Er is voor den naspeurder van vogelgewoonten geen geriefelijker en
rijker onderzoekingsterrein te bedenken, dan de duinen. Nergens kun je
je zoo gemakkelijk verschuilen, nergens bestaat zoo goede gelegenheid
om de „prooi” ongemerkt te naderen, en nergens kun je zoo gerust en met
zoo weinig gevaar voor gezondheid of kleeding de horizontale positie
aannemen.
Voor een liggend mensch zijn de vogels lang zoo bang niet als voor een
zittend of loopend individu, en als men zich verbergt onder gras of
struiken, dan hebben ze in ’t geheel geen erg. Dat komt, doordat de
vogels geheel afgaan op het gezicht en het gehoor. Hun reukzintuig is
zeer slecht ontwikkeld en daardoor is de vogeljacht heel wat
gemakkelijker dan het besluipen van gemzen of herten.
Meen nu niet, dat het opeens zoo heel gemakkelijk gaat. De scherpte van
het gezicht grenst bij de vogels aan het ongelooflijke: zij zien mijlen
ver en de minste lichtflikkering in hun nabijheid wordt terstond
opgemerkt. Menig aardig tooneeltje is mij ontgaan, doordat de vogels
verontrust werden door de spiegeling van het objectief van den
verrekijker en dat terwijl ik verscholen zat in ’t dichtste gebladerte.
Bovendien zijn ze uiterst wantrouwig. Als ze je hebben zien binnengaan
in een boschje of wegkruipen onder een struik, dan duurt het wel een
half uur, voordat ze de zaak vertrouwen, en ge moet dan ook alles, wat
ge gedurende dat eerste half uur kunt waarnemen, beschouwen als een
meevallertje. Doch daarna kunnen ook de aardigste dingen gebeuren in uw
onmiddellijke nabijheid.
Maar dat kost dan ook uren: een uur om naar het terrein van waarneming
te loopen, een halfuur wachten, eer het geschokt vertrouwen hersteld
is, en dan nog een uur waarnemingen doen, dat is samen twee en een half
uur. Daarom is het ’t best, de vogeljacht te beoefenen bij wijze van
ontspanning, dan wordt het: een uur wandelen en anderhalf uur languit
in ’t duin liggen, wat allebei bezigheden zijn, die op zich zelf reeds
tot de alleraangenaamste mogen gerekend worden.
Zomer en winter is dat vol te houden. Zelfs bij vriezend weer kunt ge,
mits behoorlijk gekleed, in de duinen op den loer liggen, altijd is er
een luw plekje te vinden, al is het ook niet altijd dat summum van
lekkerheid: uit den wind en in de zon. De dichte duindoorns, meidoorns,
die langzaam gegroeid zijn, en vooral de fijn vertakte liguster, geven
een uitmuntende bescherming tegen den wind, en het lange helmgras of
struisriet levert ligstroo in overvloed. Natuurlijk moet je die nooit
uittrekken, maar met een scherp mes afsnijden.
Zoo heb ik dan in het Bloemendaalsche duin mijn wachtkamers en
schuilholen, waar ik gerust den nacht zou kunnen doorbrengen.
Wie nu geen zin heeft in dat stilliggen, kan ook zijn heil zoeken in
actief optreden, en daar heb ik ook al mooie resultaten van gehad. De
landwaartsche helling van de duinrichels is altijd steil: hellingen van
meer dan zestig graden zijn geen zeldzaamheid. En nu is het een
uitstekende methode, om eerst door boschjes en struiken, desnoods op
handen en voeten kruipend, ongezien den voet van zoo’n steile helling
te bereiken en die dan voorzichtig te beklimmen of liever te bekruipen
op een plek waar de richel het smalst is.
Dan heb je, zoodra je boven bent, ineens een overzicht over de heele
volgende vallei, en ge kunt het treffen, de fazanten en patrijzen,
wulpen, kieviten, boompiepers of tapuiten van heel nabij aan hun
bezigheden te zien. Maar pas op, dat uw hoofd niet merkbaar over den
richel uitsteekt. De laatste stijging moet o zoo langzaam geschieden;
millimetersgewijze. En als dan op ’t laatste oogenblik zoo’n
ongeluksdier van een konijn de lucht van je krijgt en verschrikt
wegholt, dan is ook opeens alles bedorven: de fazanten, patrijzen
verschuilen zich in ’t hout en de wulp springt met zijn lange beenen
een el van den grond, slaat zijn wijde wieken uit en gaat in een
grooten kring schreeuwend om je heen vliegen: „kloe-iet, kloe-iet”,
lang uitgehaald en helder van toon galmt het over berg en dal en al
naar zijn temperament en den toestand van zijn huisgezin, blijft hij u
korter of langer begeleiden.
