DE FITIS.

De fitis zingt in de bloeiende boomen. Dat is nog eens een mooie tijd,

de tijd van de bloeiende boomen. De eeuwenoude, ernstige boomen, diep

geworteld in den grond, dichte kronen verheffend ten hemel, kronen,

gevormd in den strijd tegen wind en weder, op stammen, gescheurd door

vorst en bliksem, en door onze grootouders versierd met initialen, die

nu nauwelijks herkenbaar zijn.

En nu gaan die eerbiedwaardige monumenten zich tooien met bloesems van

allerlei aard. Alles wat aan hen strak en ernstig was, gaat verloren

onder franjes en pluimen, kwasten en kaarsjes en sluiers van sneeuwwit

en rozerood.

Ze volgen elkander na van half Maart tot ver in Juli: wilgen en

populieren, pruim, larix, kers en vogelkers, berk, spar, beuk, eik,

den, peer, appel, kastanje en ten slotte de welriekende linde. En in al

die bloeiende boomen, die nu zoo jolig zijn en toch zooveel ervaren

hebben, zingt de kleine gele fitis. Maar het meest houdt hij van berken

en eiken.

Hij komt voor den nachtegaal en voor de zwaluw in ’t laatst van Maart

of begin van April. Eerst komt als een boodschapper zijn dubbelganger,

de Tjiftjaf, even klein, maar eerder bruingeel dan groengeel en met een

liedje, dat als een inleiding een groote bekoorlijkheid bezit, doch een

belofte bevat, die niet in vervulling zou treden, wanneer de fitis niet

volgde binnen veertien dagen.

Er gebeuren in de lente nog een menigte belangrijke dingen, die wij in

’t geheel niet, of slechts gedeeltelijk beseffen en in ’t geheel niet

begrijpen. Er komen in ’t laatst van Maart of in ’t begin van April

dagen, waarop de aarde, de boschgrond heerlijker geurt en zachter

aanvoelt dan anders, waarop de regendroppels zachter neerdalen en—ik

schaam mij voor ’t woord—olieachtig aanvoelen. De lucht maakt een

anderen indruk op de huid van handen en gelaat en ook onze geluids- en

gezichtsgewaarwordingen zijn, niet krachtiger, maar veel aangenamer dan

ooit.

Men noemt het ensemble van die gewaarwordingen wel eens „lentegevoel”.

De oorzaken ervan liggen in ’t duister, er komt meer bij te pas dan

temperatuur en vochtigheidstoestand. De eene mensch gevoelt dat beter

dan de andere; ik geloof, dat de dieren en vooral de vogels het veel

eerder en veel sterker gevoelen dan wij, en dat wij misschien door een

innigen omgang met hen er ook meer ontvankelijk voor worden.

Ik heb nu al zoovele voorjaren met de vogels bewust meegeleefd, dat ik

ook de Aprilmaand min of meer op vogelmanier gevoelen kan en ik voel ’s

morgens bij ’t ontwaken, welke vogels in den nacht aangekomen kunnen

zijn.

Daar is natuurlijk veel zelfbedrog bij, maar ’t is toch wel aardig, om

wanneer je juist de opmerking gemaakt hebt: „’t is net fitisweer

vanmorgen,” in ’t eerste ’t beste eikje om den hoek den vogel werkelijk

te zien en te hooren. Ik weet daar nu wel weer een heel nuchtere

uitlegging voor, maar ik heb nu eens geen zin, om die in verband met

het fitisje ten beste te geven.

Als de fitis pas aankomt, is hij mooi groengeel op den rug, geel met

wit langs de buikzij en heeft hij een heldergele streep over het oog.

Al heel gauw verkleurt hij en dan wordt hij bruinachtig grijs, zoodat

hij voor leeken gaat gelijken op de vele grijze vogeltjes, die zingen

in de Meimaand.

Maar hij is klein, nauwelijks langer dan het winterkoninkje en veel

slanker, het snaveltje is fijn en spits, de pootjes mooi bruin. En zijn

voornaamste kenmerk is wel, dat hij onophoudelijk rondvliegt in de

boomen en den heelen dag zijn wonderschoon liedje zingt.

Soms vraag ik mij af, of ik die vogelklanken niet verkeerd beoordeel en

of ik in eenzijdige vooringenomenheid ze niet te veel prijs. Heel

verstandige menschen hebben mij daar wel eens over onderhouden en

gezegd, dat ze van al dat moois niets hooren. Dat drukt mij dan wel wat

terneer, maar als ik merk, dat zij hun oordeel gevormd hebben in het

reisseizoen, in Augustus, dan krijg ik weer wat meer moed.

