Ik wilde wel, dat dit vogeltje een anderen naam had, een anderen naam
en een andere traditie. Voor de meeste menschen is hij niet anders dan
een zeer klein vogeltje, dat met steil opgerichten staart midden in den
winter zit te zingen en indertijd fraude gepleegd heeft, toen de vogels
een koning wilden hebben.
Dit is allemaal goed en wel, maar de winterkoning is toch nog veel meer
en hij draagt zijn staart niet eens altijd rechtop. Hij is een klein
vogeltje, begiftigd met een enorme vitaliteit, in de lente een der
allerbeste zangers en nestenbouwers, in den zomer een vlijtig zanger en
voorbeeldig opvoeder van zijn jongen, in den herfst een voorbarig
zanger en veelzijdig acrobaat en in den winter een avontuurlijke
zwerver.
’t Is een bosch- en tuinvogel bij uitnemendheid. Zijn donkere kleur,
varieerend van kil aschgrauw tot warm roodbruin en afgewisseld met een
paar lichte strepen boven ’t oog, een wit streepje op de
vleugeldekveertjes en zwarte, bruine en lichte dwarse
blokteekeningetjes op slagpennen, staartveeren en langs de flanken,
maken, dat ’t kleine wezentje te midden van dorre bladeren en
takkenrommel onmogelijk kan worden opgemerkt, als hij maar geen geluid
maakte. En, merkwaardig, wanneer hij wil opgemerkt worden en in ’t
zonlicht gaat zitten op een takeinde of bovenop een houtmijt, dan gaat
al het bruinrood in zijn veertjes gloeien en stralen, zoodat hij van
verre te zien is.
Hij is overal thuis en ’s zomers tenminste overal te vinden: in den
tuin, in ’t struweel van de parken en buitenplaatsen, aan den
boschrand, in de duinboschjes vlak bij de zee, in de braamstruiken, in
den grindput midden in de barre hei, in de wilgen van de grienden langs
de groote rivieren, in de elzen van het peilloos moeras.
’s Winters schijnt hij zich meer te concentreeren rondom bewoonde
plekken. Dan krijgen wij er om huis wel driemaal zooveel te zien als ’s
zomers, maar daar zijn er stellig onder, die van verre komen uit
vreemde landen. Er zijn dus twee oorzaken, waardoor het „groote
publiek” den winterkoning ’s winters eer opmerkt dan ’s zomers: ten
eerste zijn er dan minder andere vogels, die zingen, en ten tweede is
het aantal winterkoningen veel grooter.
Hoe brengt de winterkoning den winterdag door? Hij wordt wakker een uur
vóór zonsopgang of nog eerder, al naar het weer of naar den stand der
maan. Bij volle maan worden de vogels altijd vroeger monter. Bij donker
weer worden ze laat wakker en als ze in een donkere ruimte overnachten,
waar ’t daglicht niet doordringt, dan komen ze zeer laat te voorschijn.
’s Winters komen de winterkoninkjes nog al eens slapen in de schuur
achter de turven. Wij laten ’s avonds de schuurdeur altijd een poosje
open en ze zorgen dan wel, dat ze binnen komen. ’s Morgens even voor
zonsopgang als de andere winterkoningen al lang monter zijn, dan is het
in de schuur nog doodstil. Maar doen we de deur open, dan is het
dadelijk: „tèk, tèk, tèk”, en de bruine balletjes gonzen naar buiten.
En dan is het eerste, wat ze doen, een liedje te zingen.
Er is over vogelzang al veel getwist en geschreven. Het meest verspreid
is de meening, dat de mannetjes zingen, om de wijfjes te behagen,
eerst, om ze te veroveren en daarna zeker om ze te behouden of om ze er
voor te bedanken, dat ze geaccepteerd zijn.
Dit is natuurlijk moeilijk uit te maken. Het beste van zulke kwesties
is misschien ook wel, dat ze nooit uitgemaakt worden, maar dat ze
steeds aanleiding geven tot interessante en genotrijke waarnemingen.
