DE ZILVERMEEUW.

De nachtzwaluwen bewonen den binnenkant der duinen, de wulpen en

grielen de groote valleien in ’t midden, de zilvermeeuwen betrekken de

hooge toppen en hoogvlakten aan den zeekant. Daar liggen hun nesten

tusschen het hooge helmgras, vandaar overzien zij hun arbeidsveld; de

ondiepe randzee.

In vergelijking met de zwartkopmeeuwen is de zilvermeeuw al een echte

zeevogel, hij begeeft zich ver op zee, tot boven het diepe water. Toch

mogen we niet vergeten, dat hij waarschijnlijk nooit zoover komt, dat

hij enkel lucht en water ziet: als hij zich drie- of vier honderd meter

hoog in de lucht verheft, en dat schijnt hem weinig moeite te kosten,

dan ziet hij altijd wel de Hollandsche of de Engelsche kust en

misschien wel beide tegelijk.

Het diepe water heeft voor hem ook niet de allergrootste

aantrekkingskracht, hij komt er alleen, wanneer de groote vischscholen

zich bewegen langs de oppervlakte of wanneer de aanwezigheid van een

visschersvloot hem rijkelijk afval verschaft.

Overigens geeft hij de voorkeur aan ondiep water; hij is zomer en

winter algemeen op onze stranden en wie bij eb door de Wadden vaart,

kan op elke ondiepe plaats troepen zilvermeeuwen, oude en jonge,

aantreffen, die daar op steltloopersmanier rondstappen, om jacht te

maken op klein ongedierte.

Gezelschappen van zilvermeeuwen wisselen er af met scholeksters en

wulpen en soms kunt ge dan de waadvogels zien zwemmen en de zwemvogels

zien waden en gereedelijk legt ge u dan neer bij de beslissingen van de

nieuwere systematiek, die uitgemaakt heeft, dat er een zeer nauwe

verwantschap bestaat tusschen de families der snip- en plevierachtigen

en der meeuwen.

Dit is een der aardigste ontdekkingen op het gebied van vogelkunde—zoo

heel nieuw is ze trouwens niet—en wij kunnen daaruit leeren, dat we tot

nu toe de levensgeschiedenis van de meeuw juist achterste voren gelezen

hebben. Wanneer wij ze behandelen als visschers, die ook achter den

ploeg aan den kost komen, dan is dat precies verkeerd; het zijn

landbouwers, die van tijd tot tijd uit visschen gaan, de een wat meer,

de ander wat minder. De zilvermeeuw nu cumuleert de beroepen van

landbouwer en visscher nog met het edele jagersbedrijf.

We hebben hem al ontmoet in den nestenrijken polder, azend op eieren.

Maar men kent hem daar en wanneer hij zich vertoont, dan wordt hij door

zijn eigen geslachtgenooten, de kokmeeuwen en zijn familiegenooten, de

sterntjes, benevens door zijn verre verwanten, de kieviten,

scholeksters en kluiten aangeschreeuwd en aangevallen, zoodat hij het

veld moet ruimen. Door een vluggen aanval op een uithoek van het

broedgebied weet hij toch wel eens iets te bemachtigen.

Het ei of het jong wordt ter plaatse zelve verorberd. Hij jaagt alleen

voor eigen gebruik, niet om wijfje of jongen te voeren en daardoor is

hij dan minder schadelijk dan de kraaien en roeken, die de eieren

meesleepen naar hun nest. Ook zoeken de kraaiachtige vogels in struik

en struweel naar nesten, maar dat doet de zilvermeeuw niet, die

vergenoegt zich met wat hij op de vlakte vindt.

De sterntjes en pleviertjes hebben het meest van hem te lijden, ook de

kieviten, tureluurs en scholeksters, vooral wanneer ze nesten hebben in

de buitenste duinvalleien. Eens heb ik een zilvermeeuw verrast, terwijl

hij bezig was een sterntje te verscheuren. Het vogeltje was nog warm,

hij had het dier zeer waarschijnlijk zelf gedood en was dus opgetreden

als een echte roofvogel. De buik was opengehakt en hij was bezig de

ingewanden eruit te halen.

