[Auto-didact. Jeugd.] Querido is geheel een auto-didact. In 1873 werd
hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een
diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël
ging tot zijn 12e jaar op een volksschool en moest toen een ambacht
leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar
zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en
Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de
Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor
horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in
zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo'n angst
voor 't vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen
en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag
op de fabriek en verder.... studeeren. Alle vrije tijd werd besteed
aan studie, alles "zelfonderricht."
[Huwelijk.] Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd
van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier,
maar.... bleef dat slechts kort. [De zwarte tijd.] De zaken gingen
niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man
van zaken en bovendien--als vele kunstenaars--geen financier. Ten
slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte
tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te
erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen
jammer-tijd beschreven in zijn "Kunstenaarsleven."
[Kunstenaarsleven.] Kunstenaarsleven is voor een goed deel
autobiografisch: Maurice Fleury is Querido. Enkele aanhalingen uit
dezen roman kenschetsen 't leven van Maurice en tegelijk dat van
Querido na 't bankroet. "'t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg,
kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog
brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en
grauw." "Bij iedere schel vrees voor 'n plebeïsche aanval van 'n
straatcrediteurtje, 'n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, 'n
te pronk zetten als afzetters en zwendelaars." Verder wordt verteld,
hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij
zich schaamde voor de anderen op 't bureau over zijn kleeren, zijn
afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. "Op 't bureau wist ie niet gauw
genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden
zien, hoe 't bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie
's middags thuis, dan werd 't wéér brood en 's avonds wéér brood,
soms met 'n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen
knoeisel, zelfs al kon-ie 't gepoft krijgen, toch niet door zijn
keel ging." Ook Querido kreeg een baantje aan 'n krant; verslaggever
en berichtjesopscharrelaar voor "De Amsterdammer". Later mocht hij
soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de
"Controleur" en "De Kunstwereld". En daarna.... redacteur van een
tappersblaadje "Vergunningsrecht"! De kunstenaar in dienst gesteld
van de kroeg.
[Gedichten.] En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs--welk een
bewonderenswaardige, onverwoestbare energie--productie. Al vroeger
had Querido onder 't pseudoniem Theo Reeder "Gedichten" uitgegeven,
waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie
van de allerindividueelste emotie, streng was doorgevoerd. Woorden
vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor
anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten
komen de "Meditaties over literatuur en leven", uitvoerige, diepgaande
critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.
[Levensgang.] Eindelijk is 't ergste voorbij; de "Meditaties" trekken
de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan 't woord is. Men
begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken
geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk,
een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed
kende. "Levensgang" wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor
oogen. Hij wilde "uitbeelden de verdierlijking, de afschuwelijke
ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de
stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van
het revolutionnaire beginsel, mistastend bij 't begin in de keuze
van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend,
in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in
wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs
en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù
vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke,
eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot 't idealistisch
levenssentiment van den arme."
[Tendenzwerk.] Men ziet, in "Levensgang" is een socialistische
strekking--Querido werd in 1897 lid van de S. D. A. P.--en toch is
't geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van
"Levensgang" spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: "tendenzen,
dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn tot
levende vormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in
hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook", hij wil niet geven
"aangekleede principen, maar leven, schuchter, weifelend, juichend
of weenend leven. ... den zielsgang van een proletariër zelf, zijn
groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme,
toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn
onder proletariërs en dus geheel tot het levende leven behooren." De
strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van 't
werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven,
tot begrijpen van 't vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido,
de man uit het volk, die zelf "veel geleden heeft" is wel de aangewezen
kunstenaar om te laten zien "hoe goddelijk het streven der armen is,
hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn;
die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk
en al wat mooi is en grootsch in 't leven."
[Ziekte.] Toen Querido 't eerste deel van "Levensgang" geschreven had,
werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende
en overspannend werken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons
door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een
groot deel auto-biografisch is: "Zegepraal". Vooral zijn wanhoop, de
machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke,
knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En
daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd,
de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de
ziekte veranderde alles, 't geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs
dat voor 't niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido
wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam;
misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden,
zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer
in de rumoerige "Pijp" niet erg geschikt was voor een zenuwlijder,
knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht
keerde terug. Querido's energie had niet geleden: het tweede deel van
"Levensgang" was spoedig geschreven.
