Als het waterhoentje eens niet zulk donkergekleurd en taai vleesch had,
dan zouden onze vijvers en vaarten een bekoorlijkheid minder bezitten.
Zooals de zaken nu staan, worden zij weinig of niet gevangen of
geschoten en ook wordt er niet buitengewoon veel acht geslagen op hun
eieren. Dit heeft het verblijdend gevolg, dat de waterhoentjes hoe
langer hoe meer algemeen worden en op buitenplaatsen met waterpartijen
van eenige beteekenis zelden ontbreken.
Ook in singels en oude vestinggrachten ontbreken ze niet, doode
rivierarmen wemelen ervan, in ’t voorbijrijden telde ik er op 1
September 1906 in den dooden Rijnarm aan de Grebbe niet minder dan acht
en twintig, oude en jonge. De plassen, die langs onze zee- en
rivierdijken herinneren aan oude doorbraken, herbergen alle een of meer
waterhoentjes-paren; ze zwemmen op alle vaarten en het is een groote
schande voor Amsterdam, dat er op al de vijvers en in al de parken geen
enkel waterhoentjes-paar huist.
Dan is het in de boschstreek langs den binnenkant der duinen anders!
Het is het ware land voor waterhoentjes: weiland, water en geboomte.
Geen wonder, dat ze hier ’s zomers bij honderden te zien zijn en ’s
winters in nog grooter aantal, want die uit Noordelijker en Oostelijker
streken komen hier overwinteren. Het geeft zoo’n Spaansch of Egyptisch
gevoel, als je ’s winters al de vogels ziet, voor wie hier het „warme
Zuiden” is: bonte kraaien, koperwieken, zwarte zee-eenden,
goudhaantjes, waterhoentjes, bastaardnachtegalen, boomleeuweriken en
eigenlijk ook de meerderheid der kieviten, roodborstjes en
winterkoninkjes. Dat zijn allemaal trekvogels, die van de bevroren
Oostzeelanden hierheen komen en voor een groot deel onze eigen vogels
vervangen, die weggetrokken zijn.
Voor de waterhoentjes is gemakkelijk uit te maken, hoe het eigenlijk
met hun reizen en trekken gesteld is. Men behoeft slechts de bevolking
van een bepaald waterhoentjes-terrein gedurende een heel jaar na te
gaan. Vroeger was de omgeving van de ruïne van Brederode daarvoor
bijzonder geschikt, maar die buurt is minder prettig geworden, sedert
er veel stinkend rioolwater door wordt geleid. Er komen nog wel
waterhoentjes voor, maar lang niet zooveel als vroeger en het is nu
niet meer prettig, om daar op ze te letten.
Maar er is geen gebrek aan goede terreinen. We hebben hier een meertje,
dat wel het waterhoentjes-paradijs mag heeten, want alle
gelukzaligheden, die de meest levendige waterhoentjes-fantasie zich zou
kunnen voortooveren, zijn daar vereenigd.
Het is een paar honderd meter lang en op zijn breedste gedeelte een
veertig meter breed. Daar ligt ook een eilandje, begroeid met wilgen en
elzen. De oevers vertoonen een groote verscheidenheid: langs den
noordelijken oever ligt een mooie tuin, de westelijke oever is voor een
deel een rietgrasmoeras, vol zeggeklompen en duistere waterkuilen,
overschaduwd door donkere elzen, voor een ander deel rietkraag en voor
de rest weiland. Ook langs de andere oevers ligt weiland, maar de rand
van ’t meertje zelf is begroeid met zeggen, eppe, zwanebloemen en
dotterbloemen. Aan de zuidpunt mondt een beekje uit, dat in zijn
bovenloop nimmer bevriest.
Het meertje is vischrijk, maar voor de waterhoentjes is het van meer
belang, dat alle mooie waterplanten er groeien: waterlelies,
kikkerbeet, waterpest, hoornblad, duizendblad en vooral niet te
vergeten de waterranonkel, die in den zomer het water bedekt met
bloesemsneeuw, waarvan de fijne geur wedijvert met die der linden.
Is aldus het meertje een lustoord voor de vogels; voor den
waterhoentjesvriend kon het ook niet beter, want langs de heele
westzijde is weide en meer omgeven door hakhout met een dichten rand
van meidoorns, zoodat de achterdochtige steltloopertjes gemakkelijk
genoeg te bespieden zijn.
