Natuurlijk gelooft geen mensch het geitenmelkersprookje. Ook is het
niet verzonnen door onze boeren, of door de Engelsche, Fransche of
Duitsche, Hongaarsche, Zweedsche of Spaansche boeren, want die zijn
daarvoor allemaal te slim of te onverschillig. De meeste
plattelandsmenschen kennen den vogel heelemaal niet en het verhaal
benevens den naam van geitenmelker is doodeenvoudig een gevolg van de
omstandigheid, dat tot voor een paar eeuwen de natuurlijke historie der
dieren altijd gebaseerd is op de werken van Aristoteles of Plinius.
Bij Plinius is dan ook het heele verhaal te vinden: „Caprimulgi
appellantur grandiores merulae adspectu fures nocturni, interdiu enim
visu carent. intrant pastorum stabula caprarumque uberibus advolant
suctum propter lactis, qua iniuria uber emoritur caprisque caecitas
quas ita mulsere oberitur.”
„Geitenmelkers noemt men tamelijk groote nachtroovers, die wel wat
lijken op merels. Af en toe ontbreekt hun het gezichtsvermogen. Zij
gaan in de stallen der herders en vliegen naar de uiers der geiten, om
er de melk te zuigen. Door dit letsel sterft de uier af en de geiten,
die aldus gemolken zijn, worden er blind door.”
Dat is zoo van geslacht op geslacht naverteld door menschen, die nooit
een nachtzwaluw gezien hadden. Maar zoodra iemand den vogel kent, dan
spreekt hij ook onmiddellijk de mythe tegen en nu moesten we dien
onplezierigen naam ook maar afschaffen. Ik wil dus voortaan alleen
spreken van de nachtzwaluw.
Wel kan tegen dien naam worden ingebracht, dat onze vogel eigenlijk
geen zwaluw is en geheel buiten de verwantschap van huis- en
boerenzwaluwen staat, maar dat is overigens geen overwegend bezwaar.
Een waterhoen is ook geen hoen. „Vliegende pad” zou in ieder geval nog
veel erger zijn en „dagslaap” vind ik een leelijk en misleidend woord.
Vooreerst slaapt de vogel lang niet den geheelen dag en ten tweede wil
ik een naam hebben, die hem mij teekent niet in zijn minst interessante
rusturen, maar in al de gratie en activiteit van zijn nachtelijk
bestaan. En daarom zal hij nachtzwaluw heeten.
Hoe heerlijk is het, den vooruitgang van de lente te gevoelen door de
verandering van geluid in bosch en veld. Eerst komen de heldere, blijde
jubelzangen van lijsters, leeuweriken, winterkoninkjes en vinken, dan
’t liefelijk gekweel van roodborstjes, fitisjes, roodstaartjes, dan de
extase en hartstocht van nachtegaal en zwartkopje en eindelijk de
bijzondere zomergeluiden van wielewaal en nachtzwaluw. De frischheid is
nu zwoelte geworden, de teere knop heeft zich ontplooid tot een
kleurige bloem, die bedwelmende geuren in ’t rond spreidt. Als de
nachtzwaluw voor goed is aangekomen, dan bloeit de meidoorn, dan
ontluikt de eerste bloem van den egelantier.
Het bestudeeren van de natuurlijke historie van de nachtzwaluw behoort
dan ook tot de aangenaamste en gemakkelijkste bezigheden van den
ornitholoog en ’t is eigenlijk een groote schande, dat we omtrent
enkele van zijn gewoonten nog in ’t onzekere verkeeren. Als
verontschuldiging kan aangeroerd worden, dat de duisternis de
waarnemingen bemoeilijkt en dat zelfs het volste vollemaanlicht in
kracht verre bij het daglicht achterstaat.
Wij willen daarom met ’t daglicht beginnen. De nachtzwaluw heeft
evenals de meeste vogels zijn lievelingsplekjes, zijn lievelingstak.
Wat hem leidt bij de keus van zulk een plaats is moeilijk te zeggen,
maar zeker is het, dat jaar in jaar uit deze vogels dezelfde plekjes
bezoeken. Dat zijn dan soms dezelfde individu’s, maar het komt ook
voor, dat wanneer de bewoners van 1905 om het leven zijn gekomen, een
ander nachtzwaluwpaar hetzelfde verblijf weer betrekt.
