Het was op een mistigen morgen in Maart; nog al koud, want de krokusjes
bleven gesloten. Maar het was toch al lang lente, de hazelaarkatjes
hingen lang uit en de katjes van den els waren nog wel niet los, doch
de dikke helmknoppen puilden reeds uit tusschen de purperen schubben.
Het mos was in volle glorie, sappig en groen en vol urntjes en
tonnetjes op roode steeltjes, die soms als een bouquet van vuurwerk met
sierlijke bocht ontsprongen uit den top van een enkel plantje.
De meezen riepen helder in het hout en het boomkruipertje draaide zijn
dun liedje af. Waar was de zanglijster? Die vond het te koud, om
uitgelaten in een boomtop te zitten galmen en zocht wormpjes in ’t
gras. Maar toch was het lentegevoel hem te machtig, hij moest zingen,
zooals hij daar stond in ’t groene mos en uit half geopenden bek
klonken pianissimo zijn blijde tiraden.
Dat alleen maakte de morgenwandeling reeds loonend: een zachtjes
zingende zanglijster. Maar er zou meer komen. Op een lagen beukentak,
die zich lang uitstrekte over het gazon, zat een prachtige vogel en die
zong net zoo mooi als de zanglijster.
Zijn borst was zeer mooi zacht wijnrood, deze tint werd sterker in de
harig fijne veeren van nek en mantel. Boven het blauwe oog welfde zich
de schedel, versierd met een fraai zwart gestreepte kuif. In de
vleugels blonken de mooiste kleuren van kobaltblauw, gitzwart,
sneeuwwit en kastanjebruin, een lange zwarte staart voltooide den
slanken vorm van het prachtige dier.
Houding, vorm en kleuren alles was even mooi en het groote wonder was
wel, dat een zoo schitterend gekleurde vogel zoo fijn kon zingen. Ook
hij opende den bek niet wijd, evenals die zanglijster en daardoor klonk
zijn lied niet ver. ’t Was, of hij alleen voor zichzelf zong. Maar wat
er van te hooren viel, was heel mooi, de meest melodieuze gedeelten
werden telkens herhaald en telkens kwamen imitaties van andere geluiden
te voorschijn, geluiden van wulp, kievit, koolmees en roodborst: juist
zooals bij de zanglijster.
Een tuinknecht kwam met een kruiwagen, en met een woeste angstkreet
ging de prachtige vogel op de vlucht. Bij ’t vliegen kwam op de
uitgespreide vleugels nog meer blauw en wit en bruin te voorschijn en
ook ’t einde van den rug blonk in schitterend sneeuwwit. Als een bonte
vlinder verdween hij tusschen de donkere dennen.
Den volgenden morgen leerde ik de mysterieuse prachtvogel met den
fluisterzang nog van een andere zijde kennen. Ik werd wakker vroeg in
den morgen, een uur voor zonsopgang. Buiten was het helder licht, niet
door de morgenschemering maar door de maan, die een paar dagen geleden
vol was geweest. De roodborstjes en de winterkoning zaten al te zingen.
Opeens vertoont zich in ’t heldere maanlicht de prachtvogel. Met een
mooien sprong komt hij neer op een tak van een klein eikje, vlak bij de
geopende balkondeuren. Hij zingt zijn fluisterlied. Nu komt een tweede
vogel opdagen, een derde, vierde, vijfde en alle gaan ze zitten in het
kleine eikje, druk zwatelend met ingehouden stemmen.
Ze zien elkaar niet aan, schijnen elk verdiept in hun zang, huppelen
wat op en neer, kijken verschillende kanten uit. Noord, Oost, Zuid,
West en gaan dan den hals rekken, kop buigen, kuif opsteken, wiegelen
op de pooten en staarten spreiden en vleugelskleppen.
Om nu eens een oud ezeltje van stal te halen: ik wist niet, of ik
waakte of droomde, zoo zonderling en vreemd was deze pantomime. Maar ik
hoorde toch ook nog de roodborst en den winterkoning en mijn horloge
ook, dus ’t was wel degelijk werkelijkheid.
Het tooneel duurde een minuut of drie, altijd met zacht gezang, totdat
ze als bij afspraak een allerafgrijselijkst gekrijsch aanhieven en in
volle vaart wegstoven.