Hij komt niet dichtbij, maar ’t is zoo’n groote vogel, dat de gebogen
snavel, het grijze lichaam en de lange pooten, die even buiten den
staart uitsteken, duidelijk te zien zijn. Al heftiger wordt zijn
geschreeuw, zijn onrust neemt toe, naarmate wij voortstappen en nu
daalt hij zelfs neer met trillende, wijd uitgespreide vleugels. Op een
duintop gaat hij staan, waar zijn prachtig silhouet mooi uitkomt tegen
de lucht.
De snavel lijkt nu veel grooter dan in de vlucht. Stilstaan kan hij nu
niet. Hij loopt met groote stappen over ’t zand, beweegt den kop op en
neer, zoodat de kromme snavel langs de wolken schermt en eindelijk
springt hij op en begint opnieuw zijn kringvlucht en krijgsgeschreeuw.
Nu komt hij weer aan den anderen kant. Op eens klinkt uit de richting
van zijn eerste standplaats een welluidend: „wie, wie, wie.” Daar is
wulp nommer twee; ze hebben in de buurt een nest of jongen en nu kunnen
we systematisch een paar uur gaan zoeken, of op een gunstig toeval
vertrouwend de vallei snel doorkruisen om het nest te vinden.
Meestal lukt dat niet, doordat men te ongeduldig is of doordat men
tijdig aan een spoorwegstation moet verschijnen. Wie echter een
wulpennest wil vinden, moet zich met dergelijke wissewasjes niet
ophouden.
Wat een voldoening, als je eindelijk voor het nest staat! De eieren
behooren tot de grootste, die er in ons land te vinden zijn. In vorm en
kleur hebben ze wel wat van kievitseieren maar de schaal is gladder en
de tinten zijn veel fijner en warmer. Misschien vind ik ze wel zoo
mooi, omdat de vondst van een wulpennest altijd een buitenkansje is,
terwijl de kievitsnesten zoo maar voor het grijpen zijn.
Sommige menschen zijn verzot op wulpeieren en vinden ze veel lekkerder
dan kievitseieren. In ieder geval zijn ze veel grooter, maar het dunkt
mij toch verkeerd, die eieren te rapen. De wulp broedt tamelijk laat,
de argumenten, die aangevoerd kunnen worden ten voordeele van het rapen
van kievitseieren gaan hier dus in het geheel niet op. En er broeden
veel te weinig wulpen in onze duinen. Ik zou willen, dat er in iedere
vallei minstens één paar nestelde. Wat zou het dan vroolijk in de
duinen toegaan!
Want de wulp is een vroolijke vogel. Hij schreeuwt lang niet altijd uit
angst of boosheid, maar dikwijls uit pure pret. Dan wordt zijn geroep
een snelle opeenvolging van mooie metaalachtige fluittonen, vol en
melodieus en evenals de zang van de merel goed en prettig binnen het
bereik van ons gehoor.
De meeste vogels zingen ontzettend hoog; één of twee octaven hooger dan
het zesde hulplijntje boven den balk, maar de wulp blijft zoowat in de
vijfde positie op de e-snaar en dat is voor een vogel al een heel laag
geluid. Hij beschikt over velerlei geluiden. Wanneer hij zijn lentelied
gaat zingen, dan laat hij nog op den grond staande meestal een soort
van introductie hooren, bijna binnensmonds: „truu, truu, truu,” ietwat
herinnerend aan het gekrieuw van kippen, maar er zit meer klank in. Dan
gaat hij vliegen en dan komt het welbekende „kloeiet, kloeiet” dat
langzaam maar sterk wordt uitgeroepen, de eerste lettergreep gerekt, de
tweede korter. Langzamerhand wordt het tempo sneller, de articulatie
zwakker en er ontstaat een soort van gejodel, dat mij in de ooren
klinkt als „keloeje, keloeje, keloeje.”
