»Afstand is een onding!" schreeuwde Maston boven allen uit.
»Mijn vrienden!" ging Michel Ardan voort, »ik houd dit vraagstuk
voor afgedaan. Als ik u allen niet overtuigd heb, ligt het aan de
beschroomdheid mijner voordracht en de zwakheid van mijn betoog,
niet aan het twijfelachtige der zaak. Hoe het zij, ik herhaal het: de
afstand tusschen de Maan en de Aarde is in wezenlijkheid onbeduidend
en niet waard dat een denkende geest er zich om bekommert. Ik geloof
dus niet te veel te zeggen, als ik beweer, dat men mettertijd
projectiel-treinen hebben zal voor een gemakkelijke reis naar de
Maan. Daarop zijn geen botsingen, geen stooten, geen derailleering
te vreezen, en men zal het doel bereiken, zonder vermoeienis, met
snelheid, in een rechte lijn. Geen 20 jaren duurt het, of de helft
der aardbewoners heeft een bezoek aan de maanbewoners gebracht?"
»Hoezee! Leve Michel Ardan!" riepen allen, ook de minst overtuigden.
»Leve Barbicane!" antwoordde de redenaar bescheiden.
Deze uitroep werd met levendige toejuichingen begroet.
Barbicane, zeer voldaan over den gang der vergadering, vreesde toch nog
steeds, dat zoodra de theoretische beschouwingen van Michel Ardan in
practische antwoorden zouden moeten overgaan, de vragers het wel eens
lastig konden maken. Ten einde dit te voorkomen, vroeg hij zijn nieuwen
vriend, of hij dacht, dat de Maan en de planeten bewoonbaar zijn.
»Een moeilijke vraag," heette het; »mijn waarde voorzitter, bedrieg ik
mij echter niet, dan zijn mannen als Plutarchus, Swedenborg, Bernardin
de St. Pierre, benevens vele anderen, van oordeel, dat uw vraag met
ja moet beantwoord worden. Op het standpunt van natuurwetenschap zou
ik mij aan hunne zijde scharen.
»Ik zou zeggen, dat hier op de aarde niets nutteloos bestaat en daarom
denken, dat die andere werelden ook bewoonbaar zijn, of geweest zijn,
of zullen zijn."
»Uitmuntend!" hoorde men door de naastbijstaanden uitroepen, terwijl
Barbicane er bij voegde: »Goed geredeneerd. Ik verander dus mijn vraag;
niet of de maan en de planeten bewoonbaar, maar of zij bewoond zijn."
»Ik voor mij ben daar zeker van," antwoordde Michel Ardan.
»Er is toch ook," merkte een ander aan, »nog al wat tegen te zeggen. Op
vele der hemellichamen moeten het dan gansch andere wezens zijn. Om
nu alleen van de planeten te spreken, op Neptunus, ja op Saturnus
moet reeds alles stijf bevriezen."
