DE GROOTE LIJSTER.

De voorspoed van het lijstergeslacht in deze dagen uit zich ook in de

omstandigheid, dat de groote lijster zich tegenwoordig niet alleen in

groot aantal vertoont op den najaars- en voorjaarstrek, maar ook

doordat zij al meer en meer bij ons gaat nestelen. Een jaar of tien

geleden gold het nog als een ornithologisch buitenkansje, een nest van

de groote lijster te vinden, thans worden ze, althans in de duinstreek,

vrij talrijk aangetroffen.

Deze vogel heeft in de boeken alweer een reputatie van schuwheid en hij

heet alleen te broeden op afgelegen plaatsen. Hier in Bloemendaal

evenwel wordt hij al in de tuinen gezien en dezen zomer broedde een

paar in de onmiddellijke nabijheid van een vogelvrienden-woning. Ik

twijfel er niet aan, of wie er op let, vindt wel overal in boschachtige

streken nesten van deze lijster. Doorgaans verwart men ’t nest met ’t

nest van de merel en den vogel zelf met de zanglijster.

Voor deze verwarring bestaat geen enkele reden, want de groote lijster

is van de zanglijster gemakkelijk te onderscheiden. Bij de zanglijster

trekken alle kleuren in ’t goudgele, bij de groote lijster is aschgrauw

de hoofdkleur. Schedel en rug zijn aschgrauw, de vleugeldekveeren zijn

wat donkerder bruin en hebben witte eindpunten en randen, die twee

lichte strepen over den vleugel vormen, wat bij de zanglijsters in ’t

geheel niet het geval is.

Ook de stuurpennen, behalve de middelste, hebben witte eindvlekken,

maar alleen op de binnenvlag, zoodat bij den saamgevouwen staart niets

van dat wit te zien is. Zoodra hij echter even wordt uitgespreid, komen

vooral aan de buitenzijde de witte vlekken te voorschijn.

De onderzijde is evenals bij de zanglijster licht van kleur met donkere

vlekken; de zanglijster is daar lichtgeel, de groote lijster bijna wit,

wat in ’t zonlicht wel tien meter ver te onderscheiden is. Verder zijn

de pooten bij de zanglijster heel licht van kleur, een zacht

hoornachtig tintje, de groote lijster heeft gele pooten, ja ik heb er

wel gezien, die oranje waren, bij rood af.

Het allerduidelijkst zijn de vogels te onderscheiden, wanneer ze

vliegen. De zanglijster heeft de onderdekveeren van de vleugels mooi

oranje, ook de okselveeren en de zijveeren van den romp vertoonen die

kleur en dat is bij de groote lijster allemaal wit, zuiver wit, zoodat

het schittert in de zon.

Het verschil in grootte is wel aanzienlijk, maar niet gemakkelijk te

constateeren; de groote lijster is een kop grooter dan de zanglijster,

een zesde deel van de lichaamslengte, maar het is heel moeilijk, om in

de vrije natuur uit te maken, of een vogel groot of klein is; het

oordeel wordt door allerlei bijomstandigheden onzuiver gemaakt. Bij

mistig weer lijken spreeuwen zoo groot als kraaien en bij zeer heldere

lucht zien alle vogels er weer veel kleiner uit, dan ze zijn.

Wie evenwel gewoon is, uit te kijken, behoeft zich niet lang te

bedenken, als hij een groote lijster ontmoet. In de laatste weken zijn

er zeer vele doorgetrokken; de eerste vertoonde zich op 10 September.

Ze waren zoo gelukkig en tevreden, als een groote lijster maar zijn kan

en telkens zat er in een sparretop een te roepen.

Ze zitten dan nagenoeg loodrecht rechtop. Zanglijsters hebben ook een

opgerichte houding, maar de lijn, die snavel met staart verbindt, heeft

bij hen toch zelden een helling van meer dan vijftig graden. De groote

lijster echter doet het niet minder dan tachtig graden; wanneer men hem

van voren beziet, dan zijn keel en borst en buik in hun geheel

duidelijk te zien met al hun vlekken.