Aan deze geluiden heeft hij zijn Engelschen naam van „curlew” en de
Fransche „courlis” of „louis” te danken. Het mannetje is veel
luidruchtiger dan het wijfje, dat echter gerust kan meedoen en alleen
in de lang uitgehaalde mooie tirades te kort schiet.
In April ga ik er altijd op uit, om den wulp te zien dansen en het
spijt mij altijd, als er een jaar voorbij gaat, zonder dat ik het
gezien heb. Als nu iedere duinvallei een verliefd wulpenpaar herbergde,
dan zou dat veel makkelijker gaan.
De heele vertooning is nog al gevarieerd en doet denken aan de
vertooningen van vele andere vogelsoorten. Het begint met een paar
kraanvogelpassen; de wulp stapt in ’t rond met stijve beenbewegingen en
herhaald opheffen en nederdalen van den langen snavel. Dan staat hij
opeens stil en roept eenige malen kloeiet, kloe-iet. Een zeer
zonderlinge indruk maakt het, dat hij daarbij meestal zijn aangebedene
in het geheel niet aankijkt, maar als het ware in een welsprekend
terzijde den hemel en de heuvels ten getuige roept, bij wat hem in
vervoering brengt.
En dan gaat hij uitpakken. Zijn voornaamste voortreffelijkheden,
snavel, vleugels en pooten en ’t mooie geluid heeft hij reeds vertoond,
maar er is nog iets in petto. Hij gaat nu rondloopen met hangende
vleugels (kluitenmanier) en klept herhaaldelijk den waaiervormigen
staart uit- en in.
Deze pauwenmanoeuvre is heel mooi, want die staart is werkelijk een
verrassing. De wulp is nog al eenvoudig van kleur en teekening;
donkerbruine veeren met lichtbruine randen en aan de bovenzijde en aan
de borst en buik geelgrijze veeren met donkere vlekken en strepen; heel
mooi en des te mooier naarmate je het beter beziet, maar in ’t geheel
niet opzichtig. Integendeel, de kleuren zijn zoo, dat de broedende
vogel haast niet kan worden opgemerkt.
Maar onder die schutkleuren zit de witte rug, versierd met zwarte
strepen en aan ’t eind daarvan de staart. Die bestaat uit driemaal vier
veeren; de middelste vier zijn aschgrauw met een tiental zeer donkere
dwarsstrepen en de vier buitenste aan elken kant zijn spierwit met tien
zwarte dwarsstrepen. Soms zijn er negen, maar dat doet er niet toe.
Wanneer nu die staart wordt uitgespreid, dan komt er een bonte
dambordfiguur, die al van heel ver duidelijk te zien is. Dat is me een
beweging, zooals nu die staart uit- en inklapt. De vogel wordt hoe
langer hoe meer opgewonden, nek en snavel bewegen zich in
overeenstemming met den staart en eindelijk buigt hij voorover, legt
den kop langs den grond, steekt den pronkstaart in de lucht en blijft
zoo eenige seconden onbeweeglijk stilstaan.
Soms raakt het wijfje nu ook een beetje aan het dansen, maar meestal
doet ze wat schuchter en wil ze liever de plaats verlaten. Dan gaat de
man als een dolle om haar heen loopen, tot ze hem zijn zin geeft, of ze
drijft haar zin door en vliegt weg, waarop hij dan onder klagelijk
gehuil mistroostig een kilometer of zoo de lucht rondvliegt met
zweeftoeren op en neer als de baan van een montagne russe.
Ik had gehoopt, dat ze vaste paradeplaatsen zouden hebben, maar dat
schijnt zoo niet te zijn. Mannetje en wijfje vliegen in April zoowat
den heelen dag en vrij zeker ook den heelen nacht in elkanders
gezelschap rond en als het wijfje zich ergens neerzet, dan is het
mannetje dadelijk klaar, om zijn kraanvogel-pauwendans te beginnen. Mij
dunkt, ze moet dat op ’t laatst wel wat vervelend vinden.