Van deze omstandigheid maak ik altijd gebruik, om mijn vogels te
bezien. Nu weet ik, dat in die of die vallei, onder den een of anderen
boom een nachtzwaluw huist, dat hij er overdag uitrust, of dat hij er
eieren of jongen heeft.
En nu is niets gemakkelijker, dan die plek te besluipen of stoutweg
erheen te wandelen. Ik prefereer nog altijd de sluipmanier, want ik ben
er nog altijd niet zeker van, of ik den vogel wel tijdig genoeg zal
zien. Dikwijls heb ik hem opgejaagd, eer ik vermoedde, dat ik zoo vlak
bij hem was.
Maar als je nu de plek besluipt en heel opmerkzaam iederen duim gronds
monstert, steeds denkende aan den vogel en zijn wonderbare schutkleur,
dan kunt ge het groote genoegen beleven van een langwerpig stuk
boomschors of een plek in den grond te zien veranderen in een goed
belijnden, mooi gevormden, zeer mooien levenden vogel.
Dan is het een lust, om met den kijker veertje voor veertje na te gaan
en dan krijg je ook wel trek, om die zachte veeren te betasten en te
verschikken en de groote wieken te ontvouwen en weer toe te slaan. Wie
daar nu erg naar verlangt, moet maar wachten, totdat hij bij
gelegenheid eens een doode nachtzwaluw in handen krijgt.
Intusschen ben ik er ruim mee tevreden, als ik den vogel op tien meter
afstand in ’t veld van een goeden kijker heb. Ieder veertje, ja ieder
baardje is duidelijk te zien. Hoe prachtig sluiten de kleurplekken der
afzonderlijke veertjes aan elkander, zoodat ze te zamen het stelsel van
donkere en lichte lengtestrepen en fijne dwarsteekeningetjes opleveren,
waardoor de eigenlijke lichaamslijnen te loor gaan, zoodat het dier ’t
uiterlijk krijgt van een onbezield voorwerp.
Zeer mooi is op onze foto te zien, hoe de donkere omgeving van ’t oog
juist aansluit bij een donkere rugvlek, hoe borst en keel en
vleugeldekveeren een tweede donkere streep opleveren en hoe de grijze
strook daartusschen volkomen harmonieert met den zandbodem, met het
rendiermos en met de uitgebleekte grassprietjes van het vorig jaar.
Natuurlijk dringt zich telkens de vraag op: „Weet de vogel, dat hij
door zijn kleur zoo goed beschermd is en kiest hij met voordacht
plekjes uit, waar hij van zijn schutkleur profiteeren kan?”
Ik kende een mannetje, dat zat in ’t eind van Augustus altijd op zijn
eentje te dutten in een klein valleitje, door grove dennen omringd. Hij
was als mannetje te kennen aan de twee groote zijdelingsche vlekken aan
den staart en witte vlekken op de vleugels. Het liefst zat hij aan den
voet van een ouden den. Daar groeide een weinig slaapmos, wat
rendiermos en er lagen ook brokken tak en schors van den boom: een
echte traditioneele nachtzwaluwrustplaats.
Toen ben ik begonnen met de brokken tak en schors op te rapen en daar
gaf de vogel niets om; hij zat er ’s middags weer, alsof er niets
gebeurd was en kwam ook terug, toen ik het mos had verwijderd. Maar
nadat ik de heele plek met mijn schopje had omgewoeld, meed hij het
witte zand en sloeg hij zijn tenten een meter of tien verder op onder
een eikje, waar de grond weer een gevarieerd uiterlijk had.
Op onze foto is gelukkig ook te zien, dat de nachtzwaluw niet altijd
slaapt: zijn oogen zijn open en hij heeft zijn kop niet in de
rugveeren. Ik weet zeker, dat het broedende wijfje het grootste deel
van den dag niet slaapt, maar wakker en wel op haar twee eieren zit.
Soms knipoogt ze heel duidelijk en een enkelen keer heb ik haar zich
zien verlustigen in een echte onverholen geeuw.