Deze herfstroep lijkt zeer veel op een lied, vooral doordat de vogel

tijdens het roepen stil blijft zitten en er geen enkele oorzaak tot

ongerustheid bestaat. Luid en snel achtereenvolgens roept hij „trè,

trè, trè,” als een kwajongen, die een trompet nadoet. Hij zit in den

hoogsten top van een zilverspar, maar daardoor juist achter de breed

uitstaande zijtakken verborgen. Als ik nu om den boom ga heendraaien,

om een beter gezichtspunt te vinden, krijgt hij mij in ’t oog en na een

laatste „trè” springt hij in de lucht, om bijna loodrecht langs den

boom neer te dalen. Dan buigt hij weer omhoog en verdwijnt met den

familieroep van „tjak, tjak” tusschen het hout.

Dat was een toevallige ontmoeting, maar ik weet ze in October en

November ook wel met zekerheid te treffen. In het najaar staan langs de

wegen der vogels de prachtigste wegwijzers voor den vogelvriend, dat

zijn de heesters met hun kleurrijke vruchten.

Een van de allerbelangrijkste is het kardinaalsmutsje. In lange rijen

groeit het, vooral in lange duinvalleien, die zich uitstrekken in de

richting Noord-Zuid. Wanneer het herfst wordt, krijgen hun millioenen

en millioenen vruchten een heerlijk karmijnroode kleur, die prachtig

afsteekt bij het donkergroen der bladeren. Later worden de bladeren

zelf ook rood, of ze vallen af en dan gaan de roode vruchten

openbarsten, zoodat de oranje zaden te voorschijn komen. Deze bungelen

dan meest bij viertallen aan dunne spierwitte draden buiten de roode

vrucht.

Het zijn de mooiste heesters van het duin, na de Geldersche roos of

wilde sneeuwbal, die dichte trossen van glanzig roode bessen vertoont

temidden van fraai gevormd purperrood gebladerte. Maar de vogels willen

in October van die Geldersche roos nog niets weten, het

kardinaalsmutsje lokt hen des te meer aan. De lijsterbessen zijn al zes

weken geleden opgegeten door de inlandsche lijsters en de jonge

spreeuwen, de duindoornbessen behooren aan de bonte kraaien.

Laat ons nu gaan zitten op een beschut plekje in ’t duin, niet te ver

van de glorende kardinaalsmutsjes. Zie, een halven kilometer ver strekt

de heesterrij zich uit, op enkele plaatsen zijn het dichte partijen, op

andere vormen kleine heestertjes een dun rijtje, dat de grootere

boschjes verbindt. Maar alle zitten vol vruchtjes.

„Srrie, srrie,” daar komt de lijsterzwerm uit het Noorden. Ze vliegen

in een breede colonne, vijftig vogels breed, zes rijen hoog, acht of

tien gelederen diep; dat is dus een sterkte van tusschen de twee- en

drieduizend. Nauwelijks in de vallei aangekomen verdeelt de troep zich,

benden van honderd stuks slieren op zij; een groote troep valt vlak bij

ons neer in ’t boschje van Evonymus.

Dit is geen fantastisch vogelpraatje, maar echte reëele waarneming.

Ieder jaar zie ik eenige malen die lijstertroepen. Wie zijn dagen

doorbrengt in de duinen, halfweg tusschen het strand en de weide, kan

niet missen op Octobermorgens deze prachtige vluchten te zien. Ge moet

maar geduldig zitten te wachten, bij Zuidoostenwind en helder weer is

de kans, om iets te beleven, het grootst.

