De oudste berichten omtrent den vogelrijkdom van Nederland danken wij
aan Julius Caesar, die het van hooren zeggen had, dat de bewoners van
ons Noordzeestrand zich geneerden van visch en vogeleieren. Ook oppert
de bekende philoloog Karl Bartsch in zijn inleiding tot het Gudrun-lied
het vermoeden, dat met het Irland uit het beroemde heldendicht niets
meer of minder bedoeld zou zijn dan mijn dierbaar Eierland op Texel.
Dat zou dus reeds in de twaalfde of dertiende eeuw zijn welverdiende
reputatie hebben genoten.
Een ernstig zoöloog haalt natuurlijk zijn schouders op over dergelijke
apocriefe gegevens. Julius Caesar heeft het met zijn natuurlijke
historie van den eland voor goed verkorven en dichters en philologen
staan met de plant- en dierkunde ook al op niet al te besten voet. Toch
wil ik gaarne bekennen, dat de gedachte aan den grooten Romein en
vooral de kleurige stoet uit het vriendelijke Noordzee-epos mij vaak
gesteund en opgemonterd heeft bij het uren- en dagenlange nagaan van
onze zee- en strandvogels, langs de stranden en in de polders van de
Wadden-eilanden.
De vogelbevolking van Eierland is sedert de inpoldering van 1835 sterk
achteruitgegaan, een natuurlijk gevolg van de cultuur, maar op enkele
plaatsen in de Texelsche polders zijn in den broedtijd de nesten en
eieren nog zoo talrijk, dat een volksstam er drie maanden lang
overvloed van gezond voedsel zou kunnen vinden, niet de veertigduizend
ridders van Sigebant of Hagen, maar wel de vijftig of zestig
kleihutbewoners, die in den ouden tijd een volk vormden.
Het beste van deze terreinen lag vlak tegen het oude Eierland aan, het
oostelijke gedeelte van den polder Het Noorden, bar bloot land,
doorsneden door breede, ondiepe kreken. Zonder den hoogen zeedijk en
den van verre zichtbaren molen zou men kunnen meenen, de slikken en
banken te betreden, die nog voordat de duinen bestonden, de westelijke
grens vormden van het haff, dat eenmaal Nederland zou worden. De bodem
bestond hoofdzakelijk uit zand met schelpen, hier en daar bedekt met
sliblagen van verschillende dikte. Slechts op enkele plaatsen lag het
zand zoo hoog en droog, dat het stuiven kon; sommige plekken waren
zonder den minsten plantengroei, op andere plaatsen stonden ijl de
sappige stengeltjes van zeekraal, met schaarsche rozetjes van
zeepostelein. Het Engelsch gras tintte sommige plekken met een
liefelijk rozerood en langs de breedste kreek vormde het kweldergras
met andere ingezaaide grassen een soort van groene strandweide, die
echter door groot vertoon van biezen en addertong een weerbarstige
houding aannam tegen de onwelkome ontginningsplannen. Versch gestoken,
lange, rechte greppels verminderen den poëtischen indruk van eenzame
woestheid: als ’t ware de eerste loopgraven, waarmee de mensch de
vogels belaagt in deze eene der weinige vestingen, die hun nog restten.
Deze strandvogels haten en vreezen den mensch meer dan eenig ander
levend wezen. En dat is geen wonder, want sedert eeuwen staat voor hen
de aanwezigheid van menschen gelijk met het rooven van honderden en
honderden eieren. Nu nog, als in Caesar’s tijd, geschiedt dat om aan
den kost te komen, om een lekkernij te bemachtigen, om geld te
verdienen, maar ook verzamelwoede of baldadigheid richten groote
verwoestingen aan. Men kan tegenwoordig gerust beweren, dat de strand-
en weidevogels geen erger levenden vijand hebben dan den mensch en
daarom vreezen ze hem dan ook meer dan de drieste kraai, het vinnig
hermelijntje of de vieze rat.
Hoe lang zal het duren, eer zij een gunstiger oordeel over ons vellen?
Er komen betere tijden. In de laatste tien jaren heb ik duizenden en
duizenden eieren gezien zonder er een van mede te nemen. Wij hebben
dagen lang met een vrij groot gezelschap in de vogelvesting vertoefd en
geen enkel nest heeft schade geleden. Verscheiden natuurvrienden zijn
wars van het verzamelen van eierdoppen, nesten en opgezette vogels en
geven er de voorkeur aan, hun vrijen tijd door te brengen te midden van
die heerlijke schepselen zelve, om te trachten, iets van hun wonderlijk
leven gewaar te worden. Verrekijker en camera vervangen gaandeweg
geweer en valstrik, die voortaan slechts geduld mogen worden in handen
van hen, die zich bezig houden met echt, belangrijk, wetenschappelijk
onderzoek. Onze huizen en tuinen worden al meer en meer vrijplaatsen
voor klein gevogelte, terwijl de Vereeniging tot Behoud van
Natuurmonumenten ernaar streeft, om overal in ’t land asylen voor
vogels te verkrijgen.
Zoo komen langzamerhand betere tijden, maar lang nog zal ’t duren, eer
ge de broedplaatsen van sterntjes en meeuwen betreden kunt, zonder van
alle kanten verwenscht en uitgekreten te worden.
Wij, die ons van al die beleedigingen niets behoeven aan te trekken,
vinden dat evenwel meteen een mooie gelegenheid, om een overzicht te
krijgen van de vogelbevolking van den polder.
Reeds voor we goed en wel de grenssloot zijn overgestoken, buitelt met
schor geschreeuw een kieviet door de lucht en weldra wordt hij begeleid
door een paar tureluurs, die, even druk, maar minder luidruchtig, om
ons heen blijven hangen, nu eens vliegend met kleine schokjes, dan
zwevend met spitse neerhangende vleugels en slepende roode pooten, dan
weer stilstaand op een kluitje, op en neer wippend en onophoudelijk hun
angstkreet „tuut-tuut-tuut” uitstootend. Zeer elegante, slanke,
schuchtere vogeltjes.
Woest giert met luid gepiep een scholekster voorbij met veel vertoon
van witte vleugelpennen in zwarte omlijsting, rood fonkelend oog en
langen, zwaren vuurrooden snavel; een reclame-schreeuwer. Intusschen
heeft zich in de lucht een linie gevormd van wondervreemde zwart- met
witte vogels; veel hard wit met enkele sterke smalle gebogen zwarte
lijnen; ook de vleugelpunten zijn zwart. De fijne kop, de slanke hals,
de dunne, naar boven gekromde snavel, de enorme leigrauwe pooten en
bovenal de ongewone houding onder ’t vliegen, maken dezen typischen
bewoner der riviermonden en zeegaten, de kluit, tot een van onze
merkwaardigste vogels. Zelden wordt hij gezien buiten deze weinige
bezochte streken en zijn aanwezigheid hier maakt, dat wij een gevoel
krijgen van in den vreemde te zijn op een ontdekkingsreis.
Van tijd tot tijd strijkt een kluit neer, met zonderlinge gebaren zich
voortsleepend over den grond en dan blijken daar overal kleine
vogeltjes rond te loopen, pijlsnel, grijs als muisjes, soms
voortvliegend langs den grond en dan komt er veel wit te zien; dat zijn
de strandpleviertjes.
Zwijgend schiet een dozijn dikkoppige kemphanen voorbij, maar zij
worden nauwelijks opgemerkt, want nu is de lucht vervuld met een wolk
van krijschende sterntjes en meeuwen, alle even boos, en al naar de
nesten, die we naderen, schiet er een op ons neer: een dwergsterntje,
een gewone stern, een zilvergrijze stern, een groote stern of een
zwartkopmeeuw, de een wat vinniger dan de ander, maar alle hunne vrees
overwinnend door de zorg voor het broedsel.
De grond ligt hier vol met nesten en eieren, maar die liggen zoo stil
en zijn hier zoo volkomen op hun plaats, dat een oppervlakkig wandelaar
ze niet opmerkt en er in kan trappen, voor hij ze ziet. Over het
algemeen lijken de eieren van op den grond broedende vogels veel op de
omgeving van zandaanspoelsel, schelpen en grasgewas, maar toch lang
zooveel niet, als iemand die ’t nooit gezien heeft, wel gelooven wil.
Er ontstaan in de literatuur langzamerhand allerlei merkwaardige mythen
over „beschermingskleuren” en het is misschien niet overbodig, hier bij
deze honderden van nesten even te constateeren, dat ten minste in dit
geval van bescherming of verstoppertje spelen geen sprake is.
Ik geloof graag, dat een gewoon toerist, die nog nooit eieren gezocht
heeft, door dat heele broedgebied kan wandelen, zonder één nest te
bespeuren, maar daar staat tegenover dat een gewone Texelsche
schooljongen er misschien niet één zal overslaan.
Zelf zie ik ze in den regel ook wel, wanneer ik er maar in slaag, mijn
aandacht te concentreeren op den bodem en aan niets anders te denken,
dan aan eieren en nesten. Doch zoodra ik in beslag word genomen door
een vraagal van een medewandelaar of wanneer ik verdiept raak in de een
of andere gedachtenreeks, dan ontgaan ze mij bij dozijnen.
Wanneer nu een gewoon belangstellend stedeling een vogelbroedplaats
bezoekt, dan leiden de nieuwe indrukken hem meestal zoo af, dat hij
niet het vierde deel opmerkt, van wat er te zien valt.
Het is dan ook onmogelijk, om bij zoo’n eerste bezoek het oog af te
wenden van het wonderlijk bewegen van al die honderden vogels van
allerlei soort, niet te luisteren naar de velerlei geluiden van angst
en toorn, die de lucht vervullen, niet te geraken tot overpeinzingen
aangaande den rijkdom van het leven en de grootschheid der schepping.
Maar de eierverzamelaar van professie, hetzij mensch of dier, wordt
door dergelijke preoccupaties niet belemmerd. Hij monstert den bodem
met koelen blik; geen kuiltje, geen opeenhoping van schelpjes of gruis
ontgaat zijn aandacht en zelfs de eieren van de dwergstern en van ’t
strandpleviertje, die ’t meest in kleur en tint op den zandgrond
gelijken, worden door hem zonder moeite opgemerkt.
Het ligt voor de hand, dat de befaamde eierroovers, zooals de kraai en
de zilvermeeuw, maar al te gemakkelijk de nesten ontdekken en indien de
sterntjes en zwartkoppen niet over andere verdedigingsmiddelen te
beschikken hadden dan de door de schrijvers zoo vaak misbruikte
beschermingskleur, dan waren zij al lang van den aardbodem verdwenen.
