2. door de daden en woorden van Markus.

[Het leven van Johannes.] Johannes gaat thans in 't "volle

menschenleven": hij "wil een mensch zijn onder de menschen en een

goed mensch, die goed doet aan de menschen." Maar zijn taak is zwaar,

niet altijd is het hem mogelijk op 't rechte spoor te blijven, soms

dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus

hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen

en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden

een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.

Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen,

met kermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet

scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en 's nachts

mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in

dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is

met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. 't

Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek

met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.

[Marjon.] Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid

en terwille van wie hij zal trachten vol te houden: Marjon, het arme

meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van

blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met

Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet

om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur

en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de

zoekende, droomende Johannes.

[Tante Séréna.] Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui,

trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt

het hem te machtig en hij is blij dat tante Séréna hem laat halen in

't mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem

geen raad: "Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang", is

't eenige wat hij zegt.

[Hekeling van de schijnvroomheid.] Bij tante Séréna komt Johannes in

een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning

Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich

zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij

haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans,

waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten,

kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn

't volgens de oude meid Daatje "veranderde menschen."--"Volgens Daatje

was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer

hij deugen kon."--Een feest is 't als dominee Kraalboom op 't avondje

verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de

dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet

zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: "Verandering". [17]

Ook tegenover Johannes doet hij erg gewichtig,--maar maakt zich heel

boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje

het zooveel slechter hebben dan tante en hij.

Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar

omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes,

zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen. [18]

Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn

opvatting van 't Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de

aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken,

die 't koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de

menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt

daartegenover zijn meening:

't Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg

van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.

Men moet genieten van 't schoone in de schepping: Zou de Vader

bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt

en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?

De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan,

omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet

het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.

Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht:

hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht

bij Marjon.

[Pan.] Een intermezzo in dit gedeelte is het uitstapje van Wistik

en Johannes naar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij

heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche

maatschappij, van den tijd toen de menschen Pan d.i. de natuur,

nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk

zooals nu: "We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad," zegt

Wistik, "het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet." Dan

ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen

en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert

met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en

hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met

de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken,

versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.

[Vlucht naar Duitschland.] Johannes en Marjon besluiten samen te

vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het "Zwarte Wijf",

dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts

afschuw inboezemt.

Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen,

Marjon maakt de melodie en met Keesje, 't aapje, halen ze 't geld

op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie

en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter

dan Johannes.

[Gravin Dolorès en Van Lieverlede.] Na eenigen tijd komen ze

toevallig in aanraking met de meisjes Olga en Frida en daardoor met

gravin Dolorès en Van Lieverleede, die aan spiritisme doen. Dit

gedeelte is--evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee

Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès

zijn leden van "een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en

gemeenschappelijke verbetering van ons karma." Van Lieverleede heeft in

Johannes wat bizonders ontdekt. "Wij Johannes," zegt Van Lieverleede,

"behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de

litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige--of

laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst." "Gravin Dolorès is

onze zielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en

lelie-blanke veluw-puurheid." Van Lieverleede's woordkeuze is echt

spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van

"De Kleine Johannes." (deel II blz. 193).

[In de mijnstreken.] Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van

den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling

ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen: de dood van

Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat

in deel III blz. 3 gezegd wordt: "Pan is dood, zijn schoon wonderland

gaat te gronde").

Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid

te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de

puinhoopen van 't oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider

hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en

Windekind, als de zon schooner is dan de maan. Markus voert hem te

midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze

verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal,

als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die

vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en

die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige

zaak, voelt Johannes het schoone van 't nieuwe leven. Dan jubelt

het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening

grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.

[Afdwaling.] Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt

hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravin Dolorès, met de

kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, met Van Lieverleede die

hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het

ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en

te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen

dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en

die spreekt van "'t kappersluchtje van die kwiebus met z'n kuif." Zij

voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil

Johannes niet raden: hij moet zelf een keuze doen. Na veel strijd

scheidt Johannes van Marjon.

[In Engeland.] Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt

in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij lady

Crimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé's geeft. Haar

man "is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door

bloedzuiverende pillen." 't Is dus een echte parvenu-omgeving, een

kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer

optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk,

zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden

als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral

met zijn "Hollandsche Nationaal Hymmen" veel lof inoogst. Met

de andere wondermenschen die op zoo'n avond hun krachten moeten

vertoonen--professor van Pennewitz en mijnheer Ranji-Banji-Sing--is

't net als met Johannes, alles humbug en bedrog.

Veel indruk maakt op hem de dood van Hélène, die boet voor de zonden

harer ouders, 't slachtoffer van degeneratie en die van angst en

zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonen Bangeling en

Degeneratie drijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98-101 en 163 van

't derde deel).

Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien

verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze

meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact

zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of 't

huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen

Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den

graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat

de gravin liefde voor hem gevoelde.

[Onder de Spiritisten.] Toch blijft hij nog altijd eenige hoop

koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin

de spiritistische séances van de Plejaden te Scheveningen bijwoont,

want door de geesten worden "eenstemmig Johannes en gravin Dolorès

aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst

te verwachten was." "Johannes moest naast de gravin zitten en

haar hand vasthouden, en zoo te zamen de berichten der geesten

neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en

een zoete beproeving."

Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der

Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. 't

Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal,

die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des

grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;

Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, "die zoodanig met

zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op

hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op 't geen hij zelven zeide"

en de "niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig

en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was."

Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot

gravin Dolorès geheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. met Van

Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen,

dan z'n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als

kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op

zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer

geworden is, vindt hij ook Markus terug.

[Tegen het Katholicisme.] Nog éen gevaar bedreigt Johannes--de Octopus

heeft vele armen!--hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door

den handigen pater Canisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede

overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel

menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn

bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het

vroeger Kraalboom deed.

[Markus in 't krankzinnigengesticht.] Markus wordt, vooral door toedoen

van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht

opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen

der wetenschap, verpersoonlijkt in Bommeldoos, een lesje te

geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige

geleerde, Dr. Cijfer.

['t Rijk van Koning Waan.] Een intermezzo is de droom van Johannes,

zijn verblijf in 't rijk van Koning Waan, in 't rijk van den

Octopus met z'n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten

val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen

(de slechte menschelijke eigenschappen) Bangeling, Labbekak, Goedzak,

Pluizer, Sleur, Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de

menschen in 't rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel

wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee

Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van

handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst

werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in

een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad;

een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het

ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet;

professor Bommeldoos die bezig is z'n eigen hersens te onderzoeken;

de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei

strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of

economisch gebied o. a. de sociaal-democraat Dr. Felbeck die "trapte

en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog"; tal van

labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of

vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.

[Beschermd door Kennis en Liefde.] Koning Waan wil ook Johannes grijpen

maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van

Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon. Kennis en Liefde beschermen

den mensch tegen de vangarmen van Waan.

[Onder de Socialisten.] Markus is verder in 't laatste deel geheel

de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus

treedt handelend op. Hij bestraft pater Canisius, spreekt op de

socialisten-vergadering tegen Dr. Felbeck en den anarchist Hakkema,

die volgens Markus 't volk "paaien, vleien en honigsmeren" en er

zoodoende "ingebeelde dwazen" van maken. Elk herzie zich zelf. "Het

goede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik

van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd." De

klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een

strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen

en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus

niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën,

hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.

[Tegen 't koningschap.] Als slot de redevoering van Markus tegen 't

koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen

voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten,

allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan

blinkende schijn. "Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen

vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de

wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En

toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun

onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende." Beklagenswaardig zijn de

koning en de koningin. "En gij twee arme menschen, bedolven onder

den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!--de

bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet

hebben--moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in

vergevend erbarmen."

[Dood van Markus.] Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld

dat hij naar 't ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige

operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan

't kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast

twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest

ondervinden. Markus' lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon

hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met

kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel

ze kunnen missen, maar 't is niet genoeg. Eindelijk komt de goede

tante Séréna maar dan is 't al te laat, niemand kan meer zeggen welke

de deelen van Markus lichaam zijn. Zoo is z'n leven één liefdedaad,

zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.

[De Maatschappij der toekomst.] Van Eeden schildert ons ook nog

den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig

verricht, maar 't goede zaad is uitgestrooid en zal eens vruchten

voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: "Maar lieve

Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit

inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om

je, noch om je woorden."

"Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat

kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde,

het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren

en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te

kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de

wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de

gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam

uit dat nietige zaadje." "Het vonkje is gevallen en gloeit voort in

't verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd."

Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes

droomt dat hij Windekind terugvindt en deze laat hem zien hoe 't er op

aarde na duizend jaren zal uitzien. 't Is heel natuurlijk dat juist

Windekind en niet Wistik Johannes begeleidt: de kennis kan ons iets

zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes

naar 't oude Griekenland voerde, maar de fantasie alleen kan ons

voorgaan in de toekomst.

[De menschen.] De menschen in dat land der toekomst zijn geheel anders

dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken,

maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan:

allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding

harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine

en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van 't

landschap. De mannen hebben volle baarden, de vrouwen hebben hunne

vlechten om 't hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.

[Eén met de natuur.] De natuur is schoon als in den tijd toen men

Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de

duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte,

koel ruischende loovermassa's vereenigd; kleurige bloemen en rijk

bloeiende heesters groeien in 't wild en tusschen dat alles zijn de

blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden

opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun

hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben

't middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte

steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de

zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men

sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven

door 't luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. "Het was

de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want

ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu

hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn,

en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd,

van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en

geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn

tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige

eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het

strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur,

ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet."

[Staatsbestuur.] In den politieken toestand is verandering

gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot

huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van

den Broeder. "Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons

verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,"

is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus

die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap. Johannes

ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende

staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem:

"Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de

waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke

vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters,

meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen,

regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet

allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men

zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben

geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze

zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de

schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen."

[De godsdienst.] 't Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een

prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan

gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren,

componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden

vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde

voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken

duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt

"heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en

eenvoudig--dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een

danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband

tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring." Allen voelen

zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin,

onder Vaders zegen.

[Het werk van Markus.] En dat alles is het werk van éen, "dat heeft

uw goede Broeder gedaan," zegt Windekind tot Johannes. Het zaadje is

ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe

zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van

dat nietige zaad. Eens zal Markus' geest op aarde zegevieren.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 78 / 83 题