Jonge vogeltjes slikt hij in met huid en haar. Dat heb ik gezien op

Texel. In de duinen benoorden de Groote Slufter zag ik een paar

tureluurs angstig en met veel misbaar rondvliegen om een zilvermeeuw,

die op den grond bezig was. Zonder eigenlijk goed te weten waarom,

holde ik zoo hard ik kon erheen, (ik had geen verrekijker bij me) en ik

had niet beter kunnen doen. De zilvermeeuw ging op de vlucht en nu vond

ik in het nest een enkel pas uitgekomen jong tureluurtje. De andere

waren opgegeten.

Dit zijn de eenige rooverijen, die ik heb bijgewoond. Ik geloof, dat

bij ons de zilvermeeuw niet zoo’n erge nestroover is, als wel verteld

wordt. Zijn slachtoffers weten zich veel te goed te verdedigen en hij

kan overal en altijd voedsel genoeg vinden, zonder zijn toevlucht te

nemen tot roof en moord.

Ongetwijfeld voeden bij ons de zilvermeeuwen zich het meest met

strandproducten en wel voornamelijk met schelpdieren en schaaldieren.

Een enkel bezoek aan de broedplaatsen in het Hollandsch duin of op de

eilanden geeft hieromtrent voldoende zekerheid.

Een dag in een zilvermeeuwenkolonie. Een heelen dag heb ik er nooit in

doorgebracht en hoe het er ’s nachts uitziet, weet ik in ’t geheel

niet. Ook heb ik het ontwaken er nog niet bijgewoond, maar wel heb ik

er uren lang midden in gelegen, onopgemerkt, nadat de eerste

consternatie bedaard was.

Het eerste betreden van het broedgebied brengt een onbeschrijfelijke

beweging teweeg. Nog lang, voordat we bij de nesten zijn, worden we

reeds begeleid door een paar meeuwen, die hoog in de lucht

patrouilleerden of boven op een duintop een wacht hadden betrokken.

Schreeuwend vliegen ze mee en schreeuwend voegen zich andere bij hen,

zoodat het tweetal ras is aangegroeid tot een half dozijn.

Hun geschreeuw varieert sterk. Nu eens zijn het helder uitgestooten

kreten, langgerekt en met melodieuzen toonval, dan weer wordt het een

kort en toornig: „Kuk, kuk, kuk”, of een soort gemurmel, dat doet

denken aan binnensmondsche verwenschingen.

Van verwenschingen komt het tot dreigementen. De schaduwen der groote

vogels kruisen ieder oogenblik ons pad, het suizen van de lucht,

telkens als er een voorbijvliegt, wordt voortdurend duidelijker, en

eindelijk komt er een zóó dichtbij, dat de toppen zijner vleugels haast

ons hoofd raken.

Verder hebben ze het bij mij nooit gebracht, hoewel ik vlak bij de

nesten heb gezeten, om de eieren en jongen te hanteeren. Het was dan

een heele commotie: geschreeuw en schijnaanvallen zonder einde. Drie of

vier vogels hielden tegelijk stil in de lucht, een meter of twintig

hoog, namen hun richting en schoten dan langs een gebogen lijn op mij

af, om rakelings langs mij heen te strijken, dan weer op te stijgen en

den aanval te hervatten.

De overigen, bij Bergen soms wel een kleine honderd, vliegen rond,

sommigen stil en hoog, andere laag en luidruchtig en gereed om de rol

van aanvaller over te nemen, wanneer de eerste zijn uitgeput. Hoeveel

uur zoo iets wel zou kunnen duren, dat heb ik nooit geprobeerd, omdat

ik er niet gaarne het leven der jonge diertjes aan waag, maar ik

geloof, dat als je een heelen dag bij een nest bleef zitten, ook de

aanval een heelen dag zou blijven voortduren.

Maar ik ga liever, nadat ik de ligging van een stuk of zes nesten heb

vastgesteld, zelf liggen op een gunstige plek, die zoo ver mogelijk van

de nesten verwijderd is, maar niet te ver, om met den kijker nog alles

duidelijk te zien, wat er in de kolonie voorvalt. Eerst zwermen nu ook

nog veel meeuwen om en over mij heen, maar na een groot half uur wordt

het wat rustiger en als ik mij nu maar bedaard houd, dan gaat alles

goed. Het is wel heerlijk, om naar de vogels te liggen kijken, maar je

hebt wel eens moeite, om stil te blijven liggen en je kunt er soms

afschuwelijk stijf van worden.