De grondkleur van het sterntjesei wisselt af van zandkleurig lichtgeel
tot donkerblauw, met allerlei tusschentinten van grijs, bruin,
groenachtig grijs, blauwgroen en soms heel mooi kopergroen. Een enkele
maal zijn ze geheel en al ongevlekt, maar meestal vertoonen ze een
alweer sterk afwisselend aantal van duidelijke en minder duidelijke
donkere vlekken, soms bijna tot zwart toe. Nu eens zijn de vlekken vrij
gelijkmatig over de geheele schaal verspreid, dan weer vormen ze een
dichten krans om het stompe gedeelte van het ei. In vorm en grootte
loopen die vlekken weer zeer uiteen, terwijl streepen slechts zelden
worden aangetroffen, ’t meest nog bij eieren van de groote stern.
Nu, al deze zoo uiteenloopende kleuren en teekeningen worden gevonden
bij eieren op éénzelfde stuk grond, ja bij eieren in éénzelfde nest.
Bij de gewone stern vormen drie eieren een voltallig legsel en niet
zelden komt het voor, dat ze alle drie een geheel verschillend type van
kleur en teekening vertoonen.
Men zou zelfs kunnen betwijfelen, of drie zoo verschillende eieren van
een en denzelfden vogel afkomstig waren. Het is lang niet gemakkelijk,
om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, want de vogels nemen het vaak
niet zoo nauw met het mijn en dijn en zien er evenmin tegen op, om een
ei te leggen in een vreemd nest, als een vreemd jong groot te brengen
of vreemde eieren uit te broeden.
Meestal broeden de sterns in groote gezelschappen bijeen, maar nog al
dikwijls vinden we in de veenlandjes en in de duinen geheel
afzonderlijke nesten en het is merkwaardig, dat in deze het drietal of
tweetal eieren tamelijk wel gelijk zijn van kleur en teekening. In de
laatste twee jaren heb ik op dezen regel slechts tweemaal een
uitzondering gevonden.
Het grootste aantal legsels met in kleur verschillende eieren vond ik
twee jaar achtereen op den Hoek van Holland, waar meer dan de helft der
talrijke nesten het verschijnsel vertoonde. Ik neem mij voor, op de
voornaamste broedterreinen hieromtrent nauwkeurige tellingen te
verrichten en ook op andere wijze te onderzoeken of het vermoeden juist
is, dat de sterntjes en vooral de gewone stern, ’t zij uit domheid of
onverschilligheid of met opzet en besef hun eieren deponeeren in een
nest, zonder te weten, of het wel oorspronkelijk hun eigen is. Want die
sterntjes hebben nesten, al zijn zij soms zeer primitief, en een
wandeling door den polder leert alweer dadelijk, dat ook in dit opzicht
deze interessante vogels een groote veelzijdigheid aan den dag leggen.
Maar laat ik eerst even iets vertellen van sterntjesnesten buiten den
polder. Dat was aan den Hoek van Holland, den echten, het driehoekig
eilandje, dat door het graven van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg
van het vaste land is afgesneden. In hoofdzaak is het een stuk duin met
een breed zandig strand, waarvan sommige gedeelten alleen bij hooge
vloeden onderloopen.
Voor zoover dit niet bedekt is met de schoone flora der strandweiden,
ligt het zand er dicht en rul en daar hebben nu in den zomer honderden
sterntjes hun nesten en wel de meest primitieve, die ik ooit aanschouwd
heb, zoo zelfs, dat het bijna geen nesten genoemd kunnen worden.
Het zijn oorspronkelijk kleine kuiltjes in ’t zand. Blijft het lang
droog weer, dan waaien die spoedig dicht, de eieren liggen dan in ’t
zand, ja dikwijls geheel er onder. Zoolang ze niet te diep bedolven
zijn, kan de vogel ze door zijn eigenaardige broedbewegingen—waarover
straks meer—nog wel weer bloot krijgen. Doch dikwijls gebeurt het, dat
bij aanhoudenden wind en vooral, wanneer dan door de een of andere
oorzaak de vogels lang van hun nesten verwijderd blijven, de eieren een
paar centimeter onder den grond komen en dan zijn ze verloren. Want hoe
heet het zand ook op zomerdagen wezen kan, in de diepere lagen en ’s
nachts is het kil en dat is de dood voor de vogelkiem.
In het algemeen kan als regel gelden, dat de eieren gedurende de
bebroeding de temperatuur moeten hebben van een vogellichaam, dus 40 à
42° C. Het kan geen kwaad, wanneer gedurende korten tijd de grens naar
de eene of andere zijde wordt overschreden, maar dat mag niet te lang
duren, vooral niet in ’t midden van de bebroedingsperiode.
Liggen nu de eieren in het droge zand, dan is op heldere zomerdagen de
zonnewarmte al voldoende, om ze op de temperatuur te houden en het is
zelfs de vraag, of op heel heldere en windstille dagen die temperatuur
niet te hoog wordt. Op gewone warme dagen ziet men de sterntjes niet op
de eieren zitten, op zeer warme echter wel en dat is dan niet een
maatregel, om de eieren te verwarmen, maar juist, om ze voor te sterke
verwarming te behoeden. Laat de vogel dat na, dan mislukt het broedsel.
Ook omtrent deze zaak, waar nog weinig op gelet is, zijn nauwkeurige
waarnemingen zeer gewenscht. Het komt er op aan, op een rulle
strandvlakte de sternnesten te observeeren, zonder de vogels te storen,
aanteekening te houden van den tijd (uren en minuten), dat de eieren
bebroed worden, van de temperatuur van de bovenste zandlaag, benevens
de kracht en de richting van den wind.
Ik kan niet dikwijls genoeg herhalen, dat aan dergelijke studie nog
veel te weinig gedaan is. Zelfs de beste vogelboeken geven in hoofdzaak
niet anders dan ellenlange beschrijvingen van het lichaam of liever van
de veeren, van de eieren en van het nest, maar van het leven zelf der
dieren worden slechts enkele algemeenheden verteld. Waar nog al eens
wordt over uitgeweid, dat is hoe je het dier kunt vangen en in gevangen
staat houden. Maar wat heb je nu aan een gevangen vogel? En wat is nu
prettiger: een volière schoon te houden, of dagen lang met een
verrekijker gewapend in ’t zonnige duin te liggen en te letten op
alles, wat daar gebeurt?
De sterntjes in den polder hebben met minder moeilijkheden te kampen,
dan de sterntjes op het strand. De grond is er minder zandig en een
wijs polderbestuur zorgt er voor, dat de waterstand op het gewenschte
peil blijft, zoodat in den regel de nesten niet te lijden hebben van
verstuiving, noch van overstrooming. Alleen bij langdurig windstil
regenachtig weer gaan in polders met windbemaling de velden blank staan
en dan gaat er ontzettend veel vogelleven verloren. Gebeurt de ramp
niet te laat in den broedtijd, dan maken de vogels nog wel een tweede
broedsel, dat dan minder talrijk is dan het eerste.
Het nest krijgt een duidelijken komvorm, in overeenstemming met de
grootte van den vogel. Op de kale vlakte is het kuiltje in ’t geheel
niet bekleed, wel wat men noemt „versierd” met steentjes en schelpjes.
Bevinden de nesten zich op een met gras begroeid gedeelte, dan zijn ze
zelf ook opgebouwd uit dorre sprietjes en vezeltjes en zulk een
sterntjesnest kan dan een vrij grooten omvang hebben.
Deze regels gelden in de eerste plaats voor het gewone sterntje en voor
de zilvergrijze zeezwaluw, het dwergsterntje maakt zijn nest bijna
uitsluitend op de kale vlakte en de groote stern maakt er heel weinig
werk van.
Het versieren van de nesten komt zeer veel voor niet alleen bij de
sterntjes, maar ook bij de pleviertjes. Het is al spraakgebruik
geworden, om te spreken van versierde nesten, maar of hierbij nu wel de
schoonheidszin der vogels te pas komt, dat zou ik niet durven beweren.
Wij zijn licht geneigd, om aan de dieren allerlei menschelijke
drijfveeren toe te kennen en in dit geval kan het haast niet anders.
Die schelpjes liggen zoo aardig om en in het nestje, teekenen zoo
geestig met kleurige stipjes het grauwe zand en brengen het nest zoo
aardig te voorschijn uit den doffen achtergrond, dat wij niet anders
kunnen denken, of dit artistiek effect is te danken aan den artistieken
aanleg van de vogels zelve. Ook herinnert ge u de Australische
priëelvogels, die met schelpen, schitterend gekleurde bloemen en
vruchten, en slakkenhuisjes ware praalgebouwen oprichten met
paradeplaatsen erbij, waar ze zich kunnen verlustigen in hun schoone
gewrochten. Hun nesten zelf evenwel zijn zeer eenvoudig. Doch laat ons
naar onze sterntjes terugkeeren.
Ook hier bestaat weer behoefte aan degelijk onderzoek. De versiering
wordt alleen aangetroffen bij de nesten, die op de kale vlakte liggen.
Missen de sterntjes, die in ’t groene gras nestelen, dus allen
kunstzin? Dat weet ik niet, maar wel, dat ze geen versieringsmateriaal
in den omtrek van hun nest vinden, of liever dat hun versiering bestaat
in de dorre sprietjes en grasjes, die ’t nest zelve vormen.
Want ’t is mij duidelijk gebleken, dat de sterntjes en pleviertjes
alleen versieren met materiaal, dat in de onmiddellijke omgeving van
het nest wordt aangetroffen. In onzen polder Het Noorden had dezen
zomer een dwergsterntje zijn nest nabij een partijtje baksteengruis en
nu had het den rand en den bodem ervan mooi belegd met van die roode
keibrokjes. Het spreekt vanzelf, dat daardoor dit nest—en dat is met al
die versierde nesten het geval—veel beter in ’t oog viel, dus het dier
deed zich, naar ons oordeel, geen voordeel met die versiering.
Op schelprijke plaatsen waren de nesten versierd met schelpen, en wel
van dezelfde soort, als die in den omtrek lagen, soms zoo sterk, dat de
heele nestkom met een schelpenlaag bedekt was. Een enkel nest was zelfs
een schelpenberg geworden, natuurlijk met een kuiltje in den top,
waarin de eieren lagen. Dit nest was wel honderd meter ver te
onderscheiden.
Zeer dikwijls heb ik den indruk gekregen, dat deze zoogenaamde
versiering toch van direct voordeel voor de eieren is en wel dat ze
erdoor behoed worden tegen de vochtigheid van den bodem, en bij
langdurige droogte tegen te groote verhitting door de middagzon, want
natuurlijk geeft zoo’n schelpen- en steentjeslaag een niet te versmaden
gelegenheid voor ventilatie. Intusschen mag niet uit het oog verloren
worden, dat een menigte van sterntjes het zonder die ventilatie weten
te redden.