Nu kunt ge ook zien, hoe het mogelijk is, dat zooveel lijsters in de

strikken gevangen worden. Met onbegrijpelijke gulzigheid vallen ze op

de oranje zaadjes aan. ’t Is een rukken en trekken zonder ophouden,

vier, vijf vogels in een enkel heestertje, dat staat te trillen en te

schudden onder de heftige bewegingen der forsche dieren.

De partij bestaat in hoofdzaak uit koperwieken, maar er zijn ook

zanglijsters bij en een twintigtal groote lijsters. Nu komt het goed

uit, dat ze veel grooter zijn; wanneer hun lichaam niet den typischen

lijstervorm vertoonde, zoudt ge ze op een afstand kunnen aanzien voor

gaaien of duiven, zoo groot zijn ze.

„Tjak, tjak, trè,” zegt er een, „tjak, tjak” roepen de anderen en weg

sliert de heele troep. Ondanks het woest gevreet zitten de

kardinaalsmutsjes nog vol zaden, maar de vele roode vruchthulsels op

den grond toonen voldoende aan, hoe hier huisgehouden is. Eenige weken

houden de heesters den aanval uit, maar dan zijn alle zaadjes verdwenen

en alleen eenige roode vruchtdoozen verbleeken gedurende den winter aan

de vierkante twijgen.

De groote lijster wordt ook wel mistellijster genoemd, omdat hij zich

zou voeden met de witte bessen van de mistelplant, maretakken of

vogellijm. In ons land gaat dat niet op, daar die plant alleen in

Zuid-Limburg groeit, terwijl de groote lijstertrek hoofdzakelijk plaats

heeft langs den zeekant.

Beslist moet voor de wintermaanden het kardinaalsmutsje hier gelden als

voornaamste voederplant voor de groote lijster, zoowel als voor

koperwieken en roodborstjes. En geen wonder is het, dat die mooie

heester langs den lijsterheerbaan in groote hoeveelheden opschiet uit

het zaad, dat de lijsters zelve in hun uitwerpsels uitstrooien.

Ook zie ik in den winter de groote lijster veel op weilandjes en

braakveldjes langs den binnenkant der duinen, en weer meer in den

voormiddag dan tegen den avond. Het weiland van Duin en Daal is een der

meest vruchtbare waarnemingsterreinen en nooit verzuim ik, daar

gedurende de drie laatste maanden van het jaar minstens één morgenuur

per week door te brengen.

In het dicht geboomte van een steile duinhelling van de Zuidzijde van

de wei vinden de vogels altijd een veilige toevlucht; alleen loopen er

een paar katten, maar die kunnen misschien nog wel afgeschaft worden.

’s Morgens is het daar doodstil en eenzaam en nu is het heerlijk, om te

zien, hoe de vogels komen aanzetten uit het Noorden, dan neervallen in

de boomen van Duinhoeve en Dennenhoek, om bij kleine partijtjes zich

langzamerhand te verspreiden over het weiland.

De meezen en merels blijven aan den boomenrand, maar de zanglijsters,

koperwieken, groote lijsters en later in ’t jaar de kramsvogels,

bezetten tirailleursgewijze de wei. Alleraardigst is het, om te zien,

hoe verschillend die lijstersoorten zich gedragen; de zanglijster

altijd luisterend naar zijn worm en dan plotseling toeschietend, om hem

te grijpen, de koperwiek bedrijvig rondstappend op de manier der

spreeuwen en de groote lijster, groot, geweldig, in wijde sprongen zich

bewegend om de versche molshoopen.

Met zijn sterken snavel woelt hij in den lossen grond. Het is echter

wel zeker, dat hij daar niet zulke vette hapjes opdoet, als de

zanglijster aan zijn worm heeft. Al heel spoedig springt hij dan ook

weer verder, overal zoekt en snuffelt hij, hier vindt hij een naakte

slak, daar een laatste luie langpootmug of een larve, die zich te dicht

aan de oppervlakte gewaagd heeft.

