Hij heeft geen tijd om te zingen. Alleen in de eerste weken van Mei,
den allerschoonsten tijd van het heele jaar, zingt hij vroeg in den
morgen. Later dan half acht en half Mei heb ik hem nooit gehoord.
Ook heeft dat liedje niets bijzonders. Het is zilverrein, maar zonder
timbre, tempo of toonval, herinnerend aan menschelijke muziek of
menschenstemmen. De gewone wandelaars toch beoordeelen de vogelmuziek
van hun menschelijk standpunt, zij „begrijpen” de hartstochtelijkheid
van een nachtegaal, den „jubel” van den leeuwerik, het serene altgeluid
van de merel, den levenslustigen roep van den vink.
Maar het fijne korte liedje van het stilzittende grijze vogeltje blijft
onopgemerkt en alleen de geoefende waarnemer geniet van de zekerheid,
dat ook deze kleine, eenvoudige, vlijtige arbeider zijn
verrukkingsmomenten heeft. Hij zit meestal hoog in de boomen, wanneer
hij zingt.
Al zingt hij weinig, toch gevoelen wij in voldoende mate zijn
aanwezigheid. Waar ge ook in den zomer loopt, in tuinen, parken,
bosschen en langs de wegen, overal zit de stille gezel, hier op een
paal, daar op een telegraafdraad, op een hek, een boonenstaak of een
dorren tak.
De donkere vleugeltjes liggen saamgevouwen over den staart, ze zijn
iets donkerder dan de grijze rug; keel, borst en buik zijn lichtgrijs
met mooie bruine lengte-streepjes. Een eenvoudig, maar zeer mooi
vogeltje met heel eventjes bedrukt-domme gelaatsuitdrukking, doordat
snavellijn en schedellijn bijna onmerkbaar in elkander overgaan.
Minutenlang zit hij doodstil.
Opeens springt hij op, slaat de vleugels uit, vliegt een paar meter ver
en keert weer naar zijn standplaats terug: hij heeft een vlieg
gevangen. Dat gaat met veel gratie en vlugheid, het opspringen, het
rondfladderen, het terugzwieren, het is alles even bekoorlijk van
beweging en uiterst mooi is het opvouwen en neerkleppen van de vleugels
op het oogenblik dat hij weer zitten gaat.
Soms behoeft hij niet eens te vliegen, hij snapt ’t insect op in ’t
voorbijgaan, juist zooals wij wulp en lepelaar hebben zien doen. Maar
dat waren dilettanten, hier is de artist aan ’t werk. En zelf wordt hij
dilettant, wanneer hij probeert een vlugge zweefvlieg of een
snelvliegenden vlinder te verschalken. Dat kost hem veel inspanning en
vertoon van vliegkunst; dat is dan ook zwaluwenwerk.
Deze vogel kan ons weer veel leeren. Er is geen klasse van dieren, die
zooveel gegeten wordt, als de insecten, en daarmee staat in verband,
dat hun voornaamste zorg is, om niet gegeten te worden. Sommige
beschikken over geduchte verdedigingsmiddelen, zooals bijen en wespen,
andere schijnen een afschuwelijken smaak te hebben, nog andere weten
zich te redden door een grillige vlucht en weer andere vinden hun heil
erin, dat zij gelijken op gevaarlijke of onsmakelijke klassegenooten,
of op de omgeving, waarin zij verkeeren, zoodat zij als het ware
onzichtbaar zijn.
Hoe gedraagt zich nu de vliegenvanger? Durft hij bijen en wespen
aanvallen, doorziet hij de vermomming van hommelvliegen, blinde bijen,
wespvlinders en zweefvliegen? Lust hij Sint Jacobsvlinders of Sint
Jansvlinders? Reageert hij op schrikkleuren?
Ziehier een aantal vragen, die ik mij altijd stel, wanneer ik in de
gelegenheid ben een vliegenvanger waar te nemen. Zijn handelingen
vormen een doorloopende critiek op de beweringen der entomologen en wel
een heel gunstige.