Dat is nog eens iets, een geeuw van een nachtzwaluw. Eerst hief ze den
kop met het kleine snaveltje een eindje omhoog, toen ging de
ondersnavel naar beneden en toen, ja toen leek het alsof de vogel in de
lengte doormidden zou worden gescheurd. Ge ziet op onze foto onder het
oog de duidelijke witte streep, die even voorbij het oog de breede
lichtgrijze strook raakt. Welnu, die streep wordt gevormd door de witte
veertjes langs de bovenkaak en de mondhoek is dus voorbij het oog. Stel
u nu maar voor, dat het heele stuk lichaam, dat ge eerst voor keel en
borst gehouden hebt, eigenlijk onderkaak is en nu naar beneden gaat,
totdat de mondhoek een wijdte heeft van 90°.
Het is, om zoo te zeggen, onmetelijk. Het fijne snaveltje, dat juist
geschikt lijkt, om nuffige kleine zaadjes van den grond te pikken, of
bladluizen af te lezen van de boomen, verandert op eens in een gapenden
afgrond, groot genoeg, om de grootste van onze inlandsche kevers of
vlinders te verzwelgen.
De binnenkant van dien muil is donker roodachtig paars; van een tong is
weinig of niets te bespeuren; die is maar heel klein.
Met een klap slaan de kaken weer dicht en de geeuw is volbracht. Ik heb
al veel vogels zien geeuwen: musschen, vinken, lijsters,
vliegenvangers, sterntjes, meeuwen, scholeksters: die geeuwen, zooals
vogels geeuwen, maar een nachtzwaluw geeuwt als een mensch.
Nu zit de vogel weer stil; wakend, maar onverschillig. Een hagedisje
komt te voorschijn met geritsel van bladeren en loert op een groote
groene vlieg, die zich warmt op den heeten zandgrond. Die loopt vlak
langs de nachtzwaluw heen en ondergaat dan zijn noodlot. De vogel heeft
geen veertje verroerd, niet eens geknipoogd.
Dit is een bewijs van groote inertie, want een vlieg is altijd welkom
en vooral voor een broedende vogel een hoogst welkome tijdpasseering en
versnapering.
Doordat we nu de ligging van de kaken kennen, zien we ook gemakkelijker
de groote stijve haren, die uit de bovenkaak ontspringen. Het zijn
zwarte glimmende borstels, die algemeen beschouwd worden als vangharen,
maar ik zou ze toch liever tastharen willen noemen.
Wat eet de nachtzwaluw en hoe bemachtigt hij zijn prooi? Daar is al
heel veel over geschreven, maar het rechte weten wij er nog niet van,
zoodat ik u alweer moet verzoeken, ook in deze een beetje mee te
helpen.
Meestal wordt de nachtzwaluw voorgesteld als een soort van
lucht-walvisch, die met wijd geopenden muil in duizelingwekkende vaart
door de lucht schiet en dan, vooral met behulp van die vangharen, alles
door zijn keelgat jaagt, wat hij op zijn baan kan inhalen. Nu heb ik
jaren achtereen in de avondschemering zoowel als in den morgenstond met
gewapend en ongewapend oog uren lang naar de vliegende nachtzwaluwen
gekeken, en dat wel op plaatsen, waar er soms drie of vier, ja zes
tegelijk rondvlogen, maar van die lucht-walvischmethode is mij nooit
iets gebleken.
Ik geloof er dan ook in ’t geheel niet aan, want indien de vogel met
wijd geopenden bek rondvloog, dan zou hij een onoverkomelijken
weerstand ondervinden. Het vogellichaam is er juist op ingericht, om de
lucht te doorklieven; naar voren toe wordt alles spits en smal en nu
zou deze vogel gaan rondvliegen met een trechter van verscheidene
vierkante centimeters groot voor voorsteven! Ik zou het moeten zien, om
het te gelooven.
Wel heb ik gezien, dat ze Julikevers vingen; dat was heel mooi. Ieder
Hollander kent natuurlijk het meertje van Caprera, ook wel genaamd het
meertje van Berkhout, halfweg tusschen Bloemendaal en de ruïne van
Brederode. Vlak achter dat meertje ligt een hooge duin, de laatste
verheffing van de reeks, die bij Kijkduin begint en zich over het Kopje
en het Koninginneduin tot zoover uitstrekt.
