Wanneer ooit een vogel miskend of mishandeld is door taxidermisten en
teekenaars, dan is het wel deze aardige steltlooper. Ze weten nu
eenmaal, dat hij groote uilenachtige oogen heeft, een ranke gestalte en
hooge, dikke pooten en daarom moet er dan maar meteen een karikatuur
van gemaakt worden. Misschien hebben de literateurs onder de
ornithologen wel een weinig overdreven, als zij uitweidden over de
zonderlingheid van dezen vogel, met name Selous, die hem verwant
verklaart aan Don Quichotte en den Markies van Bradwardine.
Nemen wij nu uit onze collectie photografieën van den vogel, bukkend
bij zijn eieren, dan valt daar wel wat voor te zeggen, want dat dier
heeft wel wat van een berooid edelman. Doch dat ligt in dit geval toch
meer aan het onvolkomene van de foto en de minder gelukkige pose.
Wanneer de Venus van Milo eens instantané gekiekt had kunnen worden op
’t oogenblik, dat ze juist beginnen zou, om over een sloot te springen,
dan zou dat er ook gek genoeg hebben uitgezien.
Maar zie nu eens de foto van den broedenden vogel. Waar blijft nu Don
Quichotte of de Hansworst uit de vogelcollectie?
Welk een edele, rustige houding. Hoe heerlijk wordt het groote oog
omgeven door de sierlijk gebogen oogleden. De schedel welft hoog over
het oog heen, de hals ontspringt stevig uit den romp. De korte rechte
snavel met de duidelijke neusopening is volkomen gebalanceerd en de
wijde mondspleet, die evenals bij de nachtzwaluw tot onder de oogen
doorloopt, wordt tegelijk aangeduid en verborgen door een rij van
stijve veertjes.
Zie, wat mooie partijen gevormd worden door de veeren van den mantel en
de dekveeren van de vleugels. Hun sobere kleuren, geelgrijs met bruin,
worden heel even afgewisseld door de witte streep op de vleugels en het
wit en zwart van den staart. Daardoor komt wat afwisseling in de grijze
schutkleuren, ja, daardoor wordt de vogel des te beter beschut, want nu
worden de eigenlijke omtreklijnen verbroken en vervormd, zoodat op
eenigen afstand de gewone vogelcontour bijna niet is op te merken.
Een prachtige vogel is de griel; op zijn minst even mooi als een wulp,
een scholekster of een kievit, en stellig beter geproportionneerd dan
de twee eerstgenoemde langsnavels. En met de dikheid van de pooten of
van de hielen is het lang zoo erg niet, als wel verteld wordt; die valt
bij de jonge vogels het meest in ’t oog, maar er zijn wel meer jonge
vogels met logge, dikke pooten.
Ik heb de foto van den broedenden griel vergeleken met de gekleurde
platen in een paar van de beste vogelboeken en met zeer groote
verbazing en consternatie gezien, dat die zeer sterk van de waarheid
afwijken. Die gekleurde platen zijn meestal gemaakt naar opgezette
vogels. In den regel zijn die voorbeelden niet goed opgezet. De artist
weet dat en al naar zijn kennis van vogels „verbetert” hij dan in zijn
schets het opgezette exemplaar en zoo krijgen we dan de
fantasie-afbeeldingen, die in hoofdzaak wel eenig idee geven van vorm
en kleuren dier vogels, maar eigenlijk toch allerdiepst gewantrouwd
moeten worden.
Ongetwijfeld zal de vogel-fotografie, zooals die thans in vele landen
met vlijt en succes beoefend wordt, groote verbetering brengen in de
illustratie van ornithologische werken en zullen naar ik hoop binnen
een tiental jaren de paskwillen van thans vervangen zijn door goed
werk.
Dat goede werk kan slechts gedaan worden door artisten die gebruik
maken van de photografieën en van de methode der photografen. Vooral
het laatste is van belang: niemand kan een vogel schilderen, die niet
uren lang met den verrekijker voor het oog den vogel in zijn doen en
laten heeft gadeslagen.