Slechts eens heb ik een vliegenvanger een wesp zien pakken en dat
beviel hem heel slecht, want hij zat nog wel een kwartier lang zijn
snavel af te vegen en dat is altijd een bewijs, dat het niet lekker
was. Toen drie jaar geleden de Sint Jacobsvlinders hier vlogen bij
duizenden, was er niet een vliegenvanger die er naar hapte, maar de
groene motjes van den eikenbladroller verslonden ze bij honderden. Aan
Mei- en Julikevers waagden ze zich niet, de kleine kortschildkevertjes
en mestkevers waren een welkome buit. Doch het hoofdvoedsel bestond
voortdurend in muggen en vliegen. Omtrent zweefvliegen heb ik nog geen
enkele beslissende waarneming.
Men heeft van dezen vliegenvanger ook weer evenals van de nachtzwaluw
verteld, dat hij op walvisschenmanier met wijdgeopenden bek zou
rondvliegen. Er is weer niets van waar. Doordat hij dikwijls binnen een
zeer kleine ruimte zijn prooi bemachtigt, is het zeer gemakkelijk, hem
daarbij in het veld van een goeden kijker te houden en dan is duidelijk
waar te nemen, wat trouwens met het ongewapend oog ook wel te zien is,
dat hij rondvliegt met gesloten snavel en alleen op het laatste
oogenblik bliksemsnel toehapt.
Hij verstaat een nog veel moeilijker kunst. Wanneer er jongen zijn, dan
worden die voornamelijk gevoed met kleine insecten, liefst muggen. Maar
nu kun je als vliegenvanger niet voor elke mug de reis heen en weer
naar het nest maken. De vogel vangt daarom een aantal muggen na
elkander en nu lijkt het mij zeer moeilijk, om met den snavel een
nieuwe mug te grijpen zonder de reeds gevangene te verliezen. Toch doet
de vliegenvanger dit met de grootste zekerheid en ik geloof dat hij
daarbij profiteert van de stijve borstelharen in de mondhoeken, die
volgens de walvischtheorie dienen om zijn vangbek te vergrooten.
Dit kunststuk kan hij zelfs volbrengen in den schemeravond, want hij
arbeidt nog na zonsondergang. Op kille en donkere dagen, wanneer er
weinig in de lucht rondvliegt, zoekt hij zijn prooi in ’t grasveld en
dan laat hij de musschen zien, hoe ze dat eigenlijk doen moeten. De
musschen hebben daarin reeds een zekere ervaring verworven: ge kunt ze
dikwijls als kleine valkjes boven het gras zien bidden en dan opeens
neerschieten om hun prooi te pakken.
Dat is dan de helft van het aantal malen mis en met onverstoorbaar goed
musschen-humeur beginnen ze dan weer van voren af aan. Zoodra de
vliegenvanger zich op dat grasland vertoont, ziet ge, dat een meester
aan ’t werk is. Zijn bidden duurt niet half zoo lang als dat van de
musschen, maar in dien tijd heeft hij met onfeilbare juistheid zijn
doel gemerkt en niets ontgaat hem.
Hij is bij dergelijk koud weer wel het meest op zijn kracht. Zie hem
dan vliegen vangen langs een boomstam of een schutting. De vliegen
zitten daar warmpjes buiten den wind te wachten op beter weer en nu
komt het vogeltje in zwevende vlucht daarvoor. Loodrecht rijst en daalt
hij, voortdurend biddend en hij slaagt er telkens in, iets te
vermeesteren.
Het oppikken van de prooi geschiedt dan meestal in de vlucht, maar ook
klemt hij zich wel een enkel oogenblik aan de boomschors vast, zoodat
men zou kunnen meenen dat daar een boomkruipertje aan ’t werk was. Hij
heeft zoo naast zijn eigen manieren ook nog die der zwaluwen en
spechten.
Een des te grooter wonder is het, dat hij niet meer tijd heeft. Dat
ligt hoogstwaarschijnlijk wel aan de omstandigheid, dat hij loerend
jaagt, het stilzitten doet het hem. Indien hij kort en goed geheel en
al de methode der zwaluwen ging volgen, dan zat hij niet den heelen dag
in angst en arbeid en dan zou ook bij hem het schoone kunstleven tot
rijker bloei kunnen komen.
Doch laat ons niet vergeten, dat hij in den nestbouw mag gelden voor
een echt virtuoos, en dat hij nog maar een kleine aanmoediging noodig
heeft, om de vrees voor de menschen af te leggen, ook hierin zijn
verwantschap toonend met de zwaluwen.
