[De landstreek.] In "de Vlaschaard" heeft Stijn Streuvels ons
uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij
woont. Zijn landhuis "'t Lijsternest" staat te Ingoyghem bij Kortrijk;
voor dien tijd woonde hij als de pasteibakker Frank Lateur te Avelghem,
een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven
heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus
door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot 't schoonste
deel van Vlaanderen: 't is een heuvelachtig land, de grond is uiterst
vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.
In "de Vlaschaard" is duidelijk te bemerken dat deze streken
beschreven worden, zoo b.v. in 't begin van 't prachtige hoofdstuk
"Bloei". "Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van
elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke
velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs
heel den overkant der Schelde tot op 't hooge van den heuvelrand waar
de wereld eindigt." En verder: "Een breede wal omsingelt de bouwing
en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang,
beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en
lijfeigenen staan er rond geschaard en daar woekert en wemelt het
van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader
en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning,
wiens wil op zijn doening de eenig geldende is."
[Invloed der Natuur op de menschen.] Streuvels' werk is niet enkel
natuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een
bepaald "geval" in verteld wordt, maar het leven van zijn boeren is
innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is
de Natuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. 't Gevolg
hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol
spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan
men zich dat in 't begin dacht. Niet het karakter en de daden van
de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht,
die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat
vooral is 't grootsche, 't epische in Streuvels werk en dat maakt
het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer,
geen bedacht gevalletje.
[De boer afhankelijk van de Natuur.] Wie is meer afhankelijk van
de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste,
laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk
is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten 't werk van
maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor
't overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet
langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van
't noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich
weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit
"de Vlaschaard". Zoo bv. dadelijk in 't begin waar van den ouden
Vermeulen die al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt:
"altijd moet hij vechten en volhouden en op 't einde blijven staan in
gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk,
over zijn have en goed." Als het vlas gezaaid is, is voor den boer
't groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. "De
groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers
(knechten) en werklieden elders bezig zijn en de boer leeft van nu
voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd
aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang
der dingen beheerscht en beheert." Ook als het wieden gedaan is en
de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te
geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in
"Bloei" een zin als deze: "'t Overige moesten ze afwachten: heel hun
bedrijf, al hun werken en onkosten 't stond buiten aan 't genadig of
't ongenadig wisselspel van 't lot overgelaten. Met hunne handen
konden ze er niets aan helpen...."
In 't geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al
die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig
aan 't al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders
gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel
zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het
dagenlang of er niets van 't vlas terecht zal komen; later als de
slijting komt, wil hij 't niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste
opbrengen; éen hagelbui dwingt hem 't gewas tegen een veel geringeren
prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.
Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische
levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou
maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer
de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde
slagen van 't Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de
schenkster van al 't goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn
levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij
ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten
groeien. Alles in de Natuur is op zoo'n dag vol vreugde en geluk,
alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan
kunnen treuren?
[Pessimisme.] Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is,
bij den mensch die buiten de natuur leeft. "Pessimisme wordt geboren
uit nadenken, uit ontleden, is eene ontaarding bij den mensch en
woekert ook het weligst ver van alle natuurlijkheid, ver van de bron
van 't leven (de natuur)--in de wantoestanden die de opeenhooping
(de stad) te weeg brengt:--Stel mijn buitenmensch met zijn breeden
zwaai bij 't werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de
velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den
drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets
als blijheid, dan 't geen hij met 't overschot van zijn geld, koopen
kan--daar ontstaat de jacht en het uitrekenen om te winnen, in plaats
van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk
de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid,
het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er 't beste en
't menschelijkste is der twee machten.
1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;
2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en
leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut,
noch vreugde beleeft." [19]
['t Levenwekkende der Natuur.] Dit levenwekkende van de Natuur, het
werken van den boer als levensnoodwendigheid en 't genot van zijn
werk doet Streuvels in "De Vlaschaard" telkens uitkomen. Zoo b.v. de
invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boer Louis Vermeulen,
die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden
heeft tot morren. "Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt
den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en
werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed:
daar welde 't geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar
boven gelijk het leven in 't nieuwe jaargetijde rondom hem." Zoo
ook het eerste buitenwerk voor de knechten, 't is geen tredmolen,
maar juist als in de Natuur, 't begin van een nieuw leven.
"Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet van het jonge
jaar. Niemand dacht er aan dat 't herbeginnen en herdoens was van
't geen ze zooveel jaren reeds begingen--een werk dat in gedurigen
draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een
nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden."
Vooral ook de zaaitijd, als de "zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden
en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij
doen was en met niets anders." "Hij voelt zich op het hoogland de
belangrijke uitvoerder van een groote daad:--de levenwekker op het
doode land."
Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid
tusschen 't vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens
dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.
Evenals 't vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten
in 't muffe huis, nu hebben ze "'t beurelen en heien gehoord van
't losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen
zij achter (na) doen op hare beurt." Ten slotte als toppunt van alle
vreugde de "slijting", het groote landfeest.
In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme,
't is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd,
het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een
sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer
mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de
levensvreugde keert terug.
[Tweeërlei natuur in den boer.] We zagen boven hoe de boer zich
gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij
tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z'n
vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt
de oogst dan is 't niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en
in 't algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar
daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo
zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: 't is niet door
omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt,
maar 't is zijn eigen schuld. Hij heeft b.v. niet den meest geschikten
grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft 't land niet goed
bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd,
de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting,
dan is hij een tiran voor zijn werklui en "zou wel bekwaam zijn,
tegen een muur, zijn hoofd in te loopen."
Er is dus tweeërlei natuur in den boer: de geest van berusting
tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld
de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten
uit te beelden in De Vlaschaard. [20]
[Boer Vermeulen en de Natuur.] De oude Vermeulen is zoo'n
boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas
neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.
"Vermeulen stond stil met 't voorhoofd tegen 't vensterraam geleund
naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen
waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn
lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog
en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen
van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden
waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te
vragen hoe 't op den vlaschaard vergaan was." Als hij later op 't veld
komt om de verwoesting te overzien, blijft hij die kalmte bewaren. "Hij
zuchtte niet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene
stond--zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap
grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde
zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al
evenwel was hij diep geschokt--al waar hij keek was 't hetzelfde,
't scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks
schoone dagen--heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen
slag was alles verpletterd 't geen zoo'n langen tijd van doen had op
te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade,
al dat verloren werk en verwenschte dat domme toeval waar niemand de
noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon."
Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet
wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit
stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op 't hoogkouter. Louis vond
het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer
't hoogere land. 't Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven
er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer
Vermeulen. "De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg
hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die
hem 't meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn
herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over
zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij
ontmoette zijn werk te toonen--maar nu niet; hij verging van schaamte
want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg."
Duidelijk blijkt die "dubbele gezindheid" bij den hagelslag: het
ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen,
maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs 't
lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige
haver staat. En zie: "de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het
geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging. En de boer
die bij 't overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten,
loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn
ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg."
[Nijver der boeren.] In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel's
boeren staat een andere: hun jaloerschheid en onderlinge naijver. "In
hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer
willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen
aan hun eigene en boven te zijn bij een ander." "Iedereen wil de groote
baas zijn, de welweter in 't boeren, de kenner van land en vruchten,
de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen."
[Verkoop van 't vlas.] Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei
in 't vlas komt en de "vlaskutsers", de kooplui 't land beginnen af
te loopen. Dan komt het uit wie 't beste vlas heeft, want de kooplui
laten zich niet beetnemen. 't Beste vlas gaat naar de Leie om te roten
("Leiroote"), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten
rondom 't land ("Blauw- of Veldroote"). Heeft de boer niets dan
Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas,
zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt
smalende van de "hottekrotters" die hun hoopje pruts ergens in een
put dompelen en de peste verwekken in 't land. Allen pochen op de
ongeloofelijke prijzen waarvoor 't vlas verkocht is, maar een ander
op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer
niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. "Elk
is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de
weerde er van."
[Karakter van Vermeulen.] Vermeulen, de hoofdpersoon uit Streuvels'
Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in
't voorafgaande geschetst is. Vol berusting als harde noodlotsslagen
hem treffen, vol grimmige woede als de vrucht mislukt door eigen schuld
en jaloersch als misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij
den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam
moet ophouden. "Hij heerschte als een koning op zijn hof en over
heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger
dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en
barsch den raad gaf en 't woord voerde bij de andere boeren; hij die
de oude gebruiken van 't leven in stand hield, die boerde volgens
oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht
(eerste voorjaarswerk op 't land), hun oogst en andere werkzaamheden
te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het--Vermeulen doet het
niet--gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond
en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom
en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij
kende zich als de sterkste, de verstandigste en wist al de anderen
onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven."
