Dit is de meest in ’t oog vallende vogel van Holland. De ijsvogel met
zijn schittering van blauw en groen, de Vlaamsche gaai met zijn bonte
wieken, de wielewaal in ’t rood en geel, ze maken geen van alle zoo’n
diepen indruk als deze schreeuw-genius van stranden en moerassen. Het
felle rood van den langen snavel, de als met bloed beloopen oogen, de
dikke, roode pooten en het hagelwit met deftig zwart van gevederte
geven een gewaarwording van schreeuwende bontheid.
Met verbazing constateert men, dat dit krachtig effect wordt bereikt
met drie kleuren en twee tinten. Maar men mag niet vergeten, dat deze
drie kleuren juist zoo zijn, dat ze steeds een contrast vormen met het
groen van het weiland en het blauw van den hemel.
Een voorbeeld van de eindelooze veelzijdigheid der natuur. Waar zij het
bijna onmogelijke bereikt heeft op het gebied van beschermingskleuren,
wanneer de nachtzwaluw bedriegelijk lijkt op stukjes dor hout en
schors, wanneer de griel en de wulp sprietje voor sprietje en vlekje
voor vlekje den valen duingrond of heibodem nabootsen, om niet gezien
te worden, daar schept zij dezen vogel, die door schreeuwende kleuren
en felle contrasten zich opdringt aan den minst oplettenden beschouwer.
Hij wil gezien worden. Indien uw oog nog niet voldoende geprikkeld
wordt door het git, het sneeuw en het koraal, dan zal hij uw oor
treffen met zijn luiden alarmkreet, die, als ge hem van dichtbij hebt
gehoord, blijft natuiten in uw droom. Maar ’t is geen droom, als ge in
den zomernacht zijn kreet verneemt. Dan zwerft de rustelooze op zijn
trillende zwart-met-witte wieken over duin en wei, dartelend met de
even wakkere kieviten, wegscheerend over het logge vee. En als de
kievitseieren-zoeker bij het grauwen van den dag het bedauwde veld
betreedt, dan stormt met luid gejuich de Pruisisch gekleurde wachtvogel
hem te gemoet.
Van alle vogelcharges, die ik heb mogen verduren, is die van de
scholekster wel de meest bewonderenswaardige. Sterntjes, meeuwen,
kieviten, kluiten, ze hebben alle hun bijzondere manieren van aan te
vallen, maar altijd min of meer zijdelings, indirect of aarzelend.
De scholekster evenwel bedenkt zich nooit. Regelrecht, als een pijl uit
den boog, komt hij reeds van verre, o, wel honderd meter ver, op u af,
laag bij den grond, den langen, harden, rooden snavel precies op uw oog
gericht. Zijn vleugels bewegen met een ongelooflijke snelheid en zonder
rechts of links af te wijken, snelt hij toe. Alleen op het laatste
oogenblik glijdt hij vlak langs u heen, u zijn duivelsch „tepìet” in de
ooren gillend, haalt wijd uit en herhaalt onmiddellijk zijn aanval met
dezelfde onstuimigheid.
Dat is mooi, o, dat is zoo mooi! Die andere vogels hebben bij al hun
brutaliteit toch nog altijd iets angstigs over zich, en ze pauseeren
even voor zij tot den aanval overgaan. De scholekster niet. Hij bedenkt
zich geen oogenblik, toont geen spoor van vrees en laat niet af, voor
hij zijn doel bereikt heeft.
Welk doel? Natuurlijk het redden van zijn nest of jongen. Wanneer een
scholekster zijn lansaanval doet, dan is het nest niet ver weg. In een
kring van vijfentwintig meter radius vindt ge dan stellig de drie of
vier groote geelbruine, donkergevlekte eieren, in een vlak kuiltje in
’t gras of in ’t zand. Meestal ligt het in de minst drasse stukken,
dikwijls op dijkjes of slootwallen en zelfs op vrij hoog bouwland en
hooge duinruggen.
De groote eieren zijn gemakkelijk te zien en de broedende vogel ook.
Maar wanneer de waakzame steltlooper u afleidt met zijn aanvallen, zijn
kleurgeschitter en bazuingeschal, dan blijft het nest licht
onopgemerkt. In de boeken staat, dat het legsel in den regel niet meer
dan drie eieren telt; op Texel vinden wij er nog al dikwijls vier in,
ja, meestal zelfs vier.