Het bovenste gedeelte van deze duinhelling is heel aardig begroeid met
beuken, eiken en hazelaars en als we een Julikever-jaar hebben, dan
snort en bromt het daar ’s avonds van die groote diklijvige
bruin-met-witte torren. De zon gaat juist onder achter den vuurtoren
van IJmuiden. Zandvoort, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek steken hun
lichtjes op, een lichte nevel zweeft over het weiland om ’t meertje en
over het land langs Liede en Spaarne aan gene zijde van het Schapeduin,
waar de zanglijsters hun avondlied galmen en de laatste nachtegalen
fluiten. Een roodborstje zit te zingen in den hoogsten dorren eikentak
van den duintop, het roode borstje gekeerd naar de roode ondergaande
zon. Zacht ruischt de zee in de verte.
Wij zitten tusschen de duindoorns, geheel verscholen maar met een vrij
uitzicht naar alle kanten. Er ritselt iets in ’t eikenloof, alsof er
wat valt en nu dwarrelt daar heel langzaam een duistere gestalte
omhoog, vierkant en groot, met breede, snel trillende vleugels en op
den kop een dubbele pluim van tasters. ’t Is een mannetje van de
Julikevers.
Dra volgen er meer, ook wijfjes, en dat dwarrelt en zwiert al door
elkander langs den helderen avondhemel, een meter of vijf boven den
duintop en de eikenkronen. Soms vallen ze bij paren neer in de toppen
van het bosch, maar er komen er uit het donkere gebladerte steeds weer
nieuwe te voorschijn, zoodat de lucht vervuld blijft van groote
snorrende kevers.
Indien wij wilden, zouden we naar de eikjes kunnen gaan, om daar op de
takken in koortsige drift de logge kevers met hoogopgerichte sprieten
te zien ronddribbelen, nu eens op den tak, dan tuimelen ze om, maar met
hun groote scherpe klauwen houden ze zich vast en klauteren ze er weer
boven op. Het is niet eens gemakkelijk, ze van den tak los te maken en
voortdurend protesteeren ze dan met snerpend gepiep.
Doch we blijven liever liggen; er is beters in ’t zicht. Een paar
groote, breedvleugelige vleermuizen zijn uit de vallei komen opdagen,
belust op vette prooi. En terwijl we die nazien in hun grillige vlucht,
doorsnijden opeens een paar groote sikkelvormige vleugels de lucht en
een groote vogel zwaait geruischloos door de gonzende torren. Nog een
komt er en weer een en nu liggen we hier in den lauwen zomeravond,
boven op het duin met de lucht vol Julikevers, vleermuizen en
nachtzwaluwen; een eerste-rangplaats bij een welverzorgd tooneel.
Nu komt het er op aan, om voet bij stuk te houden en niet geheel en al
onder den indruk te raken van dit wonderlijk natuurtafereel, met al
zijn passie en verschrikking. Vergeet niet, dat wij hier liggen, om uit
te maken, hoe de nachtzwaluw zijn prooi grijpt en niet, om ons te
verdiepen in de beteekenis van vernieling en dood. Dat komt later.
Al heel gauw vertelt de kijker, dat ’t met de walvischtheorie mis is,
de nachtzwaluwen vliegen met gesloten bek. Wanneer ze bij een kever
komen, dan is die opeens als met een tooverslag verdwenen en hoe dat nu
precies gaat, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Ik krijg den
indruk, dat ze, vlak bij den kever gekomen, die ineens ophappen.
Als de kevers pas uit de eiken opstijgen, dan is hun vlucht onzeker,
vol afwisseling in snelheid en richting. Maar na een poosje krijgen ze
hun vaart en dan gaat het in mooie vaste vlucht omhoog. Nu heb ik
dikwijls gezien, dat de nachtzwaluw dit oogenblik afwachtte en
klapwiekend bleef stilstaan in de lucht, totdat de kever goed stuur
hield. En dan schoot hij er als een bliksemschicht op af en de brommer
was verloren.
Soms gaat het vrij langzaam en vliegt de nachtzwaluw een poosje gelijk
op met den kever. Opeens duikelt en zakt hij en de kever is weg. Hij
heeft met zijn vlerk den kever geraakt, zoodat deze niet meer vliegen
kon, en voor dat het vallend insect den grond kon bereiken, heeft de
vogel hem gesnapt.
