Het was in de eerste dagen op Fidzji, dat John Starhurst opstond
in het missie-huis bij het dorp Rewa en kond deed van zijn plan het
Evangelie te brengen in heel Viti Levoe. Viti Levoe nu beteekent het
"Groote Land", omdat het het grootste eiland is in een groep die
uit veel groote eilanden bestaat, om van honderden kleine nog maar
te zwijgen. Hier en daar waren de kusten als het ware besprenkeld
met een schaarsche bevolking van zendelingen, handels-agenten,
tripang-visschers, en gedroste matrozen, die daar een hoogst onzeker
leven leidden. De rook van de heete ovens steeg op onder hun ramen,
en de lichamen van de gesneuvelden werden langs hun deuren gesleept,
op weg naar het feestmaal.
De Lotoe, of de Aanbidding, vorderde slechts langzaam, en, dikwijls, op
de manier der kreeften. Opperhoofden die zich Christenen verklaarden
en verwelkomd werden in het heiligste der heiligen van de kapel,
hadden een ontmoedigende hebbelijkheid om terug te vallen in hun
oude gewoonte, om deel te kunnen hebben aan het vleesch van den een
of anderen geliefkoosden vijand. Eet of word gegeten was de wet van
het land geweest; en eet of word gegeten scheen de wet van het land
te zullen blijven nog voor langen tijd. Er waren opperhoofden, zooals
Tanoa Toeiveikoso, en Toekilakila, die honderden van hun medemenschen
hadden opgegeten, in den letterlijken zin van het woord. Maar onder al
die lekkerbekken stond Ra Oendre-oendre het hoogst. Ra Oendre-oendre
woonde in Takiraki. Hij hield een register van zijn culinaire
prestaties. Een rij steenen vóór zijn huis gaf het aantal menschen
aan dat hij had opgegeten. Die rij was tweehonderd en dertig schreden
lang, en het aantal steenen dat er in was bedroeg achthonderd en twee
en zeventig. Iedere steen beteekende een opgegeten mensch. Die rij
steenen zou misschien nog langer zijn geweest, had Ra Oendre-oendre
niet het ongeluk gehad een speer in het onderste gedeelte van zijn
rug te krijgen bij een schermutseling in het oerwoud van Somo-Somo,
en opgediend te worden op de tafel van Naoengavoeli, wiens zeer
middelmatige steenenrij slechts achtenveertig exemplaren telde.
De overwerkte zendelingen, uitgebrand door de koorts, volhardden
koppig bij hun taak, soms alle hoop opgevend en vooruitziend naar een
bijzonder teeken van Gods macht, een uitbarsting van Pinkster-vuur,
die een prachtigen oogst van zielen zou brengen. Maar menschenetend
Fidzji was verstokt gebleven in de boosheid. De krulharige kannibalen
hadden weinig zin om hun vleeschpotten in den steek te laten zoolang
de oogst van menschelijke lichamen nog overvloedig was. Soms, als de
oogst al te overvloedig was, maakten zij misbruik van de goedheid der
zendelingen en lieten uitlekken dat er op dien en dien dag een groot
volksfeest plaats zou hebben, ter gelegenheid waarvan er geslacht zou
worden. Direct kochten dan de zendelingen de levens van de slachtoffers
met stokken tabak, vadems calico, en pinten glazen kralen. Zoo dreven
de opperhoofden een mooien handel met hun overcompleet aan levend
vleesch. Bovendien konden zij er altijd op uit trekken en nieuw halen.
Het was in dit tijdsgewricht dat John Starhurst luide verkondigde dat
hij het Evangelie zou brengen van kust tot kust van het Groote Land,
en dat hij zou beginnen met door te dringen in de bergvestingen aan
de bronnen van de Rewa. Zijn woorden werden met ontsteltenis ontvangen.
De inlandsche hulppredikers schreiden zacht. Zijn twee collega's
trachtten het hem te ontraden. De Koning van Rewa waarschuwde hem
dat de bergbewoners hem zeker zouden kai-kai-en--kai-kai beteekende
eten--en dat hij, de Koning van Rewa, omdat hij Lotoe geworden was,
zich genoodzaakt zou zien oorlog te gaan voeren met de bergbewoners.
