In het laatst van October en het begin van November komen zeer veel
merels op den trek door ons land. Wel verschijnen ze niet in zoo
talrijke zwermen als de koperwieken of zanglijsters, maar troepen van
twintig of dertig stuks zijn toch in ’t geheel niet zeldzaam. Het komt
er slechts op aan, ze op de goede plaatsen te observeeren.
Nu is dat in ons land gemakkelijk genoeg, want de ontelbare legioenen
van lijsterachtige vogels, die in ’t najaar zich westwaarts bewegen
door de Midden-Europeesche laagvlakte, bereiken hier een belangrijk
keerpunt. Een groote massa strijkt over naar Engeland, maar verreweg de
meeste maken halt bij de Zuiderzee of bij de Noordzee en gaan dan van
Texel of van Gaasterland zuidwaarts.
De honderdduizenden vogels, die op Texel en in Gaasterland in de
strikken gevangen worden, zijn slechts een onnoemelijk klein deel van
wat nog verder gaat. Op een mooien morgen in October heb ik in onze
duinen gedurende een enkel uur niet minder dan dertigduizend lijsters
van verschillende soorten zien voorbijtrekken.
Voor vele schijnt het keerpunt meteen eindpunt te zijn, of liever voor
hen gaat hier het trekken over in zwerven. Soms wemelt het een week
lang in een bepaalde streek van merels en zanglijsters, dan is er een
paar dagen lang geen enkele meer te zien en een poosje later komen weer
nieuwe opdagen.
Op Texel is dat den heelen winter door met groot gemak te constateeren.
Ook hebben waarnemingen over een tijdperk van vier jaren mij geleerd,
dat in Bloemendaal van den straatweg tot de zee de lijsterbevolking van
half October tot half Januari zeer veranderlijk is en dat van de
lijsters, die hier broeden, of die hier uitgebroed zijn, geen enkele
hier blijft overwinteren.
Voor de stad is het waarschijnlijk iets anders. Ik geloof werkelijk,
dat de steden in de ornithologie een bijzondere plaats gaan innemen en
dat we hoe langer hoe meer aandacht zullen moeten schenken aan de
„stadsfauna”. ’s Winters neemt ook wel ’t aantal merels in Amsterdam
toe; er is dus toevloed van trekvogels, maar ik heb toch ook de
zekerheid, dat vele van de merels, die in de stad broeden, er ook den
winter blijven doorbrengen.
Dat geeft te denken. Er zijn dus merels, die jaar in jaar uit niets
anders te zien krijgen, dan een paar stadstuinen, omgeven door
huizenblokken. Ik ken er een, die nu al drie jaar lang ontsnapt is aan
de katten van het Werkhuis en overigens een vrij gemakkelijk leven
leidt in een drietal tuinen, die met elkander kunnen bogen op wat
appel- en pereboomen, een paar ahorns, wat iepen en kastanjes en verder
allerhande kleingoed.
Voor een stadsvogel is dat lang zoo kwaad niet. Wormen zijn er in
overvloed te vinden, slakken bij de vleet en als ’s winters de grond
bevroren is, dan neemt hij zijn deel van het brood, dat voor de
musschen wordt uitgestrooid. Gelegenheid tot drinken en baden vindt hij
altijd in de plassen van den Werkhuistuin en in het kunstmatig
vijvertje van den kweekschooltuin.
Eigenlijk leeft zoo’n vogel in een soort van groote kooi. Van de mooie
wereld daar buiten weet hij natuurlijk niets en het lijkt wel, alsof
door den invloed van de gunstige condities, waaronder hij verkeert, het
trekinstinct geheel bij hem is uitgedoofd.
Zijn zang is maar zoo zoo. Doch buiten zijn er ook merels, die slecht
zingen. Ik twijfel er evenwel niet aan, of deze stadsvogels zullen in
den loop der tijden alle anders gaan zingen en zich anders gaan
gedragen, dan de vogels van het vrije veld. De stadsornithologen zullen
hierover binnenkort interessante dingen te vertellen hebben.
De merels van het Vondelpark en zelfs die van Artis zijn al meer
„buitenvogels” en doen dan ook behoorlijk mee in de wisseling der
jaargetijden.