Mijn vriend Selous maakt een andere veronderstelling. Hij meent, dat de
vogels bij het urenlange stilzitten op de eieren zich doodelijk
vervelen of liever behoefte hebben aan eenige beweging en bezigheid, en
dat ze als het ware vanzelf er toe komen om dan de verplaatsbare
voorwerpen met den snavel te grijpen en weer neer te leggen. Zoodoende
komt dan een kring van dergelijke voorwerpen om het nest te liggen en
het is ook best mogelijk, dat ze hetzij bij ongeluk, hetzij met opzet
in het nest zelf terecht komen.
Zeker is het—ik heb het dikwijls genoeg gezien—dat een broedende vogel,
die zich veilig waant, niet volkomen stil zit. Wel, als hij in gevaar
verkeert; dan zitten de meeste vogels als uit steen gehouwen, maar bij
volkomen rust draaien ze met den kop, rekken den hals, geeuwen een
beetje, happen eens naar een voorbijvliegend insect of verschikken even
vleugels en staart. Dan weer scharrelen ze even aan den nestrand, halen
een sprietje door den snavel en dan maakt het bewegen van den kop, het
heen en weer rukken van het strootje eer den indruk van spel of
tijdverdrijf, dan van zorgvuldig repareeren van den nestrand. Al die
bewegingen zijn te vergelijken met ons onbewust spelen met potlood of
papiersnijder, het trommelen op de ruiten of op de tafel of het
klassieke duimen-draaien. Ik wil graag erkennen dat ik voor Selous’
veronderstelling zeer veel gevoel en niet zal nalaten ook deze zaak
nader en zelfs proefondervindelijk te onderzoeken.
Om een sterntje op het nest te zien zitten, moet men zelf goed
verborgen zijn. In het Noorden maakten wij gebruik van het fort van
Selous, een soort van plaggenkasteel, dat hij gebouwd had nabij een
speelplaats van kemphanen. Het is een kuil van een meter in ’t
vierkant, aan drie zijden omgeven door een wal van plaggen, zoowat een
meter hoog en voorzien van kijkgaten. ’t Was een vrij primitieve
gelegenheid, zeer voor verbetering vatbaar, maar toch uiterst
geriefelijk. Wij hopen in de gelegenheid te zijn, dezen winter het fort
wat bij te werken en uit te breiden en het zoo te maken, dat het in ’t
landschap in ’t geheel niet afsteekt, zoodat de vogels er geen erg in
hebben. Met een drietal dergelijke forten op een uitgestrektheid van
dertig hektaren vogelland kunnen groote veroveringen op ornithologisch
terrein worden bevochten. Natuurlijk klinkt er nooit een schot van de
wallen, maar kijker en camera bestrijken de vlakte naar alle zijden.
Wij gingen nog met groote list te werk, door met ons vijven naar ’t
fort te marcheeren. Ik kroop er in en de vier anderen gingen heen,
begeleid door het rumoerig gezelschap van sterntjes en meeuwen, kluiten
en scholeksters. Nu meenen wij—op welken grond weet ik niet—dat de
vogels niet kunnen tellen. Zij verkeerden derhalve waarschijnlijk in de
meening, dat al hun vijanden aftrokken en toen de rustverstoorders ver
genoeg van ’t gebied verwijderd waren, hervatten de vogels hun gewone
bezigheden.
Welk een verschil! Achtereenvolgens daalden alle vogels neer en binnen
weinig minuten zweefde er nog maar slechts een enkele door de lucht.
Weldra leek de vlakte geheel uitgestorven. Enkele schapen en lammeren
graasden in het ruige gras langs den waterkant. Heel in de verte liep
een eenzame wandelaar op den hoogen zeedijk, waarachter een enkel rood
dak en een smal scheepswimpeltje een aanduiding leverden van de
menschenwereld. De polder zelf leek alleen te behooren aan mij, aan de
schapen en den kouden voorjaarswind, die in den Pinkstertijd aan
Paschen deed denken.
O, als ’t zonnetje had geschenen en ’t windje gewaaid had uit zuid-oost
in plaats van noord-west, dan zou ’t een ander tooneel zijn geweest.
Dan hadden de sterntjes vrijaf gehad, om te vliegen en te spelevaren in
de blauwe lucht. Nu echter zaten ze op de eieren met een volharding en
plichtbesef, het trouwe huishoen waardig. En een enkele, die opvloog,
snelde bedrijvig in een rechte lijn over de vlakte naar weiland of
strand, om voedsel te halen voor den broedenden genoot.
Intusschen was een troep kemphaantjes op hun speelplaats beland en daar
begon het altijd even belangwekkende tournooi, half pantomime, half
tweegevecht, vol beweging, in de diepste stilte, als een strijd van
spoken.
Nu voorzichtig den verrekijker gehanteerd! Zoo’n kijker lijkt soms een
tooverstaf, want ieder plekje grond, dat hij bestrijkt, vertoont
dadelijk teekenen van leven. Hier is het een gezelschap grutto’s en
tureluurs, die staan te visschen in de slijkerige kreek, of
scholeksters met hun lange roode bekken en een enkele kromsnavelige
wulp. Kluiten stappen, met hun snavel maaiend, door ’t slib, en een
groote witte plek wordt een rustende bergeend.
In ’t gras en op ’t zand worden alle witte plekken sterntjes; rechts
achter het fort had ik een vijftal nesten genoteerd en nu vond ik ze
ook behoorlijk bezet met de vogels, broedend met hun kop in den wind,
allemaal zilvergrijze zeezwaluwen, Sterna macrura.
Dat zou nu zonder dien heerlijken verrekijker nooit uit te maken zijn,
want de zilvergrijze zeezwaluw verschilt maar zeer weinig van de gewone
stern, zoo weinig zelfs, dat een leek het belachelijk en overbodig
vindt, om op zulke kleine verschillen twee vogelsoorten aan te nemen,
ieder met haar eigen langen Latijnschen naam. Ook is het niet mogelijk,
de eieren van beide soorten met zekerheid van elkander te
onderscheiden.
Bij de zilvergrijze zeezwaluw is de snavel geheel rood, de gewone stern
heeft een zwarte snavelpunt. Ook heeft de eerste kortere pooten; het
loopbeen is ± 16 m.M., terwijl dat bij de gewone ± 20 m.M. lang is. In
den regel reiken bij de zilvergrijze zeezwaluw in de rusthouding de
staartpunten verder dan de vleugelspitsen, terwijl bij de gewone stern
het omgekeerde het geval is. Eindelijk zijn bij de gewone stern de
borstveeren spierwit met een vleugje van rozerood, terwijl ze bij de
andere soort in ’t parelgrijs trekken. Meestal telt het volledig legsel
van de zilvergrijze zeezwaluw slechts twee eieren.
Ge ziet dat ’t onmogelijk is, om met deze gegevens uit een aantal
rondvliegende sterntjes met eenige zekerheid de gewone van de
zilvergrijze te onderscheiden. Het is dan ook pas eenige jaren geleden,
dat men nog niet eens wist, dat de zilvergrijze zeezwaluw in groot
aantal bij ons te lande broedt, maar nu weten wij, dat ze haast even
algemeen voorkomt als het gewone sterntje. Naar het Noorden toe wordt
het de overheerschende soort, waarom ze ook wel Noordsche zeezwaluw
genoemd is. De Engelschen spreken ook altijd van The Arctic tern.
Het paste dus heelemaal bij het gure noordpoolweer, dat ik daar deze
sterntjes voor mij had. Door den verrekijker was het duidelijk te zien,
dat zij alle volkomen roode snavels hadden. Ook het staartkenmerk bleek
in de vijf gevallen steekhoudend, maar de zilvergrijsheid aan de borst
bleef in ’t onzekere bij al de grijsheid van lucht en wolken.
Zooals ik reeds zeide, zaten ze alle met den kop in den wind, de beste
houding voor stilzittende vogels. Een zat er finaal te slapen met zijn
snavel in de schouderveeren, de andere waren min of meer wakker, maar
’t was niet altijd te zien, of ze de oogen open hadden. Ze bewogen
weinig; nu eens schommelde er een wat heen en weer, een ander pikte
zich even in de borst, maar van schelpjes zoeken of steentjes rapen kon
ik niets gewaar worden.
Twee van de vijf hadden gezelschap. Hun mannetje of wijfje—ze lijken
precies op elkaar—zat vlak naast het nest en heel aardig was ’t om te
zien, hoe zoo’n paar wildebrassen daar nu innigjes stil bij elkander
zaten. Af en toe draaiden ze den kop om, en beet de een den ander even
in de veertjes; zoo iets, wat men in de romans een stillen handdruk
noemt.
Nu zitten ze weer stil bij elkander, maar twee nesten verder gebeurt
weer iets anders. Daar gaat de bijzitter, de genoot, (hoe zal ik dat
individu noemen, daar ik toch niet weet, of ’t het mannetje of ’t
wijfje is?) heen en weer kruipen, de borst tegen den grond drukkend, nu
zelfs ronddraaiend, alsof hij met de zachte veertjes een gat in den
grond wil boren: een echte „broedsche” beweging. De ander kijkt stil
toe, wordt dan langzamerhand onrustig, gaat ook draaien en wiebelen,
staat eindelijk op en nu hebben ze in een ommezien de rollen
verwisseld: de bijzitter van zooeven is snel op de eieren geschoven, de
andere blijft even bij het nest zitten en vliegt dan laag langs den
grond weg naar de kreek, waar ze allen voedsel in overvloed schijnen te
vinden.
In de verte flikkert iets wits heen en weer. Snel den kijker erop
gericht. Het vereischt een handigheid, vlugheid en vastheid, die wel
herinneren aan het hanteeren van het geweer, om vlug en met zekerheid
een voorwerp in ’t veld voor den kijker te krijgen. Sommige menschen
sukkelen daar erg mee, maar met wat oefening kan men ook in dit opzicht
een „nimmer falende juistheid” verkrijgen.
Nu, dat witte bewegende plekje was weer een sterntje, een sterntje in
drift en angst. Het had zijn nest juist aan den rand van de strandwei
en nu was een dom lam al grazende dicht bij de eieren gekomen. Met boos
gekrijsch vloog het vogeltje telkens vlak langs den snoet van het
wollig monster, dat eigenlijk van den aanval niets scheen te bespeuren
en alleen even met den kop schudde, als de stern hem bijna raakte. Al
sneller en sneller herhaalde de vogel zijn charges, totdat hij ten
laatste als een slinger van een snelgaand klokje heen en weer zweefde
voor de oogen van het schaap, dat nu eindelijk al dat bewegen
onaangenaam ging vinden en na een laatste kopschudden met een schokkig
sprongetje rechtsomkeert maakte en toen bedaard in een andere richting
ging grazen. Het was al een oudachtig lam.