Het observeeren van grielen is gemakkelijk genoeg, als men maar eerst
weet, waar ze zich ophouden. In ons land komen ze meest voor in de
duinstreek tusschen Den Haag en Den Helder, vooral in de Schoorlsche en
Berger duinen en in de duinen van Velzen en Bloemendaal. Ieder jaar
hebben we hier eenige broedende paren; in 1903 heeft een grielenpaar
zelfs een zekere beroemdheid verworven door te broeden in Aardenhout,
vlak bij een drukke villabuurt met de electrische tram en al den
aankleve van dien.
Er wordt in de boeken altijd hoog opgegeven van des grielen schuwheid.
Hij is echter volstrekt niet schuwer dan een wulp of een kraai en dat
hij door zoo weinig menschen gezien wordt, ligt hem alleen aan de
zeldzaamheid van den vogel en aan de zeldzaamheid van de menschen, die
er werkelijk eens een paar uur voor over hebben, om te probeeren, hem
te zien te krijgen.
De griel is een nachtvogel. Dat is nu eigenlijk niets bijzonders, want
de meeste vogels zijn nachtvogels gedurende den voorzomer. Eigenlijk is
het dan nooit nacht, theoretisch is de avondschemering niet eens
geëindigd, wanneer de morgenschemering reeds begint. De steltloopers
zijn den heelen nacht bezig in de weiden en aan de zee, en een groot
aantal zangvogels blijven voortdurend monter of rusten alleen een
uurtje vóór en na middernacht.
Het eenige verschil is, dat sommige vogels op den dag meer rusten of
slapen dan andere, en in dit opzicht gedraagt de griel zich dan
ongeveer zooals de uilen en de nachtzwaluw. Geen van deze vogels rust
echter den geheelen dag, eigenlijk kunt ge ze op alle uren wakker en
vliegend aantreffen.
De groote vogels van het duin komen alle van tijd tot tijd naar de
vlakte, hetzij om voedsel te zoeken op de weilanden, hetzij om te baden
en te drinken. Vroeger, toen de duinen waterrijk waren, geschiedde dat
misschien in mindere mate, maar thans is het een onvermijdelijke
noodzakelijkheid.
De voornaamste punten van aantrekking zijn het Brouwerskolkje, het
meertje van Berkhout en de slooten en weteringen nabij de ruïne van
Brederode. Langs vaste wegen begeven zich kneutjes, piepers,
grasmusschen, lijsters, scholeksters, kieviten, wulpen, nachtzwaluwen
en grielen naar deze drinkplaatsen en ik behoef maar een paar uren de
wacht te betrekken in een bepaalden bergpas, om een overzicht te
krijgen van de vogelbevolking van het duin. Wanneer de weinige
drinkputten, die zich nu nog in sommige valleien bevinden, zijn
uitgedroogd, wordt dat overzicht natuurlijk nog vollediger.
De griel gaat laat in den avond naar zijn drinkplaats en is dan in ’t
voorbijgaan het best te herkennen aan zijn geschreeuw, dat wel wat
heeft van het „tloei-iet” van den wulp, maar schriller en scherper is.
Smaken verschillen: de beroemde Engelsche ornitholoog Newton noemt den
kreet van den griel veel zoeter en welluidender dan die van den wulp,
maar in die meening staat hij vrijwel alleen.
Er is in de eerste lettergreep iets krassends, in de tweede stijgt de
toon zoo hoog, dat het trommelvlies er dikwijls onaangenaam door wordt
aangedaan. Soms is er heel goed „scharr-luup” uit te maken en ook wel
„grie-iel”, want beide volksnamen van den vogel zijn nabootsingen van
den roep.
Onder het vliegen ziet de griel er ook heel anders uit dan de wulp:
zijn staart lijkt langer, de nek is ingetrokken, zoodat de kop met den
korten snavel slechts weinig buiten de vleugellijn uitsteekt; op de
vleugels is veel wit te zien van de dekveeren en van de kleine
slagpennen, ook worden de vleugels veel sneller bewogen en vliegt de
vogel laag bij den grond en in een rechte lijn. Wie op al deze dingen
let, kan gemakkelijk op een helderen avond zijn vogel herkennen.