Later heb ik nog zoo iets gezien, op klaarlichten dag in het bosch en
vele malen zullen mijn lezers in ’t voorjaar het eind van de pantomime
hebben bijgewoond: een zwerm gaaien, die met elkander krijschend
opvliegen uit het hout. Ze hebben dan daar hun bijeenkomst gehad, hun
lente-ontmoeting.
Nu weet ik dat pas een jaar en ’t spreekt van zelf, dat deze
bijeenkomsten veel moeilijker te bespieden zijn dan de
kemphaantjes-tournooien of de wulpenwals. Gij moet u dus niet erover
verwonderen, dat ik met groote bezorgdheid de pogingen aanzie, die
sommigen uwer in het werk stellen, om dezen prachtigen zangvogel,
waarvan wij de natuurlijke historie nog bij lange na niet kennen, van
het aardrijk te verdelgen.
Ik heb graag gaaien om mijn huis. Ook houd ik veel van kleine
zangvogeltjes; het eene is niet onvereenigbaar met het andere. Eeuwen
aan eeuwen hebben de gaaien en de kleine zangvogeltjes zich zij aan zij
vermenigvuldigd en ze zijn er geen van beiden minder op geworden.
Ja, in vroeger tijd hadden de kleine zangvogeltjes nog meer vijanden
dan thans; toen was het aantal der roofvogels veel grooter. Thans zijn
er in den zomer niet veel sperwers, valken of havikken, die ze
bedreigen, de raven zijn in ons land haast uitgestorven en ook het
klein viervoetig roofgedierte is sterk in aantal verminderd.
Er bestaat dus geen enkele noodzakelijkheid, om nu ineens zoo tegenover
de gaaien van leer te trekken, en het zou zeer te betreuren zijn,
wanneer men er in mocht slagen, hen uit te roeien, zooals in sommige
streken al met den ekster het geval is.
Den heelen winter liggen voor het raam van mijn studeerkamer de eikels
voor hem gereed op den grond in een klein boschje. Ik kan juist op de
plek kijken, waar ze liggen en als de gaai van zijn werk opziet, dan
kan hij mij bespeuren achter mijn werktafel. Het raam is overdag altijd
open.
Ze gaan voor mij niet meer op de vlucht en ze krijschen me ook niet
tegen, als ze me zien. Een gaai steekt het niet onder stoelen of
banken, als hij het land heeft aan iemand. Mijn buurman schiet er wel
eens op, omdat ze zijn doperwtjes opeten en hij krijgt dan ook een
behoorlijke dosis verwenschingen naar zijn hoofd, als ze hem maar in de
verte zien. Van jagers en geweren zijn ze ook voldoende op de hoogte.
Ook wanneer ze geen mensch zien, dan schijnen ze toch eenig besef te
hebben van zijn wandaden. Ik wandelde eens in de vallei van de Trommel,
een van de voorste valleien van onze duinen. Zij heeft maar één
onaangename eigenschap, nl. dat ze juist ligt in het verlengde van de
schietbaan van het Haarlemsche garnizoen.
De Trommel ligt nu wel meer dan een halve kilometer buiten de roode
vlag, maar dat belet niet, dat de kogels heel vroolijk langs de vlag
heen door de vallei komen fluiten en dat maakt ’t wandelen in die
vallei altijd tot een eenigszins martiale ontspanning. Onophoudelijk
fluiten er kogels over je heen met een heel merkwaardig crescendo en
decrescendo, gepaard aan glijdende rijzingen en dalingen van toon.
Ondanks de verzekering van deskundigen, dat die kogels veel te hoog
vliegen, om te deren, ondervind ik toch altijd eenige bezorgdheid en ik
zoek dan ook heel dapper de hellingen op, die een beetje aan de lijzij
van den kogelregen liggen. Toch wil ik die vallei niet opgeven, want ’t
is er veel te mooi.
Nu, ik was daar weer eens „en campagne” en toen sloegen de kogels
werkelijk in de berkentoppen van een boschje, waar juist een aantal
gaaien iets te doen hadden. Dat geschreeuw was toen de moeite waard,
duidelijk waren er de hevigste anti-militairistische vitupiraties uit
op te maken en zeer zeker brachten de vogels verband tusschen het
knallen van de schoten en het afrukken van de takken.