Het nest was gered en daar behoorde nu eigenlijk een zegezang bij, maar
zoo poëtisch zijn de sterntjes niet aangelegd. We zullen andere vogels
ontmoeten, die daar wèl toe in staat zijn. Deze stern verliet zelfs het
nest, dat zoo even in groot gevaar had verkeerd en ging naar de kreek,
maar ik vermoed, dat hij onderweg en uit de verte toch nog wel een
oogje in ’t zeil hield. Wat mij het meeste bij dit voorval
interesseerde, was de verregaande onverschilligheid der overige
sterntjes. Toen we zooeven het broedveld betraden, hadden wij de
aanvallen te verduren van de heele armee, honderden sterk. Onze komst
was een gevaar voor allen, elke vogel had reden, om beducht te wezen
voor de veiligheid van zijn nest.
Natuurlijk hadden ze ook alle dat lam gezien. Maar ik houd het ervoor,
dat ieder voor zich precies wist, wat daaraan vast zat, en dat die eene
vogel best in staat zou zijn, om zijn eieren te verdedigen, evengoed
als zij het hun eigen zouden doen, wanneer de viervoeter die te na
kwam.
Een groot vel wit vloeipapier werd door den wind gegrepen en
voortgewenteld over de vlakte. Dat was een nieuw verschijnsel, een
ongekend gevaar, dat alle nesten bedreigde. Met groot geschreeuw kwamen
de sterntjes van alle kanten opzetten, telkens neerflitsend op het
groote ding, dat nu eens sneller, dan weer langzamer voortrolde over de
vlakte en eindelijk aan den rand van den polder verdween, nog altijd
omzwermd door de witte zeezwaluwen. Het kwam daar natuurlijk in het
water terecht en verzonk. De sterntjes keerden bij troepjes terug, nog
altijd wat druk en opgewonden, net als menschen, die van een brand
terugkomen.
Zoo wordt ieder ongewoon bewegend voorwerp onmiddellijk door deze
vogels aangevallen, en dit instinct is bij hen dermate ontwikkeld, dat
zij zelfs buiten den broeitijd er naar handelen. Zeer tot hun nadeel
dikwijls, want de jager, die aangenomen heeft om tienduizend
sterntjeshuiden te leveren aan de dames-hoeden-winkeliers, weet ze op
deze manier in groot aantal onder schot te krijgen. Dit is nog in het
jaar 1906 gebeurd in het Koninkrijk der Nederlanden.
Na het vloeipapier-incident bleef het geruimen tijd kalm. De
kemphaantjes vochten en vertoonden houdingen, andere steltloopers van
allerlei soort zochten voedsel in de kreek of stonden bij troepjes te
dutten aan den oever, de sterntjes zaten op of naast hun nest en een
leeuwerik, een gewone akkerleeuwerik, zat in de kou boven op een
kluitenhoop zijn lied te zingen. Klein gedoe van piepertjes en
pleviertjes maakten korte trippeltochtjes tusschen graspollen en over
schelpplekjes. Maar iemand, die over den dijk liep, zou niet bespeurd
hebben, dat er in den grooten polder geleefd en gestreden werd.
Wat mijzelf betreft, het was zoo goed, alsof ik niet bestond; geen
enkele vogel nam notitie van het grijze hoopje in het fort en de
lammeren kwamen grazen op de wallen. Wel snoven ze achterdochtig, maar
toch toonden ze zoo weinig vrees, dat ik ten slotte bang werd, dat ze
uit pure vertrouwelijkheid boven op mij zouden springen. Hun oogen
trokken al in ’t goudgele; het waren oude lammeren. Dat zal zoo een
kwartiertje geduurd hebben. Toen kwam er weer onrust in den oostelijken
uithoek van het veld, ongeveer een halven kilometer van het fort af:
een uitbarsting van witte vogels. Door de groote afstand was er van
gekrijsch en geschreeuw niet veel te hooren, maar aan ’t dwarrelen en
zweven, rijzen en dalen van de witte vlokken viel duidelijk te zien,
dat er rumor in casa was. En de kijker gaf dadelijk uitleg:
zwartkopmeeuwen en sterns vervolgden een jonge zilvermeeuw.
Nu moet ge weten, dat in een broedkolonie van zwartkoppen nooit jonge
meeuwen worden toegelaten en dat de zilvermeeuw een haast nog erger
eierdief is dan een boerenjongen, dus hadden de kokmeeuwen een dubbele
reden, om die zilvermeeuw aan te vallen. Het ging er heet toe en hoewel
de groote roover met gemak elk afzonderlijk belager had kunnen
vernielen, moest hij toch het veld ruimen. Hij verweerde zich niet,
maar vloog langzaam en recht naar ’t Zuiden, twee honderd meter ver
uitgeleid buiten de landpalen der meeuwen en grootsterns.
Ik was nu ook zoo koud en stijf en slaperig geworden, dat ik mijn
positie in ’t fort moest opgeven, om door vlugge beweging het bloed
weer in circulatie te brengen. Eerst maakten natuurlijk de lammeren van
schrik een luchtsprong en onmiddellijk kreeg ik mijn escorte van
sterntjes. Ik verbeeld mij, maar ge moet het zelf nog maar eens nader
onderzoeken, dat de zilvergrijze zeezwaluwen vinniger en brutaler zijn
dan de gewone vischdiefjes. Er waren er, die echt in de lucht stil
hielden, biddend op de manier van torenvalken, om dan vlak langs mijn
hoofd neer te stooten. Als ze zoo stonden te bidden, waren ze nog al
gemakkelijk in ’t veld van den kijker te krijgen en dan zag ik telkens
een roode snavelpunt. De gewone vischdiefjes vergenoegden zich met
verontwaardigd rond te vliegen en sjirrt, sjirrt te roepen.
Dwergsterntjes kwamen er ook bij en die waren al even vinnig als de
zilvergrijze. Deze dwergsterntjes zijn wel de mooiste van al onze
zwemvogels. Hun lichaam is veel mooier geproportionneerd dan dat van de
andere sterns, de kop is betrekkelijk groot en de gele snavel iets
langer: een zevende deel van de lichaamslengte, terwijl hij bij de
gewone zilvergrijze slechts een tiende deel beslaat. De kop en snavel
geven het kleine vogeltje meteen een bijzonder uiterlijk en daarbij
komt nog, dat de zwarte schedelvlek zich niet uitstrekt tot den
snavelwortel, maar aan het voorhoofd een sikkelvormige witte vlek
openlaat, wat aan ’t gezicht van ’t diertje een uitdrukking van
intelligentie geeft. Daarmee is nu natuurlijk in ’t geheel niet gezegd,
dat de dwergstern een intelligent dier is. Wanneer wij zeggen, dat een
vogel er intelligent, lief, trotsch of dom uitziet, dan beteekent dat
eenvoudig, dat de lijnen en kleuren aan den kop, en de houding van den
kop of de uitdrukking van het oog, ons herinneren aan intelligente,
lieve, trotsche of domme menschen, die wij kennen, en het is zeer goed
mogelijk, dat de vogel in kwestie dan juist tegenovergestelde
kwaliteiten bezit. Jonge duiven geven den indruk van een duivelsche
wreedheid en menige roofvogel krijgt—vooral op hoogen leeftijd—een zeer
goedige uitdrukking op ’t gelaat.
Die dwergsterntjes dan zijn aardige, flinke, vinnige diertjes en ik ben
graag in hun midden, omdat, waar zij wonen, de wereld ruim en rein en
mooi is.
Nu komen nieuwe aanvallers en die konden wel eens raak stooten. Wij
betreden nu ’t terrein, waar zooeven die zilvermeeuw kwam snuffelen en
nu komen de zwartkopmeeuwen op ons af: witte vogels met zilvergrijzen
rug, kleine zwarte vlekjes aan de vleugelpunten en kop en keel gehuld
in een donker kastanjebruine capuchon. De witte staart is niet, zooals
bij de sterntjes, gevorkt, maar ongeveer gelijk recht afgesneden.
Er zijn er een stuk of twintig. Ze vormen in de lucht een dubbele
linie, een meter of vijf schuin boven ons en nu en dan schiet er een
vlak langs ons heen. Boven de meeuwen zweven witte vogels, even groot,
maar met den hals wat slanker en met langere zwarte snavels en
gevorkten staart; dat zijn de groote sterns, de vierde sternsoort, die
hier dit jaar bij uitzondering in dezen polder broedt.
Is het opzet of toeval, dat zij hier broeden in gezelschap van de
kokmeeuwen? Ze zijn later gekomen dan de meeuwen, want die hebben al
jongen en zij nog maar alleen eieren. Ze profiteeren van hun buren,
want deze zijn het, die met alle macht dit hoekje grond verdedigen
tegen indringers. Ook nu doen de zwartkopmeeuwen al het werk, terwijl
de sterns tamelijk kalm in de hoogte rondvliegen.
Dat is anders hun gewoonte niet. Waar zij in grooter aantal aanwezig
zijn, zooals op Schouwen en Rottum, gaan ook zij de indringers
behoorlijk te lijf. Maar ’t schijnt, alsof de leden van deze kolonie
zich hier vreemd voelen en niet durven op te treden met de brutaliteit
en onverschrokkenheid van, laat ik maar zeggen, werkelijk
rechthebbenden. Hun groote, duidelijk zichtbare eieren, lichtgrijs met
donkere vlekken, liggen vlak bij elkander in twee groepjes in het hooge
gras, zonder eenige poging tot vermommen of verbergen. Elders worden ze
ook wel op ’t barre zand gevonden tusschen schelpen en steengruis, en
dan vallen ze natuurlijk weer minder in ’t oog.
Er is wel eens verteld en nog al door auteurs, die op zeer goede
gronden het vertrouwen van het publiek bezitten, dat de sterns, wanneer
ze hun eieren in ’t gras leggen, daar eerst een voorraad steentjes en
schelpen deponeeren om zoodoende, waar ’t ei van zelf niet harmonieert
met de omgeving, de omgeving te doen harmonieeren met het ei.