Buiten de steden houdt de merel zich ook veel op in de nabijheid van
menschelijke woningen, maar dat neemt niet weg, dat hij toch een echte
boschvogel is en zich midden op de Veluwe of in een duinvallei aan den
zeekant volkomen gelukkig gevoelt.
Hij is de echte pierenvreter, om nu maar eens niet ineens te beginnen
met zijn deftigheid. Er is geen vogel, wiens bemoeiingen zoo
rechtstreeks gericht zijn op den aardworm, al moge de zanglijster hem
zeer nabij komen. Deze laatste moet toch nog altijd afwachten, hij
luistert, tot hij zijn worm hoort en gaat dan op ’t geluid af. Maar een
merel gaat verder: die kent de natuurlijke historie van den aardworm op
een prik, ziet aan den grond, waar de worm te verwachten is en slaat
bladeren en aarde opzij, om zijn prooi te bereiken.
’t Is een echt herfsttafereel: de merel, stoer werkend in de afgevallen
bladeren. Licht huppelt hij over den grond, staat even stil op
hooggestrekte zwarte pooten, bukt opeens en dan vliegen onder de
krachtige slagen van den snavel de bladeren rechts en links. En eer de
worm, die in zijn hol aan de bladeren zat te knagen, tijd gehad heeft,
om zich diep genoeg terug te trekken, heeft de merel hem aan zijn kop
te pakken en nu begint het worstelspel, dat in negen van de tien
gevallen voor den worm slecht afloopt.
Meestal gaat de vogel, nadat hij zijn pièce de résistance verorberd
heeft, nog eens nasnuffelen tusschen het omgekeerde blad. Dan pikt hij
daar vlugjes de kleinere organismen uit en gaat dan verder. Over
bebladerden grond, onder struikgewas, huppelt hij met fiksche sprongen,
ook in de wei, als ’t gras er hoog is, maar wanneer hij over vlakken
grond zich uit de voeten wil maken en geen gelegenheid vindt, om op te
vliegen, dan rent hij zoo vlug als een kievit. Doordat hij bij het
loopen meer het hielgewricht dan het kniegewricht gebruikt, ziet die
renpartij er meestal nog al komiek uit. Ze doen ’t ook bijna altijd,
wanneer ze van grasveld tot grasveld een pad moeten oversteken.
Soms zijn een dozijn van de vogels tegelijk bezig. In den voorherfst
zijn dat meestal vogels van eenerlei geslacht en leeftijd: oude
mannetjes, zwart met gelen snavel, oude wijfjes, dof donkerbruin met
lichte keel en lichtgrijzen of gelen snavel, jonge vogels, zwart met
donkeren snavel en soms nog met bruingevlekte veeren aan kop of
onderkant.
Het zijn vooral de jonge vogels, die in den herfst zingen, niet het
volle merellied, dat wijd klinkt over gaard en bosch, maar een zacht
neuriën, waarin de accoorden en arpeggio’s van later reeds doorklinken.
In ’t laatst van September hoor ik ’t het meest.
Gedurende den winter zijn de merels ook nog luidruchtig genoeg. Ze
hebben allerlei discussiën met koolmeezen, winterkoninkjes en
bastaardnachtegalen en vinken, die ook in de bladeren onder het
struikgewas hun zaken hebben. De vink en het heggemuschje leggen het
gauw tegen hen af, maar koolmees en klein Jantje zijn niet op hun
mondje gevallen en bestoken hem van alle kanten met „terrrt, terrrt,
terrt” en „tjegge, tjegge, tjeggetjek.”
Hij antwoordt met „tjak, tjak, tjak” of, als hij niet nijdig is, met
een binnensmonds gesproken, „koek”, „koek”, doet af en toe een aanval,
maar moet het in den regel toch opgeven en vliegt dan weg onder het
uitroepen van een lang uitgehaalde tirade beginnend met „tjak, tjak,”
dan overgaand in helder „ting, tjing, tjing”, dat al sneller en sneller
wordt en ten slotte den welbekenden hoogen alarmtriller vormt.
