Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij
in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder
bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar
was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen
met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij
doorgedrongen, want de _Petite Jeanne_ was tamelijk overladen. Behalve
de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en
ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van
Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers--menschen uit
de Paoemotoe's en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen
voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te
zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.
Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe's was voorbij,
en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers,
waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen,
één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één
was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half
dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had
reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen
had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een
poosje rust en plezier in Papeete.
Natuurlijk was de _Petite Jeanne_ overladen. Zij mat maar zeventig
ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan
boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met
parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen
werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen
het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij
klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. 's Nachts liepen
ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de
planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek,
en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen
kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan
beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant,
waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon
zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen
bananen opgehangen.
Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den
overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn
geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze
waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg
in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den
geheelen nacht en den geheelen volgenden dag--een van die glasachtige,
gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn
oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn
te krijgen.
Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het
Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat
seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe
er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen
gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren
er--pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.
Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog
minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een
blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren--dat is
te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien
nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier
inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand
heeft ooit meer iets van hen gehoord, 's Morgens liet de kapitein
direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.
Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen
vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende
wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld
vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein--Oudouse
heette hij, een Franschman--werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij
kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het
was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog,
en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden,
geleiachtigen berg van vet.
De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de
Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie
was mooi--namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in
alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk
tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet
bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte
werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon
beperkte zich tot één borrel per dag.
Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde,
stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien,
die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in
een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer
te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.
Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood,
beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog
maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden,
en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze
bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog
een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden
gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.
Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was
maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter
zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met
mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er
levend doorheen kwamen. De andere was de heiden--tenminste zoo hoorde
ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust
werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.
Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de
parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek
die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe's
was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen
29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag,
gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te
ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.
Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg
slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien
dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend,
de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in,
bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte
op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij
ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten
zuiden van den Equator, als--en daar zat hem de knoop--als men niet
pal in den weg van een wervelstorm ligt.
Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het
gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den
barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over
stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan
was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van
hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik
de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat
verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van
de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was
wat zij dachten, en ik wist het.
Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en
ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de _Petite Jeanne_
schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer
ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De
reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond
was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen,
de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden
langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.
De tweede zee vulde het dek van de _Petite Jeanne_ gelijk met de
verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar
boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en
bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in
alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren,
schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en
krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost,
maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen
los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op
vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam,
sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon
en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen
één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel,
als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad
en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in
een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)--zij
moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben--werd tegen
hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka
roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte
de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater
die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de
verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg
schoten ze--vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat
ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over
de reeling ging en zonk.
De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad
aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op
het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde,
half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar
waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout
van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers
slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen
en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel
plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.
Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat
wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te
beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind
was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik
zeg, _hij scheurde ze er af_, en ik meen het. Ik vraag niemand het
te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er
zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen
geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het
hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige
er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.
Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat
zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig,
zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat
zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de
dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan
men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.
Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als
modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is
nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op
zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken
te zamen.
Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om
uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het
is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken
van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij
mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving
te wagen.
Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was
geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof
de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en
werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht
was geweest.
Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse
had iets op de _Petite Jeanne_ dat ik nooit eerder had gezien
aan boord van een Zuidzee-schoener--een drijfanker. Het was een
kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door
een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de
manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een
vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef
juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening
naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het
resultaat was dat de _Petite Jeanne_ met den kop op den wind lag en
op het beetje zee dat er stond.
De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op
den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf
scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en
maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog
mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van
het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte
er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze
verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan
den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht
het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap
dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het
was een afschuwelijke gewaarwoording.
Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren
geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens,
werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof
ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle
richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen
anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar
de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een
oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.
Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees,
sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die
onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het
windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen
uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang
te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den
boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het
waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig
voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen
mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het
waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig
voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij
gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen,
uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal,
op alle mogelijke manieren.
Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en
vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen
tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd
had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde
verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden
zeewater.
De _Petite Jeanne_? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat
hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt,
wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal
vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend,
hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam,
ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de _Petite Jeanne_
in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit
mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over
dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind
blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger,
en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig
waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige
bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken
gevoed had.
Het was ongeveer twaalf uur 's middags toen de _Petite Jeanne_ uit
elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een
van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik,
en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het
hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en
ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet
terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht,
en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te
ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel
water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een
beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden
en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder,
op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten
om het bezit van het luik--de Franschman tenminste.