Ja, er is geen enkele vogel, die in zijn stem en gebaren zooveel haat
en verachting kan leggen; hij uit zich ook nog wel scherper dan de kat
en de slang. Natuurlijk is er negen tienden angst bij, maar dat
verandert niets aan de zaak. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat
iemand, die met recht zoo door de gaaien wordt uitgekreten, wel
eenigszins tot weerwraak wordt geprikkeld.
Tegenover mij bewaren ze een beleefd stilzwijgen en ze eten mijn eikels
met goeden appetijt.
Ze komen uit een bosch aan de overzijde van den weg, steken den weg
over, zitten even op ’t hek, vliegen dan in een hoog eikje en dalen
trapsgewijze neer van tak tot tak, steeds rondziende en telkens met de
kuif in de hoogte. Eindelijk is de grond bereikt, vinken,
heggemuschjes, koolmeezen, winterkoninkjes, die er bezig zijn, gaan
nauwelijks voor hem op zij.
Met een paar logge sprongen, ietwat herinnerend aan die van de groote
lijsters, maar minder flink, bereikt hij den eikelhoop en pikt er de
mooiste uit. Nu vliegt hij op, naar een tak, ongeveer twee meter hoog,
neemt den eikel onder beide pooten en gaat hem schillen. Hij pikt een
gat in de vruchthuid en trekt die bij enden eraf. Ten slotte wordt de
blanke eikel bij stukjes opgepeuzeld.
Dat ziet er heel genoeglijk en eekhoornachtig uit. Nu haalt hij er nog
een en daarmee gaat het op dezelfde manier, doch daarna is zijn honger
gestild en nu begint de zorg voor den winter.
Weer staat hij bij den eikelhoop, maar nu wat wakkerder dan daareven.
Snel achtereen verdwijnen een tiental eikels met schil en al door zijn
keelgat, de krop zwelt merkbaar. Eindelijk heeft hij genoeg en topzwaar
vliegt hij heen naar ’t boschje, waar hij zijn schuilhoeken heeft, en
daar gaat hij zijn eikels begraven, in de hoop, dat hij ze later, als
hij honger heeft, zal terugvinden.
Hij begraaft ze niet alle op één plek, maar hier een en daar een. Ik
heb er eens een bezig gezien in een dennenbosch en dat leek net alsof
er iemand bezig was, om aardappelen te poten. Hij stootte met zijn
snavel een gat in den grond, stopte den eikel erin en woelde de
dennennaalden er weer over heen. Dat ging zoo zes keer achter elkander.
Een andermaal zag ik boven op Duin en Daal een gaai heel nieuwsgierig
doen. Hij was zoo vol belangstelling voor wat er onder hem gebeurde,
dat hij mij in ’t geheel niet opmerkte, of hij kende mij, althans hij
bleef voortgaan met zijne bezigheden, alsof er geen wolkje aan de lucht
was.
Ik kon mijn kijker voor den dag halen en wat was het nu? Een tweede
gaai was ook weer tusschen dennetjes bezig met eikels poten en daar zat
die eene, wellicht met zelfzuchtige bedoelingen naar te kijken: een en
al aandacht.
Met dat begraafinstinct hangt samen dat zij, wanneer ze honger hebben,
den grond gaan omwoelen. Ze zijn dan druk bezig op den boschbodem,
gooien de stukken blad opzij op de manier van zwarte lijsters en
plukken evenals de kraaien heele stukken mos uit den grond.
Zoo’n bosch kan er dan uitzien alsof er een regiment wieders aan den
gang is geweest. Onder dat mos vinden ze dan niet alleen begraven
vruchten, maar vooral veel insecten, poppen, eieren en volwassen
insecten. Denk er om, dat zij op zoo’n oogenblik nuttig zijn. Het mos
groeit wel weer aan, zelfs wordt ’t nog weliger dan voorheen en de
insecten zijn opgeruimd.
Strijk en zet komen ze hier ook eten aan den voederbak en dan nemen ze
bij voorkeur brood. Trouwens brood is een echt universeelvoeder. Alle
vogels eten bij mij brood, merels en koolmeezen niet het minst en zoo
is het dan volkomen waar, dat ge de vogels gedurende den winter
volkomen kunt voeden met de kruimkens van uw tafel.