»Het doet mij leed," antwoordde Michel Ardan, »mijn geëerden
bestrijder niet persoonlijk te kennen, maar ik zal toch trachten
hem te antwoorden. Zijn bedenking heeft waarde, maar ik geloof
haar evenzeer te kunnen wederleggen als andere bewijsgronden tegen
de bewoonbaarheid der hemellichamen. Indien ik natuurkundige was,
zou ik zeggen, dat zoo er minder warmstestof in werking is op de
planeten nabij de zon, en meer op die welke ver van de zon zijn, dit
eenvoudig verschijnsel voldoende is om het evenwicht te herstellen en
de temperatuur op die planeten ook voor ons geschikt te maken. Indien
ik dierkundige was, zou ik met vele beroemde geleerden zeggen,
dat de natuur ons op deze Aarde voorbeelden oplevert van dieren,
ook levende onder omstandigheden die men er ver van geschikt toe
zou achten; dat visschen ademen in een middelstof, voor de andere
dieren doodelijk; dat de amphibiën in het water en op het land beide
leven op een oogenschijnlijk onverklaarbare wijze; dat sommige
zeedieren er op een verbazende diepte rondkruipen, gedrukt door
een zwaarte van water, die ons verpletteren zou, een drukking van
50 of 60 dampkringen; dat sommige waterdiertjes, ongevoelig voor
hitte of koude, evenzeer worden aangetroffen in kokende bronnen
als in het ijs der poolzeeën. In één woord, dat men aan de natuur
een verscheidenheid in haar middelen moet toekennen, welke dikwijls
onbegrijpelijk is, maar niettemin bestaat. Indien ik scheikundige
was, zou ik aanvoeren, dat de meteoorsteenen, klaarblijkelijk buiten
onzen aardbol gevormd, bij het scheikundig onderzoek koolstof hebben
opgeleverd, een zelfstandigheid, die een organischen oorsprong
bewijst, en dat zij dus, volgens de onderzoekingen van Reichenbach,
mede tot het dierenrijk moeten gebracht worden. En eindelijk, indien
ik godgeleerde was, zou ik zeggen, dat volgens den apostel Paulus
de goddelijke openbaring zich niet bepaalt tot het menschdom, maar
ook tot al de hemelsche werelden. Maar ik ben noch godgeleerde, noch
scheikundige, noch dierkundige, noch natuurkundige. Bij mijn volslagen
onkunde in de groote wetten, volgens welke het heelal bestuurd wordt,
bepaal ik mij dus hierbij: of die werelden bewoond zijn weet ik niet,
en omdat ik het niet weet, ga ik het zien!"
Kwam de bestrijder van Michel Ardan met andere bewijsgronden? Dat is
onmogelijk te zeggen, want de oorverdoovende toejuichingen verhinderden
alle gelegenheid tot spreken. Toen eindelijk de stilte genoegzaam
hersteld was, voegde de redenaar er het volgende bij:
»Ik heb, mijn waarde Yankees, het onderwerp slechts even
kunnen aanroeren en er zijn andere bewijzen in overvloed voor de
bewoonbaarheid der werelden. Ik laat die liggen. Laat mij slechts één
woord mogen zeggen. Hun die de bewoonbaarheid der planeten ontkennen,
moet men antwoorden: gij kunt gelijk hebben, indien bewezen is, dat de
Aarde de best mogelijke wereld is, maar dat is zij niet, wat Voltaire
er ook van moge gezegd hebben. Zij heeft slechts één wachter, terwijl
Jupiter, Saturnus, Uranus, en Neptunus er verscheidene hebben--een
voorwaar niet verwerpelijk voordeel. Maar wat vooral onze Aarde
onaangenaam maakt, is de helling van haar as op haar loopbaan. Vandaar
de ongelijkheid van dagen en nachten; vandaar de kwellende afwisseling
der jaargetijden. Op onzen ellendigen aardbol is het altijd te heet
of te koud; men bevriest er in den winter en smelt er in den zomer;
het is de planeet van verkoudheden en van bloedspuwingen, terwijl
b. v. op Jupiter, wiens as zeer weinig helt, de bewoners, aangenomen
dat zij er zijn, altijd een onveranderlijke temperatuur genieten; er is
een gordel van lente, een gordel van zomer; een gordel van herfst en
een gordel van winter--allen bestendig; iedere Jupiterbewoner kan het
klimaat kiezen dat hem bevalt en er zich vestigen, dan is hij vrij van
alle weersverandering. Gij zult ongetwijfeld deze voortreffelijkheid
van Jupiter boven onze aarde toegeven, om nu niet te spreken van
de jaren, die ieder een dozijn der onze duren. Bovendien is het in
mijn oog niet twijfelachtig of de bewoners dier wereld zijn onder die
gelukkige omstandigheden voortreffelijker wezens; de geleerden zijn er
zeker geleerder, de kunstenaars bekwamer, de deugnieten draaglijker,
de goeden beter.
»Helaas! wat ontbreekt onzen aardbol om dien toestand te bereiken? Een
kleinigheid--niets dan dat de as der aarde wat rechter op haar loopbaan
gezet wordt."
»Welnu!" riep een zware stem; »laat ons dan met vereenigde krachten
machines zien uit te denken om de as der aarde op te lichten!"
