Er heetten vroeger in ons land twee soorten van staartmeesjes voor te
komen; de gewone zwartgevlekte staartmees en de witkopstaartmees, die
in de boeken eenvoudig kortweg staartmees genoemd wordt. Beide soorten
geleken in leefwijze volkomen op elkander, ik heb tenminste nooit eenig
verschil kunnen waarnemen.
De witkoppige zou iets grooter zijn dan de gewone gevlekte, deze
laatste heeft aan weerszijden van den kop een breede roodbruine streep,
bij de eerste is de kop geheel wit. Die wordt daarom ook wel doodskopje
of ossekopje genoemd. De jongen zijn niet te onderscheiden, ze hebben
bij beide soorten de donkere wangenstreep.
Toen men nu overal telkens broedende paren aantrof, gevormd door
witkoppige individu’s, gepaard met zwartgestreepte is men teruggekeerd
tot een nog andere meening, n.l. dat we slechts met één soort te doen
hebben en dat de witkoppen eenvoudig oude vogels zijn. Ook bij enkele
andere vogelsoorten komt het voor, dat exemplaren in ’t jeugdkleed
reeds broeden. De troepen der staartmeezen, die ge in ’t winter
halfjaar ontmoet, bevatten ook alle vormen door elkander.
Wanneer een troep rondzwerft door het eiken kreupelhout, dan trekken ze
in ’t allereerst de aandacht, niet zoozeer door hun sierlijke
figuurtjes of den langen staart, dan wel door hun lokroep. Dat is een
zeer bijzonder geluid, volmaakt karakteristiek voor de staartmeezen.
Geen andere mees, geen andere vogel laat zulk een roep hooren: een
trillend, weinig klinkend, vochtig geluid: „srrirrrt, srirrrt.”
Indien ge dit hoort op een windstillen middag in de kerstvacantie,
luister dan nog even zonder op te zien. Dan hoort ge ook het kletteren
van de kleine klauwtjes tegen de eiketwijgen, het snorren van de kleine
vleugeltjes en telkens ook een geritsel in de dorre bladeren, ten
teeken, dat deze meesjes ook op den grond rondhuppelen om voedsel.
Eensgezind gaat de troep door het hout. Van leiding of commando geen
sprake. Nu eens is de een vooraan, dan de ander. Alleen wanneer er een
enkele afgezonderd raakt, dan komt niet de troep tot hem, maar hij moet
al roepend en naar antwoord luisterend den troep opzoeken.
’t Is een van de meest aandoenlijke herfst- en wintertooneeltjes: de
vogel, die zijn gezelschap is kwijtgeraakt. Hoog in ’t hout gaat hij
zitten, al roepend en rondziend, luider en luider worden zijn kreten.
Telkens houdt hij even op, om naar antwoord te hooren en als hij dat
niet verneemt, dan gaat hij na een laatste wanhoopskreet de lucht in,
om een eind verder zijn jeremiade opnieuw te beginnen.
Zoo kan men ’s winters dikwijls een ongelukkig meesje vinden of een
goudhaantje en dat kan dan zeer scherpe kreten uitstooten vol angst en
verlangen. Vindt hij zijn eigen troep niet terug, dan sluit hij zich
aan bij een andere en zoo ontstaan langzamerhand de gemengde
gezelschappen van meezen, boomkruipertjes, klevers, goudhaantjes, die
gedurende den winter rondzwerven.
Het schijnt, dat de staartmeezen door hun typischen lokroep in staat
zijn, om hun gezelschap beter bij elkander te houden, dan de andere
meezen, want ze worden niet zoo heel dikwijls in gemengd gezelschap
aangetroffen.
Zijn ze eenmaal in een buurt, waar ’t hun naar den zin is, dan blijven
ze daar weken lang en dan houden ze altijd vaste ommegangen op bepaalde
tijden. Het vorig jaar had ik een paar weken achtereen dag aan dag het
genoegen, dat mijn morgenwandeling naar de tram samenviel met een
staartmeezen-traject, wat een zeer mooi begin van den dag was.
Ik houd ervan, om ’s avonds met een troep mee te wandelen, want ik ben
er altijd benieuwd naar, hoe en waar de dieren den nacht doorbrengen.
In negen van de tien gevallen lukt het niet, de troep te vergezellen,
want ze leiden je op allerlei onbegaanbaar en verboden terrein. Eens
brachten ze me naar een sparrelaantje, waar ze hun nachtkwartier
hadden, zoo wat ter halver hoogte tusschen den grond en de toppen, een
andermaal naar een houtmijt, maar ik weet nog niet, of ze daar toen wel
ingekropen zijn.
Al vroeg in ’t voorjaar wordt na de verzamelkreet ook het
klokjesheldere vreugdelied gehoord. ’t Heeft wel wat van den
tertsenroep van den koolmees, maar ’t is minder scherp en beslist, voor
een mees haast droomerig langzaam. De paren zijn nu gevormd of
bestendigd, maar doordat zoo’n staartmeezengezelschap nooit even
stilzit, is daar weinig van te zien.