Zoo iets is natuurlijk prachtig, om te vertellen op een nutsvoordracht
of in de dierkundeles. En de menschen, die het lezen, hetzij in het
boek zelf, hetzij in een of ander Zondagsblad, of op de laatste pagina
van een tijdschrift, zetten groote oogen op en zeggen: wel heb ik van
mijn leven, wat is de natuur toch schoon! Jammer maar, dat er geen
letter van waar is en dat er geen enkele vogel bestaat, die tot
dergelijke philosophische overwegingen en listige maatregelen in staat
geacht kan worden.
In dezen tijd, nu er over het natuurleven zooveel gepraat en geschreven
wordt, behoort ook het goedige publiek op zijn hoede te zijn, want daar
is veel marktgeschreeuw en kwakzalverij bij. Wij, nuchtere Hollanders,
houden ons nog tamelijk goed, maar Amerikanen, Engelschen en Duitschers
zijn geducht aan ’t fantaseeren geweest en ik raad u aan, hun
beweringen slechts met het noodige wantrouwen te aanvaarden. Ook moogt
ge gerust die houding aannemen tegenover mijn geschrijf, dat ten slotte
toch alleen de bedoeling heeft, om u op te wekken, zelf eens naar de
vogels te gaan zien en vindt ge dan iets, dat met mijn mededeelingen in
strijd is, dan zal niemand zich daar meer over verheugen dan ikzelf,
want dan zijn we weer een stap nader tot de waarheid.
Vergeef mij die uitweiding, maar die steentjes en schelpen zaten mij
dwars in de maag. Wij willen nu tot onze vogels terugkeeren.
Het gaat met deze groote sterns niet al te best. De wetenschap kent ze
pas sedert honderd vijfentwintig jaar, maar dit tijdperk is toch al
lang genoeg geweest, om te constateeren, dat in ’t Noordzee-gebied deze
stern in aantal afneemt.
Op onze Noordzee-eilanden broedden zij vroeger bij millioenen. Op Texel
droeg de vogel zelfs een bijzonderen naam: „kaugek”, maar een jaar of
tien geleden was die naam voor de allermeeste Texelaars een onbekend
woord en de vogel zagen zij zelden of nooit. Toch heeft dat woord
fortuin gemaakt, want in de Faune des Vertébrés de la Suisse van Fatio
komt het heel deftig voor als Zwitsersche volksnaam; hij spreekt van
Sterna Cantiaca als Hirondelle de mer Caujek en Caujek tout court wordt
opgegeven als de nom vulgaire te Genève. Het is voor ons Texelaars
natuurlijk een groote voldoening, dat onze taal doordringt tot aan de
oevers van de Rhône.
Maar met dat al waren wij onze vogels kwijt, totdat opeens in het
voorjaar van 1906 eene kleine kolonie zich kwam vestigen in den polder
Het Noorden. Een veertigtal paren namen bezit van een paar
graspolletjes in een uithoek, waar ook zwartkopmeeuwen hun groote
nesten hadden gebouwd. De mooie groote eieren lagen er dicht op elkaar,
duidelijk te zien. Ze riepen als ’t ware om den eierzoeker.
Doch gelukkig wint het denkbeeld van vogelbescherming al meer en meer
veld. Al wordt er van hooger hand nog zoo goed als niets aan gedaan,
hier in den verlaten uithoek traden een paar vogelvrienden op; een
schoolmeester en een boer sloegen bij de nesten een paar bordjes in den
grond, waarop zij schreven: „Men wordt beleefd verzocht, deze nesten
niet te verstoren en op deze plek niet te lang te vertoeven.”
Ik heb in mijn leven al voor heel wat borden met „Verboden toegang”
gestaan en min of meer respect gevoeld voor de dreigementen der wet,
maar nooit met zooveel eerbied, sympathie en ontzag als hier voor deze
eenvoudige plankjes, geplaatst door menschen, die niet eens er het
recht toe hadden en in ieder geval de macht misten, om een overtreding
te wraken.
Laat ik er bij voegen, dat geen menschenhand die nesten verstoord
heeft. Maar een boer heeft ’t grasgewas van dat stuk polder gepacht,
zijn koeien erop gejaagd en die hebben toen al de eieren van de groote
sterns vertrapt.
Ze zijn in volgende jaren daar niet weer verschenen.
Meer dan de gewone en de zilvergrijze stern is de groote stern een
echte zeevogel. Hij vischt meestal op zee. Zijn krachtige lichaamsbouw
en lange, zwarte, geelgepunte snavel maken hem op grooten afstand reeds
gemakkelijk kenbaar. Wanneer ze bij of op de nesten zitten, dan zijn ze
te herkennen niet alleen aan ’t groote aantal dicht opeen, maar vooral
aan ’t verwaaide uiterlijk van hun koppen.
De zwarte veeren van schedel en nek zijn lang en staan wat uit. Zij
vormen niet een mooi glad afgerond schedelkapje en nekkleed, zooals bij
de kleinere soorten, maar de veeren staan losuit, alsof een
eeuwigdurende storm door den koptooi suist.
Gij weet, hoe pijnboomen groeien op het door den zeewind geteisterd
duin. Zelfs bij zacht en windstil zomerweer zien ze er uit, alsof ze
gebeukt worden door Novembervlagen. Zoo is het ook met de nekveeren van
de groote stern: ze doen altijd denken aan Noord-Atlantisch stormweer.
De zwarte snavel en donkere pooten geven dezen vogel ook iets sombers
en doen hem duidelijk verschillen van de andere sterntjes met hun
vroolijk rood of oranje aan snavel en pooten. Onze Texelsche groote
sterns van 1906 waren nog al bedeesd in hun optreden; het was hun aan
te zien, dat ze zich in de nieuwe vestiging nog lang niet te huis
gevoelden en daar alleen waren bij de gratie van de zwartkopmeeuwen.
Maar op de plaatsen, waar ze oudere rechten hebben, zooals op Rottum en
op Schouwen, treden ze op met meer beslistheid en ontvangen zij de
indringers met woest geschreeuw, met dreigende aanvallen en versmaden
zij ook de werpwapens niet, die hier in ’t Noorden nog al eens met
succes door de zilvergrijze zeezwaluwen worden gehanteerd.
De nesten van de zwartkopmeeuwen op ditzelfde schiereiland waren geheel
gebouwd van dor gras, groote bouwsels, twee of drie decimeter hoog en
met een middellijn van vier tot zes decimeter. In enkele lagen nog drie
eieren, in andere evenwel een, twee, of drie jongen in bruingrijs,
zwartgevlekt jeugddons. De meeste eieren bleken aangepikt en dat
verklaarde het woest gedrag der ouden, die onophoudelijk schreeuwden en
af en toe een woeste charge deden op onze hoofden. Wel is waar was het
nimmer raak, maar ’t ziet er toch gevaarlijk genoeg uit, als zoo’n
mooie sterke vogel in volle vaart op je af komt, de spitse snavel recht
vooruit gericht en de pooten gereed om toe te slaan. Want een kokmeeuw
verstaat de kunst, om met zijn pooten tikken uit te deelen.
In vijf, zes nesten waren de jongen bezig uit te komen. Dat uitkomen is
voor de kleine kuikentjes de eerste, groote, ernstige levensbezigheid.
Het is heusch geen kleinigheid en dat moet zonder hulp gebeuren, want
de ouden stellen er wel veel belang in, maar denken er niet aan, om een
handje te helpen en de dikke eierschaal stuk te pikken. Soms ook gaan
ze heel koelbloedig er van door, zonder zich om ’t worstelend jong te
bekommeren en zoo heb ik het wel eens gezien, dat in een heel groote
duinvallei een jong heel alleen bezig was, om zich uit zijn kalkkerker
te bevrijden.
Wij zullen wel nooit precies weten, hoe dat jong er toe komt, om de
schaal aan te pikken. Het is zijn eerste instinctmatige beweging.
Naarmate het kuikentje zich ontwikkelt, vult het den heelen dop, het
ligt ineengevouwen en saamgebogen op de wonderlijkste manier, maar toch
zoo, dat de kop met den snavel net terechtkomen in de luchtruimte, die
zich binnen in elk ei bevindt.
Op den top van den bovensnavel ontwikkelt zich een hard tandvormig
uitsteeksel, dat juist de schaal raakt en wanneer nu het jong volwassen
is en zich even beweegt, dan boort die eitand juist door de eierschaal
heen: het ei is aangepikt. Onmiddellijk trekt het vogeltje den kop weer
in, strekt daarna den hals en nu treft de eitand weer de schaal, maar
nu een kleinigheidje van een millimeter hooger op, zoodat het gaatje
iets, al is het nauw merkbaar, grooter wordt.
En nu blijft die instinctmatige beweging voortduren met de
regelmatigheid van een machine, in een langzaam tempo met kleine
schokbewegingen. Het ivoren bijltje gaat onophoudelijk heen en weer,
het vogeltje begeleidt zijn werk met opgewonden gepiep, de oude
schreeuwen hoog in de lucht, de scheur in de schaal wordt al wijder en
wijder, een stukje brokkelt af, de schaal splijt en het jonge wezentje
is op de wereld, nat en slordig en doodelijk vermoeid. Hijgend blijft
het liggen tusschen de brokken eierdop.
Het is niet goed, nu bij het nest te blijven, want meer dan ooit heeft
thans het jong de zorg der ouden noodig. In dit opzicht verschillen de
meeuwen en sterntjes weinig van de zangvogels, die nog hulpeloozer
zijn, wanneer zij ter wereld komen, terwijl, zooals wij weten, bij
sommige hoenderachtige vogels en steltloopers het jong al dadelijk
vrijwel zelfstandig is.
Maar dit meeuwenjong moet door zijn ouders verwarmd en gedroogd worden.
Het is of de oude vogel in den eersten tijd voor het jong nog meer zorg
heeft, dan voor de eieren en nog dagen, weken later wordt het van tijd
tot tijd onder de beschermende vleugels genomen. Zelfs wanneer het
jonge dier reeds plompverloren van ’t nest is afgestapt en
rondscharrelt over de vlakte, weet de bezorgde moeder het nog te
vinden.
Niets is aardiger, dan zoo’n groote vlakte vol jonge sterntjes en
meeuwen. Ze houden er niet van, om in ’t nest te blijven, dat doen ze
hoogstens een dag of zes. Al heel spoedig gaan ze rondwandelen op hun
loodkleurige of geelachtige zwempootjes, maar er is nog geen sprake
van, dat zij in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.
Den heelen dag vliegen dan ook over de vlakte volwassen sterntjes en
meeuwen af en aan met voedsel—meest kleine vischjes—en zoodra ze nu
maar een jong zien, dan leggen ze dat vischje bij hem neer of laten het
naast hem neervallen. Ik geloof niet—maar gij behoeft mij niet te
gelooven—dat de ouden dan wel weten, of ze hun eigen jong verzorgen.