Die waterhoentjes toch zijn bij ons nog altijd niet geheel en al aan
den mensch gewend. Soms loopen ze over den weg en wijken ze nauwelijks
uit voor een fiets, maar als ze merken, dat ze worden nagegaan, dan
komt hun schuwe rallenaard boven en dan sluipen ze met veel gegluur en
kopgeduik naar den meest nabijzijnden schuilhoek. Verrast ge ze,
terwijl ze in ’t water rondzwemmen, dan zullen ze al naar
omstandigheden kalmpjes wegzwemmen naar den verst verwijderden oever,
opvliegen en een heel eind verder neerstrijken of, als ’t gevaar heel
groot lijkt, neerduiken en schijnbaar nimmermeer boven komen.
Zij zijn dan een heel eind voortgezwommen onder water naar een
begroeide plek, die ze in de gauwigheid even hebben uitgekozen en daar
komen ze dan met den snavel even boven water terwijl ze zich met hun
lange teenen aan stengels en bladeren vasthouden.
Vliegen ze uit het water op, dan is de houding van ’t lichaam bijna
verticaal; den kop omhoog, het achterlijf afhangend en de pooten
nasleepend over het water. Naarmate ze meer vaart krijgen wordt de
houding meer horizontaal, de pooten worden tegen den staart gedrukt,
maar de kop blijft toch altijd het hoogst. Zoo kunnen ze vrij lang en
vrij snel vliegen; ik heb ze wel stukken van driehonderd meter zien
afleggen en twijfel er niet aan, of ze kunnen in den trektijd hun reis
voor het grootste deel vliegend verrichten.
Ons meertje herbergde dezen zomer drie waterhoentjes-gezinnen: een op
het eiland en twee in de zeggeklompen van het moeras. Ze konden
elkander nog al goed verdragen, d. w. z. ze hebben alle drie een dubbel
broedsel grootgebracht. Maar aan vechtpartijen heeft het niet
ontbroken, vooral in den eersten tijd van het broeden.
Daar ze hun voedsel in de onmiddellijke omgeving hunner nesten zochten,
op het water, op het weiland en in het bosch, kon het niet uitblijven,
of ze moesten elkander telkens ontmoeten en iedere ontmoeting werd een
gevecht of een demonstratie.
Neer ging de kop, omhoog de staart en met groote stappen draaiden ze om
elkaar heen in hevige opwinding. Bij iederen stap wordt de opgetilde
poot een poosje omhoog gehouden als wilde de vogel ermee dreigen of
afweren. Maar dan spreidt hij toch de lange teenen uit en zet met een
schokje het groene been neer. De staart wipt bij iederen stap op en
neer en wanneer de vogel stilstaat, klapt hij de witte zijdelingsche
onder-staartdekveeren uit, met een gebaar, dat wel wat herinnert aan de
vertooning van den korhaan.
Ook wipt hij met de vleugels, zoodat de witte vleugelrand te zien komt
en de halfwitte dekveeren onder de vleugels worden ook even opgetild
zoodat de witte partij veel grooter wordt. De broekveertjes trillen mee
en maken, dat de rood met oranje hielbanden prachtig te zien komen. De
tegenpartij blijft in zulk vertoon niet achter en ’t voornaamste is
nog, dat ze elkander den puntigen snavel voorhouden, waarboven de
groote roode voorhoofdsbles gloort.
Nu eens doet de een, dan de ander met dien snavel een vinnigen uitval,
een zijdelingsche greep, maar ’t is altijd mis. Ten slotte rennen ze op
elkander in met opengesperden snavel, springen tegen elkander op, al
krabbend met de lange teenen. Dan vallen ze beide neer en maken als bij
afspraak plotseling rechtsomkeerd met den rug hoog in de lucht en den
achtersteven uitgespreid op zijn allerbreedst; een echt onbehouwen
straatmeiden-gebaar van allerdiepste verachting.
En dan gaan ze doodgewoon, alsof er niets gebeurd is, heel braaf
voedsel zoeken voor hun broedende ega. De storm is ineens en volkomen
uitgeraasd, maar alleen, om een half uur later met vernieuwde woede op
te steken.