Nog eenige weken en de troep is ontbonden; elk paar heeft zijn
lievelingsplekje gevonden. Nu worden de grondslagen gelegd voor een
nest en ieder jaar kunt ge u tegelijk verbazen over de geslepenheid,
waarmee sommige gebruik weten te maken van verborgen hoekjes en over de
verregaande domheid en zorgeloosheid, die andere aan den dag leggen,
door hun nest op grijphoogte te bouwen tegen den kalen stam van een
boom aan een drukbetreden wandelweg.
Het spreekt van zelf, dat zoo’n openbaar nest al heel spoedig verstoord
wordt, zoodat ten slotte alleen de goed verborgen nesten overblijven.
Beide vogels werken den heelen dag. In ’t eerst vergenoegen ze zich met
een zoo groot mogelijke hoeveelheid mos bijeen te brengen, groen
bladmos, dat ze oppikken van den grond. Beurtelings komen ze aandragen,
voor zang of spel schijnt geen tijd te wezen, ze kunnen in deze dagen
niet anders doen dan bouwen. Het is ten slotte een mosklomp zoo groot
als een vuist.
Nu gaat een van de twee daarop zitten draaien met de borst omlaag, de
lange staart omhoog; een echte gymnastische beweging. Ook hierin
wisselen ze elkander af, totdat er een duidelijk goed begrensd kuiltje
is gevormd. Wanneer ze nu weer nieuw materiaal aanbrengen, dan wordt
dat niet gewoon bij den hoop gevoegd, doch de brenger gaat in ’t
kuiltje zitten en werkt het nieuwe mos in den rand.
Soms is hij daar nog mee bezig, als nummer twee met zijn vrachtje
aankomt. Nu kunnen er drie verschillende dingen gebeuren: de eerste kan
plaats maken voor de tweede, of hij kan eenvoudig het mosvrachtje
overnemen—en gewoon voortwerken of nommer twee kan naast de eerste gaan
zitten en dan werken ze allebei tegelijk.
Ik heb alle drie deze mogelijkheden in vervulling zien gaan en ik
verzeker u, dat niets mooier is dan een jeugdig staartmeesjespaar
eensgezind te zien bouwen aan hun kunstige woning. De witte kopjes gaan
op en neer, het korte gele snaveltje schuift en wringt de plantjes en
de twee lange staartjes steken omhoog als een aanwijzing, hoever de
muren nog moeten worden opgetrokken.
Toch is deze bekoorlijke samenwerking niet de meest gewenschte, want
het nest zou daardoor veel te wijd worden. Al heel spoedig wordt dan
ook de tweede werkwijze gevolgd: de eene vogel zit in ’t nest en neemt
de aangedragen materialen in ontvangst. Voorloopig is dit nog altijd
alleen bladmos.
Nog voordat het nest tot de volle hoogte is opgetrokken, komen ook de
stukjes korstmos. Het maakt den indruk, dat de vogel bij het inzamelen
van bladmos in het voorbijgaan een prachtig stuk korstmos ontdekte en
gedacht heeft: „dat moest ik alvast maar meenemen, later zou ik moeite
hebben, om zoo’n mooi brokje te ontdekken.”
De verwerker neemt het in ontvangst en plakt het alvast in aan den
buitenrand. Zoo raakt langzamerhand het groen van ’t bladmos met grijs
korstmos overdekt en zoo’n heel groote grijze korstmosklomp valt soms
gemakkelijk in het oog.
Ten slotte komt het mooiste werk: de binnenbekleeding met veertjes.
Honderden en honderden en honderden veertjes worden naar binnen
gedragen. ’t Is haast niet te begrijpen, waar die allemaal vandaan
komen. Leg bij de materialenpartij in ’t voorjaar eens een assortiment
veertjes van allerlei kleur en probeer eens te zien, aan welke ze de
voorkeur geven. Ik zou denken aan wit.
Nu gebeurt ook het staartwonder, dat in ’t geheel geen wonder is. Wat
moet een staartmees in het nest aanvangen met den énormen langen
staart? Ge ziet hem naar binnen vliegen en ge denkt, dat minstens de
helft van de staart naar buiten moet blijven steken, maar alles gaat
gladjes naar binnen. Dikwijls keert de vogel zich in ’t nest geheel om,
en dan kunt ge snavel en staart tegelijk in ’t vlieggat zien. Doch
wanneer ge even bedenkt, dat de staartveeren verbonden zijn aan den
laatsten staartwervel en dat de staartwervels ten opzichte van elkander
zeer gemakkelijk kunnen bewegen, dan ziet ge in, dat ’t een staartmees
hoegenaamd geen moeite behoeft te kosten, om zijn staart boven ’t hoofd
te houden.
Het broeden gebeurt door beide vogels afwisselend; het mooiste, wat
daarbij te pas komt, is wel het ventileeren. Dan staat het vogeltje in
de lucht te klapwieken, eigenlijk te bidden als een klein valkje en dan
maalt hij de warme lucht uit ’t nest, zoodat het tiental jongen weer
frisscher kan ademen. Vleugels en staart zijn dan wijd uitgespreid en
ge krijgt dan te zien een allerprachtigst figuur van bruin en zwart,
rooskleurig en wit, de kleuren van dekveeren en pennen.