Nu geloof ik, dat de scholekster op de Noordzee-eilanden zijn
krachtigste ontwikkeling bereikt. Scholeksters komen voor over de heele
oude wereld, maar de Noordzee-oevers van Schotland tot Jutland zijn hun
hoofdgebied, en Texel heeft daarin een centrale situatie. Vandaar, dat
zomer en winter onze stranden opgevroolijkt worden door de
tegenwoordigheid van dezen monteren gast, den vogel met den snavel.
Hij heeft naar verhouding den langsten, duidelijksten en hardsten
snavel van al onze vogels. De wulp en de grutto kunnen wat lengte
betreft met hem concurreeren, maar die hebben toch eigenlijk niets
anders dan weeke wroetwerktuigjes. De scholekstersnavel is
tegelijkertijd een speer, een wig en een lepel. De punt is hard en
scherp, schuin afgesneden en saamgenepen, de wortel is breed en
massief, het middenstuk buigzaam en beweeglijk.
Met groote behendigheid weet hij den smallen snavel tusschen de schalen
van een mossel in te werken en de sluitspier door te snijden. De doos
valt dan open en in een ommezien schept hij ’t weeke hapje uit de
schelpen. Als de mosselbanken in de Waddenzee bij eb droogvallen, komen
de scholeksters bij troepjes aanvliegen, om daar hun maaltijd te doen.
Ook groote kinkhorens en wulken tast hij aan, en eens heb ik er een
bezig gezien met een vrij groote krab.
Bij ’t begin van de eb trekt hij naar ’t strand en volgt de
terugtrekkende zee. Ge weet, dat de zilte baren in een speelsche bui
soms onverwacht weer een groot stuk van het verloren terrein kunnen
heroveren, al is het maar voor enkele oogenblikken. Wandelende meisjes
stuiven dan met luid gegil en natte voeten landwaarts in.
De scholekster laat dat echter gebeuren. Hij geeft er niet om, dat ’t
zeewater een paar centimeter om zijn dikke beenen stijgt en ziet er ook
niet tegen op, dat de golven zijn witte buikveeren raken. En als ’t nog
erger wordt, dan laat hij zich tevreden met de golf optillen en zwemt
een eindje mee. Ten slotte komt hij weer op zijn zes teenen te staan en
dan gaat de koraalroode snavel rechts en links, om te bemachtigen wat
door ’t terugstroomende water weerloos wordt medegevoerd.
De strandwormen, die in ’t zand huizen, weet hij te bemachtigen door
met den harden, scherpen, steekbeitelachtigen snavel met groote
snelheid in den grond te spitten. Het is geen boren, zooals de spreeuw
en de roek doen, maar de roode snavel vlijmt den grond in en heeft den
worm te pakken, eer die zich in ’t diepst van zijn schuilgang heeft
kunnen terugtrekken.
In onzen polder Het Noorden hebben wij hem betrapt op een zeer ernstig
misdrijf. Een dwergsterntje schoot met veel misbaar door de lucht
altijd heen en weer op dezelfde plaats. Daar stond een scholekster,
blijkbaar ernstig bezig en zich in ’t geheel niet bekommerend om de
aanvallen van het kleine vogeltje.
Toen wij nader kwamen, keek hij op met zijn groote bloedroode oogen en
vloog toen gillend weg. Het sterntje vervolgde hem een stuk weegs en
viel toen ons aan, hoewel we geen kwaad in den zin hadden.
Doch het kwaad was reeds verricht, de mooie sterntjeseitjes waren
middendoor gehakt door den rooden snavel, struif en doppen
verontreinigden het kleine nest. De eitjes waren nog in ’t geheel niet
bebroed, zoo schoon als zilver en wij verbaasden ons erover, hoe de
scholekster, zoo wij hem niet gestoord hadden, met zijn langen, smallen
snavel den vloeibaren inhoud verorberd zou hebben.
Nu weten wij dus, dat tenminste één scholekster zich schuldig maakt aan
eierroof. Later hebben wij nog meer gevallen kunnen constateeren, onder
andere ook in Artis, waar de in gevangenschap levende scholeksters de
eieren vraten van de waterhoentjes, die met hen in dezelfde volière
huizen.
Geen enkel ornithologisch werk noemt den scholekster als eierdief of
vogelmoordenaar. Zou het een nieuw instinct zijn, dat zich bij de soort
begint te ontwikkelen? Tot nog toe broedt hij ongestoord te midden van
de andere steltloopers en zwemvogels, die door zijn waakzaamheid
voordeel hebben van zijn gezelschap. Maar als hij nu een nestroover
wordt, dan is hij de wolf in de schaapskooi.