En dan een van de volgende dagen het duin in, om zijn woonplaats te
ontdekken. Duin op, duin af, de valleien doorkruist in hun lengte en
breedte of, als het marcheeren vermoeit, een uurtje rust genomen op een
duintop met een wakend oog naar alle zijden. Niet te gauw den moed
opgeven en dankbaar aanvaard, alles wat ongezocht zich aan de blikken
vertoont.
Let vooral ook op de voetsporen in ’t zand. Wat is er op de open
plekken veel te lezen! Hier hebben fazanten geloopen, ginds trippelde
een leeuwerik, daar ging een hermelijn zijn kronkelweg of tobde een
logge pad op tegen een hellinkje. Een kraai drukte hier zijn scherp
geteekende voetballen in ’t zand, een mestkever maakte er een dubbele
rij van hoekige figuren. En hier is ook het grielenspoor. Drie teenen
staan scherp afgeteekend in den grond, de middelste het grootst, de
buitenste bijna de helft kleiner. De voetzool zelf is ook duidelijk
afgedrukt, op rulle plekjes zelfs de verbindingsvliezen tusschen de
teenen behoorlijk verantwoord.
Nu verdubbelt onze opmerkzaamheid en spoedig zien we den vogel voor ons
opvliegen. Hij neemt nog al een langen aanloop en als hij eenmaal
vliegt, duurt ’t nog een poosje, voordat hij de lange, groenachtig gele
pooten behoorlijk opgetild en tegen den staart achterwaarts gestrekt
heeft. Nu hij langs het groene berkenboschje vliegt, valt hij heel
duidelijk in ’t oog met zijn warme bruingele kleur en het vele wit op
de uitgespreide vleugels. Maar als hij neerstrijkt op het schaars met
grauw mos begroeide zand, is hij moeilijk te onderscheiden van de
omgeving en wanneer we hem niet hadden zien neerkomen, zou hij voor ons
onzichtbaar zijn.
Hij staat een poosje stil, mooi rechtop, flink rondkijkend. Dan zakt
hij langzaam ineen, zijn hielen knikken achterwaarts en nu zit hij vlak
op den grond, juist zooals scholeksters zoo gaarne doen. Zoo blijft hij
zitten, als wij de plek voorzichtig besluipen, en eerst als we dichtbij
zijn, staat hij op en loopt weg met den hals vooruitgestrekt en den kop
omlaag.
Blijven we nu stilstaan, dan gaat hij ook weer zitten of zelfs liggen,
met hals en kop vlak tegen den grond. Dan is hij op den bleeken
duinbodem weer bijna onzichtbaar.
Het best gelukken de waarnemingen in de nabijheid van het nest.
Eigenlijk kan van een nest niet gesproken worden, want de eieren liggen
zoo maar op ’t zand in een heel ondiep kuiltje, dat niet opzettelijk
wordt gemaakt, maar langzamerhand ontstaat door het neerzitten van den
vogel.
Zooals de eieren daar liggen, vallen ze heel goed in ’t oog. Ze lijken
in ’t geheel niet op den bodem of op de voorwerpen in hun omgeving. In
andere streken en andere landen bewoont de griel bij voorkeur
steenachtige vlakten en het heet, dat zijn eieren daar precies gelijken
op keisteenen. Dat is bij ons in ’t geheel niet het geval. De eieren
worden op open plaatsen meteen opgemerkt, mijn eerste griel-eieren zag
ik al liggen, toen ik er nog wel een vijf en twintig meter vandaan was.
Het is heel merkwaardig, dat bij de griel, evenals bij de nachtzwaluw,
de beide eieren dikwijls verschillen in kleur en teekening. Op de foto
met de staande griel is dat zeer duidelijk. Deze omstandigheid
bemoeilijkt wel eenigszins het opsporen van de eieren, want natuurlijk
zou men ze veel eerder opmerken, als ze allebei even licht, even donker
en op dezelfde manier gevlekt en gestreept waren.