Daar staat dan weer tegenover, dat ik ook weer anderen ontmoet, die

graag door dik en dun, bij nacht en ontij er op uit willen, om iets te

zien en te hooren te krijgen van het vogelleven en ondanks

teleurstellingen en tegenspoeden daarin toch voldoening genoeg vinden,

om iedere lente opnieuw te beginnen.

Voor zulke menschen krijgt ten slotte de eenvoudigste vogelloktoon een

wonderschoone beteekenis, hij roept voor de verbeelding op: de schoone

Meinacht, de zonsondergang, de morgenstond, de weide vol bloemen, het

blinkende meer, den geurigen boschrand, de eindelooze wildernis van hei

en duin en zee.

Mijn geleerde vrienden zullen zeggen, dat dit geen ornithologie is. Dus

geef ik u onmiddellijk gaarne toe, maar het is veel beter en ik

verzeker u, dat er bij onze wandelingen toch ook nog genoeg echte

ornithologie beoefend wordt. Doch ten slotte komt het er toch op aan,

dat wij door onzen omgang met de vogels betere, gezonder, sterkere en

fijner gevoelende menschen trachten te worden.

En daar nu het fitisje met zijn beminnelijke tegenwoordigheid en

liefelijk geluid allerwegen de schoonste lentelandschappen opluistert,

is hij voor ons geworden het symbool van de heerlijke lentewellust vol

uitgelaten vreugd en diepen weemoed. Misschien is het een toeval,

misschien hangt het samen met ons nog onbekende verschijnselen: zijn

liedje bevat de duidelijke tegenstelling tusschen uitgelaten vreugd en

onuitsprekelijk verdriet en eindigt in weemoedige berusting: een

volledige levensphilosophie.

O, hij begint zoo blij en dapper met reine klokjesheldere slagtoontjes:

een vroolijk handgeklap der boschelfen. Doch juist als de hoogste

vreugd nabij schijnt, komt er een wending van zoo zielsroerende

droefenis, dat ge luisterend den adem inhoudt, vol angst, wat nu verder

zal volgen. Maar dan komt als een glimlach door tranen een decrescendo

van zoete toonparen en dan is ’t uit. Ieder jaar voel ik dat dieper en

dat is ook alweer geen ornithologie.

Wel, dat niet alle fitisjes even fijn zingen; er zijn stumpers en

virtuosen onder. Ook gebeurt het, dat ze slechts de eene of andere

helft van hun lied ten gehoore brengen en er schijnen er ook te zijn,

die van weemoed niets willen weten en doodeenvoudig besluiten met een

Tjiftjafliedje. Maar dat zijn dan toch ook geen echte fitisjes.

Het fitisnest ligt op den grond, wonderveilig verscholen. Nog dezen

zomer ontdekte ik er een, terwijl ik in het gras lag aan den waterkant.

Ge zult zeggen, dat ik voor iemand van mijn jaren nog al dikwijls in ’t

gras of in ’t zand lig. Ik kan ’t niet ontkennen, maar ik beleef er

zooveel genoegen van, dat ik het in ’t vervolg eer meer dan minder zal

doen, en ik raad u zelfs aan, mijn voorbeeld te volgen. Ook doe ik dat

allemaal in mijn trouwens zeer beperkten vrijen tijd.

Nu, ik lag dan in ’t gras aan den waterkant, dicht bij een bruggetje.

Ik had al de zekerheid gekregen, dat er een roodstaartjesnest onder ’t

bruggetje zat, een eindje verder had ik twee waterhoentjes gezien met

vijf jongen, een ijsvogel was voorbij gevlogen met een vischje in den

bek en een wielewaal had zitten roepen in een hoogen abeel aan den

overkant. Dat was voor een half uurtje tijd al heel wat, maar er zou

meer komen.

Een fitis had zitten zingen in een ahorn op mijn oever. Na een poosje

kwam hij terug en bleef even zitten op den tak, waar hij zooeven

gezongen had. Toen zwierde hij neer over het water, de zon scheen door

zijn vleugeltjes heen, en daalde neer op een eikje, wipte van daar op

een tweejarig zaailing-ahorntje en toen op den grond, waar nog meer

ahorntjes stonden, alle met roode bladluisplekjes op de bladeren.

Ik dacht, „die gaat op de bladluizen af.” Na een poosje vloog hij er

weer uit en nu kwam hij driemaal achtereen via ahorn—eik—ahorn weer

naar hetzelfde plekje terug en toen wist ik natuurlijk, dat hij daar

zijn nest had.