Daar ratelt een slagersjongen voorbij op zijn fiets. Verschrikt vliegt

de heele lijstertroep naar het beschermend houtgewas en de onderkant

hunner vleugels weerkaatst het lage zonlicht rood, oranje of wit, al

naardat het koperwieken, zanglijsters of groote lijsters zijn.

Het is in Januari altijd de vraag, wie het eerst zingen zal, de

zanglijster of de groote lijster. De meeste menschen hooren de

zanglijster het eerst, maar dat heeft zijn reden. Dikwijls wint de

groote lijster het en heerlijk is het, om hem in ’t laatst van Januari

te zien zingen boven in een sparretop in een hagelbui of een

sneeuwstorm.

Je moet met dien vogel altijd oppassen, dat je hem geen eigenschappen

toedicht, die hij niet bezit. Natuurlijk is het een gewone blijde

vogel, die precies weet, wat goed voor hem is, en zijn vroolijkheid

uit, wanneer hij zich prettig gevoelt en de zaken naar zijn zin gaan.

Maar nu heeft hij wel iets aparts, ook dat zingen in den regen en storm

en dat maakt dan, dat je hem gaat houden voor een trotsche en

overmoedige persoonlijkheid, die net anders wil, dan het gewone gros

der vogels, die maling heeft aan zonneschijn en liefelijkheden en in

het woeste, ongebaande, vermetele zijn hoogste voldoening vindt. En dat

alles, omdat hij niet bang is voor een nat pak!

Wanneer ge nu wat meer op de vogels let, dan ziet ge, dat ze zoowat

allemaal niets geven om een beetje regen of om wat storm. Alle leden

van de lijsterfamilie vroolijken heelemaal op, wanneer het gaat

regenen: de booze wereld zegt, omdat ze dan een voorgevoel ervan

hebben, dat de wormen uit den grond zullen komen. Wulpen, kieviten,

scholeksters zijn dan ook veel drukker—ook wormeters.

Ik aarzel haast, om te bekennen, dat ook ik in ’t voorjaar bij

regenachtig weer mij buitengewoon gelukkig gevoel en dat hagelslag en

stormgeloei mij zeer opgewekt maken. Nu eet ik geen wormen en ik heb op

zoo’n oogenblik ook geen voorgevoel ervan, dat de radijsjes gauw

goedkoop zullen worden.

Maar het is dan een lust, na dagen van schralen Oostenwind de heerlijke

vochtige lucht in te ademen en als de wind de boomen buigt en de

hagelslag de ruiten dreigt te verbrijzelen, dan voel ik, dat ik

desnoods ook nog wel wat zou kunnen uitrichten en dat maakt me dan zoo

in mijn schik, dat ik met een nat pak kan loopen te fluiten.

En, let er eens op, alle menschen vinden zulk weer eigenlijk prettig.

Ze komen kletsnat en vuurrood binnen en constateeren dat met een zeer

vergenoegd gezicht, dat het een hondenweer is. Er komt nog wel eens een

tijd, dat ze meer getrouw aan de waarheid zullen zeggen: „wat een

prachtig weer, wat een heerlijke storm.” De vogels leeren ons dat.

Daarom moeten wij de groote lijsters dankbaar zijn, dat hij ons zoo

brengt tot erkentenis der waarheid. Ook zingt hij dikwijls genoeg bij

idyllisch mooi Februari-weer of op onvergelijkelijke April-dagen. Zijn

lied houdt het midden tusschen het lied van merel en zanglijster, het

heeft de lage fluittonen van de eerste en de herhalingen en

onstuimigheid van de laatste.

Het nest lijkt zeer veel op dat van de merel, onze foto geeft er een

voortreffelijk denkbeeld van. Vindt ge dus een grijze, aan de

onderzijde duidelijk gevlekte lijster bij een nest, dat gelijkt op een

merelnest, dan hebt ge te doen met de groote lijster. De eieren zijn

licht rossig, met roodbruine vlekken, de mereleieren daarentegen

blauwachtig groen met vele, tamelijk onduidelijke vlekken. Op de foto

kunt ge zien, dat de eieren van de groote lijster heel flink en

duidelijk gevlekt zijn.