Wat is het toch dom, om die eieren op te rapen, mee te nemen, en dan al
of niet uit te blazen en te bewaren. Met deze opmerking bedoel ik niets
kwetsends voor de echte oölogen, die met veel vlijt en kennis een
eiercollectie bijeenbrengen en door zorgvuldige bestudeering van vorm
en kleur der eieren allerlei mooie wetenschappelijke ontdekkingen doen.
Integendeel, hoe meer ik hen helpen kan, hoe liever.
Maar de gewone eierverzamelaar sticht weinig nut. Toch is hij nog
altijd beter af, dan iemand die in ’t geheel niet om vogels, nesten of
eieren geeft. Maar het zou toch veel beter zijn, als hij de eieren
liet, waar ze waren en zich tevreden stelde met nauwkeurige notities
van tijd en plaats en een beschrijving van de voorwerpen, liefst
geïllustreerd met een foto.
Ik ken al veel liefhebbers, die op deze manier werken en die zoodoende
een verzameling van feiten krijgen, die heel wat meer waard is dan de
traditioneele verzameling van leege doppen.
Deze algemeene beschouwingen vloeien mij uit de pen, nu ik mij herinner
al het genoegen, dat ik beleefd heb, door een paar grieleneieren rustig
op hun plaats te laten. Nu kon ik, zoo vaak mijn vrije tijd mij de
gelegenheid er toe gaf, rustig langs bekende paden de plek besluipen en
reeds van verre het nest in den kijker nemen.
’s Morgens bij zonsopgang zat altijd strijk en zet de vogel op de
eieren; ook in den laten avond, en ik twijfel er niet aan, dat ze den
ganschen nacht zonder ophouden bebroed worden. Tusschen achten en
twaalven echter waren de eieren vaak onbedekt. Zonder noodzaak, zonder
opgeschrikt te worden, verliet de vogel het nest, om rond te gaan
loopen in de omgeving. Aardig was het om te zien, hoe hij, onmiddellijk
na het verlaten van ’t nest even stilstond en dan één voor één de
vleugels uitstrekte, zijwaarts en omlaag en heel wijd uit, juist zooals
scholeksters doen. Er is heel veel overeenkomst in het gedrag van
scholeksters en grielen.
Dan kwam ook nummer twee opdagen: buiging en begroeting en daarna
gingen beide samen wandelen: zij aan zij, het mankeerde er nog maar
aan, dat ze elkaar een arm gaven en de verleiding was sterk, om er een
gesprek bij te fantaseeren. Dat mannetje en wijfje bij de vogels
stilletjes en innigjes naast elkaar zitten, gebeurt dikwijls genoeg:
let maar eens op meezen en duiven. Maar dat ze met elkander echt uit
wandelen gaan, heb ik alleen bij de grielen gezien; bij de eenden lijkt
het soms zoo, maar dat is eigenlijk toch weer anders.
Op ’t heetst van den dag werden de eieren weer trouw bebroed en bij het
dalen van de zon, tegen half vier, kwam er weer verpoozing; echter
zonder gezellige wandeling; nummer twee deed zeker ergens een dutje. In
den avond waren beide vogels weer present en dan wisselden ze elkander
zeker niet af met broeden, want ik zag, dat de op het nest zittende
vogel door den ander gevoerd werd.
Het was niet gemakkelijk, zeer dicht bij het nest te komen. Blijkbaar
heeft de griel een verbazend fijn gehoor: ik kon hem nooit dichter
naderen, dan tot op twaalf meter en dan nog wel door een boschje. Hij
bleef dan stil zitten zonder eenige beweging tot op het laatste
oogenblik. Andere vogels draaien in zulke gevallen met den kop, kijken
rond of geven andere teekens van ongerustheid. De griel echter niet;
die loopt ineens weg, zonder overhaasting maar toch zeer snel en zonder
om te zien. Hij vliegt dan ook niet op, maar hij kruipt tegen den
grond, zoodra hij meent buiten gevaar te zijn. En de twee eieren liggen
dan open en bloot op den kalen zandgrond.