Het heldere „tjing, tjing” is ook zijn avondgeluid, de vaste
begeleiding van het vallen van den winteravond. Zwart staan de kale
stammen en takken tegen het avondrood, in ’t onderhout blinken nog een
paar dorre bladeren rood en geel op uit de duisternis. ’t Is doodstil,
geen twijgje verroert, alleen een roodborstje zit te zingen op een hoog
uitstekenden tak, het mooie silhouet scherp afgeteekend tegen de
avondlucht. Zijn liedje eindigt in liefelijk gemurmel en dan is de
stilte volkomen.
Opeens klinkt in ’t lage hout een helder „tsjing, tsing” en van alle
kanten komt antwoord. Als koperen bekkenslag klinkt het in ’t rond. De
roodborst komt ook meedoen, nu niet met zijn welluidend gezang, maar
met een krakend, ratelend roepje en de winterkoning gooit er zijn
uitdagings-triller doorheen.
Dit is heel wat anders dan de avondzang in April of Mei, maar toch o,
zoo mooi, helder, sterk en rein. Ik hoor dat altijd met groote
blijdschap: de taptoe van de stoere wintergasten.
Welke beteekenis die geluiden voor de vogels zelf hebben, weet ik niet.
Misschien is het een tijdverdrijf. Het is te donker, om naar voedsel te
zoeken en de dag is te kort geweest, om nu al dadelijk behoefte aan
slaap te hebben. Wellicht ook zijn het verzamelkreten, want bij de
meeste vogels bestaat een sterke neiging, om gezellig te overnachten.
En misschien, maar dat is nog slechts een vaag vermoeden bij mij,
misschien gaan ze dikwijls na dat geroep niet eens te rust, doch
begeven ze zich op reis.
Ik hoor tenminste op November-avonden dikwijls lang na zonsondergang in
de lucht een ander lijstergeluid, het „srie, srie” van den trek. Deze
roep is met meer of minder wijziging aan alle lijsters eigen en wanneer
ge dien hoort—overdag kan dat ook—zie dan omhoog even in ’t rond en ge
zult ongetwijfeld de troepen der reizigers ontwaren. Soms zijn ’t er
niet meer dan een stuk of zes, een andermaal zijn ’t duizenden.
Reeds in Januari kunnen wij wat te zien krijgen van ’t liefdeleven der
merels; meest ’s morgens tusschen tienen en twaalven. Een mannetje zit
in de grootste opgewondenheid te roepen. ’t Is onophoudelijk „tsjieng,
tsjieng, tsjieng” afgewisseld met dol heen en weer vliegen onder ’t
uiten van den langen alarmkreet.
Op den grond in ’t natte mos zijn twee wijfjes aan ’t vechten als
straatmusschen. Ze vliegen en springen tegen elkander op, bijten elkaar
in den nek en rollen soms over elkander heen. En ’t mannetje vliegt
maar schreeuwend heen en weer, alsof hij de wijfjes aanhitst. De
wijfjes zelf zijn ook niet stil, maar roepen telkens „tak, tak” en
zelfs klinkt daar wel eens een gezangtoon tusschen door.
Eindelijk vliegt het edele drietal schreeuwend weg.
Deze gevechten tusschen wijfjes duren eenige weken lang en bewijzen
voldoende, dat zij niet geheel en al onverschillig blijven bij de
stichting van het huishouden. Misschien hangt het met de groote energie
samen, dat zij soms zingen, een enkelen keer zelfs zoo, dat ge meenen
zoudt een mannetje voor u te hebben.
Een maand later is de beurt aan de mannetjes. Dat zijn prachtige
vechtpartijen of liever stijlvolle duels. De wijfjes in Januari stellen
zich onwaardig aan, verblind als ze waren door passie en jaloezie. Het
schijnt, dat de mannetjes meer meester van zichzelf blijven: ze breken
ten minste hun vechtpartij dikwijls af, door ieder in zijn eigen boom
heerlijk en rustig te gaan zitten zingen.
De ontmoeting krijgt daardoor, zooals dat ook bij andere vogels het
geval is, meer het karakter van een tournooi dan van een strijd. Niet
zelden ook komen op drukke plaatsen veel merelparen bijeen en daar kan
het dan zeer luidruchtig toegaan. Zoo iets heb ik gezien op 10 April
1898 in het lage Middachter bosch.