Een donderend geweld maakten op dat oogenblik de uitbundige
toejuichingen van een voorstel, dat uit niemands mond kon komen
dan van Maston. Hadden die Amerikanen slechts het door Archimedes
verlangde steunpunt gehad, wie weet of zij niet een kraan hadden
vervaardigd om de as der aarde eenige graden te verplaatsen! Maar zij
hadden dat steunpunt niet, en dientengevolge bepaalde het lot van het
voorstel zich daartoe, dat er een allergeweldigst lawaai gemaakt en
de vergadering voor een kwartier werd geschorst.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
NA DE PAUZE.
De vergadering werd heropend met een motie van orde. Een der aanwezigen
verzocht, dat men nu eens van de theoretische beschouwingen tot de
practische zaken zou komen.
Aller blikken richtten zich naar den man die deze woorden uitte,
en toen er niet spoedig genoeg naar zijn zin antwoord kwam, nogmaals
zijn stem verhief: »Wij zijn hier om te spreken over de Maan, niet
over de Aarde."
»Gij hebt gelijk, mijnheer," antwoordde Michel Ardan, »wij zijn van
ons onderwerp afgeraakt en zullen tot de maan terugkeeren."
»Mijnheer," sprak de onbekende, »gij beweert, dat de Maan bewoond
is. Maar dan moeten die luidjes leven zonder ademhalen, want er is
geen aasje lucht op de Maan."
»Wie zegt dat, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan.
»Deskundigen!"
»Deskundigen!" sprak Michel Ardan met een ongeloovig
lachje. »Deskundigen! In Frankrijk is een »deskundige," die
wiskundig heeft bewezen dat een vogel niet vliegen kan, en een ander
»deskundige," dat de visschen niet bestemd zijn om in water te leven."
»Daarover handelen wij nu niet, mijnheer!"
»Gij hebt het zeer gemunt, mijnheer, op een armen weetniet, die niets
liever verlangt dan onderricht te worden."
»Waarom roert gij dan wetenschappelijke vraagstukken aan, als gij er
geen kennis van hebt?" vroeg de onbekende vrij brutaal.
»Waarom? Omdat ik mij juist door mijn zwakheid sterk gevoel."
»Uw zwakheid wordt dwaasheid," merkte de onbekende zeer onbeleefd aan.
»Zooveel te beter!" riep de Franschman uit, »met mijn dwaasheid ga
ik naar de maan."
Barbicane en zijn medeleden sloegen blikken van afkeuring en misnoegen,
maar ook van heimelijken angst op den onbekende, die het schip der
discussie naar de klippen van de gevaren en onmogelijkheden der
onderneming scheen heen te sturen.
»De Maan," ging de vreemde voort, »heeft geen dampkring, en als zij
er ooit een gehad heeft, moet die reeds sedert lang door de Aarde
aan haar zijn onttrokken. Maar ik zal u liever feiten voorleggen."
»Leg mij zooveel voor als gij wilt," zei Michel Ardan met een zeer
Fransch-hoffelijke buiging.
»Gij weet, dat wanneer de lichtstralen een middenstof, zooals de lucht
doorloopen, zij van de rechte lijn afwijken, dat zij een zoogenaamde
buiging of breking ondergaan. Welnu! Wanneer een ster door de Maan
bedekt wordt, heeft men, als zij nabij de Maan gekomen was, nog nooit
gezien, dat haar stralen eenige flectie ondergingen. De Maan vertoont
dus geen spoor van dampkring."
»Dat zegt weinig, want de maanrand is niet volkomen scherp
begrensd. Maar zeg mij liever, of gij al dan niet gelooft aan vulkanen
op de Maan."
»Uitgedoofde wel, werkzame niet."
»Die vulkanen moeten dan toch eens in werking zijn geweest."
»Zeker, maar daar zij-zelven de ter verbranding noodige zuurstof
konden leveren, bewijst het feit hunner uitbarsting niets voor het
bestaan van een dampkring."