Tijdens den broedtijd zoeken de waterhoentjes hun voedsel voornamelijk
op het water, waarschijnlijk wel, omdat er dan ’t meest te vinden is.
In de allereerste plaats hebben ze het dan op de muggen voorzien en
daar kunnen wij hun niet dankbaar genoeg voor zijn.
De muggenlarven hangen met hun staarteind aan de oppervlakte van het
water, den kop naar omlaag. In ondiep water, waarin veel rottend blad
ligt, komen zij voor bij duizenden en duizenden en daaruit wordt dan
later de muggenplaag geboren. Nu komen de waterhoentjes zwemmend of
wadend die plekken afzoeken en met onbegrijpelijke vlugheid weten ze
larf bij larf te pakken, nog eer deze het wateroppervlak kunnen
loslaten, om zich te redden door neer te zinken.
Nog mooier is het, wanneer het waterhoentje de muggen zelf vangt,
wanneer zij over het water dansen, om er eieren te leggen. Er zijn
verscheidene soorten van vliegjes en muggen, die hun eieren leggen in
’t water; dat gebeurt zeer veel op warme zomeravonden. Langs alle
oevers en slooten en vijvers dansen de eierleggende diertjes, sommige
leggen hier of daar een enkel eitje, andere leggen ze aan groepjes of
snoeren.
En als dat nu in vollen gang is, dan komt het waterhoentje sierlijkjes
aanzwemmen over het blinkende water, bij iedere roeibeweging knikkend
met het kopje en wippend met de staart, langzaam, ordelijk en
regelmatig. Maar zoodra hij aangekomen is bij de muggen, gaat het
sierlijke scheepje wenden en draaien naar alle kanten en de vlugge
snavel hapt rechts en links, omhoog, omlaag, totdat hij een heele prop
muggen heeft bijeenverzameld. Die wordt gebracht naar de broedende ega
en dan begint de uitval opnieuw.
Een andermaal geldt het de vlugge schaatsenloopers, die gaarne in
troepen bijeen op ’t gladde water staan. Het waterhoentje blijft
nagenoeg stationnair maar hapt naar alle zijden, naarmate de
schaatsenloopers of de draaikevertjes binnen zijn radius komen. De
groene larven van de kleinere libellensoorten haalt hij tusschen wier
en kroos te voorschijn en als hij dit laatste zelf eet, dan is het
misschien toch wel in de eerste plaats om al het gedierte, dat aan de
kroosworteltjes leeft.
Nog vlijtiger werken ze, wanneer de jongen zijn uitgekomen. Die blijven
de eerste uren nog in ’t nest, al naar de omstandigheid, of dat dicht
bij het water ligt, of ver er van daan.
Evenals de meeste vogels, die succes hebben, is het waterhoentje ook
zeer veelzijdig in ’t bouwen van zijn nest. Het traditioneele nest
wordt gebouwd in en van rietgrassen, in de onmiddellijke nabijheid van
het water. Een van onze foto’s geeft een dergelijk nest te zien. Het
andere is van riet en ligt in ’t water.
Maar er zijn vele andere mogelijkheden. Waar geen rietgras is, maar
kreupelhout het water omgeeft, daar nestelen ze op de stoven der elzen,
wilgen of esschen, maken een ruw nest van weinig stengels en takken en
bevloeren dit met dorre bladeren. In zulke nesten is dikwijls geen
grassprietje aanwezig. Het hindert niet, al zijn de stoven wat hoog en
zoo kan het nest dan soms meters hoog terecht komen en ten slotte het
karakter krijgen van een echt boomennest. Wij hebben er gevonden meer
dan drie meter hoog in een beukenhaag en ook boven in een ouden
meidoorn. En vlak daarbij had een excentriek waterhoentje een nest
gemaakt onder de kruipende klimop, bijna geheel zonder eenige
bekleeding.
Dat was op een oud buiten. Gelukkig, dat er nog oude buitens zijn met
dicht kreupelhout, met vijvers waarin alle Hollandsche wilde
waterplanten mogen groeien en vaarten, waarlangs eeuwenoude
elzenstronken hun dikke takken omhoog zenden door dicht struweel van
bramen, netels, koninginnekruid en biezen. Aardige bruggetjes en goed
onderhouden paden verschaffen aangename gelegenheid tot gemakkelijke
wandeling en een paar meter buiten het pad lokt de bekoorlijke
wildernis een dichte vogelbevolking.