Daarentegen hebben wij op Rottum gezien, dat daar de scholeksters de
groote sterns helpen, om hun eieren te verdedigen tegen de
zilvermeeuwen.
Laat ons hopen, dat het bij dien eenen vogel blijft, dat de innovator
geen volgelingen krijgt. Het is in ’t geheel niet noodig, dat de
scholekster naar een nieuw voedingsmiddel uitziet. De zee, het strand,
het slib en de weiden maken, dat hij altijd en overal aan den kost kan
komen.
Hij vindt dan ook meestal zoo rijkelijk voedsel, dat na een half uurtje
arbeid rust of verpoozing kunnen volgen. De verpoozing hangt af van ’t
jaargetijde, de rust wordt genoten aan ’t strand, aan den oever van de
kreek of in ’t gras van ’t hooiland.
Wie ’s zomers langs de zee wandelt, kan niet missen, den scholekster
slapend aan te treffen, hetzij aan den voet van ’t duin, hetzij op een
half-drooggeloopen zandbank. Het is noodig een honderd meter ver
vooruit te zien, want zoo vast slaapt de vogel nooit, dat ge zeer dicht
bij hem zoudt kunnen komen.
Maar hij slaapt formeel, het hoofd omgedraaid, den langen zwaren snavel
uitgestrekt over den breeden rug. Dit ziende kunt ge eerst goed
beseffen, hoe een dergelijke houding den vogel rust moet verschaffen.
Het vordert geen geringe spierinspanning, om een kop met zoo’n langen
snavel rechtuit te dragen en de scholekster heeft dan ook sterk
ontwikkelde nekspieren met ferme uitsteeksels aan de halswervels als
aanhechtingspunten. De oogen zijn maar zelden geheel gesloten,
doorgaans echter geborgen achter ’t derde ooglid, het wenkvlies. Dat is
met den kijker goed te zien. Toen ik de wacht hield in ’t fort van
Selous, kwam een gezelschap van achttien scholeksters in de kreek staan
en die gingen gezamenlijk den dut in, alle met dichtgehaalde
wenkvliezen.
Dat is gemakkelijk te zien. Alles is aan den scholekster gemakkelijk te
zien. Mocht ge vreezen, het oog niet spoedig genoeg te kunnen
ontdekken, hij komt u te gemoet door een breede witte streep te dragen
onder het vuurroode ooglid. Meent ge dat op zoo’n grooten afstand het
gemis van glans niet voldoende is, om de aanwezigheid van ’t wenkvlies
te verklaren, dan behoeft hij maar even dat derde ooglid op zij te
schuiven en een karmijnroode iris schittert u tegen. Merkwaardig is ’t,
hoe die vogel in de kleine oogstreek de vier hoofdkleuren van zijn
kleed, zwart, wit, vermiljoen en karmijn repeteert.
Wanneer scholeksters nog in Juni in troepen rondvliegen, dan bestaan
deze uit ongepaarde individu’s, zwervers zonder nest. In den regel zijn
dat, evenals bij de zwartkopmeeuwen, eenjarige vogels, die een zwervend
leven leiden. Den heelen zomer dolen ze rond langs zeegaten en
riviermonden, dikwijls in gezelschap van andere langbeenige kornuiten,
als regenwulpen en rosse grutto’s. In de avond- en morgenuren worden
die benden het meest gezien en wanneer ze zich zoo in V-vormige troepen
aan den warmen zomerhemel vertoonen, dan lijkt dat een vermaning uit de
verre poolgewesten—wat het natuurlijk heelemaal niet is.
Tegen het najaar groeien die troepen aan in talrijkheid. Gedurende de
wintermaanden schijnen ze zich te verstrooien, maar toch heb ik aan de
Westerschelde in December nog wel troepen van honderden gezien, die
stonden te wachten op de eb. In Februari en Maart zijn de benden het
talrijkst en tegelijk het woeligst, want dan hebben de ceremonies
plaats, die leiden tot paring en nestbouw.
Bij duizenden verzamelen zij zich dan op de slikken en schorren van de
Wadden en de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen. Rij aan rij staan
ze geschaard in ontelbare massa’s, de roode snavels blinkend in de
voorjaarszon. Nu eens staan ze minuten lang in doodsche stilte, dan
weer ontstaan hier en daar in ’t groote vogelheer plaatselijke
woelingen van booskijkende individu’s die om elkaar heenloopen, tegen
elkaar opspringen, elkaar in de vleugels bijten, om dan weer plotseling
stil te staan, met den rooden snavel loodrecht naar den grond gericht
en uit alle macht fluitend en schreeuwend.