Onze foto van den broedenden vliegenvanger vertoont een nest, dat
gebouwd was in het spalier van een klimroos tegen het café Klein
Velserend onder Santpoort, een klein druk bier- en theehuisje op den
weg van het station Santpoort naar de ruïne van Brederode.
Het wordt gehouden door een jager en oud-vinker en dezelfde man, die
door zijn beroep genoodzaakt was, ieder jaar duizenden vogels om het
leven te brengen, heeft de omgeving van zijn woning gemaakt tot een
toevluchtsoord voor allerlei gevogelte, dat door zijn talrijke kinderen
nimmer wordt geschonden.
De vliegenvanger in de klimroos heeft dan ook tweemaal een broedsel
gelukkig grootgebracht. Het is de moeite waard, deze foto goed te
bezien. Deze vogel heeft het nest gebouwd op een kruispunt in het
spalier juist door het vorkpunt van twee dikke takken en door nu zoo
met mos en vezels te werken, dat de kleuren in het geheel niet
afsteken, heeft hij weten te bereiken, dat het grauwe nestklompje daar
volkomen op zijn plaats lijkt en geheel past in het systeem der lijnen
van de omgeving.
Dit, laat ik maar zeggen, architectonisch en coloristisch talent is bij
den vliegenvanger buitengewoon ontwikkeld en bij elk nest opnieuw op te
merken.
Op Elswout staat een tuinhuisje, van buiten bekleed met boomschors. De
voorgevel is van eenvoudig balkwerk, staande balken met een dwarsbalk
die de kap draagt, er over heen.
Nu heeft dit jaar een vliegenvanger zijn nest gebouwd op den dwarsbalk
en wel precies in het verlengde van den verticalen steunbalk en zoo in
de kleur, dat het eenvoudig leek, alsof de staande balk even boven den
dwarsbalk was voortgezet. Wij komen daar dikwijls, maar het nest had al
eieren, eer wij het ontdekten.
Het zal u niet moeilijk vallen, ook in dit opzicht aardige vondsten te
doen; ik houd mij altijd aanbevolen voor een foto; daar is steeds veel
uit te leeren.
Op onze illustratie zijn nog een paar aardige dingen te zien. De
bladeren van de klimroos vormen natuurlijk een belangrijk element in de
omgeving. Dat behoorde ook in het nest vertegenwoordigd te worden.
Daarom heeft onze vliegenvanger een rozenblad luchtigjes over zijn nest
gehecht.
Had hij het botweg erin gevlochten, dan zou daardoor het nest meer in
’t oog vallen, maar nu heeft hij door een enkel draadje het blad over
’t nest heen gehaald. ’t Is op de reproductie niet zoo heel duidelijk
te zien, maar op de foto zelf zeer goed en in de werkelijkheid was het
frappant. Het draadje zit tusschen het eerste en tweede bladpaar van
het samengestelde blad.
Een feit als dit is van het allergrootste gewicht, want we staan hier
weer voor de vraag: In hoeverre handelt de vogel bij deze gelegenheden
met oordeel? In den laatsten tijd openbaart zich een sterke neiging, om
de handelwijze der dieren te beschouwen als een uitvloeisel van oordeel
en overleg en het is bijna een regel geworden, om te spreken van
opvoeding en onderwijs van jonge vogeltjes.
Daar staat weer tegenover, dat anderen alles toeschrijven aan blind
instinct en toeval. In dit geval kan men ook met zeer veel succes
beweren, dat het rozenblad bij het invlechten van een draad toevallig
in die gunstige positie is gekomen. De draad hing toevallig over het
blad heen en toen heeft het ordelievend vogeltje het wapperend eind
beetgepakt en in den nestwand gewerkt. Daardoor werd het blad dan
vastgehecht.
Nu zouden we al een heelen stap verder zijn, wanneer we dat werkelijk
gezien hadden. Het komt dus weer aan op het doen van waarnemingen, nog
eens waarnemingen en weer waarnemingen, niet alleen letten op
bijzonderheden, maar ook nota nemen van de meest gewone diertjes, de
meest alledaagsche gebeurtenissen, want daarin schuilt veelal de meeste
leering.
Langdurige waarnemingen aan jonge vogels en vooral aan graafwespen (die
zijn veel gemakkelijker te bestudeeren) hebben bij mij het vermoeden
gewekt, dat gedurende jeugd en lente bij de handelingen wel degelijk
sprake kan zijn van overleg, gesteund door ervaring, maar dat zeer
spoedig de routine het geheele gedrag gaat bepalen.