Op zulk een plaats konden wij dezen zomer het leven der waterhoentjes
van nabij bestudeeren. De meesten hadden een bladernest op een
elzenstoof. Dat was hun broednest, maar behalve dat hoofdkwartier
verrezen in den loop van den broedtijd nog allerlei kleinere bouwsels
langs den oever; vloertjes van takken en bladeren, minder hoog boven
het water dan het eigenlijke nest.
Evenals bij den winterkoning noemen we die nesten „speelnesten”. Zij
hebben hun ontstaan te danken aan een sterk ontwikkelde nestbouwdrift.
Toch bleven de meeste niet ongebruikt liggen, ze dienden na het
uitkomen der jongen als zitplaatsen.
Het broednest lag in den regel zoo hoog boven het water en de kanten
der elzenstoven zijn zoo steil of zelfs overhangend, dat de jonge
waterhoentjes, wanneer ze eenmaal het nest verlaten hebben, er
onmogelijk zelf weer in kunnen terugkeeren. De ouden hebben dan te
kiezen tusschen de moeite van telkens de jongen in ’t nest te tillen of
een nieuwe zitplaats te zoeken. Ze nemen daarvoor de speelnesten.
Één huishouding gebruikt op die manier wel een
half dozijn nesten. De jonge waterhoentjes zoeken die
zelfs nog op, lang nadat ze door de ouden zijn verlaten.
Het aantal der jongen is zeer verschillend en wisselt af van twee tot
twaalf. In de Levende Natuur heb ik de aandacht gevestigd op de
waarneming van Selous, dat ’t oude waterhoentje moedwillig eenige van
zijn eigen eieren zou vernietigen, om het aantal jongen te beperken.
Hij zag tot driemaal toe, dat een zelfde waterhoen een ei uit zijn nest
pakte, ermee wandelde naar diep water en het daar liet zinken.
Nu ken ik Selous persoonlijk van zeer nabij. Ik heb een paar dagen en
nachten met hem gewerkt op Texel en weet, dat zijn waarnemingen en
mededeelingen volkomen te vertrouwen zijn. Daarom heb ik mijn best
gedaan, om bij onze Hollandsche waterhoentjes hieromtrent ook iets te
weten te komen, maar ze hebben zich alle volkomen normaal gedragen.
Wel vonden we veel nesten met vier of vijf eieren, doch nimmer was er
een spoor te ontdekken, dat daar ooit meer in waren geweest. En alle
eieren leverden jongen op, op een paar na, die bedorven in ’t nest
bleven liggen.
Verscheidene malen woonden wij het uitkomen der jongen bij, al konden
we ook lang niet altijd wachten, tot ze te voorschijn kwamen. Die jonge
waterhoentjes hebben weinig haast om ter wereld te komen, of zoo ge
liever wilt, ze beginnen al heel vroeg in den dop te piepen.
De eieren van ons rietgrasnest waren alle aangepikt, toen de foto
genomen werd en de vogels piepten dat ’t een aard had, maar twee uur
later was nog niet een der doppen gebroken. Ze piepten soms wel een
heelen dag en zijn er den volgenden avond nog niet eens uit.
Als wij naar het uitkomen lagen te kijken, dan waren de ouden van ’t
nest gevlucht. Heel zachtjes gleden ze te water en zwommen dan een heel
eind ver weg; wel honderd meter. Maar ’t duurde niet lang, of ze waren,
al sluipend en kruipend ongezien weer naderbij gekomen en dan zaten ze
tusschen de biezen of onder de bramen, onophoudelijk „duk, duk—duk,
duk” te roepen.
Het had er dan alles van, alsof de ouden hun kindertjes, die ze nog
nooit gezien hadden en die hen zelf natuurlijk ook in ’t geheel niet
kenden, wilden waarschuwen voor ’t gevaar. Er wordt dan ook wel
beweerd, dat de jongen het wonderbaarlijk instinct bezitten, om op ’t
hooren van die waarschuwingskreten dadelijk zoo stil als muisjes te
zijn.
