampkring is.

Barbicane had zich voorzien van vuurpijlen, die in kleine stalen

kanonstukjes konden worden gestoken; deze stukjes konden in den bodem

van het projectiel zoo worden vastgeschroefd, dat zij van binnen

met den bodem gelijk kwamen, maar er van buiten een halve voet uit

staken. Hij had er twintig. Zij konden zoo worden aangestoken, dat

de gansche kracht naar buiten werkte. Met het in orde brengen van

die toestellen verliep een uur of drie.

Intusschen naderde het projectiel de Maan al meer en meer. Het

ondervond haar invloed blijkbaar in hooge mate maar zijn eigene

snelheid dreef het ook in kromme lijn. Uit dien dubbelen invloed

ontstond een lijn, die wellicht een tangens zou worden. Maar het was

zeker, dat het projectiel niet anders dan in een schuinsche richting

op de Maan zou vallen; anders toch moest de bodem van het projectiel

naar dat hemellichaam gekeerd zijn.

Barbicane's ongerustheid verdubbelde, toen hij bemerkte, dat hun

verblijf niet onbepaald gehoorzaamde aan de aantrekking der Maan. Wat

er op werkte wist hij niet. Hij, de wetenschappelijke man, meende

het laatste woord gesproken te hebben met zijn drie alleen mogelijke

gevallen; terugvallen op de Aarde, terecht komen op de Maan, blijven

hangen op het nulpunt. Nu deed zich een vierde geval voor: een wachter

te worden van de Maan.

Andere lieden zouden in dit geval gevraagd hebben; wat zal er met

ons gebeuren? Zij niet: zij vroegen naar de oorzaak van het gebeurde.

»Wij zijn dus gederailleerd, zei Michel Ardan. »Maar hoe komt dat?"

»Ik vrees," antwoordde Nicholl, »dat de Columbiad, in spijt van

al de genomen voorzorgen niet juist genoeg gepointeerd was. Een

vergissing, al is zij nog zoo klein, moest voldoende zijn om ons

buiten de aantrekking der Maan te brengen."

»Zou men dan het stuk niet goed gericht hebben?" vroeg Michel Ardan.

»Ik denk niet," oordeelde Barbicane. »Het stuk stond volmaakt

overeind. Toen dus de maan in het toppunt van Stone's Hill kwam,

moesten wij haar bereiken. Er moet een andere oorzaak in het spel zijn,

maar ik weet ze niet te vinden."

»Zouden wij niet te laat komen?" vroeg Nicholl.

»Te laat?" was Barbicane's wedervraag.

»Ja," antwoordde Nicholl. »Het rapport van de sterrenwacht te Cambridge

zegt dat het projectiel juist 97 uren 13 minuten 20 seconden moet

onderweg zijn. Dat wil zeggen: komt het vroeger aan de maanbaan,

dan is de maan er nog niet; komt het later, dan is zij dat punt

reeds voorbij."

»Juist," vond Barbicane. »Maar wij zijn vertrokken den 1sten December

's avonds te 10 ure 46 minuten 44 seconden, en moeten dus den 5den

te middernacht ter plaatse van onze bestemming komen juist op het

oogenblik van Volle maan. Wij hebben nu den 5den December. Het is

halfvier in den namiddag en wij hebben nog acht en een half uur om

ons aan het einde van den tocht te brengen. Waarom zouden wij de Maan

dan niet bereiken?"

»Zou het niet door overmaat van snelheid komen?" vroeg Nicholl,

daarbij opmerkende, dat naar hun reeds gebleken was de aanvankelijke

snelheid grooter scheen geweest te zijn dan berekend was.

»Neen! duizendmaal neen!" antwoordde Barbicane. »Indien de richting

van het projectiel maar goed was, zou overmaat van snelheid ons niet

verhinderd hebben op de Maan te komen. Neen! wij zijn van den weg

af geraakt!"

»Waardoor?"

»Ik weet het niet."

Michel Ardan meende er ook zijn gevoelen over te mogen zeggen. »Wij

zijn van den weg af--dat is de zaak. Waarheen wij gaan raakt mij

niet. Dat zullen wij wel zien. Wij zwemmen in de hemelruimte en zullen

ten laatste wel onder de macht van het een of ander middelpunt van

aanraking komen."

Barbicane had volstrekt geen vrede met zooveel onverschilligheid

aangaande het punt, dat hem boven alles ter harte ging. 't Kostte

wat het wilde, hij moest en zou weten waardoor zijn projectiel een

verkeerde richting had genomen.