Toch is dit de eenige manier, om in het leven der vogels door te

dringen. Op een wandeling kan men ook veel te zien krijgen, maar ge

kunt er van op aan, dat het stel waarnemingen, aldus verkregen, altijd

beperkt blijft tot de minder schuwe soorten en tot de meest gewone

levensverrichtingen.

Doch wie in de gelegenheid is, uren achtereen te observeeren, krijgt

andere dingen te zien en bovendien eenig begrip van het vogelleven

zelf. Wat doen daar buiten de vogels den heelen dag en den heelen

nacht? Hoe reageeren zij op wat er in hun omgeving geschiedt? Hebben

zij plannen en herinneringen? Kennen zij leed en vreugd, vriendschap en

zelfopoffering?

Op dezen schoonen zomermorgen ziet het er in de kolonie prettig genoeg

uit. De meeste nesten binnen mijn bereik worden niet bebroed, alleen op

een, waarin reeds kleine jongen liggen, zit een vogel. De andere zweven

hoog in de lucht of staan op de duintoppen, soms alleen, maar meestal

bij paren.

Prachtige dieren. Groot en flink staan ze daar, den hagelwitten kop

flink opgericht, den zilvergrijzen rug zacht blinkend in de blauwe

lucht, de zwarte vleugeltoppen gekruist over den reinwitten staart. Ook

borst en buik zijn zuiver wit, de geel-grijze pooten steken nauwelijks

af op ’t duinzand. Aan den ondersnavel blinkt vooraan een vuurroode

plek.

Elk paar bestaat uit een grootere en een kleinere vogel. Het ligt voor

de hand, aan te nemen, dat ’t mannetje en wijfje zijn, en inderdaad

zijn bij de zilvermeeuwen de mannetjes grooter dan de wijfjes. Maar

tegelijk bestaat er bij mannetjes en wijfjes zelf een zeer groot

verschil in afmetingen, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat

bij een enkel paar het wijfje het grootst is.

Uren kunnen ze zoo naast elkander stilstaan, geruimen tijd zelfs zonder

zich te verroeren. Doch van tijd tot tijd pikken ze elkaar eens in de

veeren en nu eens wordt de een, dan de ander luidruchtig. Dan gaat de

witte kop vooruit, de hals wordt gestrekt tot kop, nek en romp in een

lijn liggen, dan gaat de wijde snavel open en dan weerklinkt een

krachtig en herhaald geroep van „kliau, kliau, kliau” over duin en

strand, en wel mogen wij dan denken, dat zulk een dier dan gelukkig is.

Hoog in de lucht antwoorden de meeuwen, die daar rondzweven op rustende

vleugels. Lang en dikwijls heb ik ze in ’t veld van den verrekijker,

die krachtig genoeg is, om zelfs op dien afstand de zwart-met-witte

details der groote slagpennen zichtbaar te maken. En nu is in die

slagpennen, noch in den staart de minste beweging te bespeuren.

Indien er nu wind was, dan zou dat geen verbazing behoeven te wekken,

want dan is er natuurlijk een stand van vleugels en staart, waarbij het

gewicht van den vogel evenwicht maakt met de kracht van den wind. Doch

op het oogenblik is het volkomen stil, zoo stil, dat de lange fijne

helmhalmen hun spitsen niet bewegen langs den horizon.

Dit is nu het groote mysterie van de meeuwenvlucht. Men is zelfs zoover

gegaan, om te beweren, dat deze en andere vogels de beschikking zouden

hebben over een bijzondere stijgkracht, waardoor ze in staat zijn, zich

zonder vleugelslag in de lucht te verheffen, op de manier van

luchtballons. Ik wil u gaarne bekennen, dat ik daar niet aan geloof.

De groote moeielijkheid is deze, dat wij niet met zekerheid kunnen

uitmaken, of het volkomen windstil is, vooral daar, waar de vogels

rondzweven. Het is toch zeer goed mogelijk, dat zij door groote

inspanning in het begin zulk een vaart krijgen, dat zij daardoor omhoog

kunnen zweven tot in luchtlagen, waar wèl stroomingen bestaan.