Onze jonge waterhoentjes evenwel misten blijkbaar dat instinct, want ze
piepten er even lustig op los. Eens lag ik met mijn neus vlak op zoo’n
nest toen een jong uit den dop kwam. Dat is altijd een mooi moment. Ik
slaagde erin geen spier te verroeren en toen bleef dat kleine beest nat
en hijgend stilletjes liggen tusschen de doppen, terwijl de ouden zich
heesch dukdukkerden tusschen het riet.
Maar toen ik even het hoofd ophief, werd het kleintje bevangen door een
grooten schrik en scharrelde hij haastig naar den rand van ’t nest. Ik
ging toen maar gauw weg, want ze mogen niet zoo gauw zonder hulp in ’t
water.
Het is een aardig gezicht, dat jonge dier zwart en nat uit ’t ei te
zien komen, zwart met een paar roode kale vleeschstreepjes op den
schedel en—wonderlijk genoeg—den snavel ook al versierd met rood
evenals bij de ouden. En vóór het rood zit de spierwitte eitand, die
den volgenden dag reeds afvalt.
Dat roode biesje blijven de jongen een week of drie houden. Als zij
grooter worden en veeren en pennen krijgen, dan verdwijnt het. De
snavel wordt dan groenachtig met een heel smal voorhoofdplaatje. De
veeren aan borst en buik zijn grijsachtig wit en al wat bij de ouden
aan vleugels, flanken en staart spierwit is, wordt bij deze jonge
vogels mooi heel licht bruingeel. De pooten zijn grijsachtig en
kousebanden hebben ze in ’t geheel niet.
Nu moeten ze zelf zien, dat ze aan den kost komen, want de ouden gaan
beginnen aan hun tweede broedsel. Ze zien naar hun eerste stel kinderen
nu niet meer om en als die soms nog om hulp en raad komen vragen, dan
kunnen ze een houw met den snavel oploopen. Toch blijven ze in de buurt
en dikwijls staan ze zich eenzaam in de veeren te pikken in een
speelnest.
Dezelfde schrijver, die dat vertelt heeft van het zwijginstinct der
zich in den dop bevindende kleintjes, de auteur van The Naturalist in
La Plata, W. H. Hudson, zegt ook, dat in de parken van Londen de jongen
van het eerste stel meehelpen, om het tweede legsel uit te broeden. Ook
hierop heb ik veel gelet, doch tot nu toe altijd zonder resultaat;
nooit heb ik een jongen vogel op eieren zien zitten.
Toch geloof ik Hudson wel, want hij is ook maar niet de eerste de
beste, ofschoon ik wel vrees, dat bij hem de literateur den waarnemer
wel eens verschalkt.
Dat na het uitkomen van het tweede broedsel de heele familie weer wordt
hereenigd, is intusschen onbetwistbaar waar. Dat gaat natuurlijk
doodgewoon zonder eenige scène of plechtigheid. De eerste jongen zijn
in de buurt van ’t nest gebleven en nu de ouden met het tweede stel op
de vlakte verschijnen, voegen ze zich natuurlijk en ongezocht bij ’t
troepje.
Naumann geeft daar een nog al sterk gekleurd verhaal van en dat is in
latere boeken natuurlijk „verbeterd en vermeerderd” naverteld. Daardoor
is men langzamerhand de jongste waterhoentjes gaan beschouwen als
bovenmatig vertroetelde Benjaminnetjes, terwijl de oude jongen gelden
als voorbeelden van broedermin en zusterliefde. Dat is allemaal erg
overdreven.
Ziehier, wat ik daarvan op 20 Augustus 1906 zag aan de Zanderijvaart
onder Overveen. Twee oude waterhoentjes zwemmen rond en wandelen over
de waterleliebladeren. Nu eens pikken ze in het water, dan in de lucht.
Drie jonge vogeltjes, nog geheel in ’t zwarte dons en met rood op de
snavels, zwemmen achter de ouden aan en pogen hun op zij te komen.
Dat gelukt gemakkelijk genoeg, want de ouden gaan in allerlei
richtingen door de vaart, en eigenlijk zou het voor de jongen de
verstandigste taktiek zijn, wanneer ze stil bleven liggen. Dat doen ze
ook soms, maar dan sturen ze toch weer opeens op het witte lokstaartje
der ouden af.