Op deze manier slaat hij ook insecten van de boomen; dat heb ik hem in
Zeddam zien doen met berken-bladwespen. Een groepje berken bij den tol
aan den Terborgerweg zat vol met bladwespen, en nu kwamen ’s avonds de
nachtzwaluwen uit het dennenbosch die wespen van de bladeren tikken.
Zelfs kunnen ze voedsel van den grond opnemen. Ze bidden dan eerst in
de lucht, vallen neer naast hun prooi en happen die dan zittend op.
Sterntjes doen dat ook.
Maar ’t mooist van alles, dat heb ik nog nooit gezien. Gilbert White
vertelt al, dat de nachtzwaluw zijn prooi grijpt met zijn poot en J. A.
Owen heeft dit in den jongsten tijd ook beweerd en het volgehouden,
toen een der grootste ornithologen van onzen tijd, Lord Lilford, haar
erover interpelleerde. Zij zegt, dat de vogel zijn buit rustig en
netjes (deftly) greep met zijn poot en toen naar den mond bracht.
De klauw van den middenteen heeft naar binnen een hoornachtige
verbreeding, die bij oudere vogels insnijdingen krijgt en zoo een soort
van kam wordt. Deze kam zou dan het aangrijpen en vasthouden
vergemakkelijken. Het spijt mij zeer, dat ik met zekerheid hier nog
niets van kan zeggen, aan den anderen kant is het prettig, dat we aan
dat vraagstuk nog eens een paar zomeravonden of zomermorgens kunnen
besteden.
Ik raad u aan, de nachtzwaluw ook te bestudeeren in den morgenstond.
Hij is dan even actief als ’s avonds en het helderder wordend
morgenlicht maakt de waarneming gemakkelijker. Hij blijft nog wel
eenigen tijd na zonsopgang aan het werk, langer dan men wel zou meenen.
Ook begint hij in de eerste dagen van Juni reeds voor zonsondergang;
hij is dan veel minder slaperig dan anders en raakt ook wel eens op
klaarlichten middag in extase.
De extase van de nachtzwaluw uit zich op velerlei manier. Voor zoo’n
slaapkop pakt hij nog al heel aardig uit; hij evenaart met gemak al de
vertooningen van kieviten, wulpen en scholeksters.
Alleen doet de zang van de nachtzwaluw ons veel rustiger aan en dat
komt wel, doordat het geluid zoo zonderling en vreemd is en in ’t
geheel niet herinnert aan menschelijke gemoedsuitingen.
Als ik den nachtegaal hoor, de boomleeuwerik of de fitis, dan zijn dat
voor mij niet alleen vogelgeluiden, maar zeer duidelijk en diep te
voelen vertolkingen van stemmingen, die ik als mensch heb doorgemaakt.
Die passie, die innigheid, die weemoed zijn mij niet vreemd; ik heb
menschen zoo hooren spreken of zingen, ik heb gewenscht, ook mijn
gevoel zoo klaar en rein en sterk te mogen uiten. Hierdoor ontstaat een
gevoel van sympathie, dat voor ons den vogel verheft tot mensch, of ons
verheft tot de vogels.
Natuurlijk is dit een zuivere gevoelskwestie en de wetenschap der
ornithologie wordt er weinig door gebaat, tenminste niet onmiddellijk.
Bij den zang van de nachtzwaluw echter kan ik zuiver objectief blijven:
het rateltje wordt in ons orkest niet meer gebruikt. Dit geregeld
gesnor is niets anders dan een natuurgeluid, evenals het verwijderd
gedruisch der kikvorschen of het pas verstomde gesjirp der sprinkhanen,
en wij nemen het waar, meer met nieuwsgierigheid dan met instemming.
’t Is een wonderlijk geluid: zacht en toch doordringend, want het is op
grooten afstand te hooren, wel tweehonderd meter ver. Dichtbij is het
bijzonder krachtig: de letter r twintig seconden lang volgehouden op
eenzelfde toonhoogte, dan een paar seconden wat lager en dan weer zeer
lang op de oorspronkelijke toonhoogte. Het inzetten is meteen krachtig
en beslist en aan het einde is ook geen sprake van decrescendo. ’t Is
doodgewoon ineens bom-uit.
