DERDE ZANG.

[Mei en de dichter.] De dichter zit in den nacht aan den oever

van een rivier, somber gestemd, omdat hij 't droevig lot van Mei

kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem

haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als

de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie

Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje

een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat

ze toen Mei niet wilde zeggen. 't Lot van Mei is ook hààr lot, ook

zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is

"bleek, als water is, beneê den mist der beek."

De dichter keert terug naar Mei en thans--'t is al avond geworden--gaan

ze naar de stad, waar 't huis van de dichter gebouwd is op den

stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: "te

zien der menschen stad, wat die voor werke' en wezens in zich had." De

dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang

zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei

nog in 't huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.

[De dood van Mei.] Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een

gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken

blijft ze staan, "als een bloem van zomerrood, papaver, midden in

gedaver van zonnevuur" en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam

buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt

het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt

het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de

twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den

zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in 't graf gelegd:

"daar ligt bedolven mijn kleine Mei".

[De natuurbeschrijving in Mei.] Mei is, zooals uit deze inhoudsopgave

blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang:

de tocht van Mei door 't Hollandsche landschap, ook een groot deel

van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt

ons hoe de dichter meeleeft met 't schoone dat hem omringt, en hoe

hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en

alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al 't

gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de

zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en

beken, de bosschen en 't Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer

werkende op 't land, de uitgaande school, de smid in z'n werkplaats,

de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over

zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist

voorstellen is 't eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters

natuurbeschrijving te typeeren.

"Ook lag een dorpje in dat dal, waar rook

Fijn wemelde om heen van schouwen; ook

Dat zag ze. Glans maakte de zon in blauwe

En roode pannen, uit de straat was 't flauwe

Gerucht hoorbaar der zwarte smederij,

Het ijzer blonk onder de hamers. Zij

Hamerden in cadans de spranken vuur.

De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-

Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hond

Rondloopen. Onder groene linde stond

Een oud man in de westerzon te zien,

En achter een huis 'n vrouw onkruid te wiên.

Toen ging een schooldeur open en daaruit

Kwamen een stoet van kinderen, geruit

Droegen de meisjes boezelaars, geklos

Van klompen en jongensgeschreeuw brak los.

Twee vochten er, de rest stond er om heen;

Tot meester kwam, toen gingen ze bij tween

En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.

Zij zag ze hier en daar over 't land

En brugjes gaan en langs een lage heg.

En door de dorpsstraat, waar ze plotseling weg

Doken in huis, geborgen onder 't dak.

Toen was 't weer stil behalve het klikklak

Van staal en uit een stal dof koegeloei."

Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die

alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als 't ware slechts enkele

penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die

't geen hij ziet op hem maakt. 't Aangehaalde fragment is een reeks

indrukken, die samen den juisten indruk van 't geheel weergeven.

Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden. Mei

is geen forsch gedicht als Emants' Godenschemering, maar--zooals

Kloos het uitdrukt--"een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel

van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid."

[De Balder-figuur.] Belangrijk is in Mei de figuur van Balder. Volgens

de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die

door toedoen van den boozen Loki verraderlijk gedood wordt. Deze

Balder-geschiedenis is in Emants' Godenschemering behandeld. In Mei

is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst

als zonnegod met zijn geliefde Idoena (volgens de godenleer was niet

Idoena, maar Nanna Balders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier

eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda

gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het

belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij

als 't ware afgesloten van 't geen buiten hem is en juist daardoor

verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in 't vervolg niet meer òm zich,

maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft

nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:

Henen is

Heugenis

Van lust en droefheid die ik immer droeg,--

en daartegenover bloeit steeds meer op 't leven van zijn eigen ziel.

[Invloed der muziek.] Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld:

als muziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands

zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen,

zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.

-- -- -- Muziek heeft met alle dingen

Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen

Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur

Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur

Afwezigheid voor 't oog en schijnarmoede,

Zij is de liefste, allerliefste; moeden

Die zich moe leefden aan het zien en smaken

Der volle wereld, drinken haar en raken

Haar soms met lippen, willen haar altijd--

Zij geeft van alles hun vergetelheid.

Zielsleven is muziek. -- -- -- -- -- --"

Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar

de muziek van z'n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is

geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.

"Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand

Dan zij, mag met mij wonen in dit land."

[Verhouding tusschen Balder en Mei.] Nu is ook duidelijk de verhouding

tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens

Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:

"-- -- -- -- wordt nu een kind geboren

Uit u en mij, dat zal ons toebehooren

Gelijkelijk, omdat wij beide zijn

Elkanders liefde waard, ik uw, gij mijn."

Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude

herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij

Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering

zal spoedig wegvloeien. 't Antwoord kon niet anders zijn dan dit:

"Nooit kan dit zijn, Mei, dat 'k een ander hoore,

Ik Balder, aan een ander; zie 'k ben blind,

'k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind."

[Balder als symbool van den dichter.] Zooals Balder is, is de ware

dichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie

moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.

"Mannen zijn zoo die men dichters heet.

Een jong man zoo, die 't slaafsch leven vergeet

Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort

En naar zich luistert, wat geboren wordt

Aan leven in zich en de wondre daden

Die 't dieper zelf bedrijft, en naar beladen

Winden met klanke' en woorden ongehoord."

[Gorters taal.] Nog een enkele opmerking over de taal van den

dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van

nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters

wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z'n minst

genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees 't gedicht

zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter

zegt en lees in 't begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing

voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat van Kloos:

"Ja, 't is als een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer

van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. 't Gaat hèm als 't

meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is

een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der

oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden,

den allerlaatsten nekslag geeft--er vielen er reeds vele--als zijn

zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar

hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter

en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van

fatsoenlijke prosodie."

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 70 / 83 题