MAOEKI.

Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger,

en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart

of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon

van een dorpshoofd. Hij had drie _tambo's._ Tambo is Melanesisch voor

_taboe_ en volle neef van dat Polynesische woord. De drie _tambo's_

van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een

hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke

eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten

noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op

gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch

varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond

al was het maar zooveel als een tand.

Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of

misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één

enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker

tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd

opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is

een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland

in de Salomon-groep--zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog

geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de

eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne

koelie-wervers, uitgerust met automatische geweren en benzine-motoren,

zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door

tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog,

in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers,

die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden

om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de

buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen

van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om

op plantages te werken.

Maoeki's ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op

twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere

gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd

om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen

gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk

ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw

berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was

universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij

zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen,

hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten

platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode

hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte

voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn

eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar

duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op

een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van

een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden

ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.

Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig

gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook

bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.

Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en

vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig

en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht

en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen

kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die

zoo'n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet

konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding,

onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden

in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid

verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.

Maoeki's vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat

Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij

kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open

boek. Van kano's had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij

een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang

zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet

water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners,

die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna

zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in

het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij

werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen,

overal verspreid over de randen van Malaita's bergketens, waarvan de

rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat

de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het

binnenland. Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland

van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud

werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu

naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.

Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa

gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was

een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was

een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker

kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe

water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag

twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit,

en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van

drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen

kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar

de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er

twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag

hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af,

vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna,

en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen

in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp,

mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het

diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen

aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak

en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt,

de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.

Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder

tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang geworden om te gaan teekenen

op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki,

naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist

tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen,

calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op

de plantages.

Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener

brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke

waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden

zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in

alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van

vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel

als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het

gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van

den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke

menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in

hun bezit--geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten,

dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen

wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen

praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een

speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit

zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.

Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene

blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de

andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en

lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip

was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen

hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even aan

met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen

op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet

uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering

der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel,

de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.

Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen,

en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit

Maoeki's haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een

lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.

Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden

had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet

op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen

en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat

werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals

nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd

en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En

het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan

aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag

uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken

voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen

kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker,

en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor

straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in

de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden,

of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.

Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee

hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche koelies die

anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook

leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun

woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak

zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat

ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed,

en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit

hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam

voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden

en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van

zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje

werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs

als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze

nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.

Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de

zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij

uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had

zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij

week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting

zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin

naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij

werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.

Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van

Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten

zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die

in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er

twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven

glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in

de sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen

gehouden--zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn

te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond

vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed

om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.

Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot

huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was

het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky

op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed

het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar

dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel

voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en

omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de

geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer

hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden

nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval

uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op

het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd

verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met

een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist

dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.

De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij

reisden 's nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen,

onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere

eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot

ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar

het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,

bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita

was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden

ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet

halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar

het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang

waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki

en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote

blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke

meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één

voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien

nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij

teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven

glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was

geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De

boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van

weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk

moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder

bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.

Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij

op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de

Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust

van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had,

gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een

week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand

in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen,

en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning

van vijfhonderd stokken tabak uit, en telkens als Maoeki zich op

het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de

kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk,

nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen

werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu

vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar,

en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht

maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.

Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te

berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan

naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt

terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby,

de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem

als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de

Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde

ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen

werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener

deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal,

waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en

in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden,

vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde,

werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar

Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield

tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon

de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den

vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de

maatschappij in de schuld stond was zes.

Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen

in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar

ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en

ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van

de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki

werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht

maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener

binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door

een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem

stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem

overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak

die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem,

en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.

"We zullen hem naar Lord Howe sturen", zei mijnheer Haveby. "Bunster

zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik

stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki,

en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn."

Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal

naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de

glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit

rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen

in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte,

en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den

zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol

koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch

tot de Salomon's. Het is een atol, terwijl de Salomon's hooge eilanden

zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners

van de Salomon's Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den

grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van

heden doorgaat en groote kano's met vlerken op zijn stranden spoelt

met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming

van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.

Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms

genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen,

en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke

zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De

vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch

zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De _Zeilaanwijzingen_

spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen

die de _Zeilaanwijzingen_ samenstellen hebben nooit gehoord van

de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die,

enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens

vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige

overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie

koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden

hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke

te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden,

en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners

zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van

dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen

om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien

werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand,

de kano's vernield, de kippens en varkens doodgeschoten, en de kostbare

kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden

de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten

van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om

een blanke kwaad te doen.

Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor

de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij

had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag

uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat

de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid

een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote,

zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.

Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij

was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar

dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn

bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de

maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er

een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen,

sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak

terug op den schoener die hem gebracht had.

De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen

was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig

vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar

Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje--tien dagen lang,

aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een

gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los;

onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven

op hem te dansen. Bang voor wat er zou gebeuren als zijn slachtoffer

beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij

zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die

al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.

Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde,

de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing

met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen

stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen

de schoener vertrok, riep hij de Kanaka's [1] op het strand en daagde

hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde

een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka's legde hij,

maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een

kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.

En zoo begon Bunster's heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen

woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven,

zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en

kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden

dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich

achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden

in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil

besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.

En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te

werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep,

goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster

woog tweehonderd pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was

een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En

beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.

Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten

werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend

aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die

veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd

zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet

verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki,

en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn

bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en

een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen

huisjongen.

En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden

dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan

koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar

Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug

zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op

(het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad

de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn

mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij

sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en

lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over

de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning

brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa,

en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.

"Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!" schreeuwde

de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de

gebroken leuning.

Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich

stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens

afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de

boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken

bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam

waarom Bunster een derde vrouw had genomen--met geweld, zooals algemeen

bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof

onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden

voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster

hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder

twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.

Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van

den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als

Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als

hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij

ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem

al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te

zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en

meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De

dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich

de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande

dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud

was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou

het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip

brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om

zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden

hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de eerste de beste gelegenheid

om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter

niet omsloeg.

Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was

zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?

Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag

en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter

zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden

keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te

vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met

zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het

bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En

Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.

Alle andere blanken hadden zijn _tambo's_ geëerbiedigd; Bunster

niet. Maoeki's wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster

gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te

nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn

tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd

voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond

liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen

die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren

_tambo_. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken,

en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de

jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij,

en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest

om hem te vervangen.

Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige

lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een

andere grap was onverwachts, als hij er het minst op verdacht

was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki's vleesch

te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden

keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij,

rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki's neus, en scheurde zoo zijn

geheele neustusschenschot stuk.

"O, wat 'n smoel!" was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag

die hij had aangericht.

Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog

is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt

als houtvijl om kano's en pagaaien glad te schaven. Bunster liet

een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op

Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van

Maoeki's rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn

vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de

bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst

te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.

"Lach, verdomme, lach!" zoo gaf hij de houding aan die zij hadden

aan te nemen.

Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag

voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat

het verlies van zooveel opperhuid hem 's nachts uit den slaap hield,

en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd

door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten,

volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist

precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de

tijd werkelijk kwam.

Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het

heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hij eindigde bij Maoeki en

in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen

den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt

noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van

den kop in Maoeki's gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te

rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen

gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte

koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker

en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten,

terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den

kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles

in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging,

en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en

gaf geen bevelen. Dit was Maoeki's kans, maar nog steeds wachtte hij.

Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende

was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige

lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen

ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn

twee ministers.

"Dit Bunster, hem goed jij hou van 'm veel?" vroeg hij. Zij verklaarden

hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De

ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en

het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid

varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.

"Jij snap mij--mij groot meester mij land. Jij niet hou van 'm

dit wit meester. Mij niet hou van 'm. Veel goed jij doe honderd

kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem

afgeloopen, jij ga slaap 'm goed. Allemaal Kanaka slaap 'm goed. Zoo

gauw groot lawaai bij huis, jij niet snap hoor 'm dat lawaai. Jij

allemaal slaap sterk te veel."

Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.

Toen beval hij Bunster's vrouw terug te keeren naar het huis van haar

familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn

geweest, want zijn _tambo_ zou hem niet toegestaan hebben haar beet

te pakken.

Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar

de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee

revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De

eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen

die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.

"Goed, hè?" grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de

eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht

schoon raspte. "Lach, verdomme, lach!"

Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka's, verscholen in

hun huizen, hoorden het "groot lawaai" dat Bunster maakte en een paar

uren lang bleef maken.

Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en

ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het

was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk

wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde,

tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de

schroeiende zon.

Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het

hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje

van den kotter.

Zoo vast sliepen de Kanaka's dien langen, heeten dag, dat zij niet

zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette

naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de

kotter niet gezien op den langen overtocht naar de kust van Isabella

en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar

Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en

tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef

daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het

oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen,

waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste

aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de

dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki's broer in

Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie

die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen

van Malaita.

Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki's

vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag

bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering

bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig

was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de

onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige

blanke die gedurende Maoeki's regeering zich waagde in het oerwoud

en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht

zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs

in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van

zekere geweren en kisten tabak.

Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal

zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog

veel andere dingen--geweren en revolvers, het oor van een porseleinen

kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar

kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig

gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigen baard, dat

bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava's. Als Maoeki ten oorlog

trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te

voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en

plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood

over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het

hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en

aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.

"JAH! JAH! JAH!"

Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn

eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur 's morgens, en hij

herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door

tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij

sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien

uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik

bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter

gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort,

dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste,

gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.

Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn

stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral

was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit

een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in

Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden,

en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld,

dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat

tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij

praatte, _zon hij kom op_, zonsopgang; _kai-kai hij blijf_, dat het

diner klaar was; en _buik van mij loop rond_ wilde zeggen dat zijn

maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog

ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden

drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein,

levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf

bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een

windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.

Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij

regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men

stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend

Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er

genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond

wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste

land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra

te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes

doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn

zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga,

en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij

was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide

zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe,

de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het

andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister

zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een

zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei

McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot

een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet

betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.

En toch hielden de koning en zijn volk niet van

McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft,

dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie

maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels

die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien

McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen

macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes

voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch,

een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en

ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar

McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had

nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem

voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan

blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen

vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de

ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor,

dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen

zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield

van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij

leefde nog steeds.

Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend

inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden

dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven

was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en

oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden

van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie--spaden

voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen

bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die

nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een

walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de

overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na

schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden

was de walvischvaarder _Blennerdale_, die de lagune binnenliep

om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier

had de bemanning van de _Gasket_, een sandelhoutvaarder, den dood

gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de _Toulon_, die

overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen

na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de

Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden

ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die

spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit

alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan

het vinden in de _Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee_. Maar

dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog

ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag,

waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen

despoot in het leven lieten.

Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken

over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter

onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand,

donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren

op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie

gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze

hoofden. Er was geen wind--zelfs geen vleugje. Het seizoen van den

zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was

nog niet begonnen te waaien.

"Hun danserij is geen klap waard", zei McAllister.

Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de

Papoea's stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden

dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik

zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.

"Ik zal het je bewijzen", kondigde hij aan, en wenkte den zwarten

jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed

als kok en huisbediende. "Hee, jij, jongen, jij zeg'm een koning kom

bij mij."

De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op

zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen

ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.

"Koning hij veel sterk slaap", was zijn slotperiode.

Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een

oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning

in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning,

die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken

hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van

Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn

oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee

gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers

uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze,

twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren

ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk

liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.

De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets

afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn

heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen

voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn

onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.

Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling

die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen

koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard

waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak

had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven

staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man

onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan

mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De

man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk

af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in

bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van

McAllister's macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man

af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel

geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.

Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man

die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem

buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij

overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel

op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een

oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.

"Wat naam jij Kanaka altijd 't zelfde klein?" begon ik met hem. "Dat

koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als 'm hond

veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft 'm tand

bij hem. Wat naam jij bang te veel!"

"Stel veel Kanaka maak dood 'm?" vroeg hij.

"Hij dood", zei ik. "Jij Kanaka maak dood 'm veel wit man lang tijd

geleden. Wat naam jij bang dit wit man?"

"Ja, wij maak dood 'm veel", was zijn antwoord. "Mijn woord! Allemaal

veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip

hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak 'm kano,

veel kano, wij gaan pak 'm dat schip. Mijn woord--wij pak 'm groot

vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom

langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien

(vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie

wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet

dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit

man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal

samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij

spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij

sterk. Hij gooi 'm een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit

vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit

vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang."

De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte

hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een

kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn

af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte

dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een

verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong

overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn

lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord

en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans

opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate

ze dieper zonken. Tien vadem--zestig voet--, het was niets voor hem,

een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop

van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan

een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam

aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano;

lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.

"Het kan zijn", zei ik, onbarmhartig. "Jij niet bang lang geleden. Jij

veel bang nu bij dat koopman."

"Ja, veel bang", bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van

het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend

onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen

er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt

waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien

hun weg zouden vervolgen.

"Ik praat jij waar", zoo verbrak Oti het zwijgen, "dan jij snap wij

bang nu."

Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in

vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder,

in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het

van Oti's lippen kwam.

"Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met

de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij

hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was

dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden

verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een

goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig,

kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het

was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en

misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan

boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag

voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten

verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze

de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen

die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen

van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.

"Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die

den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en

het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen

de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak

was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren

moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op

den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman,

met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten

overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de

schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten

dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.

"Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde,

en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was,

dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af,

duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano's. Ook bliezen

we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien

tegen de zijden van de kano's. Wat voor kans had één blanke en drie

zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.

"Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een

oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden

in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels

zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan

een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen

die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van

visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden

tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar

ben je eigenlijk goed voor?

"Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten,

en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten

als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet

niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt,

en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.

"Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de

zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den

schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar

de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig

man zou zee kiezen in zoo'n kleine boot. De boorden waren geen tien

duim boven het water. Twintig kano's gingen hem achterna, gevuld

met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn

zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.

"Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en

hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht

bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had

hij geen kans.

"Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig

voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer,

stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar

ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons,

snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van

de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben,

omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms

ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de

kano's. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was

het uit met die kano. Van de twintig kano's werd de helft in stukken

geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee

mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De

andere kano's keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons

'Jah! Jah! Jah!' achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn

geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug

terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot

door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman

was een duivel.

"En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg

was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit

en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik

ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig

met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur

te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar

we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer

van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden

dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen:

'Jah! Jah! Jah!' Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.

"De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was

zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo'n kleine boot,

met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand

ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in,

kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor

het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering,

en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden

nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen

alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano's

en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te

drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano's, begonnen de mannen

aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden

zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de

verschansing springen en dansen en gillen: 'Jah! Jah! Jah!'

"Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze

liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook

de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet

dood geschoten waren ontsnapten in de kano's en pagaaiden de lagune

op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den

middag zagen we een massa kano's die van Nihi kwamen, het dorp dat in

het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog

van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door

een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.

"Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen,

naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en

we liepen op een groote vloot kano's. Dat was alles was er van Paoeloo

over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was

binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman

met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden

bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan

hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen

straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie

dorpen waren weggeveegd.

"En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den

morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De

passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano's bij twintigtallen

in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten

weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó

talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen

manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.

"En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In

den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag,

of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere

eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet

meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk

en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in

één van de twintig kano's vol mannen die niet bang waren voor den

dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons

neer. Ze lieten dynamiet in de kano's vallen en toen het dynamiet op

was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden

de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano's

werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste

op en neer boven op de kajuit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!'

"Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken

of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd

met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge

stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er

vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn

vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog

maar drieduizend man, zooals je zult zien.

"Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te

jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En

vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren

ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze

dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden

de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid

die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet

terug konden."

"Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune

had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog

leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter

lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten

de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan

de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We

stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de

stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!',

totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn

schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen

eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De

kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de

gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water

om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons

neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee

in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het

strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar

de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten

toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat

we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te

nemen die was gekomen om tripang te visschen.

"In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie

schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren,

allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat

het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren,

vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat

we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze

onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen

en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd

lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf

ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra

en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben,

en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in

het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En

toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en

lachte ons uit, en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Daarna pagaaiden we weg

in onze kano's en zochten water.

"En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en

kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook

in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong,

terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die

dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het

heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.

"Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en

onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons

allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze

erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den

tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet

meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden

de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons

te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel

sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken

als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna

lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Toen

werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand,

aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun

zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon's.

"De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel

die de schippers ons achterna hadden gestuurd."

"Er kwam een groote ziekte", onderbrak ik, want ik zag de truc. De

schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er

opzettelijk aan blootgesteld.

"Ja, een groote ziekte", ging Oti door. "Het was een machtige

duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets

gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die

duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik

heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en

schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging,

waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we

van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.

"Dat koopman", besloot Oti, "hij als 'm zooveel vuil. Hij als 'm

mossel, hij dood _kai-kai_ hij blijf, vasthouden 'm allemaal veel. Hij

als 'm hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij

dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij

veel broeder blijf bij hem, wit man als 'm jij vecht als hel. Wij niet

bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem

en Kanaka wil 'm maak dood 'm, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw:

'Jah! Jah! Jah!', en Kanaka niet maak dood 'm."

Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden

van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas

zonken in witte vlammen naar den bodem.

"Haai rondloop hij afgeloopen", zei hij. "Ik denk wij pak 'm veel

visch."

Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet

een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. "Zon

hij kom op, ik maak 'm dat verdom koopman een kadoo groot visch",

zei Oti.

Verhalen van de Zuidzee · 第 11 / 16 题