Het gevaarte ging intusschen voort, zijwaarts van de Maan af te wijken,

en daarmede ook de uitgeworpen voorwerpen. Barbicane kon zelfs aan

kenbare punten op de Maan, daartoe nabij genoeg, bemerken dat hunne

snelheid dezelfde bleef--een nieuw blijk, dat hun richting geen vallen

naar de Maan was. De hun bij het afschieten medegedeelde snelheid

had nog het overwicht over de aantrekking der Maan; maar de baan van

het projectiel bracht hen ongetwijfeld nader bij de maanschijf, en

zij mochten hopen, dat indien de afstand die hen van haar scheidde,

nog meer afnam, de aantrekkingskracht der Maan het overwicht zou

verkrijgen en hun vallen op haar oppervlakte veroorzaken.

Daar de drie vrienden niets anders te doen hadden, zetten zij hunne

waarnemingen voort. Doch van de voorwerpen op de maansoppervlakte

konden zij nog weinig gewaar worden, daar de zon er te steil op scheen.

Tot acht uur in den avond keken zij door de zijglazen. De Maan

scheen hun toen zoo groot, dat zij de eene helft van het uitspansel

bedekte. Het projectiel baadde zich in een zee van licht--aan de eene

zijde de zon, aan de andere de maan. Barbicane achtte den afstand

tusschen hen en de oppervlakte der Maan op omtrent 3000 meter, hun

snelheid op 200 meter in de seconde. De bodem van het projectiel

werd door de zwaartekracht der Maan naar hare oppervlakte getrokken,

maar de middelpuntvliedende kracht werkte op een wijze, die scheen

te voorspellen, dat het een kromme lijn,--welke was nog niet te

zeggen--om de Maan zou beschrijven.

Barbicane zocht nog altijd naar de oplossing van het gewichtig

vraagstuk.

Het eene uur verliep na het andere, maar zonder iets op te leveren. Het

projectiel naderde blijkbaar de Maan, maar het was even blijkbaar,

dat het haar niet zou bereiken.

»Ik begeer naar één ding," zeide Michel Ardan, »dat wij dicht genoeg

bij de Maan komen om haar geheimenissen te doorgronden!"

»Die vervloekte mispas, die ons deed afwijken!" riep Nicholl uit.

»Zeg liever," vulde Barbicane aan, »die vervloekte vuurkogel dien

wij tegenkwamen. Die is de eenige oorzaak. Wij zijn er wel een heel

eind vandaan gebleven, maar zijn aantrekking heeft ons van het rechte

spoor doen wijken, al was zij nog zoo klein!"

VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZIJ NEMEN DE MAAN WAAR.

Barbicane had blijkbaar de eenige aanneemlijke reden van de afwijking

gevonden. Hoe klein ook, had zij toch de baan van het projectiel

gewijzigd. Het was erg. Het stoute waagstuk mislukte door een

toevallige omstandigheid, en als er niets bijzonders gebeurde,

behoefde men op geen bereiken der Maan te hopen. Zou men haar dicht

genoeg naderen om eenige tot nog toe duistere vragen aangaande hare

natuur te beantwoorden? Dat was de eenige vraag, die voor 't oogenblik

de reizigers bezig hield. Aan hun verder lot wilden zij niet eens

denken. En toch--wat moest er van hen worden, indien hun lucht zou

gaan ontbreken, zooals spoedig te verwachten was? Nog eenige dagen en

zij zouden wezenloos in dat projectiel door de hemelruimte zweven. Maar

eenige dagen waren zoovele eeuwen voor de onversaagden, die al hun tijd

wijdden aan het waarnemen dier Maan, die zij wanhoopten te bereiken.

Naar hunne schatting scheidde hen nog een kleine 1000 meter van de

Maan, maar de omstandigheden brachten mede, dat zij zich verder van

haar verwijderd konden rekenen dan waarnemers op de Aarde, gewapend

met hunne sterke kijkers.

Men weet, dat de groote kijker van lord Rosse te Parson-Town 6500

maal vergroot en de Maan tot een schijnbaren afstand van nog geen

8 kilometer aanhaalt. Het voortreffelijk instrument op Long's Piek,

dat 48,000 maal vergrootte, trok de Maan tot een afstand van slechts

ruim een kilometer, zoodat men er voorwerpen van 10 meter doorsnede

met voldoende duidelijkheid op zien kon.