[Zijn vrouw.] Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand
heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn
macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch
en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn
vrouw, Barbele, hem de waarheid: "Ge maakt u hatelijk in plaats van
bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening. Mij
hebt ge nooit een schoon woord gegeven--hebt altijd de beeste gespeeld
met mij, alsof ik uw maarte (dienstmeid) ware; vanaf dat we getrouwd
zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen." Toch weet Barbele veel
van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken
zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele's invloed
op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel
heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding
hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze
zouden veranderen, hij had 't stellig niet gedaan!
[Zijn dochters.] 't Zijn nufjes geworden. "Vermeulen herkende zijn
eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen
in haar bijzijn." "Dat zijn mijn dochters niet," bromt hij, als de
vacantie om is, "ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn." Maar hij
zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: "Wie op
't hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met 't volk naar 't
veld en in den stal zullen ze zijn en bij 't werk en overal," voegt
hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte "de zaak wel
effen maken met een stomp van zijn zware kloefen" (klompen). Wie zijn
wil niet doet, schopt hij van 't erf, al is 't dan ook zijn eigen kind.
[Verhouding tot Louis.] Een ding is er echter dat hem alle dagen
barscher en koppiger maakt: de verhouding tot zijn zoon Louis. Ook
deze onaangename toestand vloeit voort uit zijn heerschzucht en zijn
jaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit
heeft hij er aan gedacht dat er verandering zou kunnen komen. En
die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden:
"een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met
blozenden kop en wakkere oogen." Plotseling voelt de oude boer het
als een steek in zijn hart: die jongen is een mededinger. "Dat was
het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord
lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen
wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer."
[Louis een mededinger.] Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn
heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote
onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker,
meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste
tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den
ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor
oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met
kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger:
"in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen
zelf." Dan ziet hij "dat de zoon niets anders is dan 't voortzetsel en
't hernemen van 't vergane leven van den vader.... de spruite van den
ouden boom." Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die
natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den "ouden,
pezigen kamper" geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten "als een
oude grolpot, die 't leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder
er nog aan mee te doen--die als een vreemde in eigen huis zal kijken op
't geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood." De oude,
weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen
zijn jongen mededinger en 't zal een strijd worden op leven en dood,
want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.
[Louis wordt behandeld als een onmondige.] Voorloopig doet de
oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee
uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog
eens in zijn vertrouwen genomen zou hebben, nu is daarvan natuurlijk
geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van
boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat
besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen
zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.
Als Louis vraagt: "Vader, waar zaaien we 't vlas dees jaar?" maakt
Vermeulen een "afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op
die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar
het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?" Als ook
de boerin zich in 't gesprek mengt en er nog over de zaak wordt
doorgepraat, houdt Vermeulen z'n mond en doet of dat alles hem niet
aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet
gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en
't werkvolk spreken er over, wàar 't vlas dit jaar gezaaid moet worden;
er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk
in de laagte van 't dal en een ander op de hoogte van de glooiïng:
het laagkouter en 't hoogkouter. Men is 't er niet over eens, doch
daar hoort de oude boer dat Louis er voor is 't laagkouter dit jaar
als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens
kop: "dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden." Alleen dus
weer om 't anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door,
tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. "'t
Voordeel van de ligging, 't voordeel van den grond werd uitgelegd en
bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte
't nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen."
[Spanning tusschen Louis en z'n vader.] Zoo moet er langzamerhand
spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand
die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. 't Eerste gevolg
is dat hij langzamerhand de achting voor z'n vader verliest. Hoe had
hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. "Als
jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn
vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele
wereld met een absolute kennis van alles. Als vader het gezegd had,
was het waarheid en 't geen vader gedaan had was goed. Een woord uit
vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over
welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren
over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader
in 't wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien
hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die
opperste alwetendheid van zijn vader.
[Louis verliest de achting voor z'n vader.] Maar Louis is iemand met
een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint
zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het
landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer
inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt
hij tot zijn teleurstelling "dat er een hoogere wetenschap was van 't
bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch
begrip." Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking
nl. "dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid
in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap."
Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk
op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachting
behandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken
voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige
twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en
't voorloopig "aan zijn botten veegt", maar als z'n vader hem weer
eens op zoo'n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel
in zich en dan ziet hij dien man "als een vreemden boer, niet als
zijn vader." En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld,
een strooming die naar buiten wilde--"hij onderdrukte en toomde zijn
gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer
tegen de grove zware gestalte van zijn vader."
De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn
zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hij wordt oud. En dan vooral
te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. 't Vlas wil
niet, er blijven kale plekken op 't veld; andere jaren lokte Vermeulen
ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nu schaamt hij zich en gaat
slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem
kwelt. "Moest hij 't aannemen als een teeken dat hij oud werd en te
suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?"
Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt
door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou 't geweest zijn
als zijn plan was uitgevoerd!
[Besluit om Louis weg te zenden.] Steeds duidelijker wordt het dat de
jonge boer gelijk had: 't vlas wordt niet meer dan middelmatig, de
haver daarentegen, die op 't laag-kouter gezaaid is, staat prachtig
en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas
stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de
gunstige ligging van 't veld gespaard. Vermeulen moet 't zich zelf
wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist
dàarom begrijpt hij ook, dat hij z'n zoon op den duur er niet onder
kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal
binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude
stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel: Louis
moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid
toe: Legijns boerderij zal verkocht worden! Die zal hij koopen voor
Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en
dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is
uit de bane gekegeld!
[De aanleiding.] Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat
Vermeulen wel inziet dat z'n vrouw 't niet met hem eens zal zijn. Hij
moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat
't verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen "zocht een
botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken
en in gramschap vast te stellen 't geen bij hem nu reeds vaststond:
de scheiding."
[Louis en Schellebelle.] Heele dagen ligt hij nu op de loer om
te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen
rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets: de verhouding van Louis
tot Schellebelle. [21] Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat
zijn dochters waren--hij wilde immers z'n dochters zien "als struische
blokken, boerendeernen van 't Vlaamsche ras, met heur hert op heur
lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen
als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven 't geen ze in hebben en
werken nevens den sterksten werkman"--maar 't is slechts een eenvoudig
dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen,
ze is op 't oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te
krijgen. 't Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle
en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel
wat drukte van, spreekt tegenover Louis van "die vuile meid" en
loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat
"Louis zich aan vrouwvolk verslingert", maar z'n verstandige vrouw
bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. "Zeg liever dat ge
Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit
dat ge hem wèg wilt hebben", voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo
lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar,
want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.
['t Koopen van Legijns hoeve.] Eindelijk komt de groote gebeurtenis:
Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn
hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate
mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren
eens zijn meerderheid laten voelen. "Hij ondervond om de boeren hun
oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne
ooren zou donderen." Hij is weer de boer, hij is nog altijd de oude
Vermeulen.
[Botsing met Louis over de slijting.] Dan opeens de ontnuchtering
als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting
van 't vlas door te gaan, overtreden, en voor 't eerst is op de
hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De
botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op
't oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De
oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.
De oude heerscher heeft overwonnen, maar--hij voelt het--toch ook
verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft,
is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer
de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken,
zijn kracht is weg.
[Zielestrijd van Vermeulen.] 't Laatste deel van "De Vlaschaard"
doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat
Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd
van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z'n taai volhouden,
zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het
vaderlijk gezag gehandhaafd; dan 't gevoel dat hij een moordenaar is;
hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien
't hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid
opnieuw boven als hij 't geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart
knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe 't met Louis
is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard
niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de
dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig
buigt de oude boer 't hoofd. Nog gaat hij niet naar z'n zoon, maar
eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en
zet zich aan 't bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer;
't is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt
als een teedere moeder. Daar aan 't ziekbed ziet Vermeulen eindelijk
in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willen verzetten tegen
een natuurwet, hij zag niet in "dat hij maar een nieteling was in
't wentelen der groote gebeurtenissen."
Als de oude Poortere vraagt wat er moet gebeuren op 't veld, zegt de
boer hortend: "Doe maar.... 't is al wel; 'k en weet het niet." Zijn
heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn
eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat
niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met
de kracht van den ouden Vermeulen.