Zoo ooit, dan bestaat hier het gevaar, dat onze dierkundige
waarnemingen lijden onder menschelijke preoccupaties.
Het probleem van vrouwen te behagen neemt in de menschelijke
samenleving en in onze kunst en literatuur een belangrijke plaats in,
van een vogelkundig standpunt beschouwd, misschien een veel te groote.
Bovendien zijn de beschouwingen omtrent deze beminnelijke omstandigheid
’t meest afkomstig van mannen en ’t zijn ook alweer mannen, die de
wetenschap der ornithologie hebben gegrondvest. Ik vrees, dat wij
daardoor wel wat al te dikwijls eenzijdige en bekrompen opvattingen
hebben gekregen omtrent de levensuitingen van de vogels.
Een man maakt een loffelijke uitzondering en dat is—mirabile
dictu—Goethe, als hij zegt:
Ich singe wie der Vogel singt
Der auf den Zweigen wohnet
Der Ton, der aus der Kehle dringt
Ist Lohn der reichlich lohnet.
Dus zoo iets als: l’Art pour l’art. En toch weer wat anders. Hoe meer
ik de vogels bestudeer, des te sterker gevoel ik, dat zij een leven
leiden, zoo intens en gelukkig, dat hun gewone levensuitingen zich
telkens verheffen tot een volmaaktheid en harmonie in de uitvoering
ervan, die op ons den indruk maken van kunst. Dan worden hun lokkreten
tot een lied, hun vleugelbeweging tot een wonderbare luchtgymnastiek,
hun zwemmen en duiken tot bewegingen van buitengewone kracht en gratie.
Dat ten slotte, als ’t noodig is, de wijfjes daardoor bekoord worden,
spreekt vanzelf. Ook geloof ik wel, dat in bepaalde tijden van het jaar
en wellicht vaker dan men meent, de tegenwoordigheid van wijfjes de
mannetjes tot kunstvertoon prikkelt. Maar dat neemt niet weg, dat ze in
zeer vele gevallen mooie dingen doen, zonder dat op ’t oogenblik de
noodzakelijkheid ertoe bestaat en zonder dat er een lid van de andere
sekse in de buurt is.
Het is zeer wenschelijk, dat dames-ornithologen eens gaan vertellen van
hun waarnemingen. En ook is het van belang, dat wij wat meer gaan
letten op het gedrag der wijfjesvogels. Het zou dan blijken, dat die
lang niet altijd de passieve en kleurlooze rol spelen, die haar in de
boeken wordt toebedeeld.
De winterkoninkjes zingen direct bij ’t ontwaken, juist zooals een
gezond kind doet. Eerst komen een paar loktoontjes, maar al heel
spoedig gaan die over in ’t welbekende onstuimige liedje. Dat duurt een
half uurtje en dan komen de zorgen voor het ontbijt.
Dat gaat weer met de noodige drukte en opgewektheid. Takkenbossen
worden doorsnuffeld, boomstronken afgezocht, en onder elk blad van
kruip- of klimplanten schijnen verborgen schatten te liggen. En wanneer
een gedeelte van de taak is afgewerkt, dan wordt daar melding van
gemaakt door een paar parmantige roepjes, „terrt, terrt”, die bij de
minste aanleiding zich weer uitbreiden tot het welbekende ratelliedje.
Wat vindt hij daar? Zoo ge ’t weten wilt, dan moet ge zelf maar eens
een boomstronk afzoeken, desnoods gewapend met een vergrootglas. Ge
vindt natuurlijk niet het tiende deel van wat de vogel weet te
ontdekken, maar toch genoeg, om u de zekerheid te verschaffen, dat het
montere vogeltje zonder veel moeite aan den kost kan komen.