[Beroemd als schrijver.] In vele tijdschriften werd de roman besproken,
gunstige critieken verschenen, Querido's naam als schrijver was
gemaakt. Natuurlijk was 't ook 'n gebeurtenis van materieel belang;
zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met
zijn voorstudies van een "roman van 't land." Gedurende zijn verblijf
in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn
waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstond
Menschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van
psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar
ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan
tijdschriften en dagbladen. Redacteur van "Op de Hoogte", medewerker
aan "De Gids" en "Groot-Nederland", "letterkundig Croniqueur" van
"Land en Volk", later van "Het Handelsblad". De zwarte tijd was
voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont
zich Querido's talent in zijn meesterwerk "De Jordaan".
[Menschenwee.] Menschenwee verplaatst ons naar de Hollandsche
geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er
wordt ons in verhaald van 't leven der tuinders in 't dorpje Wiereland,
speciaal van één familie, de familie Hassel: ouë Gerrit, zijn vrouw,
de drie volwassen kinderen in huis: Dirk, Piet en Guurt en dan vooral
de oudste, al getrouwd, Kees de Strooper.
[Ouë Gerrit.] Ouë Gerrit is in vele opzichten een notabel ingezetene
van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren
en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende
tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond
kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.
[Slechte financiën.] Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst
niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben,
maar.... 't is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de
notaris laat 'n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer
los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de
oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als
nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden;
bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de
rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar
koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem
heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in 't spel, want
de rente van 't geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om
Gerrit Hassel, als 't noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de
oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z'n woede-uitbarsting,
als notaris Beemstra hem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral
gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij
een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.
"Hoho! daa's jokkes!" barst ouë Gerrit uit, plots driftig van
z'n stoel opveerend, "ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie
sien.... hai waa's d'r selfers main komme opzoeke!--Noü, noü dâ je
't weute wil.... ik zeg moâr.... daa's 'n kerel.... die help je
nie van de wal in de sloot... die gaif je nie los geld niet sonder
dâ.... dâ je ooit vraogt wort.... hoe of wâ van rinte.... moar
oa's je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil.... kraig
je de raikening thuis.... juustemint! juustemint aa's tie weut
dâ.... je da je.... niks hept!.... Nainet menair.... soo hew.... hew
je d'r al veul van onster slag stroatarm maâkt.... jai gaif d'r
losse.... duutjes.... mit vaif pèrsint.... Maàr soolang oploope.... tu
je weut.... daa't kan he? Hoho! soo hew je d'r veul van onster slag
f'rmoord.... moar.... die kukkerint.... daa's 'n fint! die hellept
d'r nou.... bai de boonestorm aa's 'n engel! Enne wai.... wai kenne
d'r van joù nie los.... wai sitte an jou vast aa's pek! weut jai? jai
haalt d'r 't fel of 'r onster oore.... hoho! jai frai d'r de noagels
van onster flees.... jullie bint bloedsuigers goàr, daa's màin weut!"
Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog
hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder
heel wat ophalen. En 't ging wel, niet alles was even goed geweest,
nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen,
waarop z'n hoop gevestigd was deden 't goed. En dan plotseling, 31
Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al 't gewas vernield,
"vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou
kon ie er misschien 'n paar honderd duizend halen." 't Is gedaan met
Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag
niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet 't ook; nu is 't tijd
te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden,
Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg
opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan
kunnen zijn en de notaris schade lijden.
[Kleptomanie.] Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de
dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper
zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone
dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om 't stelen,
een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ook gebeurt,
welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te
kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart
ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en
's nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er
heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten,
als een vrek zijn goudstukken. "Wà kon ie lolle, lolle, soo in
't donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in... Wa genot! om te
stikke!... Wâ spulle! Wâ' kon die 'r mee doen.... Nee, toch niks doen
d'r mee.... Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat 't
van sain was.... dat ie 't kaapt had van andere.... andere.... kristis,
wâ lol, wâ' salig.... So maar had ie 't gegannift van 'n aêre en nou
was 't van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet
dat toch was, dat nemen! Hoho!.... ho.... ho.... Van g'n waif, van g'n
man hield ie zoveul!.... Da gappe..... puf!.... naar je toe.... En zoo
verborgen weg duufele in je eige kelder... En dan... aas de menschen
je vrage en zegge.... Hai je al hoort?.... da's stole of dit is stole,
dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem,
hèm, mit z'n grijze kop, z'n faine naam net soo min verdenke, aa's
den bestolene self:.... en dan lol, brandend lollig van binne, dàa'
niemand je sien hep.... niemand, nooit niks!.... En dan àl maar meer
lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren,
en dan, daardoor heen, maar geniete, bij 't spreke der over.... en
wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel,
dâ hep jài nou,.... dà' lait nou stikumpies op z'n rug, bai jou...."
Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige
gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familie Bekkema,
op villa Duinzicht. 's Winters stond de villa leeg en de oude,
vriendelijke Gerrit had 't toezicht. Een post van vertrouwen. De
weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, "dat hij de heele boel voor d'r
afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder
zijn toezicht liet schoonmaken." Wat had ie al meegepikt!
Altijd loert de ouë rond, of er ook iets te gappen is. Alles is van
z'n gading, vooral alles wat blinkt. "Eergisteren nog had ie 'n paar
mooie ronde bollemanden gekaapt, 'n stel uitgeschuurde klompen en
'n nieuwe overschieter.... Zoo in de zon had ie staan blinken, de
overschieter!" Dan 't mooie gouden potloodje, dat de notaris bij
de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen
op de kermis. "Zondag van 's avonds acht, tot twaalf had ie d'r
rondgekuierd.... Dertien dingen meegepikt." "Twee prachtige nikkelen
dompers, 'n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in
gegleufd: twee kleurige kandelers, 'n nikkelen wekkertje, 'n mooie
doos met spullen d'r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar
't had 'r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes."
[Ontdekking.] Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit,
aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt,
moet hij 't hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel
weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograaf
Van Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen
den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt
wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten,
een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een
zijden doek! En eindelijk f 86 uit een geldkistje en de lens van 't
fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. 't Moest spaakloopen
en 't gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars
zijn getuigen, de burgemeester komt den braven ouë halen, onder
't geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar 't hok gebracht.
[Vrouw Hassel.] 't Gaat naar beneden met de familie Hassel. Vrouw
Hassel is een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek,
lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige
huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst
dacht ze dat 't aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar
langzaam voelde ze 't ontglippen en was er niets meer in 't hoofd dan
een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms
hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, een scheldwoord. De stem
van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten
begrijpen de ziekte niet, denken dat 't luiheid of slaperigheid is,
als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de
suffe, huilerige vrouw.
[De kinderen.] Dirk en Piet zijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel
ondergaan. "Stille zuipers", zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een
woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie
"twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar,
haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met 'r
hoogzwaar, frisch boerinne-lijf", die een "meneer wou hebbe; 'n meneer
met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande.... 'n faine
hoed.... 'n faine jas", die mevrouw wou worden en meiden in dienst
wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: "Je foàder
hep stole! jou foàder is d'r 'n laileke dief." "D'r sekretarie-heertje
keek 'r niet meer aan,--stel je voor, de dochter van 'n dief!--en
maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen."
[Kees de Strooper.] Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,
Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere
Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch
met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch
welk een teerheid in dien reus voor z'n ziek jongetje, Wimpie. "Wimpie,
tot ruim zes jaar, als 'n mol zoo dik geweest, in 'n korten tijd
door z'n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze 'n
schik in 'm gehad vroeger..... Net 'n bonk spek, zoo lollig vet als ie
was. Toen flap! in eens 'n heupziekte, die 'm uitmergelde, zijn voeten
en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde,
vergroeien liet. Als 'n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo
al drie jaar lag ie in z'n donkeren vunzen krothoek te groeien,
maar te vergaan, meteen werd 't manke bedje te klein voor zijn lijf,
duizelde om 'm kinderlawaai en gekrijsch."
Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig
huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in
huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een "helhaak"
van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man
en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk:
vaak geen werk, vooral 's winters niet en dan hongerlijden. En echt
leven-van-ellende. Niets moois is er in z'n leven dan de liefde voor
Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper
wordt een dronkenlap, "iederen dag zwaaiend door de straatjes,
gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze
vroeger nooit dronken hadden gezien."