Ook is het mogelijk, dat zelfs laag bij den grond op warme en

windstille plaatsen verticale luchtstroomen ontstaan, zoo constant, dat

ze geen wuivende beweging in de grashalmen teweeg brengen, maar toch

krachtig genoeg, om den lichten vogel op zijn wijde wieken omhoog te

heffen. Want wij mogen nooit vergeten, dat een vogel altijd oneindig

veel lichter is, dan hij er uitziet, en dat de vleugels met betrekking

tot het lichaam een zeer groot oppervlak hebben. Het gemiddeld gewicht

van een zilvermeeuw is weinig meer dan een Kilogram; de uitersten zijn

875 G. en 1375 G.

Doch dit neemt niet weg, dat de meeuwenvlucht een groot wonder blijft.

En ge behoeft niet naar de duinen te gaan, om het te aanschouwen, want

ieder jaar komen ze in groot aantal in April en Mei een paar weken in

onze groote steden naar den zeekant zich vertoonen. ’t Is een

zonderlinge gewoonte. De zwartkopmeeuwen zijn alle vertrokken naar hun

broedplaatsen, de zomer is begonnen, de winterkwartieren worden

verlaten en nu komen opeens een honderdtal van die groote, witkoppige

zilvermeeuwen leven brengen in de stad. Ze zweven rond, niet alleen

boven het IJ en de dokken, maar zelfs boven het Gebed zonder End en de

Weteringdwarsstraat en ze komen uitrusten op het brakke water van den

vreedzamen Amstel bij de Magere Brug.

Ze wiegelen in den blauwen hemel in hun reine witheid zoo hoog boven de

stad, dat ge een duidelijk besef ervan krijgt, hoe voor hen de heele

huizenzee met al de kerken en torens niet anders moet zijn dan een

kleine ruigte in het groote stuk wereldoppervlak, dat zij van hun hooge

standplaats kunnen overzien. En de stadslucht, waar wij het zoo druk

over hebben, is voor hen van even luttel belang als voor ons een

droppel water op den grond. Toch is die droppel water een zee voor de

infusoriën, die er in wonen.

De zilvermeeuwen in de stad, dat is het mooiste tafereel uit de zoo

interessante stadslente. Ze zweven rond in vreugde en opgetogenheid en

telkens weergalmt hun lente-roep, die over de stad veel verder en

reiner klinkt dan de beursbengel of de sirenen van de fabrieken.

Na een paar weken zijn ze verdwenen en nog altijd vraag ik mij af, wat

ze hier eigenlijk komen uitvoeren. Want alles, wat ze hier vinden, dat

voor hen van belang kan zijn, kunnen ze elders veel beter en

overvloediger aantreffen.

Doch laat ons terugkeeren naar het duin. Een kwartier lang is er niets

veranderd, maar nu komt laag langs de toppen in rechte lijn een groote

meeuw aanvliegen. Hij strijkt neer bij het wijfje, dat op de jongen zat

en nu in eens het nest verlaat. Ze stapt eraf en blijft belangstellend

toezien.

De ander strekt zijn nek, alsof hij wil gaan zingen, maar er komt wat

anders uit zijn keel. Blinkende vischjes rollen in ’t nest. Na wat

beweging zijn ze verdwenen, de jongen zijn gevoerd.

Wat later in den tijd, als in de meeste nesten de jongen zijn

uitgekomen, dan wordt dat wekenlang de hoofdbezigheid. Wel is waar

groeien de jongen zeer snel, maar er is toch heel wat tijd voor noodig,

eer het kleine donsballetje aangegroeid is tot de groote, vlugge jonge

zilvermeeuw.

Ze blijven niet al den tijd in ’t nest. Zoodra de donsveertjes

vervangen worden door dekveeren en pennen, scharrelen de vogels op

rozeroode pootjes weg van de plek, waar hun wieg eens stond en die nu

door de vele uitwerpselen, de halfvergane stukken visch en de

uitgebraakte graten in ’t geheel niet meer idyllisch mag heeten.

Daar komt weer een meeuw aanvliegen met voedsel. Zou er nog een nest

met jongen in de buurt zijn? Neen, hij blijft staan op een duintop,

legt zijn buit neer en gaat met vlijt aan ’t pikken. Hij heeft een

groot wulkenhuis te pakken, zoo’n groote bruingele „horen”, die je

overal op ’t strand vindt en daaruit trekt en scheurt hij nu den

bewoner te voorschijn, die in dit geval niet de rechtmatige bezitter,

wulk, maar een groote St. Bernardskreeft is.