Soms breiden de onrust-haarden zich uit en de heele armee wordt één
tooneel van woestheid en wanorde, van vecht- en danspartijen, alles
onder oorverdoovend geschreeuw. En een oogenblik later staan ze alle
weer roerloos en doodstil, alsof ze opeens betooverd waren.
Het is niet gemakkelijk, om in zoo’n groot gezelschap het gedrag van
afzonderlijke individu’s te bestudeeren en de mannenrollen van de
vrouwenrollen te onderscheiden. Ook is er in kleur en vorm geen
verschil tusschen mannetje en wijfje, alleen is zij een flink stuk
grooter dan hij. En ik geloof ook wel, dat zij het heft in handen
heeft.
Men is zoo licht tot generaliseeren geneigd en zoo is door de
waarneming van hoenderachtige vogels de meening ontstaan, dan bij de
vogels het mannetje almachtig is en de wijfjes altijd gereed zijn, om
gedwee het mooiste en sterkste mannetje, den overwinnaar in ’t gevecht
of in den zangwedstrijd te volgen. Niets is minder waar.
Zelfs bij de hoenders zit menige haan onder de plak en bij zeer vele
vogelsoorten is het wijfje de krachtigste persoonlijkheid. Zij beslist,
wat voor mannetje ze wil nemen en beschermt desnoods den eenmaal
gekozene tegen aanrandingen van derden. Ook hieromtrent weten we lang
niet genoeg, er is maar heel weinig op gelet. Wanneer het voorjaar komt
en de vogels onze aandacht beginnen te trekken, dan zijn ze meestal
reeds lang gepaard. Het vrijen en trouwen begint voor de meeste reeds
gedurende de wintermaanden en in het winterverblijf en wat wij
gedurende lente en zomer te zien krijgen, is veelal niets meer dan de
epiloog.
Dit is zeker, wanneer de scholeksters eenmaal elkander gekregen hebben,
dan zonderen ze zich af van den grooten troep en betrekken het terrein
hunner keuze. Bij zoo’n afzonderlijk paar is al vrij spoedig na te
gaan, wie van de twee het wijfje is, daar ’t verschil in grootte nu
heel goed in ’t oog valt. En nu blijkt dadelijk, dat het mannetje niets
liever doet, dan ’t wijfje te behagen.
Hij vliegt en trippelt om haar heen, blijft in extase stilstaan,
knielt—zooals een vogel knielt: op zijn hielen—komt weer omhoog en gaat
met neerwaarts gerichten snavel het scholeksterslied zingen. Dan weer
springt hij de lucht in, vliegt met veel vertoon van witte veeren in ’t
rond, al schreeuwend en fluitend. Met de vleugels zoo wijd mogelijk
uitgestrekt scheert hij neer langs ’t groene gras, bereikt met de
teenen den bodem, maar heeft nog zoo’n vaart, dat hij niet stil kan
staan, maar klapwiekend loopt hij verder en als hij eindelijk erin
geslaagd is, door krachtig remmen tot stilstand te komen, dan houdt hij
nog eenige oogenblikken de vleugels loodrecht omhoog, zoodat de
onderdekveeren al hun witheid vertoonen boven gras en bloemen.
Een andermaal bukt hij voorover, drukt de borst stijf tegen den grond
en wiebelt het lichaam heen en weer, draait zelfs in een halven cirkel
of een heelen cirkel in ’t rond. Deze broedsche beweging herhaalt hij
verscheidene malen op verschillende plaatsen en ook het wijfje
verlustigt zich erin. ’t Is de inleidende beweging voor het maken van
het nest. Het maken van ’t nest is waarschijnlijk voor de vogels niet
zooals wij wel eens meenen een moeitevolle arbeid, maar een genotrijke
instinctvervulling.
Het is een lust, in ’t vroege voorjaar de steltloopers in den polder
dien nestendans te zien uitvoeren. Telkens boort een blanke borst in ’t
zand of ’t gras, nu eens is ’t een scholekster, dan een kievit, een
sterntje, een tureluur, een kluit, of een strandpleviertje, soms wordt
de beweging slechts even aangeduid, de borstveeren raken nauwelijks den
grond, ’t is meer een révérence dan de graafbeweging, maar een
andermaal gebeurt het met groote energie en tolt het dartele vogeltje
rond in zalige verrukking.
