De kievit is voor ons, Hollanders, de vogel van de lekkere eieren.
Niet, dat de Hollanders zooveel kievitseieren eten; de meesten weten
niet eens, hoe een kievitsei er uitziet. Maar allen lezen ze omstreeks
midden Maart in de krant, dat het eerste kievitsei gevonden is en dat
het een daalder heeft opgebracht of een rijksdaalder, in alle geval een
fabelachtig hooge som. En daar zit hem de kneep: het voordeeltje, het
onverwachte voordeeltje, dat een wilde vogel, die niets kost van
„onderhoud”, wel zoo vriendelijk is, om eieren te leggen, die hun
gewicht aan zilver waard zijn.
Later daalt die prijs wel en brengen ze niet meer op dan een versch
kippenei in den winter, maar daar houdt de volksverbeelding geen
rekening mee en ze verkoopt haar kievitsei nooit voor minder dan „drie
zesthalven”. En een feit is het, dat sommige polderperceeltjes in ons
land meer opbrengen aan kievitseieren dan aan grasgewas.
„Il est fort malheureux, que dans certains pays, en Hollande surtout,
on fasse si grand commerce de ses oeufs, assez insipides.”
Deze uitspraak van den grooten Zwitserschen ornitholoog Fatio geeft ons
juist de meening weer van vele beschaafde menschen over kievitseieren
en kievitseieren rapen en verkoopen. Ze vinden de eieren niet zóó
lekker, als de roep ervan gaat en zouden daarom gaarne zien, dat ’t
eierrapen ophield.
Ik voor mij zou dat ook gaarne zien, want hoe rustiger de vogels zich
kunnen ontwikkelen, des te beter kunnen we ze leeren kennen. Maar ge
kunt het onmogelijke niet vergen. Het zoeken van kievitseieren is voor
de plattelandsbevolking een gezonde uitspanning, levert aardig wat op
en behoeft de vogels zelf niet direct te schaden.
Ik wil nog een stapje verder gaan en volhouden, dat onder de
tegenwoordige omstandigheden de handel in kievitseieren voordeelig voor
de kieviten is, en dat, indien die handel werd verboden, de
kievit-bevolking met ondergang zou worden bedreigd. Eerst na een halve
eeuw van zeer verbeterd onderwijs zou men aan ’t verbod van
kievitseieren rapen kunnen denken.
Wie daar meer van weten wil, moet in ’t voorjaar de
advertentie-kolommen van plaatselijke blaadjes in kievitrijke streken
eens inzien. Telkens wordt er geadverteerd: Het is verboden eieren te
rapen op het land van Dinges zonder schriftelijke toestemming van den
eigenaar; of Dinges maakt het nog erger en verbiedt elk betreden van
zijn terrein.
Doet hij dat als gevolg van het bijwonen van een winterlandbouwcursus,
en omdat hij overtuigd is van het onberekenbare nut, dat de kieviten
stichten in veld en wei? Nu, ik geloof wel, dat één op de tien boeren
al zoo ver is, maar de negen anderen zijn alleen belust op de
tantièmes, die ze genieten van de door hen geautoriseerde eierrapers.
De veldwachter krijgt een extra fooi en zoo wordt dan met vereende
krachten gezorgd voor een min of meer behoorlijke uitvoering van de
wet, die het eierrapen toestaat tot en met 28 April en het vervoeren en
verkoopen tot en met 30 April of indien deze dag op Zondag valt tot en
met 1 Mei.
Maar wanneer nu de wet het eierrapen en den eierhandel ineens heelemaal
verbood, dan kwam er van de heele zaak niets terecht. De eieren waren
dan niets meer waard, de veldwachter kreeg geen premie, de boer geen
tantièmes, de arbeider geen geld en dan zouden stroopers en kwajongens
zoo goed als vrij spel hebben en ik verzeker u, dat ze de gelegenheid
niet ongebruikt zouden laten. De veldwachter zou van niemand
aanmoediging en steun ondervinden en daardoor vrij wel machteloos
staan.
Tegenwoordig wordt ook in den verboden tijd, in Mei en Juni, nog al
goed opgepast, omdat men de kip, die de gouden eieren legt, niet wil
dooden, maar zoodra dat gewone eieren worden, bekommert men zich om de
kip niet meer.
