Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger,
en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart
of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon
van een dorpshoofd. Hij had drie _tambo's._ Tambo is Melanesisch voor
_taboe_ en volle neef van dat Polynesische woord. De drie _tambo's_
van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een
hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke
eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten
noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op
gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch
varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond
al was het maar zooveel als een tand.
Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of
misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één
enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker
tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd
opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is
een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland
in de Salomon-groep--zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog
geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de
eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne
koelie-wervers, uitgerust met automatische geweren en benzine-motoren,
zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door
tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog,
in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers,
die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden
om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de
buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen
van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om
op plantages te werken.
Maoeki's ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op
twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere
gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd
om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen
gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk
ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw
berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was
universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij
zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen,
hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten
platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode
hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte
voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn
eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar
duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op
een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van
een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden
ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.
Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig
gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook
bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.
Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en
vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig
en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht
en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen
kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die
zoo'n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet
konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding,
onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden
in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid
verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.
Maoeki's vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat
Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij
kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open
boek. Van kano's had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij
een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang
zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet
water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners,
die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna
zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in
het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij
werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen,
overal verspreid over de randen van Malaita's bergketens, waarvan de
rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat
de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het
binnenland. Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland
van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud
werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu
naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.
Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa
gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was
een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was
een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker
kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe
water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag
twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit,
en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van
drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen
kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar
de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er
twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag
hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af,
vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna,
en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen
in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp,
mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het
diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen
aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak
en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt,
de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.
Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder
tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang geworden om te gaan teekenen
op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki,
naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist
tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen,
calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op
de plantages.
Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener
brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke
waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden
zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in
alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van
vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel
als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het
gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van
den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke
menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in
hun bezit--geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten,
dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen
wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen
praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een
speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit
zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.
Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene
blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de
andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en
lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip
was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen
hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even aan
met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen
op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet
uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering
der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel,
de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.
Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen,
en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit
Maoeki's haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een
lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.
Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden
had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet
op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen
en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat
werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals
nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd
en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En
het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan
aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag
uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken
voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen
kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker,
en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor
straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in
de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden,
of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.
Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee
hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche koelies die
anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook
leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun
woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak
zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat
ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed,
en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit
hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam
voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden
en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van
zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje
werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs
als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze
nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.
Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de
zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij
uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had
zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij
week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting
zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin
naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij
werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.
Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van
Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten
zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die
in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er
twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven
glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in
de sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen
gehouden--zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn
te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond
vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed
om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.
Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot
huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was
het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky
op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed
het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar
dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel
voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en
omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de
geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer
hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden
nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval
uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op
het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd
verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met
een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist
dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.
De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij
reisden 's nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen,
onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere
eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot
ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar
het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,
bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita
was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden
ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet
halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar
het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang
waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki
en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote
blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke
meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één
voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien
nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij
teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven
glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was
geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De
boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van
weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk
moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder
bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.
Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij
op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de
Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust
van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had,
gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een
week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand
in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen,
en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning
van vijfhonderd stokken tabak uit, en telkens als Maoeki zich op
het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de
kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk,
nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen
werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu
vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar,
en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht
maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.
Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te
berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan
naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt
terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby,
de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem
als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de
Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde
ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen
werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener
deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal,
waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en
in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden,
vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde,
werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar
Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield
tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon
de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den
vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de
maatschappij in de schuld stond was zes.
Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen
in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar
ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en
ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van
de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki
werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht
maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener
binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door
een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem
stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem
overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak
die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem,
en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.
"We zullen hem naar Lord Howe sturen", zei mijnheer Haveby. "Bunster
zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik
stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki,
en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn."
Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal
naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de
glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit
rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen
in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte,
en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den
zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol
koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch
tot de Salomon's. Het is een atol, terwijl de Salomon's hooge eilanden
zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners
van de Salomon's Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den
grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van
heden doorgaat en groote kano's met vlerken op zijn stranden spoelt
met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming
van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.
Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms
genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen,
en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke
zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De
vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch
zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De _Zeilaanwijzingen_
spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen
die de _Zeilaanwijzingen_ samenstellen hebben nooit gehoord van
de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die,
enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens
vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige
overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie
koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden
hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke
te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden,
en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners
zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van
dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen
om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien
werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand,
de kano's vernield, de kippens en varkens doodgeschoten, en de kostbare
kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden
de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten
van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om
een blanke kwaad te doen.
Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor
de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij
had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag
uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat
de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid
een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote,
zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.
Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij
was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar
dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn
bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de
maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er
een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen,
sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak
terug op den schoener die hem gebracht had.
De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen
was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig
vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar
Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje--tien dagen lang,
aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een
gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los;
onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven
op hem te dansen. Bang voor wat er zou gebeuren als zijn slachtoffer
beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij
zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die
al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.
Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde,
de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing
met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen
stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen
de schoener vertrok, riep hij de Kanaka's [1] op het strand en daagde
hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde
een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka's legde hij,
maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een
kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.
En zoo begon Bunster's heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen
woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven,
zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en
kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden
dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich
achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden
in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil
besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.
En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te
werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep,
goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster
woog tweehonderd pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was
een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En
beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.
Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten
werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend
aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die
veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd
zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet
verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki,
en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn
bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en
een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen
huisjongen.
En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden
dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan
koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar
Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug
zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op
(het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad
de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn
mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij
sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en
lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over
de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning
brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa,
en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.
"Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!" schreeuwde
de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de
gebroken leuning.
Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich
stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens
afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de
boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken
bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam
waarom Bunster een derde vrouw had genomen--met geweld, zooals algemeen
bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof
onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden
voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster
hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder
twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.
Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van
den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als
Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als
hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij
ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem
al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te
zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en
meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De
dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich
de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande
dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud
was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou
het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip
brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om
zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden
hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de eerste de beste gelegenheid
om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter
niet omsloeg.
Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was
zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?
Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag
en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter
zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden
keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te
vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met
zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het
bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En
Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.
Alle andere blanken hadden zijn _tambo's_ geëerbiedigd; Bunster
niet. Maoeki's wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster
gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te
nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn
tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd
voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond
liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen
die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren
_tambo_. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken,
en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de
jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij,
en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest
om hem te vervangen.
Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige
lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een
andere grap was onverwachts, als hij er het minst op verdacht
was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki's vleesch
te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden
keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij,
rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki's neus, en scheurde zoo zijn
geheele neustusschenschot stuk.
"O, wat 'n smoel!" was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag
die hij had aangericht.
Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog
is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt
als houtvijl om kano's en pagaaien glad te schaven. Bunster liet
een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op
Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van
Maoeki's rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn
vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de
bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst
te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.
"Lach, verdomme, lach!" zoo gaf hij de houding aan die zij hadden
aan te nemen.
Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag
voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat
het verlies van zooveel opperhuid hem 's nachts uit den slaap hield,
en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd
door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten,
volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist
precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de
tijd werkelijk kwam.
Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het
heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hij eindigde bij Maoeki en
in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen
den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt
noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van
den kop in Maoeki's gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te
rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen
gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte
koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker
en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten,
terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den
kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles
in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging,
en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en
gaf geen bevelen. Dit was Maoeki's kans, maar nog steeds wachtte hij.
Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende
was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige
lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen
ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn
twee ministers.
"Dit Bunster, hem goed jij hou van 'm veel?" vroeg hij. Zij verklaarden
hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De
ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en
het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid
varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.
"Jij snap mij--mij groot meester mij land. Jij niet hou van 'm
dit wit meester. Mij niet hou van 'm. Veel goed jij doe honderd
kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem
afgeloopen, jij ga slaap 'm goed. Allemaal Kanaka slaap 'm goed. Zoo
gauw groot lawaai bij huis, jij niet snap hoor 'm dat lawaai. Jij
allemaal slaap sterk te veel."
Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.
Toen beval hij Bunster's vrouw terug te keeren naar het huis van haar
familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn
geweest, want zijn _tambo_ zou hem niet toegestaan hebben haar beet
te pakken.
Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar
de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee
revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De
eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen
die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.
"Goed, hè?" grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de
eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht
schoon raspte. "Lach, verdomme, lach!"
Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka's, verscholen in
hun huizen, hoorden het "groot lawaai" dat Bunster maakte en een paar
uren lang bleef maken.
Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en
ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het
was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk
wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde,
tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de
schroeiende zon.
Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het
hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje
van den kotter.
Zoo vast sliepen de Kanaka's dien langen, heeten dag, dat zij niet
zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette
naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de
kotter niet gezien op den langen overtocht naar de kust van Isabella
en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar
Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en
tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef
daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het
oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen,
waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste
aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de
dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki's broer in
Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie
die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen
van Malaita.
Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki's
vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag
bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering
bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig
was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de
onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige
blanke die gedurende Maoeki's regeering zich waagde in het oerwoud
en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht
zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs
in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van
zekere geweren en kisten tabak.
Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal
zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog
veel andere dingen--geweren en revolvers, het oor van een porseleinen
kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar
kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig
gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigen baard, dat
bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava's. Als Maoeki ten oorlog
trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te
voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en
plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood
over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het
hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en
aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.
"JAH! JAH! JAH!"
Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn
eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur 's morgens, en hij
herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door
tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij
sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien
uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik
bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter
gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort,
dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste,
gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.
Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn
stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral
was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit
een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in
Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden,
en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld,
dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat
tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij
praatte, _zon hij kom op_, zonsopgang; _kai-kai hij blijf_, dat het
diner klaar was; en _buik van mij loop rond_ wilde zeggen dat zijn
maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog
ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden
drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein,
levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf
bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een
windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.
Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij
regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men
stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend
Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er
genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond
wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste
land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra
te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes
doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn
zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga,
en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij
was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide
zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe,
de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het
andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister
zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een
zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei
McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot
een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet
betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.
En toch hielden de koning en zijn volk niet van
McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft,
dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie
maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels
die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien
McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen
macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes
voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch,
een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en
ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar
McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had
nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem
voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan
blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen
vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de
ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor,
dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen
zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield
van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij
leefde nog steeds.
Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend
inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden
dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven
was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en
oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden
van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie--spaden
voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen
bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die
nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een
walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de
overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na
schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden
was de walvischvaarder _Blennerdale_, die de lagune binnenliep
om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier
had de bemanning van de _Gasket_, een sandelhoutvaarder, den dood
gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de _Toulon_, die
overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen
na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de
Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden
ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die
spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit
alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan
het vinden in de _Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee_. Maar
dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog
ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag,
waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen
despoot in het leven lieten.
Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken
over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter
onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand,
donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren
op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie
gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze
hoofden. Er was geen wind--zelfs geen vleugje. Het seizoen van den
zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was
nog niet begonnen te waaien.
"Hun danserij is geen klap waard", zei McAllister.
Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de
Papoea's stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden
dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik
zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.
"Ik zal het je bewijzen", kondigde hij aan, en wenkte den zwarten
jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed
als kok en huisbediende. "Hee, jij, jongen, jij zeg'm een koning kom
bij mij."
De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op
zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen
ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.
"Koning hij veel sterk slaap", was zijn slotperiode.
Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een
oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning
in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning,
die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken
hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van
Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn
oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee
gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers
uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze,
twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren
ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk
liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.
De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets
afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn
heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen
voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn
onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.
Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling
die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen
koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard
waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak
had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven
staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man
onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan
mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De
man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk
af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in
bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van
McAllister's macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man
af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel
geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.
Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man
die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem
buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij
overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel
op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een
oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.
"Wat naam jij Kanaka altijd 't zelfde klein?" begon ik met hem. "Dat
koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als 'm hond
veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft 'm tand
bij hem. Wat naam jij bang te veel!"
"Stel veel Kanaka maak dood 'm?" vroeg hij.
"Hij dood", zei ik. "Jij Kanaka maak dood 'm veel wit man lang tijd
geleden. Wat naam jij bang dit wit man?"
"Ja, wij maak dood 'm veel", was zijn antwoord. "Mijn woord! Allemaal
veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip
hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak 'm kano,
veel kano, wij gaan pak 'm dat schip. Mijn woord--wij pak 'm groot
vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom
langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien
(vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie
wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet
dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit
man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal
samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij
spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij
sterk. Hij gooi 'm een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit
vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit
vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang."
De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte
hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een
kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn
af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte
dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een
verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong
overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn
lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord
en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans
opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate
ze dieper zonken. Tien vadem--zestig voet--, het was niets voor hem,
een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop
van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan
een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam
aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano;
lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.
"Het kan zijn", zei ik, onbarmhartig. "Jij niet bang lang geleden. Jij
veel bang nu bij dat koopman."
"Ja, veel bang", bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van
het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend
onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen
er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt
waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien
hun weg zouden vervolgen.
"Ik praat jij waar", zoo verbrak Oti het zwijgen, "dan jij snap wij
bang nu."
Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in
vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder,
in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het
van Oti's lippen kwam.
"Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met
de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij
hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was
dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden
verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een
goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig,
kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het
was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en
misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan
boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag
voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten
verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze
de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen
die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen
van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.
"Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die
den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en
het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen
de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak
was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren
moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op
den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman,
met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten
overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de
schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten
dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.
"Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde,
en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was,
dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af,
duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano's. Ook bliezen
we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien
tegen de zijden van de kano's. Wat voor kans had één blanke en drie
zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.
"Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een
oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden
in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels
zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan
een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen
die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van
visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden
tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar
ben je eigenlijk goed voor?
"Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten,
en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten
als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet
niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt,
en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.
"Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de
zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den
schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar
de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig
man zou zee kiezen in zoo'n kleine boot. De boorden waren geen tien
duim boven het water. Twintig kano's gingen hem achterna, gevuld
met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn
zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.
"Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en
hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht
bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had
hij geen kans.
"Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig
voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer,
stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar
ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons,
snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van
de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben,
omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms
ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de
kano's. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was
het uit met die kano. Van de twintig kano's werd de helft in stukken
geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee
mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De
andere kano's keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons
'Jah! Jah! Jah!' achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn
geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug
terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot
door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman
was een duivel.
"En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg
was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit
en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik
ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig
met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur
te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar
we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer
van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden
dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen:
'Jah! Jah! Jah!' Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.
"De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was
zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo'n kleine boot,
met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand
ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in,
kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor
het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering,
en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden
nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen
alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano's
en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te
drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano's, begonnen de mannen
aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden
zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de
verschansing springen en dansen en gillen: 'Jah! Jah! Jah!'
"Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze
liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook
de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet
dood geschoten waren ontsnapten in de kano's en pagaaiden de lagune
op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den
middag zagen we een massa kano's die van Nihi kwamen, het dorp dat in
het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog
van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door
een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.
"Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen,
naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en
we liepen op een groote vloot kano's. Dat was alles was er van Paoeloo
over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was
binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman
met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden
bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan
hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen
straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie
dorpen waren weggeveegd.
"En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den
morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De
passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano's bij twintigtallen
in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten
weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó
talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen
manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.
"En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In
den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag,
of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere
eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet
meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk
en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in
één van de twintig kano's vol mannen die niet bang waren voor den
dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons
neer. Ze lieten dynamiet in de kano's vallen en toen het dynamiet op
was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden
de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano's
werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste
op en neer boven op de kajuit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!'
"Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken
of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd
met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge
stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er
vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn
vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog
maar drieduizend man, zooals je zult zien.
"Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te
jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En
vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren
ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze
dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden
de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid
die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet
terug konden."
"Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune
had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog
leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter
lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten
de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan
de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We
stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de
stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!',
totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn
schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen
eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De
kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de
gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water
om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons
neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee
in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het
strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar
de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten
toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat
we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te
nemen die was gekomen om tripang te visschen.
"In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie
schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren,
allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat
het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren,
vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat
we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze
onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen
en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd
lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf
ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra
en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben,
en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in
het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En
toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en
lachte ons uit, en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Daarna pagaaiden we weg
in onze kano's en zochten water.
"En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en
kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook
in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong,
terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die
dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het
heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.
"Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en
onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons
allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze
erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den
tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet
meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden
de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons
te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel
sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken
als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna
lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Toen
werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand,
aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun
zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon's.
"De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel
die de schippers ons achterna hadden gestuurd."
"Er kwam een groote ziekte", onderbrak ik, want ik zag de truc. De
schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er
opzettelijk aan blootgesteld.
"Ja, een groote ziekte", ging Oti door. "Het was een machtige
duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets
gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die
duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik
heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en
schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging,
waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we
van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.
"Dat koopman", besloot Oti, "hij als 'm zooveel vuil. Hij als 'm
mossel, hij dood _kai-kai_ hij blijf, vasthouden 'm allemaal veel. Hij
als 'm hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij
dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij
veel broeder blijf bij hem, wit man als 'm jij vecht als hel. Wij niet
bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem
en Kanaka wil 'm maak dood 'm, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw:
'Jah! Jah! Jah!', en Kanaka niet maak dood 'm."
Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden
van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas
zonken in witte vlammen naar den bodem.
"Haai rondloop hij afgeloopen", zei hij. "Ik denk wij pak 'm veel
visch."
Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet
een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. "Zon
hij kom op, ik maak 'm dat verdom koopman een kadoo groot visch",
zei Oti.