En wanneer het guur of regenachtig weer is, dan ziet ge hier en daar
een stern uit de lucht neervallen om een jong eventjes te verwarmen,
soms een kwartier lang, soms maar eenige oogenblikken en
onweerstaanbaar dringt zich daarbij de gedachte op, dat die vogel zoo
niet handelt uit medelijden met het jonge dier, maar om het genoegen
van het bebroeden zelf, of zoo ge dat liever wilt, om te voldoen aan
zijn bebroedingsinstinct.
Eens, dat was aan den Hoek van Holland, heb ik een gewoon sterntje zien
zitten op een dood jong.
Het schijnt, dat de oude meeuwen en sterns liever zien, dat de jongen
wat langer in of op het nest blijven. Ze probeeren ten minste de
jongelui weer terug te brengen in de woning, maar geven dat na een
gevecht van een halven dag in vredesnaam maar op.
De jonge meeuwen zijn nog het minst onhandelbaar en dat is maar goed
ook, want die komen vaak ter wereld op plaatsen en onder
omstandigheden, waar afdwalingen van den goeden weg hun niet anders dan
zeer noodlottig zouden kunnen worden.
Er is namelijk geen een vogel, die op zoo velerlei manieren zijn nest
bouwt, als de zwartkopmeeuw. Hier in den polder heeft hij vrij groote
kussens van dor gras gebouwd op de groene graspollen in de slijkvlakte.
Een andere, talrijker kolonie echter aan het Kil, een rietplas midden
in Texel, had nesten van een halven meter hoog, opgestapeld en
opgebouwd uit dorre rietstengels. Vlak daarbij had een excentrieke
zwartkop zijn legsel gedeponeerd zonder eenige poging om een nest te
maken, midden in het vochtige grasveld en de kroon op ’t werk gezet,
door in plaats van drie eieren, er vier te leggen, zoodat zijn
huishouding volkomen den indruk maakte van die van de kievit. In het
Naardermeer vonden we een heel hoog nest, mooi opgeworpen tegen een
reusachtigen waterscheerling op een slijk-eilandje, een ander formeel
in een lagen elzenstronk en weer een paar andere klein, nietig en broos
op drijvende massa’s van lischdodden en rietstengels, precies zooals de
zwarte stern zijn nest maakt.
Een veelzijdigheid, om de samenstellers van handboeken wanhopig te
maken!
Trouwens in zijne geheele doen legt de zwartkopmeeuw een groote
plooibaarheid aan den dag, en juist daardoor is hij een allerdankbaarst
studie-object.
Dat hij zich voornamelijk met insecten voedt, meer een landvogel dan
een watervogel en dan weer eerder zoetwaterdier dan zeedier is, wordt
tegenwoordig al met zooveel nadruk in boeken en artikelen verteld, dat
het alweer geen kwaad kan, om heel eventjes tegen overdrijving te
waarschuwen. Ik heb hem tenminste nog al eens dikwijls op zee visschend
aangetroffen: op Texel en Terschelling als getijvisscher, langs de
Zuiderzee als stormvisscher.
Wandel maar eens met een stevigen Noordwestenwind langs den
Zuiderzeedijk van Amsterdam naar Muiderberg, dan zult ge op verscheiden
plaatsen heele kolommen van zwartkopmeeuwen aantreffen, staande met den
kop in den wind en loerend op de kleine vischjes, die door het woelige
water tegen den dijk worden gedreven. Dit is eigenlijk sterntjeswerk,
maar soms zijn er in die troepen meer meeuwen dan sterntjes.
Ook zal ik nooit vergeten, hoe ik op het IJ een zwartkopmeeuw een
paling zag vangen. Hij slikte hem al vliegende in, dat leek geen
gemakkelijk werkje.
Op de getijstroomen en riviermonden, is hij dikwijls bezig aan den rand
van draaikolken en ook langs het strand kunt ge, althans in den
nazomer, de zwartkopmeeuwen dikwijls genoeg visschend en rondzwemmend
aantreffen op en tusschen de zandbanken.
Maar het kan niet ontkend worden, dat in hoofdzaak deze meeuw thuis
hoort op het land en dat er wellicht duizenden en duizenden nimmer de
zee te zien krijgen, n.l. die nestelen aan de groote meren in
Midden-Europa.
Op het weiland en de akkers zijn de zwartkopmeeuwen volkomen de
gelijken van roeken en kraaien. Ze stappen niet alleen achter den ploeg
aan, maar bewerken den grond ook zonder de hulp van het kouter. In den
regel gaan ze daarbij gezellig te werk, maar ik heb het ook wel eens
gezien, dat een enkele eenzame meeuw een boonenveldje voor zijn
rekening nam en daar dag aan dag tegen den avond een paar uur kwam
werken. Wij hadden er plezier in, zoo geregeld als dat dier in zijn
tuin verscheen. Hij duldde er volstrekt geen hulp van anderen en had
groote altercaties met een jonge kievit, die ook een onverklaarbare
voorkeur voor dat terreintje vertoonde.
In de weiden werken ze even hard als de spreeuwen, al loopen ze niet
zoo bedrijvig met zooveel vertoon van organisatie en harden arbeid. Ge
kent dat wel. Die spreeuwen werken een hoekje weiland af, en slieren
dan opeens met heesch geschreeuw naar een andere plek, waar ze tien
minuten rondpikken, om dan weer met hun stijve exerceerbewegingen naar
een nieuwe plek te trekken.
Maar de meeuwtjes vervullen het heele weiland met hun liefelijke
tegenwoordigheid. Hier trippelt er een, ginds nog een paar en overal in
’t groene gras komen de rein witte lijfjes te voorschijn. Soms vliegt
er eentje met langzame vleugelslag laag over de bloemen een paar meter
verder en als ze allen behoorlijk hun taak hebben verricht (hun honger
gestild) dan komen ze schijnbaar onopzettelijk en heel langzamerhand
bijeen op een plek midden in ’t land, waar ze nu uren lang blijven
zitten, of liever staan op één poot. Ze dutten niet bepaald, neen, soms
loopt er één vrij snel door de menigte, een paar anderen strijken
elkaar de veertjes glad of heffen even hun witte vleugels omhoog, een
ander geeuwt even of krabt zich achter ’t oor en als de rust lang
genoeg geduurd heeft, dan vliegen ze kalmpjes op. Eerst laag over de
bloemen, dan hooger en hooger, langs spiraallijnen door elkaar kringend
tot ze hoog genoeg zijn, om hun slaapplaats te zien: een van de wijde
plassen, waaraan in Holland nog geen gebrek is.
Een ander tafereel. De wijkende zomer heeft voor het laatst van
Augustus een paar van zijn mooiste dagen bewaard. Heet brandt de zon op
de jonge roode blaadjes van het Sint Janslot der eiken, op gelende oude
bladeren van de abeelen. Het is in den ruitijd, de vogels zijn stil,
maar het leger der insecten ontwikkelt zijn grootste activiteit. Wespen
gonzen bij dozijnen het nest in en uit; de roode bloempjes van het
radijsboompje en de witte trossen van de late liguster zijn één gezoem
van bijen en hommels.
Hoog in de lucht zweven opeens een twintigtal meeuwen. Die worden
anders zelden gezien, midden in deze boschstreek. Ze vliegen hoog, nu
eens in een rij achter elkander—als een eskader van witte
oorlogsschepen—dan weer opeens in een ongeregelden troep, vol grillige
verandering. Telkens daalt of rijst of keert er een met plotselingen
schok, maar de heele bende blijft toch een geheel vormen en het
resultaat van al hun beweeg is, dat zij langzaam, uiterst langzaam, in
Noordwestelijke richting wegdrijven.
De verrekijker brengt nadere opheldering. Het is duidelijk, dat de
meeuwen daar op jacht zijn; ze vervolgen een kleine vliegende prooi.
Telkens happen de snelle snavels, de vleugels kleppen vlug of zijn
strak uitgespreid, al naar de flauwe wind helpt, of zijn steun ontzegt.
En ’t mooist van alles zijn de onvergelijkelijk gladde rem- en
stuurbewegingen van den witten waaierstaart of van de roode pooten.
Dat is een lust, om hoog in de lucht in ’t heldere zonlicht die meeuwen
te zien sturen met hun pootjes. In ’t wit en blauw van vogel en lucht
gloort opeens het helder rood van de zwemvliezen van één poot, rechter
of linker, die uit zijn achterwaarts gestrekten stand omlaag wordt
gestoken, om met een roeiriembeweging het blanke scheepje zijn draai te
doen volvoeren. Ik kan den kijker niet van de dieren afwenden en wacht
met steeds grooter wordend genoegen op elke nieuwe roode opflikkering.
En wat jagen ze nu? Er is een ijl, grauw wolkje, dat naar beneden toe
smaller en duidelijker wordt, trechtervormig toeloopt en met veel
lichtjes eindelijk terechtkomt in mijn eigen tuin, in ’t grasveld. Daar
woelt en warrelt het in de grassprietjes, honderden en honderden
gevleugelde mieren, dikke wijfjes en slanke mannetjes, komen uit den
grond gekropen, klauteren tegen de grassprietjes op, lanceeren zich met
zacht geruisch van hun lange zijdeachtige wieken in de lucht en stijgen
omhoog, om bruiloft te vieren, of om een prooi te worden van de vogels.
De meeuwen zijn op de mierenjacht!
Het droomerige zomerweer, de stille bewegingen van de miertjes, de
hoogblauwe hemel en de gemakkelijke langzaamheid van de meeuwentroep
geven aan dit moordtooneel heel geen schrikwekkend aanzien.
Maar anders was het op een Julimorgen bij Muiderberg. Daar maakten in
de luwte van den zeedijk veel groote libellen jacht op vliegen en
vlinders. Als blinkende kleurige schichten schoten ze bij twintigtallen
door de lucht, met zonneglans op de strakke gaasvleugels en op de
gemoireerde groote oogen. Stil kwamen zes zwartkopmeeuwen uit zee,
flusjes over den zeedijk heen en die schoten nu met nog woester vaart
door de wilde libellenvlucht heen, zoodat ze naar alle kanten
verschrikt uiteenstoven.
Maar iedere meeuw had zijn prooi beet. Wie ooit libellen gejaagd heeft,
kan beseffen, tot welk een hooge trap van volmaaktheid die meeuwen het
als insectenvangers gebracht hebben.
In beide gevallen, mierenjacht en libellen-aanval, waren het
zwartkopmeeuwen met zwarte koppen en zwarten staartzoom, jonge,
eenjarige vogels, die volgens den adat der kokmeeuwen nog geen gezin
mogen stichten en dus den heelen zomer niets te doen hebben, dan in de
wereld rond te zien. Ze zijn dan in hun leer- en zwerfjaar.