In den allerlaatsten tijd is dan ook in ons land het aantal kieviten
niet zoo sterk verminderd, als men wel zou moeten vreezen, hoewel het
overal veel geringer is dan honderd jaar geleden. Doch dat is een
algemeen verschijnsel en ligt aan heel andere oorzaken.
Eén leelijk ding nog. Het dooden van kieviten is in ons land ten allen
tijde ten strengste verboden en in streken, waar het zoeken van
kievietseieren een winstgevend handelsbedrijf is, wordt daar ook
terdege op gelet. Maar hier en daar in ons land, met name in
Zuid-Holland tusschen Rijn en Maas, worden in den trektijd duizenden
kieviten gevangen en gedood en als plevieren—wat ze ook zijn—naar het
buitenland verzonden.
Dit is veel erger dan het rapen van eieren in April. In ’t bouwland
raken die April-eieren bij de bewerking van den bodem toch verloren en
elders loopt zoo’n vroeg broedsel toch nog veel gevaar door ’t gure
weer, en daarom is het misschien zelfs zeer goed, dat wij den kievit
noodzaken zijn broedsel in Mei en Juni groot te brengen. Maar een doode
kievit is dood, daar is niets meer aan te doen.
Ik heb omtrent dien Zuid-Hollandschen kievithandel geen volledige
gegevens kunnen erlangen. Dat gaat in ons landje zoo. Er wordt wel nog
al eens kwaad gesproken, maar een ferme, openbare beschuldiging wordt
zelden vernomen. Ook zijn we te goedig, om een armen vent zijn wel is
waar onwettige broodwinning zoo opeens te ontnemen en een zekere
analogie tusschen kievitjagen en eierrapen valt ook niet geheel te
ontkennen. Intusschen kan het niet uitblijven, dat we binnen korter of
langer tijd in dit opzicht internationale verplichtingen krijgen en dan
komt er natuurlijk een eind aan alle verkeerde lankmoedigheid.
En nu willen we eens naar den kievit zelf zien, den prachtvogel van
onze weiden. Denk nu niet aan ’t verfomfaaid opgezet gedrocht, dat in
April bij Saur en Van Laar de wacht houdt over een schaal met eieren,
maar ga den polder in, kruip weg achter een dammetje. Of—en dat is in
Februari gemakkelijker te doen, dan lang stil zitten—neem een
onverschillig uiterlijk aan en loop den polder door alsof er geen
kieviten op de wereld waren.
Ze zijn pas aangekomen en nog in troepen vereenigd. Maar lang zal dat
niet duren, want reeds nu beginnen de mannetjes om de wijfjes heen te
draaien en uit den stilstaanden troep verheft zich nu hier dan daar een
zwart-wit-zwarten vogel in grillige vlucht. Hij gaat niet hoog, noch
ver, tuimelt als het ware weer op zijn vroeger plaatsje neer.
Nu staat de heele troep weer stil, alle met den kop in den wind, die de
lange kuiven golvend beweegt. Wanneer in de verre toekomst de kievit
niet meer de vogel met de lekkere eieren zal zijn, dan wordt hij de
vogel met de kuif. Wij hebben meer vogels met kuiven, denk maar aan
leeuwerik, gaai en lepelaar, doch niet een is er, bij wie dat sieraad
zoo in ’t oog valt en die er zoo expressief mee werken kan, of het
moest de hop wezen, maar die kent toch bijna niemand.
Die kievitkuif van bronsgroene veertjes strekt zich van schedel en
achterhoofd uit tot op den rug. Als de vogel zijn kuif laat hangen,
slieren bij de mannetjes de eindpunten tot tusschen de schouders. Maar
hij laat zijn kuif niet gauw hangen. Integendeel, hij draagt hem zelfs
in ’t voorjaar niet dikwijls horizontaal, maar steekt hem recht omhoog.
Eigenlijk is ’t een dubbele kuif, een linker en een rechter en als die
nu wordt opgetild, dan lijken het twee lange horens boven op den kop.
Tegelijk gaat ook de breede, wit met zwarte wenkbrauw de hoogte in en
als ge dan zoo den vogel met zijn verheugd, verbaasd, vertoornd gezicht
voor u ziet staan, dan lijkt hij in ’t geheel niet op den
traditioneelen kievit, noch op ’t monster uit de uitstalkast, noch op
’t gekleurde plaatje in ’t vogelboek.