In de buitenlandsche literatuur wordt aan dezen vogel weer een list en

overleg toegedicht, die ver gaat boven de verstandelijke vermogens der

vogels. Ik zou daar niet over spreken, als niet het gevaar bestond, dat

vroeg of laat het werk van den bedoelden schrijver in een min of meer

goede vertaling zijn intree doet in ons land. Want ’t is een heel goed

schrijver en er wordt in den laatsten tijd in ons land heel wat

vertaald natuurgenot genoten.

Kay Robinson vertelt dan, dat de mistellijster zijn nest niet compleet

vindt, wanneer er niet een lange vlok schaapswol aan sliert. Je zoudt

meenen, zegt Kay, dat daardoor het nest juist in ’t oog zal vallen en

dat is ook wel zoo. Maar die lange slordige wolsliert wekt bij den

beschouwer het idee, dat het een heel oud verlaten nest is, waar de

binnenbekleeding uitgewaaid is en dan ziet hij er niet verder naar om.

Ge ziet, dat ik er wel over had kunnen zwijgen, want alles is ongerijmd

aan dat verhaal en ’t mooiste is, dat hier in onze duinen, waar de

groote lijster bij dozijnen nestelt, voor geen geld of goede woorden

een vlok schaapswol te krijgen zou zijn.

Geen enkel van al de groote-lijsternesten, die ik tot nu toe gezien

heb, was dan ook van zulk een ornament voorzien. Nu wil ik volstrekt

niet beweren, dat Kay Robinson ons wat op den mouw wil spelden, ik wil

graag gelooven, dat hij nesten heeft gevonden met schaapswol, maar zijn

„uitlegging”, daar wil ik heelemaal niets van weten.

Hoe meer nesten men vindt, des te meer afwijkingen van den regel vallen

te constateeren. De nesten op onze foto’s zijn beide gebouwd in den

vork van een tamelijk zwaren eik. Ook heb ik nesten gezien in een laag

berkje, in een spar, in een groven den aan ’t eind van een langen

zijtak, in een meidoorn en één zoo goed als op den grond in een zeer

ouden duindoorn.

De groote lijster bewaakt en verdedigt zijn nest met veel moed en

trouw. Hij duldt geen enkelen vogel in de nabijheid, den ganschen dag

kunt ge hem bezig zien met het verjagen van vijanden of voorbijgangers.

Daarbij legt hij niet altijd veel onderscheidingsvermogen aan den dag

en daarom heb ik hem dan ook geen „beleid” kunnen toekennen.

Ik heb gezien, dat een groote lijster een houtduif verjoeg en wel een

kilometer ver hoog in de lucht het onschuldige dier bleef jakkeren en

jagen. De duif repte zich wat zij kon, maar de dappere lijster bleef

haar opzij en ik had het genoegen, tegen de blinkend witte

onderdekveeren aan te kijken, terwijl ik eigenlijk boven op een duin

bezig was aan de studie der graafwespen.

Een andermaal kwamen wij bij een nest met jongen. De vogel ging van het

nest, eer wij hem konden zien en zat in het hout zoo te razen en te

schreeuwen, dat wij eerst meenden met een gaai te doen te hebben. Hij

durft het tegen een gaai gerust op te nemen, een ekster jaagt hij ook

nog wel op de vlucht, zoodat er altijd kans genoeg is, dat zijn

broedsels gelukken.

Bij ons broedt de groote lijster tweemaal; den eersten keer meestal op

vijf, de tweede maal doorgaans op drie eieren. De foto uit Wijk aan Zee

is een goed voorbeeld van een tweede broedsel.

Het intieme leven der vogels · 第 26 / 36 题