Eigenlijk deed hij veel verstandiger met stilletjes te blijven zitten,
want in onze geel-grauwe duinen valt de vogel veel minder in ’t oog dan
de eieren. Dat instinct van wegloopen heeft zich stellig ontwikkeld op
de steenige vlakten, waar de eieren minder in ’t oog vallen. Wij mogen
vooral niet vergeten, dat er al lang grielen op de wereld waren,
voordat onze duinen bestonden en dat wij dus de gewoonten van den vogel
niet mogen beoordeelen in verband met onze duinen, die door hem
aanvaard zijn als een surrogaat voor steppen en woestijnen.
Op een morgen vond ik noch mijn griel, noch de eieren en ik begon reeds
de verzamelaars, of de kraaien, of de hermelijnen te verwenschen. Maar
toen ik naar het broedplekje stapte, om in somberen weemoed nog eens de
plaats aan te staren, waar ik zooveel liefs genoten had, vloog de griel
een meter of tien van mij af schreeuwend weg—naar ik meende, geheel
tegen zijn gewoonte—en toen zag ik voor mijn voeten, precies op de
aloude nestplek twee jonge grieltjes liggen. De doppen waren verdwenen.
Geen wonder, dat ik ze eerst niet had opgemerkt. Dit zijn nog eens
schuilkleuren! Daar haalt de nachtzwaluw niet eens bij, noch zijn
jongen. Het dons van ’t jonge grieltje bootst precies den zandbodem na
in al zijn korrelige fijnheid en met al zijn schaduwscheurtjes en
streepjes. Onze foto is genomen bij helder zonlicht en daardoor geven
de sterke slagschaduwen een duidelijk relief, maar bij een grijze lucht
of bij een gewoon bewolkten hemel zijn ze zoo goed als onzichtbaar.
Alsof ze weten, dat de schaduw verraderlijk is, maken ze zich zoo plat
mogelijk en drukken ze den kop met lang uitgerekte hals plat tegen den
grond. Zoo liggen ze doodstil, de oogen dicht en ze laten zich zonder
tegenspartelen opnemen en bekijken.
Van de eierdoppen was wijd en zijd geen spoor te bekennen. Die waren
door de ouden zorgvuldig verwijderd. Het verwijderen van de doppen is
een instinct, dat bij zeer veel vogels voorkomt, vooral bij
steltloopers. Het spreekt van zelf, dat de groote eierschalen met hun
lichten binnenkant dadelijk de aandacht zouden trekken en de ligging
van het nest verraden, wat in de eerste dagen het leven der jongen in
gevaar zou brengen. Later komt het er minder op aan, want dan loopen ze
al vlug en ver rond.
Hoe de jongen door de ouden gevoed worden, weet ik nog niet zeker: ik
meen gezien te hebben, dat ze hun voedsel nemen uit den bek der ouden,
maar dat zijn allemaal werken der duisternis.
Evenals bij de scholeksters blijft het gezin nog al lang bijeen, en de
gelijkenis gaat zoover, dat ook hier de jongen in den herfst heel veel
praats en beweging maken en dat nog wel in tegenwoordigheid hunner
ouders. Ze maken allerlei danspassen en buitelingen en schreeuwen in
den avond luidkeels en zonder ophouden. De eene familie lokt met zijn
geschreeuw de andere, en zoo hebben wij hier in de duinen wel eens zes
grielen bij elkaar gezien, wat voor Holland een nog al zeldzaam en
bijzonder schouwspel mag heeten.
Ze blijven rondzwerven tot in October. Hun voedsel bestaat uit slakken,
kevers, sprinkhanen en aardwormen. Het ligt voor de hand, dat ze door
hun nachtelijke leefwijze vooral onder de laatste geweldig moeten
huishouden en ik heb dan ook al vele zomeravonden eraan besteed, om ze
te betrappen op de pierenjacht. Maar dat is mij niet mogen gelukken; er
zijn pieren genoeg, maar weinig grielen, en ook weinig vrije
zomeravonden.