Dit is de belooning, die het wandelen met zich brengt; ge ontdekt
telkens een heel nieuwe wereld, het allerbekendste dier, de meest
gewone bloem heeft altijd nog iets nieuws te vertoonen, iets dat niet
geregistreerd was en zoo wacht ik dan ook nu op een portret van den
kievit met hoog opgestoken kuif, op zijn teenen ronddansend in ’t korte
gras van de voorjaarswei.
Want de kievit is een teenganger. Hij zet maar zelden den bal van den
voet op den grond en versmaadt de hulp van ’t bindvliesje, dat hij
tusschen midden- en buitenteen bezit, om volgens de boeken niet in de
modder te zakken. Dat gevaar is ook zoo heel groot niet, want een
kievit is een lichte vogel, al lijkt hij nog al groot en hij loopt met
groote snelheid. Dikwijls ook wordt hij gesteund, doordat hij de
vleugels onder ’t loopen een weinigje uitsteekt.
Naarmate de paren zich vormen, worden de troepen kleiner en in gewone
jaren zijn ze tegen het eind van Maart geheel weg. Daarentegen is nu de
vlakte vol van paren, die elk hun bepaald terrein bezitten.
Hieruit volgt nu niet, dat dan alle kieviten gepaard zijn. Langs de
Zuiderzee, op de Wadden en de Zeeuwsche stroomen worden het heele jaar
door troepen van ongepaarde vogels aangetroffen. Daar hebben zij vrij
spel, in ’t land worden ze door hun gelukkiger soortgenooten niet
geduld.
Intusschen trekken nog steeds troepen van kieviten over. Dat duurt
voort tot in de laatste weken van April. Het is een lust, op zonnige
dagen hoog in de lucht de breede maar ondiepe colonnes te zien
voortijlen, bij iedere vleugelheffing het zonlicht weerkaatsend met de
witte buik- en okselvederen. Die gaan naar streken, waar ’t later lente
is, dan bij ons, want de kievit nestelt tot bij den Poolcirkel.
Ook daar blijven veel vogels ongepaard en die komen in Juni weer
zuidelijk afzakken. Al die vrijgezellen zoeken elkaar op, vogels, wier
broedsel mislukt is, voegen zich dan bij hen en zoo krijgen we dan
vroeg in den zomer alweer groote troepen van kieviten, bij wie de
jongen zich kunnen aansluiten.
Maar zoover zijn wij nog niet. Eerst willen we het echtpaar eens
begluren. Het mannetje is vol opgetogenheid en zijn luchtbuitelingen
wel tienmaal hooger dan verleden week, toen de liefdesbetuigingen nog
geheel en famille voorvielen. Hij slingert zich als ’t ware de lucht
in; het lijkt er niet op aan te komen, hoe hij vleugels of lichaam of
staart beweegt, omhoog gaat hij toch, al is ’t ook langs de
ongelooflijkste kronkelbanen. Dat heet „schermen.”
Hij schreeuwt nu niet eenvoudig „kiewiet,” maar laat een zegezang
hooren van vele lettergrepen, vol heesch gekrijsch en rollend geroep en
bij de stoutste bewegingen van zijn liefdesvlucht roffelt er uit de
strak gehouden slagpennen een geluid als van een bromtol. Dit „zwoegen”
zooals wij het vroeger altijd noemden, schijnt niet, zooals wij
meenden, veroorzaakt te worden door de moeilijkheid van de
vliegbeweging, maar doodeenvoudig een willekeurige vreugdeuiting te
zijn, analoog met het blaten van snippen of het baltsen van hanen.
Dikwijls schermt de kievit zonder eenig geluid te maken. Dan wordt het
een stille luchtdans vol gratie en meer dan ooit herinnert op zulke
oogenblikken de vogel aan een grooten nachtvlinder, die wiegelend
dartelt over de bloemen.
Ook op de terra firma weet hij zijn gemoed te luchten. Het wijfje staat
stil. Zij is iets kleiner en doffer dan ’t mannetje en heeft een veel
kortere kuif. Toch kunnen de kuiven van oude wijfjes langer zijn dan
die van jonge mannetjes.