Ook de sterntjes zijn goede insectenvangers, daar heb ik veel aardige
dingen van gezien.
Op een kouden Meiavond kort voor zonsondergang heb ik ze bezig gezien
in een hooiland achter een elzebosch. Een zestal gewone vischdiefjes
vlogen loerend rond, een meter of tien boven den grond, langzaam tegen
den wind in. Soms stonden ze stil, met roerloos uitgespreide vleugels,
maar meestal hielden ze zich op één plek door middel van snelle
vleugelslagen, die mooie vliegbeweging, die men „bidden” noemt.
De fijne roode snavel wees loodrecht naar beneden, de bruine oogjes
tuurden en tuurden en opeens schoot het witte dier neer in ’t gras,
onmiddellijk weer opstijgend met een vrij groot insect in den bek: een
grijzen sprinkhaan; daar wemelde het van in dat veldje.
In twee, drie happen was het dier verslonden en onmiddellijk begon de
jacht opnieuw. In een half uur schoten ze drie-en-veertig maal neer
en—zooals het beroemde signaalvers van de tirailleurs-afdeeling
zegt—altijd was het raak. Nu weet ge, hoe nadeelig sprinkhanen zijn
voor het grasgewas en ik kan dus de gevolgtrekking ten gunste van de
sterntjes gerust aan u overlaten.
Ze kunnen niet goed genoeg loopen, om op de manier van roeken en
meeuwen te werken voor landbouw en houtteelt, maar toch worden ze vaak
gezien bij ’t ploegen, niet stappend over de kluiten, doch zwevend in
de lucht. En dan kunnen ze met verbazingwekkende juistheid neerschieten
langs de versche voor, om de opgewoelde larven en wormen te
bemachtigen. Ook heb ik een stern gezien, die zat op een hek in het
land en schoot dan van tijd tot tijd neer om insecten te vangen, juist
zooals een klauwier of een grauwe vliegenvanger zou doen. Dat ze uit de
rusthouding ook visch vangen, kunt ge overal waarnemen, waar palen
staan in vischrijk water.
In alle gevallen, dat ik sterntjes heb aangetroffen bij de
insectenvangst, werd de prooi dadelijk verslonden en op de
broedplaatsen heb ik niet kunnen constateeren, dat de jongen met
insecten gevoed werden. Het nieuwerwetsche menu is dus waarschijnlijk
alleen voor eigen gebruik.
De rol van insectenvanger schijnt voor de sterntjes betrekkelijk nieuw
te zijn, althans in de meeste vogelboeken vindt men er geen gewag van
gemaakt. Het is nogal van belang, dat een dier zijn gewoonten
verandert; daar hangen weer allerlei kwesties van verstand, instinct en
erfelijkheid mee samen. De sterntjes en meeuwen vertoonen groote
veranderlijkheid in hun broedgewoonten en voeding en vormen daardoor
een voor de wetenschap hoogst belangrijke vogelgroep.
De mierenvangende zwartkopmeeuwen waren alle éénjarige vrijgezellen,
zieltjes zonder zorg, die overal rondzwerven en in dat eene jaar
misschien meer van de wereld zien dan gedurende de rest van hun lange
meeuwenleven.
Hoe oud wordt een meeuw? Ik zou het niet met zekerheid kunnen zeggen,
maar schat het tusschen de vijftien en twintig jaar. Alleen gedurende
de eerste twee levensjaren kan met eenige nauwkeurigheid hun leeftijd
worden vastgesteld, al wat er verder volgt behoort tot de „onzekere”
jaren.
In de eerste dagen is het jong gehuld in zijn nestkleed, dat geheel uit
donsveertjes bestaat. Het is dan een zacht ruig balletje, bruin geel
met donkere vlekken, de onderzijde lichter van kleur. Al dat jonge goed
lijkt wel veel op elkander; de meeuwtjes en sterntjes zijn van de
overige jeugdige polderbewoners te onderscheiden aan hun tamelijk korte
pooten, voorzien van zwemvliezen. De donsmeeuw is wat donkerder dan de
donsstern, vooral aan voorhoofd en keel.
De eitand blijft zelden langer aanwezig dan tot den derden dag, op onze
foto van jonge kokmeeuwen is hij nog aanwezig bij het linker vogeltje.
Op de foto’s van ’t dwergsterntje en de groote stern is er niets meer
van te zien.
Nu worden de donsveertjes van rug en schouders gaandeweg vervangen door
echte dekveeren (zie de foto van dwergstern-jongen) tegelijk beginnen
de slag- en stuurpennen te groeien en ongeveer vier weken na het
uitkomen van ’t ei kan de jonge meeuw vliegen. Gedurende al dien tijd
is hij door zijn ouders beschermd en gevoed.
Hij draagt nu zijn eerste jeugdkleed. Van ’t zuigelingenpak heeft hij
nog eenige donsveertjes over gehouden, die pluizig boven den schedel
uitsteken. De schedel zelf heeft geelachtig witte dekveeren, een zwarte
vlek voor ’t oog, een zwarte vlek in de oorstreek en een donkere streep
dwars over den kop heen. De veertjes van den bovenrug, de
vleugeldekveeren en de schouderveeren zijn bruin met roestgele randen;
keel en zijden zijn vuil wit. Het prachtige meeuwenblauw en ’t reine
wit, dat den volwassen vogel zal kenmerken, wordt in dit tijdperk
alleen aangetroffen aan ’t onderste deel van den rug en aan ’t
achterdeel van de buikzijde. De staart is wit met een zwarten zoom,
maar buiten aan den zwarten zoom is weer een smal wit randje. De snavel
is vleeschkleurig en de pooten roodachtig grijs.
Na een dag of veertien komt in dit kleed weer verandering doordat de
donsveertjes aan den kop geheel verdwijnen en de bruin gevlekte veeren
van bovenrug en schouders vervangen worden door meeuwenblauw. Maar de
vleugeldekveeren blijven bruingevlekt. De onderzijde wordt zoo goed als
wit en de snavel en pooten trekken beslist in ’t roodachtige.
Zoo blijven ze den heelen winter. De oudere meeuwen krijgen soms reeds
in Januari zwarte of liever bruine koppen en met Maart zijn die allen
gereed om naar de broedplaatsen te trekken. Die kleurverandering van
den kokmeeuwkop werd langen tijd beschouwd een der meest raadselachtige
voorvallen uit het vogelleven. Thans echter weten wij, dat het niets
anders is dan een zeer langzame rui. Een voor een vallen de witte
veertjes uit, om vervangen te worden door donkerbruine.
Bij de jonge meeuwen geschiedt deze kleurverandering pas in Juni of
zelfs in Juli. De staart heeft nog den zwarten zoom en daaraan zijn ze
dan in dit kleed te herkennen.
Ze mogen zich echter niet lang verheugen in hun chocola-bruinen
hoofdtooi, want reeds in Augustus, een maand, voordat de ouden
verkleuren, vallen de bruine veertjes uit, om vervangen te worden door
witte. Ook de met zwart omzoomde staartveeren worden door geheel witte
vervangen en zoo heeft dan onze jonge vriend zijn eerste volkomen
winterkleed gekregen. Alleen de donkere streep, die over den schedel
heen de beide zwarte oorvlekken met elkander verbindt, kenmerkt hem nog
als een melkmuil.
Ik houd er van, om in ’t laatst van Augustus of begin van September op
een drukke meeuwenplek te staan aan de De Ruyterkade te Amsterdam en
ben er dan tamelijk zeker van, kokmeeuwtjes te zien in allerlei
kleedage. Ik zal even opsommen, zooals ik ze zag op 3 September 1906.
1o. Enkele jonge vogels, afkomstig van late broedsels, nog in het
eerste jeugdkleed. (Onzuiver gekleurde kop en keel, snavel met zwarte
punt, bruingevlekte rug en schouderveeren), waarschijnlijk geboren Juli
1906.
2o. Zeer veel jonge vogels in ’t tweede jeugdkleed (kop en keel wit,
snavel met zwarte punt, rug en schouders blauwgrijs, vleugeldekveeren
bruingevlekt, staart met zwarten zoom); geboren Juni 1906.
3o. Een enkele jonge vogel nog in ’t eerste zomerkleed (chocola-bruine
kop, zwarten staartzoom) geboren 1905.
4o. Eenige oude vogels, nog in ’t volkomen zomerkleed (kop bruin,
staart geheel wit) geboren 1904 of eerder.
5o. Jonge vogels, reeds in ’t eerste volwassen winterkleed (kop wit met
donkeren achterhoofdsband, staart geheel wit) geboren 1904.
6o. Een enkele oude vogel in volkomen winterkleed, (als 5 maar de kop
geheel zuiver wit, behalve natuurlijk de zwarte oorvlek).
Het is mij meer dan eens gelukt, om al deze vormen in den loop van een
enkele wandeling te ontmoeten. Het is in ’t najaar gemakkelijk genoeg,
om de vogels van dichtbij te zien, want zoo driest en haatdragend ze in
den broedtijd waren, zoo onverschillig zijn ze nu. Dezelfde vogels, die
in het voorjaar door de aanwezigheid van den mensch geprikkeld werden
tot de heftigste gemoedsuitingen, bewegen zich in het najaar en in den
winter kalm te midden van het gedruisch eener wereldstad en komen zelfs
onbevreesd voedsel aannemen uit de handen van hun aartsvijand.
De gewoonte van de kokmeeuwen, om te overwinteren in of nabij de groòte
steden, is nog van jongen datum. Amsterdam bezoeken ze sinds
betrekkelijk vrij langen tijd, want Schlegel maakt er reeds melding van
in 1862. In Hamburg vertoonden zij zich eerst in 1891 in groot aantal,
in Luzern en Genève daarentegen overwinteren zij sinds eeuwen.
De sterntjes trekken nog altijd in het najaar naar ’t zuiden, maar ’t
schijnt, alsof zij den datum van hun vertrek al meer en meer
verschuiven en alsof sommige stoute geesten onder hen ’t willen
probeeren, den winter hier door te brengen. Ik heb tenminste sterntjes
gezien tot in November.
De trek der sterntjes begint al in Juli. Dan verlaten de jonge vogels
hun broedterrein en ze vereenigen zich aan het strand tot groote
vluchten. Dan zitten sommige vogels nog te broeden, vooral in
noordelijker en oostelijker streken. Op Terschelling vonden wij op 18
Augustus nog een sterntjesnest met 3 eieren.