Het einde van ’t liedje is intusschen, dat het wijfje ten slotte
terecht komt op de vier groote eieren en dat het mannetje de wacht moet
betrekken op de heuvelen. Het bouwen van het nest veroorzaakt weinig
moeite; het nest op onze fotografie is een der best afgewerkte, die ik
ooit van een wulp gezien heb. Er blijkt ook uit, dat de vogel gaarne
gebruik maakt van een begroeiden ondergrond, in ons geval was er een
dikke laag van rendiermos.
De broedende vogel zit met den nek ingetrokken, den snavel neergebogen,
vaak rustend op den grond. In ’t eerst is hij erg schuw en bij het
minste alarm sluipt hij weg van ’t nest, om een heel eind verder op te
vliegen. Naarmate het broeden vordert, wordt de vrees overwonnen door
de zorg en zoo kan het dan gebeuren, dat ge, mits rustig loopend en
wakker uitziend, vlak bij een broedenden wulp kunt stilstaan, zonder
dat hij wegvliegt.
Maar het groote oog is in angstige spanning op u gericht, iedere zenuw
is in werking, elke spier tot den arbeid gereed. Plotseling begeven
alle remzenuwen het; met een sprong en een schreeuw, met de hevigheid
van een ontploffing, gaat de vogel de lucht in. De vrees heeft
overwonnen.
Wat nu nog onze foto betreft, zou ik wel willen weten, hoe dat
konijnepilletje in het nest komt. Is het een onbescheidenheid van de
konijntjes of een bewijs voor de hypothese van Selous?
Van de jonge wulpen weet ik zoo goed als niets. Wel, dat ze zeer kort
na het uitkomen het nest verlaten en de kunst van schuilvinkje beter
verstaan dan eenige andere steltlooper. Waren er wat meer broedende
wulpen in onze duinen en op onze heiden, dan was de kans op een
ontmoeting natuurlijk veel grooter.
Nu zie ik ze pas, als ze al lang vlug zijn en in de maanden Juli en
Augustus met ander jong goed vliegen van het strand naar de weide, van
de weide naar het strand. In de boeken staat, dat de wulpen onder
elkaar zeer gezellig zijn, maar zich met andere vogels niet ophouden.
Dit laatste is wat de jongen betreft, beslist onwaar. Iederen zomer
kunt ge ze aantreffen in gezelschap van jonge grutto’s en jonge
scholeksters op de hooge weiden in ’t midden van Texel, op het
slijkerig strand bij Valkeveen in ’t Gooi, op ’t Friesche wad en aan de
weinige duinplassen, die ons nog resten. Ze zijn als jonge vogels
altijd dadelijk te kennen aan den vrij korten snavel, de tamelijk dikke
pooten en aan den lichteren tint van het gevederte, dat in zijn lichte
partijen bij hen wit, bij de ouden geelachtig is. Ook zijn ze aan
staart en onderzijde minder gevlekt.
Doordat ze minder schuw, minder voorzichtig of minder waakzaam zijn,
dan de ouden, is het nog al gemakkelijk, iets gewaar te worden van hun
manieren en gewoonten. Op de hoogvlakte is hun voornaamste bezigheid
stilstaan, slapen en insecten vangen. Vogels zijn virtuosen in het
stilstaan en stilzitten, vooral de zwemvogels en steltloopers. Meestal
doen ze dat, omdat ze niets anders te doen hebben. Zoo ook deze jonge
wulpen, ze staan letterlijk als beelden en heel dikwijls vierkant op
twee pooten.
Soms geeuwt er een, maar er kan een kwartier voorbijgaan, voordat er
een een vin verroert. Toch is dat stilstaan niet altijd niets doen,
want nu strekt er een plotseling den nek, buigt den snavel naar den
grond en hapt een insect op. Ook gaat soms een geopende snavel de
hoogte in, klapt dicht, en de dikke vlieg of het mestkevertje is
gevangen.
Bijna alle steltloopers vangen insecten op deze manier, niet als
hoofdbezigheid, maar als meevallertje gedurende de siësta. Ik heb wel
gezien, dat lepelaars zoo hapten naar libellen en dat was een heel
geval, zooals die groote breede snavel door de lucht gezwaaid werd en
de platte kaken samenklapten om het dunlijvig insect.