»Ik zal u feiten leveren," sprak Michel Arden bedaard. »In 1715 hebben
de weerkundigen Louville en Halley, den 3den Mei van dat jaar een
eclips waarnemende, eenige vuurschitteringen van zonderlingen vorm
gezien. Zij bewogen zich snel en werden door de genoemde waarnemers
voor onweders gehouden."
»Die waarneming betreft niets dan vuurbollen, zooals wij ze op de aarde
ook wel eens zien. Zoo hebben andere geleerden er over geoordeeld en
ik doe het ook."
»En heeft," vroeg Michel Ardan met onverstoorbaarbare kalmte »Herschel
dan in 1787 geen menigte lichtpunten op de donkere zijde der Maan
gezien?"
»Zeker, maar Herschel heeft niet getracht dat verschijnsel te verklaren
en er althans geen bewijs voor het bestaan van een dampkring der Maan
uit afgeleid."
»Goed geantwoord," sprak Michel Ardan niet zonder bijtende scherts,
»gij schijnt ver in de maankennis."
»Ver genoeg om te weten, dat Beer en Mädler, sterrenkundigen die
zeer hun werk van de Maan hebben gemaakt daaromtrent ook bepaald van
hetzelfde gevoelen zijn."
Michel Ardan was niet uit het veld geslagen. »Laussedat, een bekwaam
sterrenkundige, heeft in de eclips van 18 Juli 1860 de horens der
zon afgerond en scheef gezien. Dit verschijnsel kon onmogelijk een
andere oorzaak hebben dan een maandampkring."
»Maar is die waarneming bewezen?"
»Bewezen."
»Met uw verlof, boven de bergen dan toch niet," meende de hardnekkige
onbekende.
»Dan toch in de valleien, eenige honderden voeten lager."
»Pas maar op dat ge dan komt waar gij wezen moet," was de raad van
den onbekende.
»Dank u; er is allicht lucht genoeg voor één persoon, en ik zal wat
zuinig ademhalen."
»Nu wij het," ging Michel Ardan voort, nadat de ongelooflijke
toejuiching van zijn laatsten kwinkslag genoegzaam bedaard was, »nu
wij het over, zij het dan een dampkringetje, eens zijn, moeten wij
ook aannemen dat er water op de Maan is. Blij toe. Maar mag ik mijn
geachten bestrijder nog iets doen op merken? Wij kennen slecht éene
zijde der maanschijf, en er moge dan op de naar ons toegekeerde zijde
weinig lucht zijn, mogelijk is het aan den anderen kant anders. De
Maan toch heeft door den invloed van de aantrekkingskracht der aarde
den vorm van een ei aangenomen, dat wij op de punt zien. Vandaar dat,
gelijk ook de berekening van Hansen uitwijst, haar zwaartepunt in de
van ons afgekeerde zijde ligt. Vandaar de meening, dat al de lucht
en al het water, bijna terstond na de schepping der maan, naar die
voor ons onzichtbare zijde moeten geweken zijn."
»Praatjes voor de vaak!" riep de onbekende uit.
»Neen, geen praatjes, zuivere wetenschap, geput uit de wetten der
beweging."
»Gij zijt een roekelooze gek!" liet de onbekende zich ontvallen,
maar het scheelde weinig of men zou hem om dien uitval buiten de
vergadering geworpen hebben.
»Roekeloos?" vroeg Michel Ardan. »Ik ben zelfs zeer voorzichtig. Heb
ik niet mijn vriend Barbicane om een projectiel verzocht, dat rechtuit
schiet en niet als een kogel om en om rolt?"
»Ongelukkige, de schok zal u in het oogenblik van uw afreis te
morsel slaan."
»Mijn waarde heer, daar slaat gij juist den spijker op den kop en
legt den vinger op de eenige kwetsbare plaats. Maar ik denk wel dat
het schrander beleid der Amerikanen er in zal voorzien."
»Maar de hitte, die door de snelle beweging van het projectiel door
de lucht zal ontstaan?"
»De wanden zijn dik en ik zal in een oogenblik buiten den dampkring
zijn."