Nu is het een regel, dat vreemde jonge vogels door hun broedende
soortgenooten niet geduld worden. Vooral de meeuwen zijn daar zeer
streng in. De jonge rondzwervende vogels worden dus als ’t ware vanzelf
genoodzaakt, om naar ’t zuiden en westen te trekken en zoo zien we dan
ook gedurende de maanden Juli en Augustus groote troepen jonge
sterntjes langs onze kust langzaam afzakken naar het Zuiden. Dat gaat
zoo langzaam en geleidelijk, dat een liefhebber zich bij hen zou kunnen
aansluiten.
Soms houden ze zich dagen lang op een plaats op en dan komen er steeds
nieuwe bij, zoodat het leger aangroeit tot duizenden. In Augustus 1902
bezocht ik drie dagen achtereen de zuidelijkste uithoek van Texel, de
groote vlakte aan De Hors bij Onrust. Het was daar een echt
hoofdkwartier van sterntjes, die als een witte wolk in de lucht
zweefden of als een wit laken het strand bedekten, rij aan rij, alle
met den kop naar de zee.
Deze armee bestond uit verschillende afdeelingen, alle soorten waren
vertegenwoordigd; groote, zilvergrijze, gewone, kleine en zelfs een
weinig talrijke afdeeling van zwarte sterntjes. Tijdens de rusturen
zaten ze soort bij soort. Den derden dag waren ze alle verdwenen,
ongetwijfeld hadden ze den overtocht over het Marsdiep—een
peulschilletje voor de stern—gewaagd en koersten ze nu langs de
badplaatsen verder naar Frankrijk en Spanje en de keerkringsgewesten.
De trek der zwartkopmeeuwen is minder eenvoudig, maar juist daardoor de
moeite van het bestudeeren overwaard. Het schijnbaar onoplosbaar
probleem van den vogeltrek houdt reeds sedert eeuwen de menschheid
bezig en vooral in den laatsten tijd zijn tal van theorieën opgesteld,
die echter geen van alle een bevredigende algemeene oplossing geven.
Wij zijn eigenlijk ook nog veel te onwetend, om eenig oordeel te kunnen
vormen omtrent den aard en oorsprong van een zoo complex verschijnsel
als het migratie-instinct. Wij weten nog bij lange na niet, wat de
vogels uitvoeren bij dag en bij nacht, in hun zomer- en
winterverblijven, op de aarde, in het water en in de lucht, en hoe
daarbij hun gedrag bepaald wordt door de innerlijke aandrift of door
wat er buiten hen geschiedt.
Gätke heeft vijftig jaar lang dag en nacht gewerkt op het zoo gunstig
gelegen Helgoland en moest ten laatste erkennen, dat hij er geen raad
mee weet. In ’t Britsche rijk en ook in Duitschland zijn op uitgebreide
schaal stelselmatige waarnemingen gedaan vooral op vuurtorens en
lichtschepen, maar ook deze hebben niets anders uitgewerkt, dan de
reeds bestaande theorieën en aangenomen regelen te ondermijnen en omver
te werpen.
En gaat ge nu al die uitgebreide rapporten nasnuffelen, dan blijken die
in al hun veelheid nog maar zeer magere gegevens op te leveren, zoodat
we gerust mogen zeggen, dat we nog maar heel in ’t begin zijn met de
kennis van aard en wezen van den vogeltrek. Je moest eigenlijk duizend
Gätke’s op verschillende punten van onze aarde ieder een halve eeuw aan
’t werk kunnen zetten.
Maar een millioen gewone beschaafde menschen kunnen ook wat uitrichten
en zoo groot wordt over de geheele wereld langzamerhand de
belangstelling in het leven der vogels, dat het niet lang zal duren, of
wij kunnen in alle deelen van de wereld op goede waarnemers rekenen. En
eindelijk zal er wel een geniaal man komen, die ten slotte den heelen
berg van boeken en tijdschriften zal reduceeren tot het kleine boekje,
dat de lang verbeide wijsheid bevatten zal.
Zeer belangrijke gegevens zijn in de laatste jaren verkregen door het
„ringen” van vogels. Men brengt aan een poot van een vogel, (meestal
neemt men daarvoor bijna vlugge jongen op de broedplaats) een gemerkte
aluminium-ring aan. Wordt dan de vogel later gevangen of gevonden, dan
weet men tenminste de plek, waar eens zijn wiegje stond. Wie aan dit
onderzoek wil meewerken, kan ringen aanvragen bij Dr. E. D. van Oort,
Rijksmuseum Leiden.
Ons land—ik heb het al meer gezegd—is even gunstig gelegen als
Helgoland en veel rijker aan broedvogels, zoodat hier behalve het
grootsche verschijnsel van de voorjaars- en najaarstrek ook
waarnemingen kunnen worden gedaan omtrent het gedrag van oude en jonge
vogels in en kort na den broedtijd in de nabijheid van de
broedplaatsen. Ik voor mij geloof, dat deze laatste van het
allergrootste gewicht zijn, en daar is tot nu toe weinig aan gedaan.
Het stille water der ornithologie (de maanden Juli en Augustus) heeft
diepe gronden.
Nu maakt de zwartkopmeeuw in ons land half den indruk van een
standvogel, half die van een trekvogel en het is daarom ’t
voorzichtigst, hem als zwerfvogel op te vatten.
De eenjarige zwartkopmeeuwen, die nog niet broeden, zijn natuurlijk
vanzelf zwerfvogels. Let in den zomer op zwartkoppen met zwarten
staartzoom. Ge ziet ze niet veel. Op de broedplaatsen worden ze niet
geduld en nu zwerven ze rond over de heele wereld, zoodat ze nergens
algemeen kunnen zijn.
Wanneer nu de jonge meeuwen van dit jaar vliegen kunnen en, na door de
ouden verlaten te zijn, gaan rondzwerven in de buurt van hun
geboorteplaats, dan kan het niet uitblijven, of zij ontmoeten zeer
spoedig een klein troepje van die voorjarige jongelui en daar kunnen ze
zich dan gemakkelijk bij aansluiten. Die kennen de wereld en weten den
weg door heel Europa. Een heelen winter hebben zij rondgezworven in
gezelschap van oudere, zelfs zeer oude soortgenooten en gedurende den
broedtijd hebben ze van de opgedane ervaring terdege geprofiteerd. En
als de zomer op zijn eind loopt, dan zijn zij volkomen berekend voor
hun taak van leiders der jeugd.
We moeten het met de leiding niet al te letterlijk opnemen. Meen niet,
dat zoo’n Ulysses op een troep jonge meeuwen afgaat en zich opwerpt tot
hun cicerone. Integendeel, de jonge vogels zoeken hen op, of liever
voegen zich bij hen. Ze zien soortgenooten op jacht of rustend en
sluiten zich dan doodeenvoudig bij hen aan.
In Juli of Augustus beginnen dergelijke gezelschappen zich te vertoonen
in Amsterdam en andere steden, die met grachten gezegend zijn. Altijd
bestaan die gezelschappen uit piepjonge vogels met een klein aantal
eenjarige vrijwilligers. Heel oude vogels worden in dien tijd in de
steden weinig gezien; op het land des te meer. Die worden in October
gaandeweg talrijker op de grachten, zoodat ze hier en daar zelfs de
meerderheid gaan vormen.
In ’t algemeen blijven de oude vogels ook gedurende den winter zich
afzonderen van de jongen. De scheiding is niet zoo streng als in den
broedtijd, maar sommige vakken van de Heerengracht en Keizersgracht
bevatten bijna niet anders dan oude vogels, terwijl op andere plaatsen
de bruingevlekte jongen in de meerderheid zijn.
Nu krijgen we den heelen winter in verband met wind en weer, een heen
en weertrekken van de meeuwen naar de stad en naar het land. Als ’t
vriest, komt alles naar de stad, maar bij dooiweer werken de meeuwen op
de weiden en akkers. Ze zijn nu bijna altijd in gezelschap met de bonte
kraaien, die met een zekere bonhomie de mooie blanke vogels naast zich
dulden op mestvaalten en vuilnisbelten.
De stad is hun als winterverblijf al zoo dierbaar geworden, dat zij
zelfs bij zeer strenge en langdurige vorst er niet aan denken, om
elders een goed heenkomen te zoeken. Uitgehongerd en afgemat vliegen ze
over de dichtgevroren grachten, vechtend om een stukje afval, maar
blijkbaar vol vertrouwen op den korten duur van onzen Hollandschen
winter.
Soms vliegen ze dan hoog in de lucht, veel hooger dan den Westertoren
alsof ze uitzien naar open water. Ze zien dan de bevroren Zuiderzee,
waar niets te halen is en de groene Noordzee, waar ze niet gewoon zijn
te werken. In een paar minuten kunnen ze naar het strand vliegen en
binnen het uur kunnen ze de Wadden-eilanden of de groote riviermonden
bereiken, waar altijd wat te halen is. Toch blijven ze rondzweven boven
de hongerstad; slechts enkelen zoeken gunstiger streken op.
Eigenlijk kan dit alleen met zekerheid worden uitgemaakt door telling;
we moeten gedurende den winter een meeuwencensus hebben in de steden en
op sommigen plaatsen aan het strand en de zeegaten. Dit is lang niet
ondoenlijk. Professor Forel heeft ’t uitgevoerd voor het meer van
Genève, waarom zouden wij het niet kunnen voor de hoofdgrachten van
Amsterdam of voor het Wierhoofd te Nieuwediep?
Forel maakte eenige malen in ’t jaar een rondreis om ’t heele meer en
telde dan de „mouettes rieuses”. Hij vond er in April 645, in Mei 250,
in Juní 150, in Juli 1580 en in September 2935. Gedurende den winter
kon hij geen tellingen verrichten, omdat dan de booten niet varen. Ook
verzuimde hij te letten op den leeftijd en daardoor zijn die gegevens
niet van zooveel belang, als zij hadden kunnen zijn.
Toch blijkt uìt die getallen reeds, dat in April de laatste broedvogels
vertrokken. Die 250 Mei- en de 150 Junigasten zijn waarschijnlijk
eenjarige rondzwervers. In Juli komt de voorhoede van de wintergasten
en nu had ik graag willen weten, of dat oude of jonge vogels waren. Een
van Gätke’s grondstellingen is, dat de jongen het eerst trekken, alleen
met uitzondering van de koekoek, en dat ze niet geleid worden door oude
vogels. Dat zou men nu voor de meeuwen op de Zwitsersche meren mooi
kunnen nagaan.
In Amsterdam komen altijd de jongen het eerst aan, zoowel bij het begin
van den herfst, als telkens gedurende den winter bij het invallen van
de vorst. Zij zijn kleinzeeriger dan de ouden.