Op dien afstand waren geene bijzonderheden met het ongewapend oog

duidelijk te onderkennen. Het oog overzag de omtrekken der laagten,

die men ten onrechte »zeeën" noemt, maar zonder er de natuur van

te kunnen onderscheiden. De glooiïngen der bergen verdwenen in de

schitterende weerkaatsing der zonnestralen. 't Was een blik als op

den blinkenden spiegel van een ketel gesmolten zilver, dien het oog

niet kon verdragen.

Intusschen stond de Maan nog niet volkomen vlak tegenover de zon;

zij had den vorm van een reusachtig ei, met de punt naar de aarde

gekeerd. De Maan, zeker vloeibaar of kneedbaar in den eersten tijd

van haar ontstaan, moest destijds een volkomen kogel geweest zijn;

maar daar zij weldra onder den invloed van de aantrekking der Aarde

geraakte, werd zij daardoor langwerpig uitgerekt. Toen zij een baan

om de Aarde erlangde, verloor zij haar oorspronkelijke gedaante; haar

zwaartepunt verplaatste zich, en hieruit nu leiden sommige geleerden

af dat lucht en water hebben moeten afvloeien naar de zijde der Maan,

welke van de Aarde is afgekeerd.

Doch onze reizigers konden slechts eenige oogenblikken deze afwijking

der Maan van haren kogelvorm zien. De afstand tusschen haar en het

projectiel verminderde met groote snelheid; die van het projectiel

was wel veel geringer dan in de eerste oogenblikken, maar toch 8 of

9 maal grooter dan die der spoortreinen. De schuinsche richting gaf

aan Michel Ardan eenige hoop om tegen het een of ander punt der Maan

te stooten. Het wilde er bij hem maar niet in, dat hij er geen voet

zetten zou, en dit zei hij gedurig. Maar Barbicane, die den waren

staat van zaken beter doorzag, hield niet op hem met onverbiddelijke

juistheid te betoogen, dat hij daarop niet behoefde te rekenen,

daar de middelpuntzoekende kracht hen wel naar de Maan trok, maar de

middelpuntvliedende kracht hen beletten zou op de Maan neder te komen.

Het gedeelte der maansoppervlakte waarheen zich het projectiel bewoog,

was het noordelijk halfrond, op de maankaarten de benedenhelft; want

de kaarten zijn doorgaans vervaardigd naar de gedaante der Maan in

astronomische kijkers, die gelijk men weet de voorwerpen omkeeren. Dit

is ook het geval met de groote maankaart van Beer en Mädler, die

door Barbicane was medegenomen. Dat noordelijk halfrond bestaat uit

uitgestrekte vlakten, hier en daar met afzonderlijk staande bergen.

Te middernacht was het volle Maan. Juist op dat oogenblik hadden

de reizigers moeten aanlanden, indien de vermaledijde vuurkogel hen

niet van de goede richting had afgetrokken. De Maan beantwoordde dus

volkomen aan de berekeningen der sterrenwacht te Cambridge. Zij

bevond zich juist in haar perigeüm en in het toppunt van 28°

noorderbreedte. Indien een waarnemer op den bodem der Columbiad op

dat oogenblik opwaarts keek, zou hij juist boven den mond van het

stuk de volle maanschijf hebben zien staan.

Het is overbodig te zeggen, dat in dien nacht van 5 op 6 December

geen van de drie een oog sloot. Al hun gedachten vereenigden zich in

die ééne: _zien!_ Zij waren immers de vertegenwoordigers der Aarde,

de verleden en tegenwoordige menschheid! 't Was immers door hun oogen

dat die menschheid den blik liet weiden over gindsche maanstreken. Was

dat geen ontroerend denkbeeld?

Hunne waarnemingen, met het gewapend oog gedaan, werden met de

kaarten vergeleken.

De eerste waarnemer der Maan was Galileï. Zijn gebrekkige kijker

vergrootte slechts 30-maal. Toch was hij de eerste, die bergen zag

in die vlekken, welke op de Maan gezaaid zijn »gelijk de oogen in

den staart eener pauw." Zelfs mat hij van sommigen de hoogte, hij

bepaalde die op ruim 1/20 van den straal der Maan, 8,800 meter. Galileï

vervaardigde echter geen maankaarten.