Nog even een blik op ons „huistype” eer we het „boomentype” van het
vliegenvangersnest gaan bezien. Links van het aangenaaide rozenblad,
ter plaatse waar het nest in een punt afloopt op den dwarsbalk, ziet ge
eenige lussen van wit garen. Dit ter verklaring van den naam
„garendiefje”, die wel aan het vogeltje wordt gegeven.
Wij leeren daaruit, dat de vliegenvanger—en trouwens de meeste
vogels—niet ver gaat, om bouwmateriaal te zoeken, zoodat aan een
geïsoleerd nest al te zien is, uit wat voor buurt het afkomstig moet
zijn. En waar ge een vogel bezig ziet met het verzamelen van
bouwmateriaal, daar is ’t nest niet ver te zoeken.
Ook kunt ge de vogels tot bouwen aanmoedigen, door hun nestmateriaal
ter beschikking te stellen: draden, veertjes, watten, vezels, linten.
Ik heb daar al heel veel plezier van beleefd. Doch geef nooit te lange
draden, want dan kunnen de vogels erin verward raken en verworgd
stikken in uw weldaden.
Het boomennest, onze volgende illustratie, vertoont ook zeer duidelijk
de toepassing van het beginsel: nestmateriaal uit de omgeving. De
binnenbekleeding bestaat geheel uit wortelvezels en vaatbundels, de
taaie overblijfsels van afgestorven planten van het vorige jaar, die
den heelen winter op den grond hebben liggen te vergaan. Daaronder zijn
draden van groote fijnheid, die de vergelijking met een vrouwenhaar met
de allergrootste gerustheid kunnen doorstaan.
De buitenbekleeding is van korstmos en daardoor gaat dan in oude
vruchtboomen het nest weer zoo op de omgeving gelijken, dat het
onopgemerkt blijft. Hier in het jonge beukengroen is van gelijkenis
echter geen sprake, alleen de algemeene indruk redt de positie.
In een stamroos vonden we een vliegenvangernest, dat bijna in ’t geheel
geen korstmosbekleeding had, dat was dan ook in de keurig onderhouden
rozengaarde nagenoeg niet voorhanden. Maar hier was de buitenbekleeding
van fijne bladmossen, zooals die tusschen het gras groeien en daardoor
was het nest, dat zich in een onbebladerde vork bevond, minder
opvallend, dan het geweest zou zijn, indien het bekleed was geweest met
het witgrijze korstmos.
Dit nest werd uitgehaald. Een kind of een kinderachtig mensch had geen
weerstand kunnen bieden aan de zucht, om de mooie, licht roodbruine
eitjes met de donkere vlekken te bezitten. Een paar dagen later was ook
het nest verdwenen, doch hierbij was geen baldadigheid in ’t spel. De
beroofde vogels zelf hadden hun oude woning afgebroken en met hetzelfde
materiaal in een veilige klimop een nieuw huis gebouwd.
De eitjes van den vliegenvanger varieeren sterk in kleur, de grondkleur
gaat van lichtgroen tot bruinrood, de vlekken zijn bruin en zeer
dikwijls, zooals ook op onze illustratie, in een krans om de breede
pool. Ze zijn buikiger dan de grasmuscheieren, waar ze anders veel op
gelijken.
De jongen zijn alleraardigste, drukke hongerlijders. Ze hebben een
meelachtig bleeke grondkleur met veel vlekken en strepen en mooie
blauwe oogjes. In de eerste dagen is hun voornaamste werk stilzitten,
geeuwen, honger hebben en veeren krijgen, maar na een dag of tien
vliegen ze uit en dan begint in de boomen en struiken de opvoeding der
jonge vliegenvangers.
Alweer doet zich de vraag voor: in hoever handelt de oude hier met
opzet en overleg. Ik geloof, dat hier het initiatief in hoofdzaak
uitgaat van de jongen. De jongen worden niet uit het nest gejaagd of
gelokt, maar op een mooien morgen voelt haantje de voorste dat hij
sterk genoeg is, om zich vrij te maken uit het benauwde gedrang in het
warme nest, waar voor een dik jong vogeltje geen plaats genoeg meer is
te vinden en waar het krioelt van ongedierte.