Het bouwen van het nest geschiedt in de morgenuren en bijna uitsluitend
door het wijfje. Het mannetje zit dan te zingen of vliegt met zijn
wijfje mee, stapt om haar heen en dan gebeurt het wel eens, dat hij een
takje of een grassprietje van den grond raapt en haar dat aanbiedt. Ook
oefent hij in den allereersten tijd eenigen invloed uit op de keuze
eener nestplaats door bouwstoffen naar de plek zijner voorkeur te
dragen.
Merels bouwen overal: van vlak op den grond tot tien meter hoog in de
boomen. Er wordt wel eens beweerd, dat merels, die voor het eerst van
hun leven bouwen, altijd een nest op den grond maken en dat ze dan
later, door schade en schande wijs geworden, het hoogerop gaan zoeken.
Dit is beslist onjuist. Het nest met eieren van onze foto lag aan den
voet van een dikken den, nagenoeg op den grond: het zat bekneld
tusschen het duinroosje en den dennenstam. De man, die bij het nest
hoorde, had een snavel, oranje bij rood af. Dat was dus wel een heel
oud mannetje, dat misschien wel zijn twaalfde huishouden groot bracht.
Ook is het nog zeer de vraag, of de grond een zoo onveilige plaats is
voor een nest. Ik voor mij geloof, dat het een der veiligste
nestgelegenheden is, en dat de nesten die een meter hoog boven den
beganen grond liggen, in hagen of conifeertjes, in veel ongunstiger
conditie zijn. Die mogen door wezels of katten niet worden opgemerkt,
voor menschen, eksters en gaaien liggen ze als ’t ware voor ’t grijpen.
Nu zouden we de onderstelling kunnen wijzigen en zeggen: onervaren
merels bouwen ter hoogte van een tot anderhalve meter en als ze ouder
en wijzer worden, gaan ze hooger of lager, maar nu heb ik dezen zomer
weer juist een heel oud en heel wijs wijfje leeren kennen, die haar
nest precies op neushoogte had gebouwd in een houtmijt. Ze was zoo oud,
dat ze een gelen snavel en een bijna witte borst had. Ook was ze
ongewoon groot.
Het materiaal van ’t nest is zeer verschillend en regelt zich geheel
naar de plaatselijke omstandigheden. De grondnesten zijn voornamelijk
gevlochten van grassprietjes en mos, met een bodem van kleine takjes en
verdorde stengels van voorjarige planten. Die zijn dan door klei of
mest aan elkander verbonden, maar ook in den aard en hoeveelheid van
dit bindmiddel bestaat groot verschil.
De binnenbekleeding bestaat uit fijne plantenvezels en haren, maar kan
een enkele maal bijna geheel ontbreken. Het nest in de houtmijt bestond
bijna geheel uit takjes; in thuja’s en cypressen heb ik nesten
gevonden, waarin de groene levende takjes van den heester als
bouwmateriaal waren gebruikt.
De merels broeden altijd minstens tweemaal per jaar, dikwijls driemaal,
een enkelen keer viermaal, zoodat jonge vogels in het eerste kleed
(roodbruin met donkere vlekken) aangetroffen kunnen worden tot in
October. In den regel wordt voor elk nieuw broedsel een nieuw nest
gebouwd, echter komt het ook wel voor, dat een heel hecht nest tweemaal
achtereen wordt gebruikt. Een dood enkele maal gebeurt het, dat een
merelpaar een verlaten zanglijsternest in beslag neemt en er eieren in
legt, zelfs zonder het binnenste op merelmanier te stoffeeren.
Het is te wenschen, dat men wat meer op deze dingen gaat letten, we
behooren omtrent het gedrag van een zoo algemeenen en vertrouwelijken
vogel niet in het onzekere te verkeeren.
Het broeden komt weer voornamelijk voor rekening van het wijfje, al
onthoudt het mannetje zich niet geheel en al. De vogel begint al te
zitten, wanneer er twee eieren in het nest zijn. In den regel wordt er
iederen dag een ei bij gelegd, maar er wordt wel eens een dag
overgeslagen. Dit alles heeft tengevolge, dat de eieren niet te gelijk
uitkomen en dat de jongen van hetzelfde broedsel heel wat in
ontwikkeling kunnen verschillen, zooals ook op onze foto duidelijk te
zien is.