»Maar de levensmiddelen en water?"
»Ik heb berekend voor een jaar te kunnen medenemen en mijn reis zal
vier dagen duren!"
»En de lucht om onderweg in te ademen?"
»Langs scheikundigen weg zal ik lucht maken."
»Maar uw val op de Maan, gesteld dat ge er immer komt?"
»De val zal slechts 1/6 der kracht van een val op de Aarde hebben,
aangezien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is."
»Toch genoeg om u te verbrijzelen als glas."
»En wie zal mij beletten mijn val te breken door middel van vuurpijlen,
goed vervaardigd en op hun tijd aangestoken?"
»Wij willen nu eens aannemen, dat alles op zijn gelukkigst gaat en
alle kansen in uw voordeel loopen; wij willen onderstellen dat gij
heelhuids op de Maan aanlandt--hoe komt gij terug?"
»Ik kom niet terug."
Dit antwoord, verheven door zijn eenvoud, bracht de vergadering
in een stomme verbazing. Maar die stilte was welsprekender dan de
luidste bijvalsbetuigingen zouden geweest zijn. De onbekende maakte
er gebruik van om nog een laatsten pijl af te schieten.
»Ga voort, want inderdaad gij zijt een recht aangename profeet,"
zei Michel Ardan met een vriendelijk lachje.
»Al genoeg," was het antwoord. »Ik weet niet waartoe verdere
schermutselingen dienen zouden. Ga uw gang met uwe dollemans
onderneming. Met u is er geen praten over."
»Geneer u anders niet!"
»Neen! het is een ander die de verantwoordelijkheid uwer dwaasheid
draagt."
»En wie dan, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan op hoogen toon.
»De weetniet, die deze even onmogelijke als bespottelijke onderneming
op touw heeft gezet."
De steek was niet onder water. Barbicane had al van het oogenblik af
dat de vreemde in het strijdperk verschenen was, alle moeite gedaan
om zich in te houden. Nu hij zoo ongezouten bij den kraag werd gevat,
stond hij op en trad op den onbekenden spreker toe, die hem uittartend
afwachtte.
Plotseling werd hij van dien man gescheiden. Opeens namen honderd
armen de tribune op, en de voorzitter der Gun-club benevens Michel
Ardan werden in zegepraal rondgedragen, evenals bij de Ouden de held
op een schild.
Het schild woog nogal zwaar, maar de dragers wisselden elkander
onophoudelijk af, daar iedereen wedijverde om zijn schouders onder
deze huldebetooging te zetten.
De onbekende had echter van de verwarring geen gebruik gemaakt om weg
te sluipen. Hij zou het ook in dat dichte gedrang niet hebben kunnen
doen. Hoe het zij, met de armen over elkander geslagen hield hij den
strakken blik op Barbicane gevestigd.
Deze verloor hem niet uit het oog en de oogen der beide mannen schoten
als bliksemstralen tegen elkander in.
Inmiddels bewoog zich de tribune stadwaarts, op de schouders wiegelende
als een boot op het water, te midden van ontelbare hoeden, als golven
bewogen. Nu en dan stampte en slingerde het vaartuigje wel wat, doch
de beide passagiers stonden stevig en zij bereikten gelukkig de haven
van Tampa-Town.
Michel Ardan slaagde er gelukkig in, zich aan de laatste toejuichingen
zijner vurige bewonderaars te onttrekken. Hij vluchtte in het hotel
_Franklin_, sloop naar zijn kamer en dook onder de dekens, terwijl
een eerewacht van 100.000 personen onder zijn ramen verzameld stond.
Inmiddels had een kort, ernstig, beslissend tooneel plaats tusschen
den geheimzinnigen kampvechter en den voorzitter der Gun-club.
Zoodra Barbicane de handen vrij had, ging hij op zijn partij af.
»Kom eens hier!" zeide hij kortaf.
De ander volgde hem op de kade. Zij waren met hun beiden alleen. Met
toornige blikken zagen zij elkander aan.
»Wie zijt gij?" vroeg Barbicane.
»Kapitein Nicholl."