Zoodoende wordt het aantal nesten, of liever broedkuiltjes veel grooter
dan de broedende paren, en vooral van onzen scholekster is het aantal
speelnesten legio.
Dat neerzitten en de borst tegen den grond drukken is een
emotie-uiting, die den vogel ook nog te pas komt, lang nadat het
eigenlijke nest al kant en klaar is. Zoodra een gevaar dat nest
bedreigt, vooral in de eerste dagen van het broeden, neemt de vogel die
houding aan. De onervaren eierzoeker meent dan, dat het dier daar op
zijn nest zit en stapt, na met zorg de plaats te hebben vastgesteld,
erheen, om niets te vinden.
Men heeft hierom den scholekster wel een „listigen bedrieger” genoemd
en die term is ook zeer geschikt om aan te duiden, welken indruk het
gedrag van den vogel op ons menschen maakt. Maar daarmee is nog lang
niet uitgemaakt, of hij op dat oogenblik werkelijk zelfbewust en met
overleg handelt.
Hierboven heb ik reeds verteld, hoe de scholekster ook het gevaar met
geweld weet te keeren en niet te versmaden aanvallen doet op menschen,
kraaien of vee, die zijn bebroede eieren of jongen bedreigen.
Ook van rondzwervende vrijgezellen van zijn eigen soort heeft hij last.
Maar dat loopt doorgaans, dank zij zijn pootige ega, nog al goed af. En
heel dikwijls draagt de intrusie het karakter van een vreedzaam en
hoffelijk bezoek.
Een mannetje staat voor zijn wijfje te fluiten. Daar komt een tweede
mannetje aanvliegen, met de welbekende orkaan-vaart van scholeksters.
Hij strijkt neer bij ’t wijfje, paradeert even met de vleugels, loopt
driftig om het echtpaar heen, houdt opeens halt, maakt front voor ’t
wijfje en steekt nu ook zijn compliment af. De wettige echtgenoot vindt
hierin aanleiding tot meerdere stemverheffing en wordt daarin weer
dapper nagevolgd door de visite. Gelukkig hebben ze een aangenaam
orgaan, juist passend bij de onmetelijke ruimte, zoodat wij het getier
altijd met groot genoegen hooren.
Het wijfje vindt de betooging ook niet al te onaangenaam en blijft soms
een minuut rustig en bedeesd toeluisteren. Eindelijk maakt zij er een
eind aan door of onverschillig weg te loopen, of even een paar
trippelpasjes te maken in de richting van den indringer, die na een
kort vaarwel bliksemsnel en nog aldoor tierend wegvliegt.
In deze conversaties hebben de scholeksters veel genoegen en reeds
vroeg erlangen zij daarin een zekere vaardigheid. Het babbelinstinct is
hun aangeboren en wordt in de jeugd gevierd als een spel. ’t Is een van
de aardigste zomertafereelen; een scholeksterpaar, man en vrouw wakend
over hun drie- of viertal jongen, die verdiept zijn in het dans- en
conversatiespel.
De jonge vogels zijn even groot als de oude, ja zij lijken zelfs iets
grooter. Maar ’t is direct te zien, dat ze nog kindertjes zijn, hun
snavel mist den feilen gloed, de pooten zijn eer grijs dan rood, het
gitzwart van de veeren is getemperd, doordat de uiterste randjes van
elke veer een bruine franje bezitten en aan de keel vertoont zich een
groote halvemaanvormige witte vlek.
Trouw worden ze door de ouden bewaakt en gevoed, in ’t binnenduin en op
de hooge weiden, meest met insecten en wormen. Opeens krijgt de
moeder—hoe dat weet ik niet—den indruk, dat de eb is ingevallen en nu
begeeft zich de heele familie met groot geschreeuw naar ’t strand, om
in de terugloopende golfjes naar kwallen en schaal- en schelpdieren te
visschen.
Hebben ze daar genoeg van, dan retireeren ze naar den duinvoet en daar
hebben dan weer, onder leden van ’t zelfde gezin of onder vreemden, de
allervermakelijkste begroetingen plaats. Er is nu in ’t najaar
natuurlijk geen sprake van nestbouw en broedschheid, maar de gesprekken
en bewegingen zijn toch zoo energiek, dat ik niet kan nalaten, de
jongelui te verdenken van ’t maken van afspraakjes voor
Maart-over-een-jaar.