In ’t begin van Mei snorren wel vijf, zes vogels tegelijk in één klein
duinvalleitje. Kom je daar dan den volgenden avond met vrienden, om die
ook te laten genieten, dan blijft het dikwijls doodstil. Het waren
vogels op den trek, die nu alweer verder zijn. Morgen komen er
misschien weer andere.
In onze duinstreek is heel goed op te merken, dat de voorjaarstrek lang
niet geschiedt met de snelheid en hartstocht, waar Gätke van gewaagt.
Hij vertelt, dat de vogels linea recta langs den kortsten weg en met
zoo weinig mogelijk oponthoud naar hun broedplaatsen trekken. Maar in
onze Bloemendaalsche duinen vinden die trekkers het zoo plezierig, dat
ze hier dikwijls een paar dagen vertoeven, zingend en spelend zonder
eenigen kommer of overhaasting. Nu eens zijn ’t nachtzwaluwen, dan weer
boomleeuweriken, zwartgrauwe vliegenvangertjes of tapuiten, om van
sijsjes en goudhaantjes niet eens te spreken. Sommigen blijven een dag,
andere wel een week, zoodat we al gaan uitzien naar hun nesten.
In het laatst van Mei houdt dat op. De nachtzwaluwen, die er dan zijn,
blijven en dat zijn er dikwijls nog zooveel, dat één vallei twee of
drie nachtzwaluwparen herbergt. Het is dan ook niet ongewoon, dat er
bij de ruïne van Brederode een half dozijn tegelijk rondvliegen.
De wijfjes snorren net zoo goed als de mannetjes. Nog op klaarlichten
dag heb ik er een zien ratelen op een grenspaal midden in ’t duin. Toen
zij opvloog was daar duidelijk te zien, dat staart en vleugels geen
witte plekken vertoonden.
Maar het mannetje kan meer. Vooreerst snort hij langer en luider en
mooier dan ’t wijfje, altijd zittend. Dat wisselt hij af met zeer mooie
vliegtoeren, op en neer en zijwaarts, in razende vaart en dan op eens
dat prachtige stilstaan in de lucht: het bidden. Een minuut lang blijft
hij op dezelfde plaats, de lange vleugels gaan zoo snel op en neer, dat
ze nauwelijks meer te zien zijn, een geweldig vertoon van kracht, maar
zonder eenige suizing of geluid.
Ik heb het wel gehad, dat hij dat vlak voor mij kwam doen, terwijl ik
door de duinen liep en ik kan u verzekeren, dat het een zeer bijzondere
gewaarwording is, zoo van nabij op den keper bezien te worden door een
biddende nachtzwaluw. Flap! deden de vleugels, en meteen was hij ervan
door.
Wat kunnen ze met de vleugels slaan! Vier, vijf keer achtereen, een
echt houtig geklepper. De vleugels komen niet tegen elkander, ’t is
meer een zweepgeluid dan een kleppergeluid; ik heb ook dikwijls genoeg
gezien, dat het met horizontaal uitgespreide vleugels werd
voortgebracht. In die kleppervlucht wordt ook het meest den roep:
„koeiek, koeiek” gehoord.
Nu neemt de vogel opeens een zwaai, raakt den grond en gaat nu langs
den effen bodem voort, dertig meter ver, half loopend, half springend
en vliegend. De lange vleugels blijven voortdurend uitgespreid, slaan
nu eens tegen den grond, dan weer in de lucht, altijd met veel geraas,
terwijl de vogel ook nog afwisselend roept en snort. Dat is de hoogste
opgetogenheid.
Het wijfje zit daarbij op den grond goedkeurend „tuk, tuk” te roepen en
komt bij de laatste parade ook wel een paar stapjes tegemoet.
De eieren worden gelegd op den kalen zandgrond, nooit meer dan twee. Ze
zijn van alle andere vogeleieren direct te onderscheiden, doordat het
haast zuivere ellipsoïden zijn: er is bijna geen onderscheid in
kromming tusschen de beide polen. De schalen zijn dof, witachtig met
groote waterverfachtige, grijze vlekken; in den regel verschillen ze in
kleur en teekening.