Slagen ze erin, een oude opzij te komen, dan piepen ze even en dan
stopt de oude vogel voedsel in het geopende snaveltje. Beurt wordt niet
gehouden, wie het dichtste bij het vuur is, warmt zich het beste.
In een groene nis tusschen de oeverbiezen staat een jong van ’t eerste
broedsel toilet te maken en een eindje verder zwemt er een vlak aan den
kant. Een derde en een vierde zwemmen midden in de vaart. Eén van de
drie kleine jongen komt in de buurt van deze laatste en piept om
voedsel. Broer heeft blijkbaar niets bij zich, maar pikt even in ’t
water en geeft dan iets aan de kleine. Ik kan niet nalaten te denken,
dat dit een zuiver instinctmatige handeling is, en dat hij misschien
niets geeft, alleen maar voerbeweging maakt.
De toiletmaker gaat nu ook te water en zoekt op zijn eentje voedsel
voor zichzelf. Het eene kleine jong zwemt nu voortdurend tusschen de
vier oude jongen heen en weer en doet nu stellig telkens wat op. De
beide andere blijven bij de volwassen ouders, die nu wel vijf en
twintig meter weg zijn. Later keeren ze terug en dan sluit het kleintje
zich ook weer bij hen aan. Van de vier oude jongen staat er dan een te
dutten op een driehoekig modderplekje onder den els, de anderen zitten
heel ver weg tusschen de oevergrassen.
De Zanderijvaart bevatte op dien dag zeven volwassen waterhoentjes, elf
oude jongen en negen jonge jongen. Er waren dus stellig kinderlooze
ouden in ’t vaartje. Geen wonder trouwens, want snoeken en ratten
houden geweldig huis onder de jongen.
In September komen er groote veranderingen in de waterhoentjes-wereld.
Langzamerhand verdwijnen de meeste jongen, niet, doordat ze opgegeten
worden, maar ze reizen in den vreemde. Sommige ouden trekken ook weg,
maar vele blijven hier; dat zijn dus echte standvogels. Het paar, dat
den vijver van Duin en Daal bewoont, is nu—15 November—nog present en
blijft den heelen winter. Op ’t meertje van Caprera zijn behalve de zes
vogels van dezen zomer nog een twintigtal ouden verschenen. Bovendien
zijn er zeven jongen, maar of die blijven weet ik niet. In de Zanderij
zijn er nu eens meer, dan minder, dat is daar een soort van
passantenhuis. Op de Liede en ’t Spaarne, in de kreken langs den IJdijk
vertoonen ze zich in groot aantal. We hebben ’s winters in Holland een
zeer sterke waterhoentjesbevolking.
Nu worden ze hoe langer hoe meer landvogels. Groote troepen loopen er
in de weiden te pikken tusschen het gras en ik vind ze ook tusschen de
esschen en berkjes van het kreupelbosch, waar ze op de manier van
merels rondwoelen in de dorre bladeren.
Op allerlei ongewone plaatsen kunt ge gedurende zomer en voorjaar
waterhoentjes ontmoeten. Niet licht zal ik vergeten, hoe ik op een
Maartmorgen er een ontmoette bovenop de ruïne van Brederode. Die zat
vlak bij den hoogsten trans te smullen in de klimopbessen. En toen ik
naar beneden keek, zaten daar tusschen hemel en aarde op verschillende
hoogte nog zes van die roodblessen, alle op dezelfde manier bezig. Ze
klauterden met het grootste gemak langs den hoogen klimopmuur, zich met
de lange groene teenen vastklemmend in de twijgen.
Toch blijft het water altijd hun hoofdverblijf en wanneer in de
wintermaanden het insectenleven aan de oppervlakte minder rijk wordt,
dan duiken zij vaak onder, om in de modder naar voedsel te zoeken.
Naarmate het voorjaar opschiet, worden ze hoe langer hoe luidruchtiger,
vooral in den laten avond en in den vroegen morgen en lang, voordat de
nachtegaal zich laat hooren, zijn de vechtpartijen tusschen de
waterhoentjesmannen weer in vollen gang.