"Païen noir!" hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem
den Kanaka schoppen.
Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen,
en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof
den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half
bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde
zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een
veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp,
schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn
handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen
van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.
"'t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen,
jou blank beest!" gilde ik.
De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe
voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep
ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.
Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O--to--o); ook
vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke
van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik
het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag,
had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af
geschopt voor zijn moeite.
En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend
van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch
van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een
gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij
had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem
kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik
bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een
vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die
eenmaal begonnen was. En het was "pas op voor ondiepten" als Otoo
eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King
deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de
kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot
beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige
gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met
zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en
sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof
niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop
Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een
gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets
van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen;
en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen
van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.
Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met
elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en
rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich
alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten,
beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op
het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik
ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat
wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst,
maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo
verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.
Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag
ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut
voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo
kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond
gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor
den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden
boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.
Wij waren de eenige overlevenden van de _Petite Jeanne_. Kapitein
Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen
later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week
lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den
Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden
wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie
twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan
ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.
"Het is goed", zei hij in het Tahiti'sch. "Want wij zijn twee dagen
lang kameraden geweest op de lippen van den Dood."
"Maar de Dood stotterde", glimlachte ik.
"Het was een dappere daad, meester", zei hij weer, "en de Dood was
niet gemeen genoeg om te spreken."
"Waarom zeg je toch meester tegen mij?" vroeg ik, een beetje
geraakt. "Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor
mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd,
Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven,
en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht,
zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou."
"Ja, meester", antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van
vreugde.
"Daar doe je het weer!" riep ik boos.
"Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?" betoogde hij. "Dat zijn
mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan
mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij
mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de
sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het
goed, meester?"
Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.
Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en
hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes
weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had
mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging,
en het varen op verre reizen er aan zou geven.
"Waar gaat u heen, meester?" vroeg hij, na de eerste begroeting.
Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.
"De heele wereld," was mijn antwoord,--"de heele wereld, de heele zee,
en al de eilanden die in de zee liggen."
"Ik ga met u mee", zei hij eenvoudig. "Mijn vrouw is dood."
Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb
van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer
had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader
en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker
man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen,
maar in Otoo's oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik
mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat
hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering;
en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond
van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte
aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij
zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd,
niets te doen dat dien trots kon beschamen.
Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij
oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon
ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder
was dan mijn allerbeste.
Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang
stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep,
verpleegde mij als ik koorts had of gewond was--ja, hij ving wonden
voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde
schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot
Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen
nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de
Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot
ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden--in de
Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji's. En wij
handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met
parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande
schepen.
Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij
zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er
was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui,
handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op
de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en
zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan
behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit
kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn
huis bereikte.
In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei
ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig
had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel
toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds
"thuisbracht". Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat
in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet
alleen wat ik deed.
Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en
stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst
was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten
onder de druipende mango's zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij
maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En
hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen
op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove
materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij
geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden
waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige
doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde
dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.
Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon
schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk
speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de
gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven
aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel
was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij
geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen
waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.
Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor
mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In
het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in
mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld
in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar
landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik
wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete
wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden,
en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den
zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van
alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was,
mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende
gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het
was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet
gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn
neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de
eerste boot naar Auckland.
In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk
dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt
onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn
bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste
kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman,
totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk,
mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de
prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek
boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle
nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor
mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo
er niet geweest was.
Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige
ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de
Paoemotoe's. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa--wij
waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond--toen mijn kans
kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo
monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op
even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo
zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het
werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op
het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet
uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver,
ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van
het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen
landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank
en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag
onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend:
de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs
de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen
en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan
en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de
wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes
waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook
was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de
eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn
hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens,
herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen
de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen,
maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de
anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal,
groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak,
kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.
Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de
schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en
veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp
in de vier uren die volgden.
Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita,
het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon's. De inlanders
waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten
dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met
de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn
koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral
veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou
de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk;
en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan,
het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals
gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.
Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het
mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn
lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die
in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen
op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er
mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat
ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende
slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.
Toen kwam Otoo--Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had
hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen
had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in
de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl
hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en
hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de
knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar
als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en
met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij
kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester,
en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar
den schoener en verzorgden onze wonden.
Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou
op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering,
als hij er niet geweest was.
"U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld," zei
hij op een dag. "Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar
wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in
staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de
blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel
oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen
net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en
wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.
"Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in
het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op
een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd
dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien
dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk
hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange
flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een
riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik
ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor
u zou zijn om navigatie te kennen."
Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op
mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando
dan ik zelf. Later was het weer:
"De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op
het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt
beter betaald--de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en
zijn rijksdaalders omdraait."
"Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan
heb je nog maar een ouden," wierp ik tegen. "Ik zou een oud man zijn
vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard."
"Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken", ging hij
door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren
op dat oogenblik in de Salomon's, bezig ivoornoten te laden langs de
oostkust van Goeadalcanar.
"De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee
mijlen" zei hij. "Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu
niets waard. Het volgend jaar--wie weet? of het jaar daarna, zullen
er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is
uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U
kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor
tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider,
wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte
bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt
u het land en wordt eigenaar van een schip."
Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel
eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met
de graslanden op Goeadalcanar--twintigduizend morgen huurde ik voor
negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een
miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik
ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het
Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van
de _Doncaster_ was zijn werk--ik kocht het wrak voor honderd pond
in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten
betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de
cacao-onderneming op Oepoloe.
Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik
had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo
bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde
door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een
shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om
zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De
eenige manier om hem terug te betalen was met liefde, en de hemel
weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen
vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw
zeker zijn verderf zijn gewest.
De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien
ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren
loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze
nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de
lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en
de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten
heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn
zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep
op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb
sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was
geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.
"Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen--het zijn daar allemaal
Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora," zei
hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een
bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen
schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te
geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze
reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.
Ik zeg met een van _onze_ schoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens
de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen
vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.
"Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat de _Petite Jeanne_
gezonken is", zei hij eindelijk. "Maar als uw hart het begeert zullen
wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen,
en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel
als ik wil--en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor
mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt
ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke
menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken
en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet
zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten
boekhouder op het kantoor."
Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later
was ik gedwongen aanmerkingen te maken.
"Charley", zei ik, "je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent,
een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons
compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder
heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies
zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen."
"Heb ik nog wat te goed?" vroeg hij angstig.
"Ik zeg je toch, duizenden en duizenden", antwoordde ik.
Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.
"Het is goed", zei hij. "Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als
ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen
cent aan mankeeren."
"Als er wat aan mankeert", voegde hij er fel bij, na een pauze,
"moet het uit het loon van den boekhouder komen."
En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij
tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe
van den Amerikaanschen consul.
Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke
verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon's, waar wij ons wildste
werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug
waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar
onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er
misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.
Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten
te verzamelen.
Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen
om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om
de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware
verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in
een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding
omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen
er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was
juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te
schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel
hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder
water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai
had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten
uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en
sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het
gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen
dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind,
rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.
Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen,
in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een
van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen
zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water
stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van den man die bij de
kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek
juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag
schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij
nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel,
hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het
mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die
manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.
Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was
die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij
het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij
ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in
ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo
vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd
verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling
toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn
twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna
onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij,
en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte
ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten
mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt
zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder
mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog
tot den schouder.
Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop
op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was
in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging,
toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.
"Zwem naar den schoener, meester!" zei hij. En hij sprak vroolijk,
alsof de heele zaak maar een grapje was. "Ik ken de haaien. De haai
is mijn broeder."
Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen
bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai,
verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.
"De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen," legde
hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen
aanval af te slaan.
Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met
mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend
lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons
bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon
brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken,
maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had
Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.
Maar hij bleef bij mij.
"Dag Charley! Ik ben er geweest!" kon ik nog juist hijgen. Ik wist
dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen
omhoog gooien en zinken zou.
Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:
"Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg
beroerd maken!"
Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op
mij af te komen.
"Een beetje meer naar links!" riep hij even later. "Er ligt daar een
lijn op het water. Naar links, meester, naar links!"
Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed
als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een
uitroep van boord. Ik keerde mij om en keek rond. Er was geen spoor
van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn
twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.
"Otoo!" riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde
in zijn stem.
Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren,
noemde hij mij bij dien naam.
"Dag Otoo!" riep hij.
Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen,
waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.
En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt
had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den
muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar
tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee
mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van
zijn verheven zitplaats iedere mensch ziet vallen, dan zal zeker in
zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.