Als er wat veel sprinkhanen in een wei zijn, dan maken de wulpen er
formeel jacht op. Ze stappen heen en weer door ’t gras en waar maar een
sprinkhaan zich verschrikt uit de voeten maakt, wordt hij dra
achterhaald door den snel vooruitgestoken krommen snavel. Soms ook
raakt de heele wulp in een draf en als een heele troep in een weiland
bezig is, dan wordt dat een heel aangename en tierige vertooning. Er
wordt geen woord bij gesproken.
Opeens vliegen alle wulpen op. De grutto’s en tureluurs blijven op het
weitje, maar de wulpen vliegen westwaarts; eerst in een troep, dan in
een breede lijn en eindelijk in een V. Die verschikkingen gaan zoo
geleidelijk en gewoon, dat ge vanzelf de overtuiging krijgt van hun
noodzakelijkheid. Als ze in den V-vorm vliegen, dan profiteeren ze
ieder zooveel mogelijk van elkanders vleugelbewegingen.
Het is niet zoo heel gemakkelijk, zich een goede voorstelling hiervan
te vormen. Meestal stelt men zich tevreden met te denken dat de V-vorm
een vliegende troep beter in staat stelt, om de lucht te doorsnijden.
Ik geloof niet, dat dit in de eerste plaats van belang is. Indien we de
lucht rondom een vliegenden vogel eens zichtbaar konden maken, dan zou
blijken, dat iedere vliegende vogel omringd wordt door een groot aantal
luchtstroomingen, die hij zelf veroorzaakt met zijn vliegbeweging.
Elke vogel is zoodoende het middelpunt van een stormsysteem. Nu gaan de
vogels zich zoo plaatsen, dat ze zooveel mogelijk voordeel hebben van
elkanders luchtstroomingen. Een klein verschil in plaats, een kleine
verandering in het tempo van de vleugelbeweging kan het voordeel doen
verkeeren in nadeel Dit zou allemaal wiskundig kunnen worden
aangetoond.
Men behoeft maar even aandachtig naar een troep vliegende ganzen of
wulpen te zien, om de overtuiging te krijgen, dat de beweging van den
heelen troep en elke beweging van de afzonderlijke individu’s aan
bepaalde wetten gebonden is. Het geheel maakt een heerlijken indruk van
harmonie. Let er vooral op, dat de bewegingen niet gelijktijdig
gebeuren, maar bij iederen volgenden vogel een deeltje van een seconde
later, dan bij de vorige, zoodat er een regelmatige bewegingsgolf door
den heelen troep vaart.
Waar gaan onze sprinkhaanjagers nu zoo ineens naar toe? Wel naar de
zee: het ebt, de slikken loopen droog en nu kunnen ze daar in zeer
korten tijd een copieus maal verorberen.
Hoe weten ze zoo precies, dat juist nu zes kilometer hier vandaan aan
de andere zij van de hooge duinen krabbetjes en klein goed te
verkrijgen is? Hoe wist heel Gallië in minder dan geen tijd elk
belangrijk nieuws? Wel, de eene Galliër schreeuwde het more suo den
andere toe en zoo verspreidde het nieuws zich met de snelheid van het
geluid, dat is 333 M. per seconde.
Met de eb-tijding gaat het op dezelfde manier. De vogels dicht bij ’t
strand zien, dat er wat te bikken valt en vliegen er heen. Anderen zien
dit gebeuren en richten ook hun vlucht dien kant uit en zoo beweegt
zich dan binnen weinige seconden de heele troep van meeuwen,
scholeksters, wulpen en kraaien zeewaarts. Op een hoog duin in een
drukke vogelbuurt kan men dit op de minuut af zien gebeuren. Aan de
Zuiderzee met zijn gering verschil in waterstand gaat het niet zoo
punctueel toe, hier regelen zich de bewegingen meestal naar den stand
der zon.
Aan ’t strand gedragen de wulpen zich op velerlei manier. Ze pikken
rond in het aanspoelsel, dat geheel op ’t droge ligt, in de
terugtrekkende golf, en op de slikken visschen ze de slijkpoelen en
kreeken af. Dat is eigenlijk hun hoofdbezigheid. Met wat een vuur en
overtuiging steken ze den buigzamen snavel met de harde punt in de
weeke modder. Hoe weten ze de kleine diertjes uit te zoeken en haastig
naar binnen te werken?