En nu krijgen mannetje en wijfje druk werk. De jongen moeten worden
gevoed, gekoesterd, gekoeld, gereinigd. Het reinigen bestaat in het
wegbrengen van de uitwerpselen. Ieder keer dat een oude vogel voedsel
brengt, wacht hij tot een jong zijn darm leegt—’t is bijna een reflex
op ’t eten—raapt het uitwerpsel op en verzwelgt het.
Het koesteren geschiedt ’s nachts geregeld en in den eersten tijd op
donkere dagen dikwijls. Op heete dagen hebben de jongen het ontzettend
warm. In het enge nest liggen die vier of vijf heete vogellijfjes vlak
tegen elkander, hun vederkleed wordt ieder uur dichter. Geen wonder,
dat ze als in doodsnood liggen te hijgen en de koppen aemechtig over
den rand van het nest laten hangen.
Dan komt de oude vogel, naar mijn waarnemingen steeds het wijfje, voor
het nest zitten en brengt met wijd gespreide holle vleugels de lucht in
beweging, de mooiste punkah, die men kan bedenken. Dit is een
wonderlijk mooi instinct, eigenlijk veel wonderlijker dan het broeden
en koesteren.
Het voedsel, dat de ouden brengen, is, zooals dat bij de zangvogels
regel mag heeten, voornamelijk dierlijk voedsel en wel in hoofdzaak
rupsen, andere larven en bladluizen. Wormen worden niet dadelijk
gevoerd.
Eens zag ik, dat een merel zijn jongen voerde met groote roodachtige
brokken en ik kon maar niet uitmaken, wat dat voor groote sappige
dieren waren. Het leken wel stukjes vleesch. Iedere minuut kwam een
oude vogel met zoo’n brokje aandragen en ik zat al te bedenken, uit
welke slagerij in de buurt die voorraad afkomstig kon zijn, toen ik
zag, dat er bij ’t nest zoo’n brokje op den grond viel. Onmiddellijk
snelde ik er heen tot grooten schrik van jong en oud. Het was een
aardbeitje, stel u gerust: een wild aardbeitje.
Dol zijn de vogels op aardbeien. Ze groeien in onze duinen bij
duizenden en duizenden, maar de wandelaar kan lang zoeken, eer hij er
een handjevol van bijeenverzameld heeft. Alle vogels eten ervan en nu
gaan de merels er ook al hun jongen mee voeren!
Mij dunkt, het moet voor die diertjes wel heerlijk wezen, om op een
heeten zomerdag getracteerd te worden op de heerlijke frissche
vruchten, spijs en drank tegelijk. Dit brengt mij meteen tot de vraag:
krijgen de jonge vogeltjes in ’t nest wel ooit te drinken?
De jongen, die meteen het nest kunnen verlaten, zooals de kievitten en
waterhoentjes, drinken reeds in hun eerste levensuur. Ze hebben het
instinct, om te pikken naar het bewegende water, naar de dauwdroppel
aan een grassprietje, naar het water, waarin zij rondzwemmen. Maar hoe
gaat dat nu bij winterkoning, koolmees en lijsters? Ik weet er niets
van, alleen vermoed ik, dat ook nog wel andere vogels dan de merel hun
jongen op fruit zullen onthalen.
Ieder aardbeienkweeker weet ook, dat de oude vogels hun jongen geleiden
naar de aardbeibedden en dat ze daar zeer beslist het beste deel
kiezen, dat ik ze gaarne gun. Maar de beroepskweeker denkt daar anders
over.
Mereltje, mereltje, het ziet er slecht met je uit. Je eet aardbeien,
kersen, aalbessen, druiven, peren, perziken, abrikozen en je bederft
soms nog meer, dan je opeet. Het nut, dat je sticht, valt niet zoo
onmiddellijk in het oog, want al het kleine goed heeft weinig naam. Het
eten van wormen behoeft je niet als een verdienste te worden
aangerekend, want de wormen zijn nuttige dieren en verrichten jaarlijks
in de wereld voor ik weet niet hoeveel millioen gulden aan nuttigen
veldarbeid. Ook haal je wel eens een vogelnest uit.