Merkwaardig is het, dat de vogels in den winter niet den minsten angst
voor de gaai aan den dag leggen. Ze zien wel wat tegen hem op om zijn
grootte en gaan voor hem uit den weg, als hij meenens met de zaak
maakt, maar geen van allen laat de alarmkreten hooren, die het pad van
de gaai begeleiden gedurende den broedtijd. Hieruit zou men mogen
afleiden, dat hij zich althans ’s winters niet vergrijpt aan volwassen
vogels.
Zomer en winter komen ze baden in het heldere water in een groote
roodaarden schotel in mijn grasperk. Er zat dezen zomer een nest van
bruine mieren onder en dan gingen ze vaak voor of na het bad een klein
mierenversnaperingetje gebruiken. Die mieren leveren voedsel aan alle
vogels.
Eens, ’t was in Augustus, had een gaai geplast en geplast, alsof er
geen eind aan zou komen. Een kauw of een merel zou het hem niet hebben
kunnen verbeteren, maar nu was hij dan ook door en door druipnat. Toen
huppelde hij naar een open plekje in ’t grasveld, heetgebakken door de
zon en ging daar languit op zijn buik liggen met den staart en de
vleugels zoo wijd mogelijk uitgespreid.
O, wat was dat mooi! Ik had op dezelfde plek merels ook wel zoo zien
doen, en dat was ook de moeite waard, maar het haalde niet bij de
pracht en schittering van deze gaai, met al zijn kleuren wijd
uitgespreid in de felle zomerzon.
De vleugels waren zoo wijd uitgespreid, dat de bovendekveeren van de
slagpennen in hun geheel te zien waren, zoodat bleek, dat de
duimvleugelveertjes geheel en al de zwart met blauwe blokteekening
vertoonen, terwijl de dekveertjes maar voor de helft zoo mooi zijn, de
andere helft is zwart.
Dat blauw met zwart zit nog op andere plaatsen, de kleine slagpennen,
die voor het grootste gedeelte wit zijn, hebben aan de buitenvlag ook
de zwart met blauwe blokjes, bij sommige gaaien meer, bij andere
minder. De mooie kastanjebruine veeren zitten aan den elleboog.
O, het is wel heerlijk, die mooie vogelveertjes te zien, en als ik een
dooden vogel in handen kan krijgen, al is het ook een gewone musch, dan
kijk ik altijd met veel belangstelling naar de mooie kleuren en lijnen,
die het vogelkleed vertoont. Ook heb ik een paar gaaienveeren in een
doos met naphtaline van een vogel, wiens dood ik op mijn geweten heb.
Dat is zoo gegaan. Ik had in ’t boschje voor mijn studeerkamer een hoop
takkenbossen gelegd als schuilplaats voor de wintervogeltjes. Daar
voerde ik ook voornamelijk de winterkoninkjes, roodborstjes en
heggemuschjes, die aan den grooten voederbak geen beurt konden krijgen.
Ik strooide Sluis’ universeelvoer bij volle handen in ’t binnenste van
de takkenbossen en ’t was een lust, hoe den heelen dag de kleine kruip-
en sluipvogeltjes door de takken scharrelden.
In ’t voorjaar waren die takken al aardig vermolmd en ik besloot ze te
laten liggen, in de hoop er een nest van winterkoning of heggemusch in
te krijgen, en dan rekende ik erop, dat er zich in den loop van ’t jaar
allerlei ongedierte in zou ontwikkelen, insecten meen ik.
Er kwam ook ongedierte, maar in plaats van insecten, vestigde zich daar
een familie van de groote, vieze, moorddadige, bruine rat. Er zat niet
anders op, dan de takkenbossen op te ruimen en de ratten dood te slaan,
wat dan ook gebeurde, maar er ontsnapten twee kleine ratjes en die
hebben ons den heelen zomer veel te doen gegeven.
We hebben ze achtervolgd op allerlei manieren en zoo heb ik dan ook
eenige dagen achtereen een rattenval in mijn tuin gehad. Tot mijn zeer
grooten spijt hebben we daarin een gaai gevangen. Die gaai was
afgekomen op het brood in een tijd dat hij zich volgens de boeken
uitsluitend en alleen moet voeden met jonge vogeltjes. Hij was morsdood
en ik heb toen van ’t cadaver zooveel mogelijk trachten te profiteeren
en de mooie vleugels mee naar Amsterdam genomen, om aan mijn leerlingen
te vertoonen.
