[Mei en de dichter.] De dichter zit in den nacht aan den oever
van een rivier, somber gestemd, omdat hij 't droevig lot van Mei
kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem
haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als
de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie
Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje
een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat
ze toen Mei niet wilde zeggen. 't Lot van Mei is ook hààr lot, ook
zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is
"bleek, als water is, beneê den mist der beek."
De dichter keert terug naar Mei en thans--'t is al avond geworden--gaan
ze naar de stad, waar 't huis van de dichter gebouwd is op den
stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: "te
zien der menschen stad, wat die voor werke' en wezens in zich had." De
dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang
zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei
nog in 't huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.
[De dood van Mei.] Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een
gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken
blijft ze staan, "als een bloem van zomerrood, papaver, midden in
gedaver van zonnevuur" en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam
buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt
het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt
het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de
twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den
zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in 't graf gelegd:
"daar ligt bedolven mijn kleine Mei".
[De natuurbeschrijving in Mei.] Mei is, zooals uit deze inhoudsopgave
blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang:
de tocht van Mei door 't Hollandsche landschap, ook een groot deel
van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt
ons hoe de dichter meeleeft met 't schoone dat hem omringt, en hoe
hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en
alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al 't
gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de
zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en
beken, de bosschen en 't Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer
werkende op 't land, de uitgaande school, de smid in z'n werkplaats,
de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over
zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist
voorstellen is 't eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters
natuurbeschrijving te typeeren.
"Ook lag een dorpje in dat dal, waar rook
Fijn wemelde om heen van schouwen; ook
Dat zag ze. Glans maakte de zon in blauwe
En roode pannen, uit de straat was 't flauwe
Gerucht hoorbaar der zwarte smederij,
Het ijzer blonk onder de hamers. Zij
Hamerden in cadans de spranken vuur.
De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-
Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hond
Rondloopen. Onder groene linde stond
Een oud man in de westerzon te zien,
En achter een huis 'n vrouw onkruid te wiên.
Toen ging een schooldeur open en daaruit
Kwamen een stoet van kinderen, geruit
Droegen de meisjes boezelaars, geklos
Van klompen en jongensgeschreeuw brak los.
Twee vochten er, de rest stond er om heen;
Tot meester kwam, toen gingen ze bij tween
En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.
Zij zag ze hier en daar over 't land
En brugjes gaan en langs een lage heg.
En door de dorpsstraat, waar ze plotseling weg
Doken in huis, geborgen onder 't dak.
Toen was 't weer stil behalve het klikklak
Van staal en uit een stal dof koegeloei."
Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die
alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als 't ware slechts enkele
penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die
't geen hij ziet op hem maakt. 't Aangehaalde fragment is een reeks
indrukken, die samen den juisten indruk van 't geheel weergeven.
Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden. Mei
is geen forsch gedicht als Emants' Godenschemering, maar--zooals
Kloos het uitdrukt--"een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel
van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid."
[De Balder-figuur.] Belangrijk is in Mei de figuur van Balder. Volgens
de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die
door toedoen van den boozen Loki verraderlijk gedood wordt. Deze
Balder-geschiedenis is in Emants' Godenschemering behandeld. In Mei
is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst
als zonnegod met zijn geliefde Idoena (volgens de godenleer was niet
Idoena, maar Nanna Balders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier
eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda
gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het
belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij
als 't ware afgesloten van 't geen buiten hem is en juist daardoor
verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in 't vervolg niet meer òm zich,
maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft
nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:
Henen is
Heugenis
Van lust en droefheid die ik immer droeg,--
en daartegenover bloeit steeds meer op 't leven van zijn eigen ziel.
[Invloed der muziek.] Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld:
als muziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands
zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen,
zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.
-- -- -- Muziek heeft met alle dingen
Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen
Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur
Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur
Afwezigheid voor 't oog en schijnarmoede,
Zij is de liefste, allerliefste; moeden
Die zich moe leefden aan het zien en smaken
Der volle wereld, drinken haar en raken
Haar soms met lippen, willen haar altijd--
Zij geeft van alles hun vergetelheid.
Zielsleven is muziek. -- -- -- -- -- --"
Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar
de muziek van z'n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is
geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.
"Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand
Dan zij, mag met mij wonen in dit land."
[Verhouding tusschen Balder en Mei.] Nu is ook duidelijk de verhouding
tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens
Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:
"-- -- -- -- wordt nu een kind geboren
Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
Elkanders liefde waard, ik uw, gij mijn."
Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude
herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij
Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering
zal spoedig wegvloeien. 't Antwoord kon niet anders zijn dan dit:
"Nooit kan dit zijn, Mei, dat 'k een ander hoore,
Ik Balder, aan een ander; zie 'k ben blind,
'k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind."
[Balder als symbool van den dichter.] Zooals Balder is, is de ware
dichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie
moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.
"Mannen zijn zoo die men dichters heet.
Een jong man zoo, die 't slaafsch leven vergeet
Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort
En naar zich luistert, wat geboren wordt
Aan leven in zich en de wondre daden
Die 't dieper zelf bedrijft, en naar beladen
Winden met klanke' en woorden ongehoord."
[Gorters taal.] Nog een enkele opmerking over de taal van den
dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van
nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters
wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z'n minst
genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees 't gedicht
zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter
zegt en lees in 't begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing
voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat van Kloos:
"Ja, 't is als een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer
van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. 't Gaat hèm als 't
meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is
een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der
oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden,
den allerlaatsten nekslag geeft--er vielen er reeds vele--als zijn
zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar
hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter
en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van
fatsoenlijke prosodie."