Nu gaat het mannetje om het wijfje heenloopen; vooruit, achteruit,
omdraaien, kuif op, kuif neer en weldra volgt ook de ootmoedige
buiging. Deze révérence wordt echter anders uitgevoerd dan door de
scholekster. Hier worden geen verzenen gebogen. De pooten blijven
langgestrekt maar ’t heele lichaam duikt voorover en de glimmende
zwarte borst wordt tegen den grond gedrukt, heen en weer bewogen, alsof
de vogel het broedkuiltje maakt.
Niet lang duurt het, of het heele gebied is vol met zulke kuiltjes en
weldra verschijnen in één ervan de vier gladde, doffe, groenachtige,
bruingevlekte, priktolvormige eieren. In den regel liggen die met de
spitse polen naar elkander toe.
De bekleeding van het nest is zeer verschillend. Soms ligt er niets in,
een ander maal is er een volledige bodem van grassprietjes of stokjes.
Het lijkt mij toe, dat op de allernatste en allerdroogste plaatsen de
bekleeding het rijkst is, daartusschen ligt een optimum van
vochtigheidstoestand, waarbij geen voering noodig is.
Bij ons nestelt de kievit zoowel laag in de polders als hoog op de
duinen, op kaal, versch omgeploegd bouwland, zoowel als in de grazige
weiden en ook de groene strandvlakten zijn niet zonder kievitsnesten.
Het bebroeden duurt omstreeks drie weken en wordt in hoofdzaak, althans
overdag, door het wijfje verricht. De broedende vogel op onze foto is
ook een wijfje, wat niet alleen te zien is aan de korte kuif, maar ook
aan het vele wit aan den kop, de witte kin en de lichte plek aan de
keel. Deze lichte plek is een overblijfsel van het winterkleed; eerst
laat in Mei krijgen de wijfjes een geheel zwarte keel en borst.
Zij zit met de vleugels geheel vrij, dus eenigszins uitgeslagen, een
houding, die voor op den grond broedende vogels met breede nesten wel
de meest doelmatige is.
Het mannetje brengt den tijd door met stil te staan bij het nest, met
het maken van danspasjes en met schermen en schreeuwen. Bovendien
beschermt hij het nest. Alle groote voorwerpen, die zich bewegen in of
over zijn broedgebied, worden onmiddellijk aangerand. Daarbij schermt
en schreeuwt hij op een manier, die sterk herinnert aan zijn
liefdesbetoogingen. Als ik niet zoo bang voor regels was, zou ik wel
willen bekennen, te durven gelooven aan dezen regel: De
liefdesbetoogingen van de mannetjes bij de vogels zijn dikwijls niet
anders dan bewegingen en geluiden, die nuttig zijn voor het behoud der
soort en die ten aanzien van het wijfje worden verricht, zonder dat op
dat oogenblik de noodzakelijkheid daartoe bestaat.
Het is alsof dat mannetje zeggen wil: Zoo kan ik vechten, schrik
aanjagen, prooi vangen, voedsel zoeken, voederen, en wat wil je nog
meer? We zullen ook bij andere vogels voorbeelden hiervan aantreffen.
Meen nu niet, dat de vogel werkelijk die redeneering maakt, als hij
zijn kunsten vertoont. Ik geloof niet, dat de vogels redeneeren, wel,
dat zij emoties ondervinden en dat op een voor hen onbewuste manier de
emoties van den paringstijd aanleiding geven tot het speelsgewijze
verrichten van bewegingen, die in de periode van het bebroeden der
eieren en het groot brengen der jongen telkens noodzakelijk verricht
moeten worden.
Dat verjagen van vreemde indringers is ten minste iets, waar de kievit
den heelen dag handen vol werk aan heeft. Zoo gauw een kraai of meeuw
zich vertoonen, randt hij ze aan, nog lang, voordat ze het nest of den
broedenden vogel bespeurd hebben. Die broedende vogel gaat trouwens ook
meteen het nest af.