Hij wist heel goed dat hij hen niet kon onderwerpen. Hij wist eveneens
heel goed dat zij in staat waren de rivier af te komen en Rewa te
verwoesten. Maar wat kon hij doen? Als John Starhurst volhardde bij
zijn plan om er op uit te trekken en opgegeten te worden, zou er een
oorlog komen die honderden levens zou kosten.
Later op den dag kwam er een deputatie van de hoofden van Rewa bij John
Starhurst. Hij hoorde hen geduldig aan, en redeneerde geduldig met
hen, maar week geen duimbreed van zijn plan af. Aan zijn collega's
legde hij uit dat hij niet streefde naar het martelaarschap; dat
de roep tot hem gekomen was het Evangelie te brengen op Viti Levoe,
en dat hij slechts gevolg gaf aan den wensch van den Heer.
Tegen de handels-agenten, die bij hem kwamen en zich het hevigst
van allen verzetten, zei hij: "Uw bezwaren zijn zonder waarde. Zij
bestaan alleen in het nadeel dat misschien zal worden toegebracht
aan uw zaken. Uw werk is geld verdienen, maar mijn werk is zielen
redden. De heiden van dit duistere land moet bekeerd worden."
John Starhurst was geen dweeper. Hij zou de eerste geweest zijn om
die aantijging van de hand te wijzen. Hij was bij uitstek praktisch
en gezond. Hij was er van overtuigd dat zijn zending goede resultaten
zou hebben, en hij had zijn eigen vizioenen van hoe hij de vonk van
Pinkstervuur in de harten der bergbewoners zou doen opvlammen en
hoe een nieuw, krachtig leven zou ontstaan dat zou neerdalen uit de
bergen over de lengte en breedte van het Groote Land, van zee naar zee,
en over de eilandjes te midden van de zee.
Er lichtten geen wilde glansen in zijn zachte grijze oogen, slechts
kalme vastbeslotenheid en een onwrikbaar vertrouwen in de Hoogere
Macht die hem leidde.
Eén man slechts vond hij die instemde in zijn plan, en dat was Ra
Vatoe, die hem in het geheim aanmoedigde en aanbood hem gidsen te
leenen tot aan de eerste uitloopers van de bergen. John Starhurst, op
zijn beurt, schepte groot behagen in het gedrag van Ra Vatoe. Vroeger
een onverbeterlijke heiden, met een ziel die even zwart was als
zijn daden, begon Ra Vatoe licht uit te stralen. Hij sprak zelfs van
Lotoe worden. Het is waar, drie jaren geleden had hij een dergelijk
verlangen te kennen gegeven, en hij zou de kerk zijn binnengetreden,
als John Starhurst geen bezwaar had gemaakt tegen de vier vrouwen
die hij met zich meebracht.
Ra Vatoe had economische en ethische bezwaren tegen de
monogamie. Bovendien had de spitsvondige tegenwerping van den zendeling
hem beleedigd; en om te toonen dat hij een vrij man was en een man
van eer bovendien, had hij zijn geweldige oorlogsknots gezwaaid boven
Starhurst's hoofd. Starhurst ontkwam door onder de knots door op hem
af te springen en hem vast te houden tot er hulp naderde. Maar dat
was nu allemaal vergeven en vergeten. Ra Vatoe zou in de kerk komen,
niet alleen als bekeerd heiden, maar ook als bekeerd polygamist. Hij
wachtte nog slechts, verzekerde hij Starhurst, tot zijn oudste vrouw,
die erg ziek was, zou sterven.
John Starhurst voer de traag-stroomende Rewa op in een van de kano's
van Ra Vatoe. Die kano zou hem twee dagen ver brengen, en daarna, als
het eind van het bevaarbaar gedeelte bereikt was, terugkeeren. Heel
in de verte kon men de groote, wazige bergen zien, die, hoog zich
heffend in de lucht, den ruggegraat vormden van het Groote Land. Den
geheelen dag staarde John Starhurst er naar met ongeduldig verlangen.
Soms bad hij in stilte. Ook vereenigde hij zich wel in gebed met
Naraoe, een inlandschen hulpprediker, die zeven jaren lang Lotoe
geweest was, aan één stuk door sinds den dag dat hij van den heeten
oven gered was door Dr. James Ellery Brown, voor den geringen prijs
van honderd stokken tabak, twee katoenen dekens, en een groote flesch
pijndooder. Op het laatste oogenblik, na twintig uren in de eenzaamheid
gesmeekt en gebeden te hebben, hadden Naraoe's ooren de stem gehoord
die hem zeide te gaan met John Starhurst tot de bekeering der menschen
in de bergen.