Eenige jaren later leefde te Dantzig een sterrenkundige, met name

Aevelius, die door waarnemingen, welke alleen bij het eerste en

laatste kwartier nauwkeurig konden zijn, die door Galileï bepaalde

hoogte tot 1/26 van den straal der Maan terug bracht. Deze geleerde

gaf de eerste maankaarten. De heldere, ronde, vlekken zijn ringbergen,

de donkere daarentegen uitgestrekte zeeën, in werkelijkheid eenvoudige

vlakten. Aan die bergen en vermeende zeeën gaf hij namen, aan de

Aarde ontleend. Hij noemde een der vlakke uitgestrektheden Arabië

en een berg aldaar Sinaï; zoo ook een Etna in Sicilië, de Alpen, de

Apennijnen, de Karpathen, de Middellandsche zee, het meer Moeris, de

Zwarte Zee, de Kaspische zee--namen, die zeer misplaatst zijn, daar er

geen de minste gelijkheid bestaat met de gelijknamige zeeën enz. op de

Aarde. Het is niet iedereen gegeven, in de breede lichte vlek, welke

zuidelijk aan uitgestrekte vlakten paalt en in een punt uitloopt,

het Indische schiereiland, de Golf van Bengalen en Cochinchina te

zien. Deze namen zijn dan ook niet in gebruik gebleven. Een ander

sterrenkundige, die dieper blik geslagen had in de ijdelheid van 's

menschen hart stelde een nieuw stelsel van benamingen voor, dat gretig

werd aangenomen--het beloofde aan velen een plaats op de maankaart.

Die sterrenkundige was pater Riccioli, een tijdgenoot van Hevelius. Hij

vervaardigde een maankaart, grof en vol fouten. Maar hij gaf aan de

maanbergen de namen van groote mannen uit de oudheid en van geleerden

uit zijn tijd. Dit is sedert in gebruik gebleven.

Een derde maankaart werd in de zeventiende eeuw vervaardigd door

Dominico Cassini; zij is beter uitgevoerd dan die van Riccioli,

maar onnauwkeurig in de verhoudingen.

Lahire, vermaard als wiskundige en als teekenaar, teekende een

maankaart, die echter nooit in plaat is gebracht.

Na hem begon in de vorige eeuw Tobias Mayer, een Duitsch

sterrenkundige, een zeer fraaie maankaart uit te geven: maar deze

met veel zorg en na strenge metingen uitgevoerde arbeid is wegens

zijn dood onvoltooid gebleven.

Na hem kwamen Schröter en Liliënthal, met talrijke afbeeldingen van

gedeelten der Maan, en Lohrmonn, te Dresden, die een maankaart in

25 gedeelten is begonnen te geven, doch van welke slechts 4 in plaat

zijn gebracht.

In 1830 verscheen de beroemde maankaart van Beer en Mädler, vervaardigd

in orthographische projectie. Zij geeft een zeer nauwkeurige

voorstelling van de naar ons toegekeerde zijde der Maan; bergen en

vlakten zijn echter slechts nabij het middelpunt juist daar meer naar

de randen de voorwerpen zijn afgebeeld gelijk men ze ziet, derhalve

in schuinsche richting. Deze maankaart, 85 centimeter hoog en in 4

gedeelten uitgegeven, is een meesterstuk van afbeeldingen der Maan.

Voorts heeft men ook nog de opgewekte maanafbeeldingen van Julius

Schmidt, de platen van Secchi, de prachtige Engelsche van Warren de

la Rue, en eindelijk een in orthographische projectie van Lecouturier

en Chapuis, 1860, keurig net van teekening en uitvoering.

Deze zijn de voornaamste maankaarten. Barbicane bezat er twee; die

van Beer en Mädler, en die van Lecouturier en Chapuis. Zij moesten

dienen om hem bij zijn waarnemingen behulpzaam te zijn.

Zijn kijkers waren uitmuntend en bepaald voor deze reis

vervaardigd. Zij vergrootten de voorwerpen 100 maal.

ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

VOORTZETTING DER REIS.

»Hebt gij ooit de Maan gezien?" vroeg eens een leermeester schertsend

aan een zijner leerlingen.

De gevatte leerling antwoordde, »neen mijnheer, maar ik heb wel eens

van haar hooren spreken."

In zekeren zin zou het snedig antwoord van dien leerling door de

meeste aardbewoners kunnen gegeven worden. Terwijl op de Aarde en op de

planeet Mars de groote vastelanden op het noordelijk halfrond liggen,

is dit bij de maan op het zuidelijke 't geval. Die vaste landen zijn

niet zoo scherp en regelmatig begrensd als met Zuid-Amerika, Afrika

en het Indisch schiereiland het geval is. De hoekige, bochtige,

grillige lijnen vertoonen tal van schiereilanden, kapen, golven en

baaien, zooals de Oostzee vertoont. Indien op de maan ook scheepvaart

heeft plaats gehad, moest zij zeer moeielijk en gevaarlijk zijn en de

varenslieden en aardrijkskundigen op dat hemellichaam waren zeer te

beklagen: de eersten indien zij op zulke gevaarlijke kusten verzeilden,

de laatsten indien zij ze moesten afteekenen of beschrijven.