Onmiddellijk ben ik toen begonnen met zomervoeding op groote schaal. Ik
zag opeens in, dat niet alleen de gaai, maar de meeste vogels in den
broedtijd misschien meer moeite hebben, om het noodige voedsel te
krijgen dan in den winter. In den winter hebben zij alleen voor
zichzelf te zorgen, maar ’s zomers zijn de jongen en het broedende
wijfje er ook.
Nu is het misschien niet altijd mogelijk om geschikt voedsel voor de
jongen te geven, maar wij kunnen in elk geval ervoor zorgen, dat de
oude vogels snel en zonder moeite hun honger kunnen stillen. Wij hebben
dan ook op groote schaal met brood gevoerd en hadden de voldoening dat
gaaien, lijsters, vinken, meezen en roodstaartjes dankbaar van de
geboden gelegenheid gebruik maakten.
Mijn gaaien hadden hun nest in laag eikenhout, niet ver van ons huis:
een mooi nest van takjes en stengeltjes en van binnen heel mooi bekleed
met worteltjes, meest boomworteltjes, die ze uit den grond plukten. Er
waren vier grijze heel fijn bruin gespikkelde eieren in en wat een
groot wonder is, de vier jongen zijn alle groot geworden. Dat kan niet
gezegd worden van het hongerig vijftal van onze foto, want de jager van
Jachtlust is verplicht, om iedere gaai te dooden, elk gaaiennest te
vernielen.
Ze waren al op het punt, om uit te vliegen, de middelste gaper vertoont
al duidelijk de mooie duimvleugel.
Zeer zeker worden de jonge gaaien voornamelijk gevoed met jonge
vogeltjes. Iederen morgen strijk en zet kort voor zonsopgang was er
groot alarm onder de musschen op mijn dak: de gaai kwam zijn prooi
halen. Wanneer hij zich nu maar wilde beperken tot musschen, dan was
het nog zoo erg niet, dan zou zijn optreden wellicht met sympathie
worden begroet.
Hij vraagt echter niet naar ons voordeel of onze voorkeur, maar neemt
wat ’t makkelijkst te bereiken is, zoodat hij het schrikbeeld wordt van
elken broedenden vogel. Zoodra hij zich vertoont, gaan allerwegen
alarmkreten op en de oude vogels wagen het zelfs, om hem aan te vallen.
De groote lijster vreest hem niet en ook de merel, of liever het
merelpaar weet haar broedsel te verdedigen.
Maar aandoenlijk is het, om de kleine vogeltjes, de meesjes,
roodborstjes, winterkoninkjes in angst en verslagenheid te zien. Nu
eens lijken ze te schelden, dan te smeeken en altijd vliegen ze in de
grootste opgewondenheid om den roover, die in onze lichte bosschen en
goed onderhouden tuinen gemakkelijk zijn slag kan slaan.
Daarin zit het grootste gevaar. De woeste plekjes verdwijnen. Waar
vindt men nog ondoordringbaar struweel van bramen en rozen, van dorens
en kamperfoelie? De woeste boschranden, de breede hagen, alles wordt
weggeruimd en opgeknapt en daardoor missen de kleine vogeltjes hun
schuilplaatsen en toevluchtsoorden. In de duinen geeft de nooit
volprezen duindoorn nog veiligheid aan duizenden vogels, maar
daarbuiten is het treurig gesteld.
Het is te hopen, dat een welbegrepen vogelbescherming leiden moge tot
het aanleggen van vogelschuilplaatsen. Die kunnen, uit een aesthetisch
oogpunt beschouwd, ook zeer mooi zijn, eigenlijk vind ik een tuin
zonder vogels in ’t geheel niet mooi, al groeien er de prachtigste en
zeldzaamste gewassen.
Zeer stellig zal in dien vogeltuin ook een plaats toekomen aan de
Vlaamsche gaai en dan moeten wij hem er dankbaar voor zijn, wanneer hij
naar behooren zijn wreede taak uitvoert: het beperken van de
vogelsoorten, die zich te snel vermenigvuldigen.