We zijn toen, om het fijne van de zaak te weten, met een schuitje er op

los getogen en ofschoon ik precies wist, onder welk ahorntje de vogel

telkens verdwenen was, hadden we nog heel veel moeite, om het nest te

ontdekken.

Het was heelemaal van dorre grassprietjes en plantenvezels gebouwd,

dicht ineengevlochten, met een duidelijke overkapping en de toegang was

bijna onzichtbaar. Op onze illustratie is de kap een weinig opgetild,

om de mooie witte, bijna ronde, roodgevlekte eitjes te laten zien. De

opening is daardoor zoowat tweemaal wijder dan gewoonlijk.

Over ’t algemeen is de fitis nog al gelukkig met zijn broedsels; ze

worden niet zoo dikwijls verstoord, als die van andere vogels. Men zou

verwachten, dat ze veel te lijden zouden hebben van wezels of

hermelijnen, maar dat valt bijzonder mee. Dat komt, doordat deze

roovers voornamelijk jagen op den reuk en nu laat de fitis nooit een

spoor achter op den grond, om de doodeenvoudige reden, dat hij den

grond niet betreedt.

Hij heeft, dat bleek ook bij mijn eschdoornfitis, een vasten,

onveranderlijken weg, om bij zijn nest te komen. Dat gaat van boom tot

struik, van tak tot tak en met den laatsten sprong is hij in ’t nest.

Ik heb wel eens van die takken weggesneden en dan was het vogeltje

altijd eventjes de kluts kwijt. Hij keerde terug naar zijn vorige

zitplaats, probeerde de reis nog eens en koos dan ten lange laatste een

ander steunpunt. Dat gaf verandering in de route.

Ik heb ’t nog nooit gewaagd, om ’t nest te verleggen, maar ik zou het

toch wel durven doen, want van al de fitisnesten, die ik bekeken en

natuurlijk ook aangeraakt heb, is er nog nooit een verongelukt. Hij is

aan ons al evenzeer gewend, als de winterkoning.

Als de jongen uitgekomen zijn, dan circuleeren de ouden onophoudelijk

op den toegangsweg naar het nest. Iedere minuut wordt er voedsel

gebracht. Maar nu blijkt, dat de fitis van edeler maaksel is dan de

vliegenvanger, want zelfs in deze drukke tijden vindt hij nog

gelegenheid tot zingen. Telkens, wanneer hij de kronen der boomen

afzoekt naar rupsen, blijft hij even op den tak zitten en zingt zijn

lied. Wel gaat ’t haastig en vliegt hij nog zingend op, om weer aan ’t

werk te gaan, maar zoo hooren wij dan toch het heerlijke lied tot in

Augustus.

De jongen zijn allerliefste vogeltjes, veel geler dan de ouden en in de

eerste dagen na het uitvliegen zeer geneigd tot gezelligheid, zoodat ge

het treffen kunt, ze bij halve dozijnen zij aan zij op de takken der

boomen te zien zitten. Daar worden ze nog door de ouden gevoed, maar al

na enkele dagen maken zij zelfstandige expedities in de groene

boomkronen en veel eerder dan de jonge vliegenvangers kunnen ze in hun

eigen onderhoud voorzien.

Toch bestaat er een soort van betrekking tusschen jonge vliegenvangers

en jonge fitisjes. Wanneer ze hun ouders verlaten hebben, of wanneer

hun ouders hen hebben verlaten, dan zoeken zij elkander op. In ’t

laatst van Augustus ontmoet ik telkens gezelschappen van jonge fitissen

en jonge vliegenvangers, die in sparrelaantjes en eiken kreupelhout

heel luidruchtig met elkander spelen en er gezamenlijk op uitgaan, om

aalbessen en vroege vlierbessen te eten.

Inmiddels gaan de ouden ruien. De zeer gehavende veertjes van het

bruiloftskleed vallen uit en ze krijgen nu een mooi nieuw dof groengeel

gewaad. En dan gaan ze weer zingen, alsof ze de bladeren, die ze in hun

lentevreugd aan de boomen hebben zien komen, nu bij ’t vergelen een

weemoedig vaarwel willen toeroepen. De laatste fitis, die ik dit jaar

gezien heb, zat te zingen in een ahorn met vergelend blad vol

brandvlekken. En na elk liedje wipte hij even naar omlaag, om zich te

goed te doen aan de mooie, groote, roode glimmende bessen van de wilde

kamperfoelie.

Het intieme leven der vogels · 第 29 / 36 题