Op de maanschijf is het naar de zuidpool veel vlakker dan naar

de noordpool. Op de noordelijke helft der Maan vindt men slechts

een kleine strook lands, en de overige vastelanden gescheiden door

uitgestrekte zeeën [7]. Naar het zuiden bestaat bijna het geheele

halfrond in vast land. Het is dus mogelijk, dat de maanbewoners hunne

vlag reeds hebben geplant op een hunner polen, terwijl op den aardbol

een Ross, een Franklin, een Kane, een Dumon d'Urville en een Lambert

dat punt nog niet hebben kunnen bereiken.

Eilanden vindt men op de oppervlakte der Maan in menigte. Bijna

allen zijn langwerpig of geheel rond; zij vormen een uitgestrekte

groep, die doet denken aan den archipel tusschen Griekenland en

Klein-Azië, het tooneel der meeste verhalen uit de Grieksch-Romeinsche

mythologie. Onwillekeurig plaatst men zich de namen Taxos, Tenedos,

Milo, Karpathos voor den geest en zoekt met het oog het schip Argo

der belegeraars van Troje of het vaartuig waarin Ulysses zijn tochten

aanving.

Deze gedachten rezen althans op bij Michel Ardan. 't Was een Grieksche

Archipel dien hij op de maankaart aanschouwde. In de oogen zijner

meer prozaïsche reisgenooten deden deze kusten veeleer denken aan

Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland, en daar waar de Franschman de

helden vond der aloude fabelleer, zochten de Amerikanen naar geschikte

punten tot het vestigen van kantoren en factorijen ten behoeve van

den handel met de maanbewoners.

Nog een paar woorden over het voorkomen van de vastelanden der

Maan. Men onderscheidt er zeer gemakkelijk bergketenen, afzonderlijke

bergen, ringgebergten en rillen. Hiermede is de geheele ons bekende

maanoppervlakte aangeduid. Het is een bol vol hoogten en diepten,

scheuren, kloven en bulten, een onmetelijk Zwitserland, een tweede

Noorwegen, waar alles omgewoeld is door vulkanische werkingen. De

geheele maanoppervlakte, ten minste de naar ons toegekeerde zijde,

moet in den tijd der wording van dat hemellichaam blootgestaan hebben

aan allerlei uitbarstingen, openscheuringen der korst, inzakkingen

van den bodem en opheffingen der vlakten. Volgens de opmerkingen van

sommige sterrenkundigen is haar oppervlakte, schoon ouder dan die

der Aarde, jeugdiger gebleven. Men vindt daar geen wateren, die de

oorspronkelijke oneffenheden van den bodem van lieverlede afschuiven

en één vlakte doen ontstaan; geen lucht, die haren invloed uitoefent

op het voorkomen der landstreek. De werking van het vuur wordt er

niet belemmerd of gewijzigd door die van het water; zij bestaat er

dus nog in haar oorspronkelijke zuiverheid. Het is er de Aarde, zooals

zij was eer stroomen en vloeden haar hadden omkorst met vlakke lagen.

Wanneer het oog heeft geweid over die uitgestrekte vastelanden, rust

het op zeeën die nog uitgestrekter zijn. Hare gedaante, ligging en

voorkomen herinneren niet slechts aan de oceanen der aarde, maar

ook de uitgestrekte plaats die zij beslaan. En toch zijn het geen

vloeibare spiegels, maar vaste oppervlakten, welker ware natuur de

reizigers eerlang hoopten te leeren kennen.

De latere sterrenkundigen hebben aan die zoogenaamde zeeën de grillige

namen ontnomen die zij plachten te dragen. De zoogenoemde »Nevelenzee"

(_mare nebularum_) is een uitgestrekte vlakte, bezaaid met eenige

ringbergen; zij beslaat een groot gedeelte van het zuiderhalfrond. De

»Stormen-oceaan" (_oceanus procellarum_) is de uitgestrektste der

geheele naar ons toegekeerde maanzijde: zij ligt op het noorderhalfrond

en binnen haar grenzen verheffen zich de schitterende bergen, naar

Keppler en Aristarchus genoemd.

De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren · 第 11 / 17 段