Daar zitten achter mooie webjes en gordijntjes in kleine zakjes van
fijn spinsel, eitjes en larfjes van allerlei soort: rupsjes, spinnetjes
en zelfs mooie blinkende volwassen kevertjes, heele plekken volgeplakt
met vlindereieren en oranje urntjes vol met eitjes van spinnen. Als ’t
niet al te guur weer is, zijn tusschen de dorre bladeren ook
slakkeneieren te vinden en kleine mugjes, met mooie parelmoeren
vlerkjes, die ze haast nooit gebruiken. Uit de halfvergane
eikenbladgallen komen zwarte wespjes te voorschijn, die traag
voortloopen en op de eikenknoppen gaan zitten, om er hun eieren te
leggen.
Zoo is er den heelen winter genoeg te vinden, zelfs voor een
insecteneter en geen wonder is het, dat onze winterkoning voor tienen
al weer tijd en lust heeft, om door de sparretjes te huppelen, al
roepend om gezelschap of schermutselend met zijn tijd- en
plaatsgenooten, de meezen, goudhaantjes of boomkruipertjes. Merkwaardig
is het, hoe hij geheel op boomkruipertjesmanier tegen de stammen kan
opklauteren, echter altijd min of meer overdwars en op hooge pooten.
En hij slaat weer aan ’t zingen ook. Het is de moeite waard, hem nu van
zeer nabij op te nemen. Als hij goeden zin heeft, dan laat hij u wel
naderen tot op twee meter, maar ’t makkelijkst is wel, den kijker erbij
te halen.
Het komt er op aan, om te zien, of we te doen hebben met een jongen
vogel of met een ouden. Wie nu voor ’t eerst naar winterkoninkjes
uitkijkt, kan in dezen niet meespreken, want het onderscheid is nog al
subtiel. Bij de oude vogels is de borst en keel minder, vleugels en
staart daarentegen meer van dwarsstrepen voorzien. De jonge vogels zijn
aan borst en keel rossig, soms echt roodbruin, de ouden aschgrauw. De
vogel op onze foto is een oud mannetje.
Nu heb ik in de heerlijke Octobermaand 1906 heel veel winterkoninkjes
hooren en zien zingen en ik kan u vertellen, dat bijna de helft (42%)
jonge vogels waren, geboren in 1906, dus jongelui van een maand of vier
oud. Ik kan zelfs aan ’t liedje wel hooren, of ’t een oude of een jonge
is, de jongen zingen veel korter, veel zachter, geheel zonder snerpende
fortissimo’s. Een enkelen keer vergis ik mij nog wel eens, maar in acht
van de tien gevallen heb ik toch wel gelijk.
Heel veel jonge vogels zingen in den herfst, niet alleen de zoogenaamde
standvogels, zooals roodborst, winterkoning en bastaardnachtegaal, maar
ook trekkers, zooals de fitis, de tjiftjaf, het roodstaartje en zelfs
nachtegaaltjes.
Ik heb een vermoeden, dat de wijfjes van de winterkoninkjes ook zingen.
In Augustus van het vorig jaar trof ik in Beverwijk een heele
winterkoninkjesfamilie aan, die in een verwaarloosd boomgaardje zoekend
en etend rondscharrelden. Er waren vijf jongen en twee ouden en beide
ouden zongen, de een luid en flink, de andere aarzelend en zachtjes,
als aanhangsel van lok en angstkreten. Nu zou ik, om zekerheid te
hebben, zoo’n vogeltje moeten doodschieten en dan anatomisch het
geslacht vaststellen, maar ge begrijpt, dat ik in zoo’n geval de
waarschijnlijkheid verkies boven de zekerheid.
Intusschen is het een zaak, waarop gelet kan worden en wij mogen dan
meteen de andere winterzangers, roodborstje en bastaardnachtegaal, ook
in het onderzoek betrekken.
In den namiddag schijnen mijn winterkoninkjes even te dutten, niet
langer dan een uur, want tegen de avondschemering beginnen ze weer
overal te roepen en te zingen en dan gaan zij ter ruste. Ik loop ze wat
na, om hun slaapplaatsen te vinden, want er is een aardig
boekenverhaaltje, dat ik nog nooit bewaarheid heb gezien.