"Meester, ik zal zeker met u mee gaan," had hij verklaard.
John Starhurst had hem begroet met kalme vreugde. Voorwaar, de Heer
was met hem, dat Hij een zwak, gebroken schepsel als Naraoe zóó tot
daden wekte.
"Maar ik ben zonder kracht en geest, de zwakste van 's Heeren vaten,"
legde Naraoe uit, den eersten dag in de kano.
"Je moet geloof hebben, meer geloof," berispte de zendeling hem.
Er voer nog een andere kano de Rewa op dien dag. Maar ze bleef een
uur achter, en zorgde dat ze niet gezien werd. Deze kano was ook
eigendom van Ra Vatoe. In die kano was Erirola, de neef en vertrouwde
schildknaap van Ra Vatoe; en in het kleine mandje dat nooit uit zijn
hand kwam, was een walvischtand. Het was een prachtige tand, volle
vijftien duim lang, en mooi evenredig gevormd; en het ivoor was geel
en paars geworden van ouderdom. Die tand was eveneens eigendom van Ra
Vatoe; en wanneer er op Fidzji een dergelijke tand rond gaat, gebeurt
er gewoonlijk iets. Want dit is de kracht van den walvischtand: Al wie
hem aanneemt kan het verzoek dat er mee gepaard gaat of er op volgt
niet weigeren. Het verzoek kan alles zijn, van een menschenleven tot
een stamverbond, en geen Fidzji-eilander is zóó dood voor eergevoel
om het verzoek te weigeren als de tand eenmaal is aangenomen. Soms
heeft het verzoek geen succes, of wordt de voldoening uitgesteld,
met onaangename gevolgen.
Aan het einde van den tweeden dag van zijn tocht, rustte John Starhurst
in het dorp van een opperhoofd, Mongondro genaamd, aan den bovenloop
van de Rewa. Hij dacht den volgenden morgen te voet verder te gaan,
vergezeld door Naraoe, naar de wazige bergen, die nu, dichterbij
gekomen, groen en fluweelig waren. Mongondro was een zacht gehumeurd
klein oud kereltje die zich rustig bewoog.
Hij was bijziende en lijdend aan elephantiasis, en voelde geen neiging
meer tot de beroering van den oorlog. Hij ontving den zendeling
met warme gastvrijheid, gaf hem te eten van zijn eigen tafel, en
voerde zelfs gesprekken over den godsdienst met hem. Mongondro was
nieuwsgierig aangelegd, en wilde graag alles weten, en het verheugde
John Starhurst zeer dat hij hem vroeg om een verklaring van het
bestaan en het ontstaan der dingen. Toen de zendeling klaar was met
zijn korte samenvatting van de Schepping volgens Genesis, zag hij
dat Mongondro diep geroerd was. Het kleine oude dorpshoofd zat een
tijdlang zwijgend te rooken. Toen nam hij de pijp uit zijn mond en
schudde droevig zijn hoofd.
"Het kan niet zijn", zei hij. "Ik, Mongondro, was in mijn jeugd een
goed werkman met de dissel. En toch had ik drie maanden noodig om
een kano te maken, een kleine kano, een heele kleine kano. En jij
zegt dat al dit land en water gemaakt is door één man--"
"Neen, gemaakt is door één God, den eenig waren God," onderbrak
de zendeling.
"Het is hetzelfde", ging Mongondro door, "dat al het land en al het
water, de boomen, de visschen, de bosschen, de bergen, de zon, de
maan, en de sterren in zes dagen gemaakt zijn! Neen, neen. Ik zeg je
dat ik een bekwaam man was in mijn jeugd, en toch had ik drie maanden
noodig voor één kleine kano. Het is een verhaaltje om kinderen mee
bang te maken; maar geen man kan het gelooven."
"Ik ben een man", zei de zendeling.
"Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven
om te weten wat jij gelooft."
"Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen."
"Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel," mompelde de oude kannibaal
sussend.
Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop
Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem,
na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.
Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was
een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het
verzoek dat er achter zat. "Neen, neen; walvischtanden waren mooi,"
en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel
verontschuldigingen terug aan Erirola.
Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend
over het boschpad in zijn groote leeren laarzen, achter hem aan de
trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend
was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om
twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een
mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje
over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling,
en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp
na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van
den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden,
en zij wilden er niets mee te maken hebben.
Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim
pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting
van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst's
naderende komst. Bovendien was de tand mooi--een buitengewoon
exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand
werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn
beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter
hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut
den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra
Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een
geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en
de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor:
A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A
moedoea, moedoea, moedoea!
"Weldra zal er een man komen, een blanke man," begon Erirola, na de
vereischte pauze. "Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het
behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke
te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze
te sturen met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn
tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee
gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven."
De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den
Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand
aangenomen.
"Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan", bemoedigde
Erirola.
"Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,"
antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. "Mongondro zal de laarzen
hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie
of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt."
"Het is te laat", zei Erirola. "Luister! Hij komt er aan."
John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte
hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste
laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten
fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich
heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen,
ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over
alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de
eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.
De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen
boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige
rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die
nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon
dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend
in lichte slingers van den hoogen rand der bergwanden, en in weligen
overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het
verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in
één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met
den rhythmischen donder van den waterval.
Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg
te voorschijn komen.
"Ik breng u goede tijding", was de begroeting van den zendeling.
"Wie heeft je gestuurd?" repliceerde de Boeli rustig.
"God."
"Het is een nieuwe naam op Viti Levoe", grijnsde de Boeli. "Van welke
eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?"
"Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,"
antwoordde John Starhurst plechtig. "Hij is de Heer van hemel en aarde,
en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen."
"Heeft hij walvischtanden gestuurd?" was de onbeschaamde vraag.
"Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de--"
"Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,"
onderbrak de Boeli. "Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij
bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie,
een grootmoediger mensch is je vóór."
Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had
aangenomen van Erirola.
Naraoe kreunde.
"Het is de walvischtand van Ra Vatoe," fluisterde hij Starhurst
in. "Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan."
"Dat is gunstig," antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand
door zijn langen baard en zette zijn bril recht. "Ra Vatoe heeft
gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden."
Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij
zoo trouw achter aan had geloopen.
"Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden", legde Starhurst uit, "en ik ben
gekomen om u de Lotoe te brengen."
"Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben", zei de Boeli trotsch. "En
het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan."
De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar
voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis
binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten;
maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen
om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te
betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was
niet ontdaan of bang.
"Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden", zei hij tegen den
wilde. "Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad
gedaan."
Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij
niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef
zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om
zijn dood.
"Ik ben John Starhurst", ging hij kalm verder. "Ik heb drie jaren
lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee
te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij
dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben."
De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor
de daad.
De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die
allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de
zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet
hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om
den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden
toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.
"Weg met jullie", riep hij. "Goed nieuws voor de bewoners van de
kust--een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens,
zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is."
"Wacht, o Boeli," riep John Starhurst vanuit het dichtst van de
verwarring, "en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn
Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan."
"Kom dan hier," antwoordde de Boeli, "want mijn wapen is maar een
onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet
weerstaan."
De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen,
tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige
oorlogsknots.
"Kom hier, zendeling, en overwin mij," daagde de Boeli uit.
"Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen," was John Starhurst
's antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben,
kwam hij naar voren.
De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.
"In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,"
begon het betoog.
"Ik laat het antwoord aan mijn knots", was de repliek van den Boeli. En
op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij
den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen
onder de geheven knots te voorkomen. Toen, en toen voor het eerst,
wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in
te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider
stem--de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke,
die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft
opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in
de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.
"Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen," bad hij. "O, Heer! heb
medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons
om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle
menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen,
en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister,
o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek
Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji."
De Boeli werd ongeduldig.
"Nu zal ik je antwoorden", mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide
hij zijn knots met beide handen.
Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag
vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het
lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen
hij hoorde zingen:
"Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes."
"Want ik ben de voorvechter van mijn land."
"Dank! Dank! Dank!"
Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:
"Waar is de dappere man?"
Een honderd stemmen brulden het antwoord:
"Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden."
"Waar is de lafaard?" vroeg de enkele stem.
"Hij gaat het vertellen!" brulden de honderd stemmen terug. "Hij gaat
het vertellen!"
Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf
deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de
lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat
er gebeurd was.