Ze worden 17 of 18 dagen bebroed door het wijfje en ’t mannetje,
natuurlijk door het wijfje ’t meest en overdag evengoed als ’s nachts.
Wanneer de eene vogel overdag zit te broeden, rust de andere meestal
een heel eind verder. Het zou voor de hand liggen, dat hij, daar hij
toch niets anders te doen heeft, de broedende vogel gezelschap zou
houden, doch dat heb ik maar eens gezien.
En toen begreep ik meteen, waarom ze dat zoo weinig doen: één
nachtzwaluw blijft licht onopgemerkt, maar wanneer twee van die groote,
precies op elkaar gelijkende vogels (altijd behoudens de witte vlekken)
zoo vlak bij elkaar zitten, dan vallen ze meteen in het oog.
De jongen zijn in de eerste dagen bedekt met fijn dons, maar voordat ze
een week oud zijn, beginnen zich reeds de eigenlijke veeren te
vertoonen. In hun donskleed zien ze er nog al ruig en haveloos uit.
Zoodra echter de dekveertjes en pennen zich gaan ontwikkelen, worden ze
onbeschrijfelijk prachtvol en lijken het allerkeurigst uitgedoste
dametjes.
Elk veertje is een kunststuk op zichzelf, met echt Oosterschen rijkdom
van teekening, vol arabesken en meanders in de allerfijnste
kleurschakeeringen. Ze zijn geschikt in pluimen en festoenen, op den
kop een kuifje van streepjesveeren, een fijn manteltje over den rug en
neerhangende veeren om de flanken. Onze foto geeft een zeer goed begrip
van dat weelderig kostuum.
Het is niet gemakkelijk, die jonge vogeltjes te vinden. Het beste is,
bijtijds te zoeken naar de eieren—die zie je gemakkelijker dan
jongen—en dan dag aan dag de lotgevallen van de familie na te gaan.
Ook dit is nog lastig genoeg, want als de kleintjes wat opgroeien,
worden ze ’s avonds ook al beweeglijk en loopen zij hun ouders
tegemoet, als die ze komen voeren en zoo bevinden ze zich dan ’s
morgens op een heel andere plaats dan ’s avonds. Toch kunt ge er
meestal op rekenen, ze binnen een kring van 25 meter weer te vinden.
Heel in den eersten tijd, als ze zelf nog niet mans genoeg zijn, om te
gaan rondwandelen, worden ze wel door de ouden versjouwd. Dat heb ik
eens gezien. De oude vogel kwam bij het jong zitten en gaf hem telkens
een duwtje, terwijl hij onophoudelijk „tuk, tuk” zei. Het jong piepte
wat tegen, maar moest toch toegeven en werd zoo door den ouden vogel
langzamerhand anderhalven meter op zij geduwd naar een plekje, dat
zeker meer veiligheid bood.
Toen pakte ik het jong op en zette het een meter of vijf verder neer.
Dat was een paniek. De oude schoot heen en weer, vloog mij rakelings
langs het hoofd, ging snorrende op den grond zitten, liep klapwiekend
voort, meestal met een vleugel hoog in de lucht, daarbij telkens
struikelend en duikelend.
En toen ik mij weer in ’t bosch verscholen had, bleef hij nog een poos
snorren en liet het jong waar ik ’t gezet had. Daar zat het een uur
later nog en daar werd het ook door de oude gevoerd.
Dat voeren gaat heel mooi. De oude vogel komt bij het jong zitten. Dit
is al levendig geworden, zoodra het zijn moeder zag en loopt nu
schommelend op de oude toe. Deze doet den bek open en nu steekt het
jong zijn heele kop erin, om zijn voedsel te bemachtigen. Het lijkt dan
heusch alsof de oude vogel zijn jong gaat verzwelgen.
Zelfs als de jongen reeds lang kunnen vliegen, worden ze nog door de
ouden gevoerd, maar altijd zittend. Nog nooit heb ik gezien, dat ze in
de vlucht gevoerd werden, zooals dat bij de echte zwaluwen geschiedt.
Van het trekken der nachtzwaluwen heb ik weinig gezien, niets anders,
dan dat in het laatst van September op een avond een gezelschap van
zeven van deze vogels voor mijn voeten opvloog. Ze reizen ’s nachts, in
kleine troepen.