»Ik dacht het half. Tot dusver heeft het toeval u nooit op mijn
weg gevoerd...."
»Ik ben er met opzet op gekomen."
»Gij hebt mij beleedigd."
»In het openbaar."
»En gij zult mij rekenschap geven van dien hoon."
»Op 't oogenblik."
»Neen, ik verlang dat alles tusschen u en mij blijft. Drie mijlen
van Tampa is een bosch, het bosch Skerman. Kent gij het?"
»Ja."
»Is het u goed er morgen te 5 ure van den eenen kant in te gaan."
»Zeker, indien gij er op denzelfden tijd van den anderen kant in komt?"
»En gij zult uw buks niet vergeten?" zei Barbicane.
»Zoo min als gij de uwe," antwoordde Nicholl.
Na dit koele gesprek gingen de kapitein en de voorzitter der Gun-club
elk huns weegs. Barbicane kwam thuis, maar in plaats van eenige uren
rust te nemen, toog hij aan het zoeken van middelen om den weerstoot
van het projectiel te voorkomen en het door Michel Ardan opgeworpen
vraagstuk optelossen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
IN HET BOSCH.
Terwijl de voorzitter en de kapitein de zooeven verhaalde afspraak
maakten, trachtte Michel Ardan tevergeefs van de vermoeienissen
der volksvergadering uitterusten, trachtte, zeg ik, want rusten
is op Amerikaansche bedden een moeilijke zaak: zij kunnen zich in
hardheid met de beste marmeren tafels meten. Ardan sliep dan ook
slecht, en terwijl hij zich om en om keerde tusschen de servetten,
die lakens moesten verbeelden, nam hij zich voor, in zijn projectiel
een gemakkelijker rustbed aan te brengen.
Zijn overdenkingen daarover werden gestoord door een hevig kloppen
op de kamerdeur en een schreeuwen: »open, in 's hemels naam doe open."
Nog eer hij van bed was, stortte iemand de kamer meer binnen dan hij
er in stapte. 't Was de secretaris der Gun-club, vriend Maston.
»Gisteren avond," stootte deze hijgende uit, »is onze voorzitter in
't openbaar beleedigd. Hij heeft zijn partij uitgedaagd, 't is niemand
anders dan kapitein Nicholl. Dezen morgen vroeg vechten zij in het
bosch Skerman, ik heb dat uit den mond van Barbicane zelf. Als hij
valt, ligt onze gansche zaak in duigen. Zij moeten elkander niet
te lijf. Er is in de wereld maar één persoon die invloed genoeg
op Barbicane heeft om dat duel te verhinderen, en die persoon is
Michel Ardan."
Intusschen had Michel Ardan zijn kleeren aangeschoten en eenige minuten
later namen de beide vrienden den weg naar de voorsteden van Tampa-Town
onder de voeten. Onderweg bracht Maston den Franschman op de hoogte der
zaak, namelijk van den ouden grond der vijandschap tusschen Barbicane
en den kapitein. Hij verhaalde hoe personen, met beiden bevriend,
nog altijd een persoonlijke ontmoeting van beiden hadden weten te
verhinderen, en dat Nicholl nu eindelijk de gelegenheid had te baat
genomen om oude veeten op te rakelen.
Niets is afschuwelijker dan de persoonlijke veeten in Amerika,
gedurende welke de beide partijen elkander beloeren op hoeken en wegen
en als wilde beesten elkander in het houtgewas aanvliegen. In zulke
gevallen moet ieder van hen jaloersch zijn op die verwonderlijke
hoedanigheden, van nature eigen aan de Indianen der prairiën, hun
snelle bevatting, hun schrandere list, hun ruiken van de voetstappen
hunner vijanden. Bij dat rondsnuffelen naar hunnen vijand gaan de
Yankees er dikwijls op uit met hunne honden, en terwijl zij jager en
wild tegelijk zijn, liggen ze uren lang op de wacht.
»Welk een duivelsch volk zijt gij!" riep Michel Ardan uit, toen Maston
hem de geheele geschiedenis verhaalde.