Er wordt namelijk beweerd, dat de winterkoninkjes bij guur weer een
winterverblijf bouwen, eigenlijk niet anders dan een groot nest en dat
ze dan daarin ten getale van zes of zelfs meer overnachten om van
elkanders warmte te profiteeren. Dat is erg mooi en aandoenlijk en ik
zou het dolgraag eens willen zien, maar het is me nog niet mogen
gelukken, zoodat ik, onder ons gezegd, wel een weinig begin te
twijfelen.
Ik geloof wel, dat de winterkoninkjes nesten bouwen in den winter, maar
dat houd ik voor een uiting van het broedinstinct, dat zich bij dezen
vogel onder andere zeer sterk uit in een zucht, om nesten te bouwen.
Den heelen dag is het echtpaar bezig, mannetje zoowel als wijfje, het
eene „speelnest” is nog niet klaar, of er wordt al aan een ander
begonnen en dat alles onder onophoudelijk gelok en gezang.
Dat gezang is een echte weerklank van de groote activiteit, van het
groote geluksgevoel van het vogeltje. Het klinkt wel eens zoo luid en
duurt wel eens zoo lang als ’t herfst- en winterlied. Het begint met
een aantal snelle staccato-toontjes, dan komt een lange triller, dan
wisselen telkens eenige staccato-tonen met korte trillertjes af, totdat
een laatste onstuimige tonen-cascade het lied besluit. Het is beslist
een origineel lied, geheel opgebouwd uit eigen geluiden en het valt
niet moeilijk, er de gewone lok- en alarmkreten in te herkennen.
Er zingen in de lente zooveel winterkoninkjes en ze zingen zoo zonder
ophouden van voor zonsondergang tot het invallen van de duisternis, dat
een groot deel van het duizendstemmig vogelkoor op hun rekening moet
worden gebracht. Liefst zingen ze op duidelijk zichtbare plaatsen en
zeer dikwijls slingeren ze zich onder het zingen de lucht in, om al
zingende een heel eind verder neer te dalen.
De korte vleugeltjes gaan zoo snel, dat ze niet te zien zijn en het
valt inderdaad moeilijk, om in dat geraasmakend bruine dingetje een
vogel te herkennen.
Veelal huizen winterkoninggezinnen in elkanders nabijheid en dan hebben
de mannetjes er groot genoegen in, om met elkander een beurtzang te
houden. De een wacht behoorlijk tot de ander zijn liedje uitheeft en
begint dan het zijne. Een kwartier lang kunnen ze dat volhouden, de
volmaakte afwisseling bewijst, dat ze naar elkander luisteren. In den
herfst en winter doen ze dat ook wel en in de allermeeste gevallen is
er dan niets te bespeuren van wedstrijd of afgunst.
Toch heb ik ook wel gezien, dat de zangers hoe langer hoe dichter bij
elkander kwamen en dat zij ten slotte al zingende handgemeen raakten.
Wanneer het echte nest kant en klaar is met zijn buitenlaag van dor
blad, zijn binnenmuur van mos, de binnenkleeding van haren en veertjes
en ’t wijfje zit te broeden op het tiental roodgespikkelde eitjes, dan
doolt het mannetje voortdurend rond in de omgeving van het nest en
zoodra er onraad dreigt, begint hij te ketsen. Het geluid, dat hij nu
laat hooren, lijkt precies op het op elkaar ketsen van een paar
kiezelsteentjes: „tèk, tèk, tèk.”
Een kat sluipt door het onderhout. „Tèk, tèk, tèk,” gaat onophoudelijk
om hem heen en het waakzame vogeltje snort den ellendigen roover om de
ooren.
Als wij tusschenbeide komen en de kat door een goedgemikten steen op de
vlucht drijven, dan gaat de angst van ’t vogeltje in vreugde over en
hij zingt zoo, waar hij zit, midden op den grond een daverend
vreugdelied.