De zilvermeeuw brengt dus, evenals de scholekster en de bonte kraaien,

een massa schelpen het duin in: groote en kleine. Wanneer we nu even

rondwandelen, vinden we allerwegen de bewijzen ervan: hier groote

buccinums en natica’s, ginds mosselen en overal kleine hoopjes gruis,

waarin schelpbrokjes van mossel, kokkel, alikruik, tellina en mactra

duidelijk te herkennen zijn.

Ziedaar nu de bewijzen van zijn sterke maag. Want die kleine

schelpdieren slikt hij in hun geheel in, zonder ze stuk te pikken en

dat wordt dan allemaal tusschen de harde maagwanden door sterke

spiercontracties stuk geknepen. ’t Woord „kauwmaag” lijkt voor dit

proces te zwak; een „brijzelmaag” zou het moeten wezen. De

schelpbrokken doen niet den tocht door ’t heele darmkanaal, maar worden

weer uitgebraakt.

De duinen liggen hier vol met schelpen en schervenhoopjes en ’t is

haast niet te begrijpen, hoe die flegmatische vogels, die urenlang

niets anders doen dan stilstaan en rondzweven, zoo overvloedige

maaltijdrestanten hebben kunnen produceeren. Dat komt, doordat we ze nu

aantreffen in hun rusturen, straks als ’t ebt, gaan ze aan hun werk.

In de Berger-duinen, op Texel en op Terschelling liggen op de

rustplaatsen der meeuwen tusschen de schervenhoopjes en witte

uitwerpselen ook nog groote blauwe, amethystkleurige vlekken. Die zijn

afkomstig van het plantendieet der vogels, want evenals de wulpen zijn

de zilvermeeuwen verzot op de bessen van de kraaiheide. Daar kunnen ze

ontzettend gulzig van eten, en dat gaat dan dikwijls niet netjes en

nuffig besje voor besje, maar als het een goed kraaiheidejaar is en de

vruchtjes in dichte bundeltjes de takken bedekken, dan gaat alles

tegelijk, met tak en blad naar binnen. Zoo komt het, dat er tusschen de

schelpscherven ook kraaibestakjes te vinden zijn.

Ik heb er ook keverdekschilden tusschen gevonden en rupsenkoppen,

zoodat we deze meeuw ook weer gerust mogen rangschikken onder de

alleseters.

De jonge zilvermeeuwen krijgen hoogstwaarschijnlijk in het begin niets

anders dan visch en krabben en wanneer zij zelfstandig geworden zijn,

vertoeven zij ook bij voorkeur aan den zeekant. In Augustus zijn ze al

bij troepen op het strand te ontmoeten: groote, gevlekte vogels, die

maar bitter weinig gelijken op de prachtige wit-met-zilveren dieren

waarvan ze afstammen.

Alleen aan de keel en bovenop aan het begin van den staart hebben zij

een weinig wit, overigens is het heele lichaam lichtbruin met donkerder

vlekken. De slagpennen zijn ongevlekt, de snavel bijna zwart.

In hun tweede jaar wordt de snavel vuilgeel met zwarte punt, de

slagpennen worden donkerder, maar krijgen lichtgrijze vlekken, terwijl

de vlekken aan kop en hals minder duidelijk worden.

In het derde jaar trekken ze de kinderschoenen uit en beginnen ze wat

meer op de ouden te gelijken. Toch bestaat er nog veel verschil. De

dekveeren van de vleugels zijn nog gevlekt, hoewel de mantel reeds

meeuwenblauw wordt. De snavel is nu bijna heelemaal geel, de staart wit

met alleen nog veel donkere streepjes en slangetjes op de middelste

stuurpennen. De groote slagpennen zijn zwart met witte vlekken.

Eerst in het vierde voorjaar worden ze geheel volwassen, dan krijgen ze

den sneeuwwitten kop en staart, de oranje vlek aan den ondersnavel, de

gele pooten, maar toch zijn al die kleuren nog mat in vergelijking met

die van tien- of twaalfjarige vogels.

Maar hoe oud ze ook worden—en we weten met zekerheid dat ze meer dan

een kwarteeuw kunnen leven—altijd wordt in den winter de kop en de hals

weer overdekt met donkere lengtestrepen.

Het intieme leven der vogels · 第 20 / 36 题