Al dikwijls is hij tot op den rand gescharreld en daar heeft hij ook
wel zijn vleugels bewogen, dat was zoo lekker koel, maar hij had er nog
altijd geen besef van, dat je nog ergens anders kunt wezen dan in zoo’n
nest. Nu tuimelt hij over den rand en merkt dat hij vliegen kan.
De ouden hebben het zien aankomen en zitten opgewonden toe te zien. Ze
vliegen heen en weer en roepen onophoudelijk „tak, tak, tak.” Ik
geloof, dat ze dat doen uit ongerustheid, andere beweren dat ze de
jongen aanmoedigen en voorlichten; wie zal ’t uitmaken?
Intusschen is de held aangekomen op een boomtak. De algemeene agitatie
heeft zich nu ook uitgebreid in het nest en zelfs tot belangstellende
buren. Het eene jong volgt nu ’t andere, maar er blijven er altijd nog
een of zelfs twee, uren lang in ’t nest.
Dan hebben de ouden een druk leven: ze moeten voeren op den tak en
voeren in ’t nest. De uitgevlogenen zijn ’t drukst, ’t talrijkst en
schreeuwen het hardst, zoodat het jong in ’t nest hoe langer hoe minder
krijgt en ten laatste uit puren honger op het hongergeschreeuw der
anderen afgaat en zijn plaats inneemt in de rij.
En nu gaat het dag aan dag van boom tot boom. Zoo stil de ouden zijn,
zoo luidruchtig gedragen zich de jongen, als ze voer zien naderen. ’t
Is „tsie, tsie,” zonder ophouden, het hongergeluid der jonge
vliegenvangers is een van de meest gewone Juli- en Augustusgeluiden.
Terwijl de ouden op jacht zijn, zitten ze stil op hun tak en nu begint
hun eigenlijke opvoeding. Daar heb ik al wat dikwijls met genoegen naar
liggen kijken en dat is haast net zoo aardig, alsof je een zuigeling
voor ’t eerst ziet lachen.
Ze zitten in ’t eerst doodstil, op hun hielen neergezakt en ze worden
alleen actief, als de oude vogel voor hen komt fladderen met voedsel.
Dan gaan de oogen en de bekken open en de brutaalste krijgt ’t meest.
Na een poosje kijken ze wat fermer en nu zie je het gebeuren, dat er
een een voorbijvliegend insect nakijkt. Het snaveltje, dat tot nog toe
vlak rechtuit wees, beschrijft een boog in de richting van het
voorbijvliegend motje. Dat gebeurt al vaker en vaker en eindelijk
beginnen ze—na de tweede of derde keer zelfs met succes—naar de
insecten te happen.
Intusschen komen de ouden nog telkens met voer, dat steeds met ongeduld
verbeid wordt en niet lang duurt het, of het sterkste jong vliegt de
ouden tegemoet en krijgt in de lucht fladderend zijn voedsel. Nu gaat
hij ook al heel gauw voorbijvliegende insecten tegemoet vliegen en dan
is verder de heele zaak niets anders dan een kwestie van tijd en
oefening.
Door bestudeering van ouderlooze vogels kunnen wij meer zekerheid
krijgen. Daar is reeds aan gedaan, maar nog veel te weinig en niet
altijd even zuiver.
Nu nog even een heel kleine idylle. Op een zeer heeten Augustusmiddag
tegen één uur kwam ik terug van mijn graafwespenduin door de lindelaan
van Lindenheuvel. Op een rechte zwarte lindetak zat een mooi grijs
vliegenvangertje, een jong vliegenvangertje, die de paden der
onafhankelijkheid bewandelde, want hij was heelemaal alleen. Ik stond
natuurlijk dadelijk stil, want het was groote vacantie en ik had den
tijd en als ik doorgeloopen had, dan was de vogel weggevlogen.
Op eens doet hij ’t zwarte snaveltje wijd open. Hij geeuwt van de
warmte, dacht ik. Weer en weer ging de bek open, in heftige beweging.
„Pang” zei ’t opeens en een klein zwart kogeltje kwam uit zijn keel,
ketste tegen een blad en viel neer in ’t mos.
Het was een dicht ineengedrongen massa van pooten en dekschilden,
borststukken en koppen van torretjes, de harde onverteerbare deelen van
’t voedsel, die in dien vorm en op die manier het lichaam verlaten.