[Het leven van Johannes.] Johannes gaat thans in 't "volle
menschenleven": hij "wil een mensch zijn onder de menschen en een
goed mensch, die goed doet aan de menschen." Maar zijn taak is zwaar,
niet altijd is het hem mogelijk op 't rechte spoor te blijven, soms
dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus
hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen
en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden
een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.
Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen,
met kermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet
scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en 's nachts
mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in
dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is
met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. 't
Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek
met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.
[Marjon.] Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid
en terwille van wie hij zal trachten vol te houden: Marjon, het arme
meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van
blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met
Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet
om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur
en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de
zoekende, droomende Johannes.
[Tante Séréna.] Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui,
trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt
het hem te machtig en hij is blij dat tante Séréna hem laat halen in
't mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem
geen raad: "Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang", is
't eenige wat hij zegt.
[Hekeling van de schijnvroomheid.] Bij tante Séréna komt Johannes in
een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning
Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich
zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij
haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans,
waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten,
kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn
't volgens de oude meid Daatje "veranderde menschen."--"Volgens Daatje
was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer
hij deugen kon."--Een feest is 't als dominee Kraalboom op 't avondje
verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de
dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet
zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: "Verandering". [17]
Ook tegenover Johannes doet hij erg gewichtig,--maar maakt zich heel
boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje
het zooveel slechter hebben dan tante en hij.
Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar
omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes,
zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen. [18]
Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn
opvatting van 't Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de
aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken,
die 't koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de
menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt
daartegenover zijn meening:
't Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg
van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.
Men moet genieten van 't schoone in de schepping: Zou de Vader
bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt
en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?
De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan,
omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet
het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.
Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht:
hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht
bij Marjon.
[Pan.] Een intermezzo in dit gedeelte is het uitstapje van Wistik
en Johannes naar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij
heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche
maatschappij, van den tijd toen de menschen Pan d.i. de natuur,
nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk
zooals nu: "We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad," zegt
Wistik, "het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet." Dan
ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen
en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert
met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en
hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met
de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken,
versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.
[Vlucht naar Duitschland.] Johannes en Marjon besluiten samen te
vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het "Zwarte Wijf",
dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts
afschuw inboezemt.
Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen,
Marjon maakt de melodie en met Keesje, 't aapje, halen ze 't geld
op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie
en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter
dan Johannes.
[Gravin Dolorès en Van Lieverlede.] Na eenigen tijd komen ze
toevallig in aanraking met de meisjes Olga en Frida en daardoor met
gravin Dolorès en Van Lieverleede, die aan spiritisme doen. Dit
gedeelte is--evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee
Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès
zijn leden van "een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en
gemeenschappelijke verbetering van ons karma." Van Lieverleede heeft in
Johannes wat bizonders ontdekt. "Wij Johannes," zegt Van Lieverleede,
"behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de
litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige--of
laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst." "Gravin Dolorès is
onze zielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en
lelie-blanke veluw-puurheid." Van Lieverleede's woordkeuze is echt
spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van
"De Kleine Johannes." (deel II blz. 193).
[In de mijnstreken.] Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van
den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling
ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen: de dood van
Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat
in deel III blz. 3 gezegd wordt: "Pan is dood, zijn schoon wonderland
gaat te gronde").
Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid
te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de
puinhoopen van 't oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider
hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en
Windekind, als de zon schooner is dan de maan. Markus voert hem te
midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze
verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal,
als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die
vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en
die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige
zaak, voelt Johannes het schoone van 't nieuwe leven. Dan jubelt
het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening
grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.
[Afdwaling.] Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt
hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravin Dolorès, met de
kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, met Van Lieverleede die
hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het
ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en
te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen
dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en
die spreekt van "'t kappersluchtje van die kwiebus met z'n kuif." Zij
voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil
Johannes niet raden: hij moet zelf een keuze doen. Na veel strijd
scheidt Johannes van Marjon.
[In Engeland.] Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt
in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij lady
Crimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé's geeft. Haar
man "is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door
bloedzuiverende pillen." 't Is dus een echte parvenu-omgeving, een
kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer
optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk,
zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden
als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral
met zijn "Hollandsche Nationaal Hymmen" veel lof inoogst. Met
de andere wondermenschen die op zoo'n avond hun krachten moeten
vertoonen--professor van Pennewitz en mijnheer Ranji-Banji-Sing--is
't net als met Johannes, alles humbug en bedrog.
Veel indruk maakt op hem de dood van Hélène, die boet voor de zonden
harer ouders, 't slachtoffer van degeneratie en die van angst en
zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonen Bangeling en
Degeneratie drijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98-101 en 163 van
't derde deel).
Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien
verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze
meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact
zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of 't
huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen
Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den
graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat
de gravin liefde voor hem gevoelde.
[Onder de Spiritisten.] Toch blijft hij nog altijd eenige hoop
koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin
de spiritistische séances van de Plejaden te Scheveningen bijwoont,
want door de geesten worden "eenstemmig Johannes en gravin Dolorès
aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst
te verwachten was." "Johannes moest naast de gravin zitten en
haar hand vasthouden, en zoo te zamen de berichten der geesten
neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en
een zoete beproeving."
Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der
Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. 't
Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal,
die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des
grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;
Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, "die zoodanig met
zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op
hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op 't geen hij zelven zeide"
en de "niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig
en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was."
Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot
gravin Dolorès geheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. met Van
Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen,
dan z'n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als
kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op
zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer
geworden is, vindt hij ook Markus terug.
[Tegen het Katholicisme.] Nog éen gevaar bedreigt Johannes--de Octopus
heeft vele armen!--hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door
den handigen pater Canisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede
overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel
menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn
bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het
vroeger Kraalboom deed.
[Markus in 't krankzinnigengesticht.] Markus wordt, vooral door toedoen
van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht
opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen
der wetenschap, verpersoonlijkt in Bommeldoos, een lesje te
geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige
geleerde, Dr. Cijfer.
['t Rijk van Koning Waan.] Een intermezzo is de droom van Johannes,
zijn verblijf in 't rijk van Koning Waan, in 't rijk van den
Octopus met z'n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten
val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen
(de slechte menschelijke eigenschappen) Bangeling, Labbekak, Goedzak,
Pluizer, Sleur, Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de
menschen in 't rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel
wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee
Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van
handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst
werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in
een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad;
een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het
ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet;
professor Bommeldoos die bezig is z'n eigen hersens te onderzoeken;
de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei
strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of
economisch gebied o. a. de sociaal-democraat Dr. Felbeck die "trapte
en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog"; tal van
labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of
vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.
[Beschermd door Kennis en Liefde.] Koning Waan wil ook Johannes grijpen
maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van
Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon. Kennis en Liefde beschermen
den mensch tegen de vangarmen van Waan.
[Onder de Socialisten.] Markus is verder in 't laatste deel geheel
de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus
treedt handelend op. Hij bestraft pater Canisius, spreekt op de
socialisten-vergadering tegen Dr. Felbeck en den anarchist Hakkema,
die volgens Markus 't volk "paaien, vleien en honigsmeren" en er
zoodoende "ingebeelde dwazen" van maken. Elk herzie zich zelf. "Het
goede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik
van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd." De
klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een
strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen
en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus
niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën,
hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.
[Tegen 't koningschap.] Als slot de redevoering van Markus tegen 't
koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen
voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten,
allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan
blinkende schijn. "Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen
vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de
wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En
toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun
onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende." Beklagenswaardig zijn de
koning en de koningin. "En gij twee arme menschen, bedolven onder
den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!--de
bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet
hebben--moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in
vergevend erbarmen."
[Dood van Markus.] Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld
dat hij naar 't ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige
operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan
't kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast
twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest
ondervinden. Markus' lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon
hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met
kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel
ze kunnen missen, maar 't is niet genoeg. Eindelijk komt de goede
tante Séréna maar dan is 't al te laat, niemand kan meer zeggen welke
de deelen van Markus lichaam zijn. Zoo is z'n leven één liefdedaad,
zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.
[De Maatschappij der toekomst.] Van Eeden schildert ons ook nog
den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig
verricht, maar 't goede zaad is uitgestrooid en zal eens vruchten
voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: "Maar lieve
Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit
inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om
je, noch om je woorden."
"Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat
kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde,
het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren
en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te
kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de
wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de
gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam
uit dat nietige zaadje." "Het vonkje is gevallen en gloeit voort in
't verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd."
Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes
droomt dat hij Windekind terugvindt en deze laat hem zien hoe 't er op
aarde na duizend jaren zal uitzien. 't Is heel natuurlijk dat juist
Windekind en niet Wistik Johannes begeleidt: de kennis kan ons iets
zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes
naar 't oude Griekenland voerde, maar de fantasie alleen kan ons
voorgaan in de toekomst.
[De menschen.] De menschen in dat land der toekomst zijn geheel anders
dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken,
maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan:
allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding
harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine
en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van 't
landschap. De mannen hebben volle baarden, de vrouwen hebben hunne
vlechten om 't hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.
[Eén met de natuur.] De natuur is schoon als in den tijd toen men
Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de
duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte,
koel ruischende loovermassa's vereenigd; kleurige bloemen en rijk
bloeiende heesters groeien in 't wild en tusschen dat alles zijn de
blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden
opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun
hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben
't middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte
steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de
zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men
sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven
door 't luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. "Het was
de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want
ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu
hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn,
en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd,
van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en
geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn
tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige
eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het
strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur,
ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet."
[Staatsbestuur.] In den politieken toestand is verandering
gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot
huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van
den Broeder. "Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons
verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,"
is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus
die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap. Johannes
ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende
staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem:
"Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de
waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke
vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters,
meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen,
regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet
allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men
zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben
geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze
zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de
schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen."
[De godsdienst.] 't Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een
prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan
gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren,
componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden
vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde
voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken
duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt
"heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en
eenvoudig--dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een
danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband
tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring." Allen voelen
zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin,
onder Vaders zegen.
[Het werk van Markus.] En dat alles is het werk van éen, "dat heeft
uw goede Broeder gedaan," zegt Windekind tot Johannes. Het zaadje is
ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe
zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van
dat nietige zaad. Eens zal Markus' geest op aarde zegevieren.