»Zoo zijn wij nu eenmaal," antwoordde de secretaris, »maar wij moeten
ons haasten."
Doch hoe ook aanstappende, het bosch Skerman konden zij niet vóór
halfzes bereiken. Barbicane was aan zijn kant reeds een half uur
geleden het bosch ingetreden.
Zij zagen een bejaarden houthakker takkebossen binden. Maston ging
naar hem toe en riep reeds uit de verte: »hebt gij iemand met een
buks het bosch zien inkomen,.... mijnheer Barbicane, den voorzitter....
De secretaris der Gun-club dacht in zijn eenvoud, dat zijn voorzitter
als zoodanig aan de geheele wereld bekend moest zijn. Maar de
houthakker scheen hem niet te begrijpen.
»Een jager," voegde Michel Ardan er bij.
»Een jager? ja," antwoordde de houthakker.
»Is het lang geleden?"
»Bijna een uur."
»Te laat!" riep Maston uit.
»En hebt gij geweerschoten gehoord?" vroeg Michel Ardan.
»Neen."
»Geen enkel?"
»Geen enkel. De jager schijnt platzak thuis te zullen komen."
»Wat nu?" zei Maston.
»Het bosch ingaan, op gevaar af een schot te krijgen, dat niet voor
ons bestemd is."
»Ach!" klaagde Maston op droevigen toon. »Ik had liever tien kogels
in het hoofd dan éen in dat van Barbicane."
»Vooruit dan!" sprak Michel Ardan.
Zij gingen verder, een uur lang, maar vruchteloos. Zij riepen van
tijd tot tijd: »Barbicane!" »Nicholl!" Maar tevergeefs. Nog een
uur--even vruchteloos.
Reeds begonnen zij den moed op te geven, toen Maston iemand meende
te zien. Hij vergiste zich niet. 't Was kapitein Nicholl. Maar wat
deed hij? Niets anders dan een vogeltje uit het net eener reusachtige
vergiftige spin bevrijden!
De kapitein hoorde geritsel. Hij keek op en riep: »Michel Ardan! Wat
komt gij hier doen, mijnheer?"
»U de hand drukken, Nicholl, en u beletten Barbicane dood te schieten
of door hem doodgeschoten te worden."
»Barbicane," riep de kapitein uit, »ik zoek hem sedert een paar uren,
maar ik kan hem niet vinden. Waar zit hij?"
»Barbicane," antwoordde Michel Ardan, "is een man die achting verdient,
en wat gij ook met hem gehad moogt hebben, dat moet uit zijn. Ik
gedoog niet, dat ge met hem duelleert."
»Ik zal met hem duelleeren."
»Gij zult het wel laten. Gij hebt iets te doen dat vrij wat beter is."
»En dat zou zijn?"
»Dat zeg ik alleen als Barbicane er bij is."
»Dan zullen wij hem opzoeken."
't Geschiedde, en eindelijk vonden zij den voorzitter der Gun-club
aan den voet van een boom zitten. Zoodra deze hen zag sprong hij op
en riep uit: »Gevonden!"
»Wat?" vroeg Michel Ardan.
»Het middel om den weerstoot van het projectiel onschadelijk te
maken. Water, niets dan water"....
»Zijt gij daar ook, Maston!" riep hij, zijn secretaris ziende.
Michel Ardan stelde hem aan kapitein Nicholl voor.
»Ik was het glad vergeten," stotterde Barbicane, »maar ik ben tot
uw dienst."
»Daar komt niets van," sprak Michel Ardan met nadruk. »Ik heb u iets
voor te stellen. Vriend Barbicane gelooft dat zijn projectiel rechtuit
naar de maan zal vliegen."
»Zonder twijfel," merkte de voorzitter aan.
»En vriend Nicholl is overtuigd, dat het naar den grond zal
terugkomen."
»Zonder twijfel," liet de kapitein zich hooren.
»Mooi! Ik, Michel Ardan, matig mij niet aan, u tot elkander te
brengen, maar wel bij elkander. Gij gaat met mij mede, dan weet gij
waar wij blijven."