Het nest van een zoo expansief diertje is natuurlijk gemakkelijk te
vinden. Het komt er maar op aan, hem een half uurtje na te gaan en te
letten op alle dichte en donkere plekken in de lage heestertjes en
klimplanten. Zelden ligt het nest hoog, heel dikwijls zelfs vlak bij
den grond, maar in den regel is het goed verborgen door de dichtheid
van de struiken, of doordat de buitenzijde gemaakt is van ’t zelfde
materiaal als de omgeving.
Er gaat een verhaal, dat de winterkoning zijn nest voor goed verlaat,
eieren of jongen in den steek latend, wanneer een mensch het aangeraakt
heeft, of wanneer zijn adem erover is gegaan. Nu, hiervan is niets
waar, ge kunt gerust winterkoningsnesten zoeken en bekijken, zooveel ge
wilt.
En ligt het nest op een gevaarlijke plaats, waar katten of kwajongens
het zouden kunnen verstoren, dan moogt ge het gerust naar een veiliger
standplaats verleggen, of er een beschermend prikkeldraad om vlechten.
Mij is een geval bekend, dat een winterkoninkje een nest had gemaakt in
een stuk boomstronk dat gebruikt moest worden voor de omheining van een
rustieke bank. Het ding moest in orde worden gemaakt. De stronk moest
weggeruimd, de schoonmaaktijd kent geen mededoogen. Men pakte dus kort
en goed het houtblok op en bracht het, waar het wezen moest, met nest
en al een meter of tien verder. Natuurlijk gebeurde dit onder groot
protest van de winterkoninkjes, maar toen ’t ding eenmaal stil lag,
ging het wijfje het nest opzoeken, bebroedde de eieren even trouw als
te voren en dat is toen nog een heel gelukkig winterkoningengezin
geworden.
Een andermaal had een Junistorm een heel winterkoningennest met jongen
en al uit zijn kruisbessenstruik gerukt en een meter of drie verder
tegen den grond gesmakt. De oude vogels waren radeloos. Een
medelijdende hand heeft toen ’t nest met jongen opgenomen, rafels en
flarden erin gewerkt en het weer in den oorspronkelijken stand in den
struik gezet. Ook na dit ongeval gingen de ouden gewoon voort met de
verzorging.
De jongen worden gevoerd met kleine insecten en miereneieren,
hoogstwaarschijnlijk wel met mieren zelf ook, want ik heb in mijn tuin
een mierennest gehad, waar den heelen dag de winterkoninkjes kwamen
schuimen. De poppenkamers lagen gewoonlijk vlak onder de graszoden,
gemakkelijk voor het lange snaveltje te bereiken, maar bij droog weer
en op den middag een paar centimeters dieper. Toch kwamen de koninkjes
dan evengoed hun schatting halen. Het diertje op de foto heeft het
achterlijf van een kleine kakkerlak in zijn bek.
De jongen worden niet heel lang in het nest gevoerd. Al heel gauw komen
zij er uit en dan begint voor de oude vogels een tijd van veel onrust
en spanning. Hun „tèk, tèk, tèk”, klinkt onophoudelijk den heelen dag,
terwijl zij de jongen rondleiden door de lage struiken en het
kreupelhout. Hoe vlugger de jongen worden, des te moeilijker zijn ze
bij elkander te houden. Alles moet tegelijk gebeuren: de bende
bijeenroepen, uitkijken, om voedsel te vinden, voeren, uitkijken, of er
gevaar dreigt, en zoo de nood aan den man komt, redden, wat er te
redden valt.
Ze schijnen dag aan dag dezelfde tournée te maken. Ik had dezen zomer
twee families in mijn tuin, de eene met zes jongen kwam ’s morgens, de
andere met acht in den namiddag. Dat wil zeggen, er waren er zes en
acht, toen de bezoeken begonnen, maar na een week was dat aantal al
verminderd tot twee en vijf. Meer dan eens ben ik van mijn boek of mijn
werk opgestaan, om ze te helpen tegen de groote erfvijanden van de
jonge vogeltjes: de katten en de gaaien. De katten zijn niet anders van
mij gewoon, maar de gaaien keken eerst raar op, toen ik hun met steenen
naar het hoofd gooide. Daarover later.