Het water is hun niet licht te diep. Ze houden ervan, om tot over de
hielen door ’t nat te plassen en als er een ondoorwaadbaar gedeelte
komt, dan zwemmen ze rond met evenveel gemak als een kluit of een
scholekster. Ze hebben dan ook vrij belangrijke zwemvliezen tusschen
alle drie de voorteenen en hun veeren worden niet gauw nat.
In het najaar zijn de wulpen geduchte besseneters. Het meerendeel van
de kraaibessen van Bergen en de Noordzee-eilanden valt hun ten deel en
zij dragen niet weinig bij tot de verspreiding van deze plant. Overal
vindt ge daar in Augustus de blauwe uitwerpselen met de zaadjes er nog
in en menige duinenvallei, die tien jaar geleden niet anders was dan
eene kale vlakte, is nu aardig begroeid door de goede zorgen van onzen
kromsnavel.
Op Terschelling komen zij ook hun deel eischen van de mooie roode
bessen van de lepeltjeheide (Vaccinium macrocarpon) en alweer is het
aan hun hulp te danken, dat deze fraaie en voordeelige plant zich thans
heeft uitgebreid tot de meest westelijke valleien van Terschelling en
zich ook reeds op Vlieland, op Texel en op het vasteland begint te
vertoonen.
In ’t Oosten van ons land voedt hij zich met de andere
Vaccinium-soorten, zoodat hij een bessenkweeker van den eersten rang
mag heeten.
Hoogstwaarschijnlijk gaat het met de wulpen als met de jonge
zwartkopmeeuwen en broeden zij niet voordat zij twee jaar of ouder
zijn. Zoo komt het, dat er het heele jaar ongepaarde wulpen rondzwerven
door duin en hei en langs het strand.
Er komt zelfs in ons land een wulpensoort voor, die hier nooit broedt,
nl. de regenwulp, die van de gewone gemakkelijk te onderscheiden is
door zijn geringere grootte en een lichten streep over het midden van
den kop. Deze vogel heeft zijn broedplaatsen in ’t Noorden, maar de
ongepaarde exemplaren blijven rondzwerven langs de heele Atlantische
kust.
Met onzen grooten wulp gaat het net zoo. Hij nestelt nog in België,
Frankrijk en Spanje, maar al deed hij dat niet, dan zouden daar in den
zomer nog wel zwervelingen worden aangetroffen. Ja, wij kunnen
aannemen, dat er in het najaar wulpenposten zijn van Noordkijn tot Cap
Verd en misschien wel tot aan de Tafelbaai.
Dit is voor den trek der vogels van de allergrootste beteekenis. De
groote vraag: „hoe weten de vogels hun weg?” is voor de wulpen heel
gemakkelijk te beantwoorden. Ze vinden hun weg, net als een fietser
door Nederland, doordat er overal wegwijzers zijn.
Ze trekken zoowel bij dag als bij nacht, soms laag, soms zeer hoog,
maar meestal met luid geroep. Het is voor den natuurvriend een van de
heerlijkste gewaarwordingen, om hun wild „tloe-iet, tloe-iet” te
hooren, ’t zij op den middag boven de drukte van de stad, hetzij in den
stillen nacht. ’t Meest zijn ze te hooren in September en October na
stormachtig weer.
O, ’t kan soms zoo ver en zoo fijn klinken. Maar hoe ver en fijn ook,
altijd hooren andere wulpen het nog veel fijner en beter dan gij en die
geven onmiddellijk antwoord. Zoo wordt de troep voortgeleid van strand
tot strand en wanneer ze zich neerlaten, om te rusten of voedsel te
zoeken, dan vinden ze dadelijk kameraden, die daar de kaart van het
land kennen en bij wie ze zich kunnen aansluiten.
De terugtocht in de lente is weinig lastiger, want ook gedurende den
winter blijft de postenketen bestaan, daar de meest geharde en sterkste
individu’s het meestal met succes probeeren, om in de Noordelijke
gewesten te blijven vertoeven.
Het gezelligheids-instinct komt hierbij onze wulpen dus heerlijk te pas
en die enkele lokroep van „tloe-iet, tloe-iet” vervangt al onze
reisboeken en atlassen. Daarom hoor ik hem zoo graag.