En nu zou ik weer een regel willen stellen en wel een heel gevaarlijke,
maar alleen voor de vogelwereld, nl.: wie zich het meest boos maakt,
krijgt zijn zin. Een kievit is in geen enkel opzicht een te duchten
aanvaller. Hij heeft weinig gewicht, dus kan met niet veel vaart
aanvallen, zijn snavel is week en het eenige werkelijke wapen dat hij
bezit is een familiewapen, dat alleen symbolisch en heelemaal niet
gevaarlijk is.
Hiermee bedoel ik het eeltplekje in de polsstreek, dat een flauwe
herinnering is aan de spoor van de spoordragende kieviten uit tropische
gewesten.
Toch gaan voor dezen ongevaarlijken vogel de meeste indringers op zij.
Zij kunnen al de beweging en het gekrijsch niet verdragen en zoo kan
men dikwijls zien, dat een kraai of een reiger honderden meters ver
door de kieviten worden uitgeleid. De buren nemen het werk van elkander
over.
Zoo beschermt hij zijn nest nog effectiever dan de scholekster en wordt
zijn aanwezigheid meteen een bescherming voor andere weidevogels,
zooals de kemphaan en tureluur, die minder driest en nagenoeg geheel
weerloos zijn.
Intusschen wordt het broedsel en ook de broedende vogel zelf nog maar
al te dikwijls het slachtoffer van sluipende viervoeters, zooals
wezels, bunzings, hermelijnen, katten en ratten en door vereenigd
optreden weten kraaien en kauwen ook hun deel te bemachtigen.
De jonge kievitjes loopen bijna onmiddellijk wanneer zij uit den dop
komen, maar blijven soms toch nog vrij lang in het nest. Dan gaan zij
ronddolen in de buurt, altijd opgepast door de ouden.
Het zijn de mooiste donsvogeltjes, die ik ken. Ze bewegen zich
gemakkelijk, kijken glunder, hebben goed geproportionneerde bekjes en
pootjes en een donsbekleeding, die in fijnheid van tinten: rossig
bruin, zwart en zuiver wit alles overtreft, wat er op dit gebied te
zien is. Het witte nekkraagje is hun distinctief; zooals de oude kievit
de vogel is met de kuif, zoo is de jonge de vogel met het witte
nekkraagje. Daaraan alleen is hij al te onderscheiden van al ’t andere
klein gedoe van scholeksters, kluiten, tureluurs, kemphanen, sterntjes
en pleviertjes, die met hem in denzelfden polder hun eerste levensdagen
slijten.
En wanneer er gevaar dreigt, dan is hun eerste werk: stilzitten en het
witte kraagje verbergen. Ze duiken dicht ineen, liefst tegen een donker
kluitje, of in een donker kuiltje en dan moet je heusch goed kijken, om
het jonge dier te vinden. Komt het dreigend gevaar zeer nabij, b.v. als
men de hand uitsteekt, om ze te grijpen, dan komt er beweging in ’t
donsballetje. Het kopje gaat omhoog, het nekkraagje komt te voorschijn
en op zijn stevige pootjes rent ’t dier er van door als een kleine
struisvogel, meestal hevig piepend en in de lucht begeleid door zijn
bezorgde ouders.
Die hebben heel wat te doen, om hun drietal of viertal bij elkaar te
houden, en dat is is de eerste dagen toch dringend noodig, anders
zouden de kleintjes stellig omkomen van honger en koude. De sterfte
onder de kievitjes is werkelijk ook zeer groot, hun kleine cadavertjes
zijn overal en vooral in greppels te vinden.
Wie de kwestie wil bestudeeren, of de vogels over middelen beschikken,
om elkander gedachten mede te deelen, kan dat mooi doen door ’t gedrag
van jonge vogels te observeeren, wanneer ze aan ’t dwalen zijn onder
leiding van de ouden. Ze richten wel wat uit met hun geschreeuw, die
oude vogels, en ten slotte krijgen ze hun volkje wel bij elkander, maar
dat gaat zoo met moeielijkheden en omwegen, dat er van taal en bevelen
geven geen sprake kan zijn. Meestal komt het erop neer, dat de oude
vogel op een hoog punt gaat staan schreeuwen uit alle macht en daar
sturen de kleintjes dan op los.