Er zijn dan ook menschen, die de lijstervangst in het najaar zoo al
niet toejuichen, dan toch zonder het minste bezwaar tolereeren en wel
op twee onomstootelijke gronden, waar niets op valt aan te merken nl.
1o er komen ondanks het wegvangen toch hoe langer hoe meer merels en
andere lijsters en 2o de merels richten schade aan als fruitdieven,
misschien ook als knoppenvreters en nestverstoorders, terwijl hun hoofd
voedsel bestaat uit de zoo nuttige wormen.
Nu kunnen we de zoo nuttige wormen gerust buiten rekening laten, want
die vermenigvuldigen zich zoo snel en regenereeren zich zoo
gemakkelijk, dat al de merels van de wereld het voordeel, dat wij van
de wormen hebben, niet kunnen doen verminderen.
Alles met alles is het met de merel hoogstwaarschijnlijk als met
zooveel andere vogels: hij is soms nuttig, soms schadelijk, zoodat het
voor onze rechtstreeksche stoffelijke belangen misschien onverschillig
is, of hij leeft of niet. Ik zeg „misschien” want ik geloof, dat ten
slotte alle dieren nuttig zijn.
Bij een dergelijk onverschillig evenwicht geeft de minste aanraking den
doorslag. Die wordt in dit geval gegeven door de omstandigheid, dat
jongens plezier hebben in ’t lijstervangen en dat arme arbeiders er een
kleine extra-verdienste mee kunnen verwerven.
Maar er is ook een doorslag mogelijk in een andere richting. De merel
is een vogel vol gratie en activiteit, een sieraad van onze bosschen en
velden. De merel is een zangvogel van buitengewone begaafdheid, een
solist van den allereersten rang en een onmisbare steun in het groote
vogelorkest.
Als je van zoo’n vogel nu nog vergt, dat hij op den koop toe ons nog
tastbare voordeelen verschaft, dan staat dat ongeveer gelijk met den
eisch, dat onze groote virtuozen onder de menschen den kost zouden
moeten verdienen met kousen stoppen of schoenlappen.
Over de merel als solist is al genoeg gezegd en geschreven, als lid van
het orkest is hij nog weinig geroemd. Ga op een morgen in Mei een uur
voor zonsopgang wandelen in een streek met veel bosch en water. Dan
wordt er gezongen, zooals op geen ander oogenblik van nacht of dag: de
groote algemeene morgenhymne.
Wie dat hoort en goed hoort, begrijpt dat de vogelzang toch nog iets
anders is dan verliefd gekweel om wijfjesgunst. Alle vogels, die nu
zingen, hebben reeds hun nesten kant en klaar, hebben hun rivaliteiten
al lang uitgevochten. Doch iederen morgen tot ver in Juni en Juli en
weer opnieuw in September, geraken de vogels in verrukking bij het
wederkeeren van het daglicht.
Ze zijn zoo gezond en sterk, die dieren, zoo vol activiteit, met
zooveel voorgevoel van al het goede, dat de dag kan brengen, dat zij
het aanbreken ervan reeds meer dan een uur te voren begroeten met hun
blijdsten jubel.
En nu hoort ge ze alle: de reine boomleeuwerik, de vurige nachtegaal,
de woudduif, de koekoek, het roodborstje, roodstaart, winterkoning,
fitis, vink, zanglijster en merel, ieder met zijn bijzondere strofe
beurtelings de aandacht vergend. En achter al die muziek hoort ge een
geluid, zoo groot en imposant als nooit en nergens anders te hooren is,
noch in kerken noch in concertzalen. Het is krachtig, als de storm en
als de zee, maar veel rijker van toon.
Wanneer ge er in slaagt, uw aandacht af te trekken van de solisten vlak
bij, dan ontdekt ge, dat die grootsche achtergrond van geluid alleen
afkomstig is van de merels.
Ge ziet nu, hoe onmogelijk het is, om zulke dieren een heelen nacht den
doodsstrijd te doen ondergaan in een paardeharen strik, hoe
kannibaalsch het is, om ze te eten. De ornithologie of de
tuinbouwbelangen hebben hiermede niets uit te staan, maar iets, dat
veel beter en hooger is: ons gevoel voor de onbegrijpelijke en
onnaspeurlijke grootheid en schoonheid van de schepping.