Wanneer ze pennen beginnen te krijgen, gaan ze hun ouden verlaten. Het
kievitgezin blijft niet zoo lang vereenigd als de scholeksterfamilie en
zoo komt het, dat ge in Juni en Juli overal langs den zeekant heel veel
alleenloopende kieviten kunt aantreffen. Ze gaan hoe langer hoe meer op
de oude gelijken, maar ze hebben heel korte kuiven, de lichte plekken
aan den kop zijn niet wit, maar zandkleurig en alle veertjes van de
rugzijde hebben lichtbruine randjes. De kunst van zich dood te houden
verstaan zij alleruitmuntendst.
Ten slotte voegen zij zich bij de rondzwervende troepen. In Augustus
beginnen ook al de jonge kieviten uit den vreemde hierheen te komen. De
ouden hebben weldra geruid en in September zijn alle weiden vol met de
vlugge pierenzoekers.
Ze zien er nu anders uit, dan in ’t voorjaar. De rug glanst minder, aan
de keel is een groote witte plek gekomen, de kuif is korter. Het is
moeilijk, nu mannetjes en wijfjes en jongen te onderscheiden. Ze zijn
nu veel minder schuw; een wei kan nu tegelijk kieviten, spreeuwen,
roeken en meeuwen bevatten, zonder dat er één hard woord valt.
Alleen het feit, dat de kieviten nu in gezelschap leven van meeuwen,
roeken en spreeuwen, toont aan, dat het uiterst nuttige vogels zijn en
dat er van die nuttige soort nooit te veel kunnen komen. Duizend vogels
vinden dag aan dag overvloed van voedsel op één stuk weiland. Ga nu
eens na, wat er gebeuren zou, als die duizend vogels daar eens niet dag
aan dag arbeidden.
Hoogstwaarschijnlijk kan niet één van deze vogelsoorten gemist worden
en de kievit stellig niet, want hij is eigenlijk een nachtdier en
verdelgt dus de larven en slakken, die ’s nachts te voorschijn komen en
dat zijn er heel veel.
Diep graven kan een kievit niet, daarvoor is zijn bek te zacht en te
kort, maar hij kan goed kijken, hard loopen en stevig trekken. Wanneer
de October- en Novemberregens plassen op de weiden hebben gebracht, dan
staan de kieviten in dichte drommen daar rond omheen en alles wat aan
de overstrooming tracht te ontsnappen, valt hun ten buit.
Ook kennen ze een bijzonder kunstje, om de wormen uit de grond te
jagen. Ze drukken een poot tegen den grond en brengen dien dan in
trilling en door die beweging komen dan de wormen te voorschijn,
wellicht doordat ze den indruk krijgen, dat er een mol aan ’t werk is.
De zwartkopmeeuwen doen iets dergelijks door snel op den grond te
trappelen, maar als er kieviten in de buurt zijn, dan geven zij er
meestal de voorkeur aan, om dien vogels hun zuur verworven buit af te
stelen.
De kieviten werken ook op de manier van de lijster, door te luisteren.
Op deze manier vangen zij stellig de zoo schadelijke ritnaalden, die
dicht bij de oppervlakte van den grond aan de gras- en graanwortels
knagen. Plantenvoedsel heb ik ze nooit zien eten; als ze tusschen de
koolplanten zitten dan is het hun alleen om de koolrupsen te doen. O,
wat kun je een massa goeds van die kieviten vertellen.
Hun nuttige arbeid op ’t veld duurt tot de eerste harde vorst, dus in
den regel tot omstreeks Nieuwjaar. Als dan de bodem een paar dagen lang
bevroren is, dan kunnen ze het niet uithouden en dan wijkt het grootste
deel uit naar Engeland en Ierland. Maar er blijven er ook nog heel wat
hangen aan de monden van de Maas en op de Ooster- en Wester-Schelde,
zoodat we het heele jaar door kieviten bij ons hebben.
Het is gedurende de laatste maanden van het jaar, alsof zij zich
gedurig gereed houden voor de heenreis. Troepen van honderden en
duizenden azen gezamenlijk op de velden en ieder oogenblik wordt er
vliegoefening gehouden. In breede zwermen vliegen zij voort. Er zijn
dagen, dat er elk oogenblik zoo’n kievitswolk in de lucht te zien is,
en wanneer ze in ’t zonlicht vliegen tegen een donkere lucht, dan
blinken hun witte veeren een half uur ver u tegen.